13.01.00 Bijzondere bepalingen bij invoer van landbouwgoederen

4. Diverse bepalingen per sector of marktordening

4.1. Bepalingen voor alle sectoren

In de basisverordening (EG) nr. 1234/2007 (hierna vermeld als GMO-verordening) zijn diverse bepalingen opgenomen die voor alle sectoren van toepassing zijn.

Onderdeel Deel III (Handelsverkeer met derde landen) van de GMO-verordening bevat de bepalingen in het kader van de regeling voor de handel met derde landen. Voor zover deze maatregelen van belang zijn voor de taken van de douaneambtenaar en algemeen van aard zijn, worden ze behandeld in deze paragraaf. Specifieke bepalingen voor de sectoren worden vervolgens (kort) behandeld in de afzonderlijke paragrafen 4.2 tot en met 4.24.

Tariefindeling

Voor de indeling van de producten die onder de GMO-verordening vallen, gelden de algemene bepalingen voor de interpretatie van de GN en de bijzondere regels voor de toepassing van de GN.
(artikel 129 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Invoerrechten- en heffingen

Voor de producten die onder de GMO-verordening vallen, gelden bij de invoer de douanerechten. Daarnaast kan er (onder voorwaarden) ook nog een aanvullend invoerrecht van toepassing zijn. Dit aanvullend invoerrecht is een belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
(artikel 135 en 141, Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Invoercertificaten

In Taric-NL en in het tariefbestand van Sagitta zijn per GN-code de heffingen opgenomen die bij invoer worden opgelegd. Daarnaast is hier aangegeven of het verplicht is om voor de goederen een invoercertificaat te overleggen en of er een tariefcontingent van toepassing is (of kan zijn). In het Gebruikstarief Douane is in voorkomende gevallen deze verplichting bij de betreffende goederencode opgenomen. Voor producten die onder de GMO-verordening vallen, kan bij invoer in de Gemeenschap een invoercertificaat verplicht worden gesteld.
(artikel 130 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Bepalingen over handels- en kwaliteitsnormen, telers verenigingen en steunregelingen zijn in het onderdeel Deel II (Interne markt) en Deel IV (Mededingingsregels) van de GMO-verordening opgenomen. Omdat de Nederlandse Douane daar geen taak in heeft, worden de bepalingen daarover hier niet verder behandeld.

Let op:

Voor verwerkte landbouwproducten(ILP) en visserijproducten geldt dat deze niet onder de GMO-verordening vallen. Deze producten kennen specifieke marktordeningen.

  1. 4.2. Sector Granen

  2. 4.3. Sector Rijst

  3. 4.4. Sector Suiker

  4. 4.5. Sector Gedroogde voedergewassen

  5. 4.6. Sector Zaaizaad

  6. 4.7. Sector Hop

  7. 4.8. Sector Olijfolie en tafelolijven

  8. 4.9. Sector Vlas en Hennep

  9. 4.10. Sector Groenten en Fruit

  10. 4.11. Sector Verwerkte groenten en fruit

  11. 4.12. Sector Bananen

  12. 4.13. Sector Wijn

  13. 4.14. Sector Levende planten en producten van de bloementeelt

  14. 4.15. Sector Ruwe tabak

  15. 4.16. Sector Rundvlees

  16. 4.17. Sector Melk en zuivelproducten

  17. 4.18. Sector Varkensvlees

  18. 4.19. Sector Schapen- en Geitenvlees

  19. 4.20. Sector Eieren

  20. 4.21. Sector Vlees van pluimvee

  21. 4.22. Sector Overige producten

  22. 4.23. Marktordening Verwerkte landbouwproducten

  23. 4.24. Marktordening Visserijproducten

Naar boven

4.2. Sector granen

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.2.1);

  • producten waarvoor een belasting in het kader van het GLB verschuldigd is (paragraaf 4.2.2);

  • forfaitaire verlaging van de belasting in het kader van het GLB op grond van kwaliteit en bestemming (paragraaf 4.2.3);

  • afval van maïszetmeelfabrieken uit de Verenigde Staten van Amerika (paragraaf 4.2.4).

Naar boven

4.2.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor granen.
Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel I van bijlage I Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Voor bepaalde producten is geen douanerecht verschuldigd, maar een invoerrecht in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2). De granen waarvoor een invoerrecht geldt, worden behandeld in paragraaf 4.2.2.

Invoercertificaat

Voor producten die onder deze sector vallen, kan bij het brengen in het vrije verkeer een invoercertificaat verplicht zijn. (artikel 130, lid 1, letter a, Verordening (EG) nr. 1234/2007, juncto artikel 1, lid 1, Verordening (EG) nr. 1342/2003, juncto artikel 1, lid 2 onder letter a, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Hiervoor dient het Gebruikstarief Douane geraadpleegd te worden.

Mengsels van granen

Bij het vaststellen van de heffing op mengsels is het van belang welk percentage er van elke soort graan in het mengsel zit. Hierbij geldt het volgende:

  • Als een mengsel voor minstens 90 gewichtsprocenten uit een bepaalde soort graan bestaat, dan wordt de heffing die verschuldigd is voor die soort graan, toegepast op het hele mengsel.

  • Bij andere mengsels wordt voor het hele mengsel de heffing toegepast voor het bestanddeel waarvoor de hoogste rechten bij invoer gelden.

Zie voor meer informatie de aanvullende aantekening op hoofdstuk 10 van de GN, die is opgenomen in het Gebruikstarief Douane.
(artikel 149 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Let op

Bij bepaalde mengsels van een combinatie met granen en rijst wordt de heffing vastgesteld op basis van het bestanddeel waarvoor het hoogste invoerrecht geldt.
(artikel 150 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Naar boven

4.2.2. Producten waarvoor een belasting in het kader van het GLB verschuldigd is

Voor de producten uit de volgende tabel is niet het douanerecht verschuldigd, maar een invoerrecht. Dit invoerrecht is een belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2).

GN-code

Omschrijving

   

1001 19 00

1001 91 20

1001 91 90

Tarwe behalve mengkoren, eventueel voor zaaidoeleinden

1002 90 00

1005 10 90

Rogge

1005 90 00

Maïs, behalve hybriden

1007 10 90

Graansorgho, met uitzondering van hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

Hieronder kunt u lezen:

  • hoe u het invoerrecht berekent;

  • welke kwaliteit u voor de verschillende producten moet aanhouden bij de berekening van het invoerrecht.

Invoerrecht berekenen

Als u het invoerrecht wilt berekenen, gaat u als volgt te werk:

  1. Ga na welke kwaliteit het product heeft.

  2. Ga uit van de interventieprijs voor het product van die kwaliteit, die op het moment van invoer geldig is.

  3. Verhoog de interventieprijs met 55%.

  4. Verminder de verkregen prijs met de CIF-invoerprijs voor het product.

    Let op
    Het invoerrecht mag niet hoger zijn dan het douanerecht. Het invoerrecht is dus maximaal het bedrag dat verschuldigd is als douanerecht.
    (artikel 136 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Kwaliteit

De hoogte van het verschuldigde invoerrecht is afhankelijk van de kwaliteit van de ingevoerde producten. Bij de berekening van dit invoerrecht moet u voor de verschillende producten de volgende kwaliteit gebruiken:

  • Voor producten waarvoor een invoerrecht is verschuldigd, moet u de standaardkwaliteit gebruiken. De standaardkwaliteiten en de toleranties die u moet toepassen, zijn opgenomen in bijlage 2 van Verordening (EU) nr. 642/2010.

  • Voor zachte tarwe en durumtarwe moet u de kwaliteit gebruiken die op het invoercertificaat is aangegeven. De aanvrager moet deze kwaliteit in de certificaataanvraag vermelden.

    Let op
    Als na analyse van de betrokken partij echter blijkt dat het product een lagere kwaliteit heeft dan is opgegeven in het invoercertificaat, dan moet de importeur het verschil aan invoerrechten bijbetalen (tussen de invoerrechten die gelden voor de standaardkwaliteit en de invoerrechten die gelden voor de betreffende kwaliteit). Hij moet deze bijbetaling doen binnen een maand na de bekendmaking van het analyseresultaat. Daarnaast wordt de certificaatzekerheid vrijgegeven exclusief een toeslag van 5 euro per ton.
    (artikel 7, lid 4, Verordening (EU) nr. 642/2010)

  • Voor durumtarwe waarvan de kwaliteit (na analyse) niet blijkt te voldoen aan de opgenomen minimumeisen, moet u het invoerrecht voor de laagste kwaliteit zachte tarwe toepassen (het hoogste bedrag).

Aanvullende specifieke zekerheid voorwaarde voor afgifte invoercertificaat.

Voor zachte tarwe van hoge kwaliteit kan het Hoofdproductschap Akkerbouw een aanvraag om invoercertificaat alleen in aanmerking nemen, wanneer er aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de aanvrager heeft in vak 20 van het invoercertificaat de in te voeren kwaliteit vermeld;

    de aanvrager gaat schriftelijk de verbintenis aan op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een aanvullende specifieke zekerheid te stellen bij de Douane bovenop de in Verordening (EG) nr. 1342/2003 bedoelde zekerheden.

    De aanvullende zekerheid bedraagt 95 EUR per ton. Als echter het invoercertificaat vergezeld gaat van door de Federal Grain Inspection Service (FGIS) of de Canadian Grain Commission (CGC) afgegeven certificaten van overeenstemming, is geen aanvullende zekerheid vereist. In dat geval wordt in vak 24 van het invoercertificaat de aard van het certificaat van overeenstemming vermeld.

    Voor durumtarwe kan het Hoofdproductschap Akkerbouw een aanvraag om een invoercertificaat in aanmerking nemen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de aanvrager heeft in vak 20 van het invoercertificaat de in te voeren kwaliteit vermeld;

    de aanvrager gaat op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer schriftelijk de verbintenis aan om bij de Douane een aanvullende specifieke zekerheid te stellen bovenop de in Verordening (EG) nr. 1342/2003 bedoelde zekerheden indien het invoerrecht voor de in vak 20 vermelde kwaliteit niet het hoogste recht voor de categorie van het betrokken product is.

    Het bedrag van de aanvullende zekerheid is gelijk aan het verschil, op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer, tussen het hoogste recht en het recht dat voor de vermelde kwaliteit geldt, verhoogd met een toeslag van 5 EUR per ton. Wanneer het invoerrecht voor de verschillende kwaliteiten durumtarwe echter nul is, is de bedoelde verbintenis niet vereist.

    Als echter het invoercertificaat vergezeld gaat van door de Federal Grain Inspection Service (FGIS) of de Canadian Grain Commission (CGC) afgegeven certificaten van overeenstemming, is geen aanvullende zekerheid vereist. In dat geval wordt in vak 24 van het invoercertificaat de aard van het certificaat van overeenstemming vermeld.

Naar boven

4.2.3. Forfaitaire verlaging van het invoerrecht op grond van kwaliteit en bestemming

Onder bepaalde voorwaarden kan de importeur een forfaitaire verlaging van 24 euro per ton krijgen van het verschuldigde invoerrecht voor glazige maïs waarvan de kwaliteit voldoet aan de eisen van bijlage II van Verordening (EU) nr. 642/2010.

Als de importeur de forfaitaire verlaging wil krijgen, moet hij aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Hij gaat een schriftelijke verbintenis aan met het Hoofdproductschap Akkerbouw dat het in te voeren maïs binnen zes maanden verwerkt wordt tot het product dat is vermeld in vak 20. Ook geeft hij de plaats van verwerking aan.

  • De importeur moet voor de verwerking beschikken over een vergunning bijzondere bestemming.

  • Voordat de maïs voor invoer wordt vrijgegeven om te worden verwerkt, laat hij bij het kantoor van invoer een controle-exemplaar T5 geldigmaken overeenkomstig de voorwaarden van de TVo. CDW. In vak 104 van dit controle-exemplaar T5 worden de naam van de fabriek en de plaats van verwerking opgenomen.

  • Hij stelt bij de Douane een zekerheid van 24 euro per ton voor de glazige maïs, behalve wanneer de invoercertificaten vergezeld gaan van overeenstemmingscertificaten die zijn afgegeven door de Argentijnse Servicio Nacional de Sanidad y Calidad Agroalimentaria (Senasa). In dat geval wordt in vak 24 van het invoercertificaat de aard van het certificaat van overeenstemming vermeld. Is op de dag waarop de douaneformaliteiten bij invoer worden vervuld, het recht voor glazige maïs echter lager dan 24 euro per ton, dan is de zekerheid gelijk aan het geldende (lagere) recht.

  • Hij moet, om ervoor te zorgen dat de zekerheid wordt vrijgegeven, aantonen (eventueel met het controle-exemplaar T5) dat de ingevoerde hoeveelheid basisproduct is verwerkt tot het opgegeven eindproduct. Pas dan wordt de zekerheid vrijgegeven.

(artikel 3, lid 3, juncto artikel 6 Verordening (EU) nr. 642/2010)

Hieronder wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:

  • de vaststelling van de standaardkwaliteit van granen waarop een forfaitaire verlaging van het invoerrecht van toepassing kan zijn;

  • de verschillende invoerrechten voor granen waarop een forfaitaire verlaging van het invoerrecht van toepassing kan zijn, die tot stand komen door rekening te houden met de vervoerskosten van deze granen.

Monsterneming voor vaststelling standaardkwaliteit

De Douane neemt bij het kantoor van invoer representatieve monsters overeenkomstig Verordening (EG) nr. 152/2009, bij elke invoerzending van de volgende soorten granen:

  • durumtarwe;

  • zachte tarwe van hoge kwaliteit;

  • glazige maïs.

Verordening (EG) nr. 152/2009 is opgenomen in paragraaf 11.4.2 van onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek, van dit Handboek. De monsters moeten zes maanden worden bewaard.
(artikel 7, leden 1, 4 en 5, Verordening (EU) nr. 642/2010)

Wanneer echter het invoerrecht voor de verschillende kwaliteiten identiek is, dan neemt de douane echter geen monsters (de noodzaak om de kwaliteiten te bepalen is dan namelijk niet aanwezig).
(artikel 7, lid 1, Verordening (EU) nr. 642/2010)

Afhankelijk van de soort graan worden verschillende eigenschappen onderzocht:

Soort graan

Onderzochte eigenschappen

   

Zachte tarwe van hoge of gemiddelde kwaliteit

Eiwitgehalte, soortelijk gewicht en aandeel aan uitschot (Schwarzbesatz)

Durumtarwe

Soortelijk gewicht, aandeel aan uitschot (Schwarzbesatz) en aandeel aan glazige korrels

Glazige maïs

Flotatie-index, soortelijk gewicht en aandeel aan glazige korrels

Als de Commissie een kwaliteitscertificaat voor zachte tarwe, durumtarwe of glazige maïs, dat door de staat van oorsprong van het product is bekrachtigd en afgegeven, officieel erkent, dan worden deze monsternemingen verricht als controle op de kwaliteit die is vastgelegd in dat kwaliteitscertificaat. Er worden dan alleen monsters genomen van een representatief aantal van de ingevoerde partijen.

De volgende certificaten van overeenstemming worden officieel door de Commissie erkend op grond van de bij de artikelen 63 tot en met 65 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 beginselen:

  • door de Servicio Nacional de Sanidad y Calidad Agroalimentaria (Senasa) van Argentinië afgegeven certificaten voor glazige maïs;
    (Verordening (EU) nr. 642/2010, bijlage IV)

  • door de Federal Grains Inspection Service (FGIS) van de Verenigde Staten van Amerika afgegeven certificaten voor zachte tarwe van hoge kwaliteit en durumtarwe van hoge kwaliteit;
    (Verordening (EU) nr. 642/2010, bijlage V)

  • door Canadian Grain Commission (CGC) van Canada afgegeven certificaten voor zachte tarwe van hoge kwaliteit en durumtarwe van hoge kwaliteit.
    (Verordening (EU) nr. 642/2010, bijlage VI)

Als de analyseparameters op de door de hierboven genoemde instanties afgegeven certificaten van overeenstemming overeenkomen met de minimumkwaliteitseisen voor zachte tarwe, durumtarwe en glazige maïs, dan worden voor elke haven van binnenkomst en voor elk verkoopseizoen monsters genomen op ten minste 3% van de ingevoerde ladingen.

De zachte tarwe, durumtarwe of glazige maïs wordt ingedeeld bij de standaardkwaliteit die ten minste voldoet aan alle criteria die in bijlage II, Verordening (EU) nr. 642/2010.

Let op

Als na analyse van de betrokken partij echter blijkt dat het product een lagere kwaliteit heeft dan is opgegeven in het invoercertificaat, dan moet de importeur het verschil aan invoerrechten bijbetalen (tussen de invoerrechten die gelden voor de standaardkwaliteit en de invoerrechten die gelden voor de betreffende kwaliteit). Hij moet deze bijbetaling doen binnen een maand na de bekendmaking van het analyseresultaat. Daarnaast wordt de certificaatzekerheid vrijgegeven exclusief een toeslag van 5 euro per ton.
(artikel 7, lid 4, Verordening (EU) nr. 642/2010)

Verschil in invoerrecht vanwege vervoerskosten

Bij het vaststellen van de invoerrechten voor granen waarvoor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht kan worden verkregen, wordt rekening gehouden met de vervoerskosten voor de ingevoerde producten. Deze vervoerskosten worden via de invoerrechten gecompenseerd. Er wordt in de invoerrechten rekening gehouden met de vervoerskosten als de loshaven in de Gemeenschap voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

  1. De loshaven ligt aan de Middellandse Zee (voorbij de Straat van Gibraltar) en het product wordt via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal aangevoerd.

  2. De loshaven voldoet aan alle volgende voorwaarden:

    • De loshaven ligt op een van de volgende plaatsen:

      1. aan de Atlantische kust van het Iberisch schiereiland;

      2. in het Verenigd Koninkrijk;

      3. in Ierland;

      4. in Denemarken;

      5. in Finland;

      6. in Zweden.

    • Het product wordt via de Atlantische Oceaan aangevoerd.

In geval a wordt het invoerrecht verlaagd met 3 euro per 1.000 kg.
In geval b wordt het invoerrecht verlaagd met 2 euro per 1.000 kg.
De douaneautoriteiten van de loshaven geven een certificaat af overeenkomstig het model, zoals opgenomen in Verordening (EU) nr. 642/2010, bijlage I. De verlaging van het te betalen recht wordt alleen toegekend wanneer dit certificaat de goederen vergezelt totdat voor deze goederen een aangifte voor het vrije verkeer wordt ingediend. (artikel 2, lid 4, Verordening (EG) nr. 642/2010)

Naar boven

4.2.4. Afval van maïszetmeelfabrieken uit de Verenigde Staten van Amerika

De Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika hebben afspraken gemaakt over de tariefomschrijving van afval van maïszetmeelfabrieken dat valt onder GN-code 2309 9020. (Verordening (EG) nr. 1375/2007)

Zij hebben afgesproken dat de Federal Grain Inspection Service (FGIS) van het US Department of Agriculture en de natmaalderijen van de Verenigde Staten, onder toezicht van de autoriteiten daar, certificaten zullen afgeven als bewijs dat het afval voldoet aan de afgesproken tariefomschrijving. Het betreft de volgende certificaten:

Certificaat

Instantie van afgifte

   

Commodity Inspection Certificate

FGIS

Commodity Certificate Submitted Sample Inspection

FGIS

Certificate of Conformity (overeenstemmingscertificaat)

Natmaalderij

Als afval van maïszetmeelfabrieken uit de Verenigde Staten van Amerika tot het brengen in het vrije verkeer wordt aangegeven, dan gelden de gebruikelijke maatregelen voor de controle op de invoer, als het Certificate of Conformity (overeenstemmingscertificaat) in tweevoud wordt overgelegd, samen met een van de volgende certificaten:

  1. het Commodity Inspection Certificate;

  2. het Commodity Certificate Submitted Sample Inspection.

Ook bij de invoer van dit soort afval vanuit andere derde landen gelden deze gebruikelijke maatregelen voor de controle op de invoer.
Als afval van maïszetmeelfabrieken uit de Verenigde Staten tot het brengen in het vrije verkeer wordt aangegeven zonder de hiervoor genoemde certificaten, dan moeten laboratoriumanalyses worden gedaan om vast te stellen of de producten voldoen aan de criteria voor indeling onder de genoemde onderverdeling. (artikel 1 Verordening (EG) nr. 1375/2007)

Procedure bij overlegging overeenstemmingscertificaten

Bij het overleggen van overeenstemmingscertificaten (zoals hierboven beschreven) zijn er twee mogelijkheden:

  1. De totale hoeveelheid die in de certificaten is vermeld, wordt ingevoerd.

  2. Een gedeelte van de hoeveelheid die in de certificaten is vermeld, wordt ingevoerd en de rest wordt overgebracht naar een andere plaats in de Gemeenschap.

Als bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer twee overeenstemmingscertificaten worden overgelegd en de totale hoeveelheid die in de certificaten is vermeld, wordt ingevoerd, dan gaat u als volgt te werk:

  1. Vermeld de hoeveelheid van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer op het certificaat.

  2. Vermeld het nummer van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer op het certificaat.

  3. Plaats een afdruk van de metalen dienststempel op het certificaat.

  4. Zet uw paraaf op het certificaat.

  5. Hecht de certificaten aan het formulier L(F) (bij schriftelijke aangifte).

  6. Stuur het certificaat samen met het formulier L(F) (bij schriftelijke aangifte) of zelfstandig (bij elektronische aangifte) naar het Hoofdproductschap Akkerbouw.

  7. Voeg een geleidebrief (IUD 32) in tweevoud bij, waarop het betreffende productschap als geadresseerde is vermeld en waarop de volgende nummers zijn vermeld:

    • het nummer van het formulier L(F) of het aangiftenummer;

    • het nummer van de aankoopfactuur.

    Gebruik voor het verzenden naar het Hoofdproductschap uitsluitend de gebruikelijke dienstenveloppen.

  8. Houd het derde exemplaar van de geleidebrief op de eenheid achter en archiveer dit.

  9. Archiveer de kopie van de geleidebrief die het productschap na akkoord terugzendt, samen met het eerder achtergehouden derde exemplaar van de geleidebrief.

Als bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer overeenstemmingscertificaten worden overgelegd en een gedeelte van de hoeveelheid die in de certificaten is vermeld, wordt ingevoerd en de rest wordt overgebracht naar een andere plaats in de Gemeenschap, dan gaat u als volgt te werk:

  1. Vermeld de in te voeren hoeveelheid van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer op het certificaat.

  2. Vermeld het nummer van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer op het certificaat.

  3. Plaats een afdruk van de metalen dienststempel op het certificaat.

  4. Zet uw paraaf op het certificaat.

  5. Maak van de afgeschreven certificaten twee fotokopieën en geef de originele certificaten terug aan de belanghebbende.

  6. Waarmerk de kopieën als bewijs dat zij overeenkomen met de originele certificaten.

  7. Houd één kopie achter op het aangiftepunt voor een eventuele controle in het kader van de wederzijdse bijstand.

  8. Hecht de tweede kopie aan het formulier L(F) (bij schriftelijke aangifte) of vermeld het aangiftenummer op de kopie (bij elektronische aangifte)

  9. Stuur de kopie en het formulier L(F) (bij schriftelijke aangifte) of de kopie met het aangiftenummer (bij elektronische aangifte) naar het Hoofdproductschap Akkerbouw.

  10. Voeg een geleidebrief (IUD 32) in tweevoud bij, waarop het betreffende productschap als geadresseerde is vermeld en waarop de volgende nummers zijn vermeld:

    • het nummer van het formulier L(F) of het aangiftenummer;

    • het nummer van de aankoopfactuur. Gebruik voor het verzenden naar het Hoofdproductschap uitsluitend de gebruikelijke dienstenveloppen.

  11. Houd het derde exemplaar van de geleidebrief op de eenheid achter en archiveer dit.

  12. Archiveer de kopie van de geleidebrief die het productschap na akkoord terugzendt, samen met het eerder achtergehouden derde exemplaar van de geleidebrief.

Naar boven

4.3. Sector rijst

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.3.1);

  • producten waarvoor een belasting in het kader van het GLB verschuldigd is (paragraaf 4.3.2).

Naar boven

4.3.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor rijst.
Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel II van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De soort van de rijst wordt bepaald door de volgende eigenschappen:

  • de lengte van de rijst;

  • de lengte-breedteverhouding van de rijst;

  • de mate van bewerking van de rijst.

Om de soort rijst vast te kunnen stellen en om bij mengsels de gewichtsprocenten van de verschillende soorten vast te kunnen stellen, is laboratoriumonderzoek vereist.
De definities voor de producten uit deze sector zijn toegelicht in deel I van bijlage III, Verordening (EG) nr. 1234/2007. Hier is ook de wijze van meting door het douanelaboratorium beschreven.

Voor bepaalde producten is geen douanerecht verschuldigd, maar een invoerrecht in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2). De rijst waarvoor een invoerrecht geldt, wordt behandeld in paragraaf 4.3.2.

Invoercertificaat

Voor producten die onder deze sector vallen, kan bij het brengen in het vrije verkeer een invoercertificaat verplicht zijn. (artikel 130, lid 1, letter a, Verordening (EG) nr. 1234/2007, juncto artikel 1, lid 1, Verordening (EG) nr. 1342/2003, juncto artikel 1, lid 2 onder letter a, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Hiervoor dient het Gebruikstarief Douane geraadpleegd te worden.

Mengsels van rijst

Bij het vaststellen van de heffing op mengsels is het van belang welk percentage er van elke soort rijst in het mengsel zit.

Hierbij geldt het volgende:

  • Als een mengsel voor minstens 90 gewichtsprocenten uit een bepaalde soort rijst bestaat, dan wordt de heffing die verschuldigd is voor die soort rijst, toegepast op het hele mengsel.

  • Bij andere mengsels wordt voor het hele mengsel de heffing toegepast voor het bestanddeel waarvoor de hoogste rechten bij invoer gelden.

Zie voor meer informatie de aanvullende aantekening op hoofdstuk 10 van de GN, die is opgenomen in het Gebruikstarief Douane.
(artikel 151 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Let op

Bij bepaalde mengsels van een combinatie met rijst en granen wordt de heffing vastgesteld op basis van het bestanddeel waarvoor het hoogste invoerrecht geldt.
(artikel 150 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Naar boven

4.3.2. Producten waarvoor een belasting in het kader van het GLB verschuldigd is

Voor de producten uit de volgende tabel is niet het douanerecht verschuldigd, maar een invoerrecht. Dit invoerrecht is een belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2).

GN-code

Omschrijving

   

1006 20

Gedopte rijst

1006 30

Halfwitte en volwitte rijst, eventueel gepolijst of geglansd

1006 40

Breukrijst

In artikel 137 tot en met 140, Verordening (EG) nr. 1234/2007is de berekeningswijze voor het invoerrecht van deze producten beschreven.

Naar boven

4.4. Sector suiker

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.4 .1);

  • aanvullend invoerrecht (paragraaf 4.4 .2);

Naar boven

4.4.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor suiker.
Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel III van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De definities voor de producten uit deze sector zijn toegelicht in deel II van bijlage III, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Invoercertificaat

Voor de producten die onder deze sector vallen, kan bij het brengen in het vrije verkeer een invoercertificaat verplicht zijn.
(artikel 130, lid 1, letter c, Verordening (EG) nr. 1234/2007, juncto artikel 10 Verordening (EG) nr. 951/2006, juncto artikel 1, lid 2 onder letter a, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Hiervoor dient het Gebruikstarief Douane geraadpleegd te worden.

Naast douanerechten wordt voor een aantal producten binnen deze sector ook een aanvullend invoerrecht geheven. Dit is een belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2). De suiker waarvoor een aanvullend invoerrecht geldt, wordt behandeld in paragraaf 4.4.2.

Naar boven

4.4.2. Aanvullend invoerrecht

Er zijn aanvullende invoerrechten vastgesteld voor de volgende producten:

GN-code

Omschrijving

   

1701 11 10

1701 11 90

Rietsuiker

1701 12 10

Beetwortelsuiker

1701 12 90

1701 91 00

Gearomatiseerde suiker of suiker met toegevoegde kleurstoffen

1701 99 10

1701 99 90

Witte suiker

1702 90 99

Andere suikers

1703 10 00

1703 90 00

Melasse

(artikel 141 Verordening (EG) 1234/2007, juncto artikelen 34 en 36 Verordening (EG) nr. 951/2006)

Hieronder komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • systeem van de aanvullende invoerrechten;

  • berekening van het aanvullend invoerrecht.

Systeem van de aanvullende invoerrechten

De Europese Commissie stelt voor elk verkoopseizoen representatieve prijzen voor suiker vast. Deze prijzen kunnen gedurende het verkoopseizoen worden aangepast wanneer de Europese Commissie vaststelt dat de representatieve prijzen ten opzichte van de vorige vaststelling met ten minste 0,5 EUR per 100 kg zijn veranderd (voor melasse) en ten minste 1,20 EUR per 100 kg (voor suikerprijzen).

De representatieve prijzen worden aan de dienst bekend gemaakt door middel van circulaires van het Hoofdproductschap Akkerbouw.

Zowel voor suiker en melasse geldt dat, als de prijzen beneden een bepaald niveau komen, de zogenaamde reactieprijs, de importeur een aanvullend invoerrecht is verschuldigd. Ook deze reactieprijs wordt bekend gemaakt in de productschapscirculaires.

Berekening van het aanvullend invoerrecht

Als er aanvullende invoerrechten verschuldigd zijn, kunnen deze nog niet automatisch in Sagitta worden berekend; u moet het aanvullend invoerrecht zelf uitrekenen.

Het aanvullend invoerrecht wordt vastgesteld op basis van het verschil in de CIF-invoerprijs van de betrokken zending en de betrokken reactieprijs.

Hoe het aanvullend invoerrecht voor suiker en melasse wordt berekend, ziet u in de volgende tabel.

Situatie

Verschil tussen reactieprijs en CIF-invoerprijs, in percentages van de reactieprijs

Hoogte van het aanvullend invoerrecht

     

A

Het verschil is niet groter dan 10% van de reactieprijs.

0

B

Het verschil is groter dan 10%, maar niet groter dan 40% van de reactieprijs.

30% van het verschil boven 10%

C

Het verschil is groter dan 40%, maar niet groter dan 60% van de reactieprijs.

50% van het verschil boven 40%, plus het aanvullend recht zoals bepaald onder B

D

Het verschil is groter dan 60%, maar niet groter dan 75% van de reactieprijs.

70% van het verschil boven 60%, plus de aanvullende rechten zoals bepaald onder B en C

E

Het verschil is groter is dan 75% van de reactieprijs.

90% van het verschil boven 75%, plus de aanvullende rechten zoals bepaald onder B, C en D

(artikel 39 Verordening (EG) nr. 951/2006)

Uit deze tabel blijkt dat hoe hoger de CIF-invoerprijs is, hoe lager het aanvullend invoerrecht is.

Wanneer de CIF-invoerprijs per 100 kg van een bepaalde zending hoger is dan de voor het bedoelde product vastgesteld representatieve prijs, dan moet de importeur (om dit te bewijzen) ten minste de volgende bewijsstukken overleggen:

  • het koopcontract of een ander gelijkwaardig bewijsstuk;

  • de verzekeringspolis;

  • de factuur;

  • het certificaat van oorsprong (in voorkomend geval);

  • de vervoersovereenkomst;

  • bij vervoer over zee, het cognossement .

Daarnaast kan de Douane nog aanvullende inlichtingen of bewijzen vragen.
(artikel 38, lid 2, Verordening (EG) nr. 951/2006)

De importeur moet een zekerheid stellen zoals is bedoeld in artikel 248, lid 1, TVo. CDW. Deze zekerheid moet gelijk zijn aan het verschil tussen het bedrag van het aanvullend invoerrecht berekend op basis van de representatieve prijs van het betrokken product, en het bedrag van het aanvullend invoerrecht, berekend op basis van de CIF-invoerprijs van de betrokken zending.
(artikel 38, lid 3, Verordening (EG) nr. 951/2006)

De zekerheid wordt vrijgegeven zodra de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat de afzetcondities waartegen de CIF-invoerprijs is vastgesteld, correct waren. AIs dat niet het geval is, wordt de zekerheid verbeurd door het betalen van de aanvullende invoerrechten. Als de termijn voor het overleggen van bewijzen niet in acht wordt genomen, wordt de zekerheid ook verbeurd.
(artikel 38, lid 4, Verordening (EG) nr. 951/2006)

Bij de invoer van ruwe suiker die is bestemd voor raffinage, worden het douanerecht en het aanvullend invoerrecht vastgesteld voor suiker met een rendement van 92%. Dit rendement van 92% is binnen de Gemeenschap vastgesteld als standaardkwaliteit.
(artikel 42, lid 1, Verordening (EG) nr. 951/2006)

Als het rendement van de ingevoerde zending afwijkt van de 92% van de standaardkwaliteit, dan worden het douanerecht en het aanvullend invoerrecht als volgt berekend.

Als er sprake is van ruwe suiker die bestemd is voor raffinage met een rendement dat afwijkt van de 92% van de standaardkwaliteit en u wilt het douanerecht (voor de producten met de GN-codes 1701 11 10 en 1701 12 10) en het aanvullend invoerrecht (voor de producten van de codes 1701 11 10, 1701 11 90, 1701 12 10 en 1701 12 90), te innen per 100 kg suiker, berekenen, dan gaat u als volgt te werk:

  1. Deel het rendementspercentage van de ingevoerde ruwe suiker door 92. Zo verkrijgt u een aanpassingscoëfficiënt.

  2. Vermenigvuldig het recht voor ruwe suiker van de standaardkwaliteit met de aanpassingscoëfficiënt.

Onder DouaneNet Portaal zijn berekeningsmodellen te vinden om het aanvullend invoerrecht vast te stellen.

Naar boven

4.5. Sector gedroogde voedergewassen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor gedroogde voedergewassen.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel IV van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Naar boven

4.6. Sector zaaizaad

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor zaaizaad.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel V van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Naar boven

4.7. Sector hop

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen 4.7.1;

  • overzicht afgevende instanties gelijkheidsverklaringen 4.7.2;

  • het behandelen van gelijkwaardigheidsverklaringen en uittreksels 4.7.3;

  • specifieke aandachtspunten bij het uitzetten van een fysieke controle 4.7.4;

  • invoer van hop en hopproducten in kleine verpakkingen 4.7.5.

Naar boven

4.7.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor hop.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel VI van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De definities voor de producten uit deze sector zijn toegelicht in deel III van bijlage III, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

In de sector hop is een aantal specifieke maatregelen opgenomen betreffende de handel met derde landen. Voor zover deze maatregelen van belang zijn voor de taken van de douaneambtenaar, worden ze hierna (kort) behandeld.

Gelijkwaardigheidsverklaring

Bij de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer moet een zogenaamde gelijkwaardigheidsverklaring worden overgelegd. Dit is een verklaring die garandeert dat hop en hopproducten van oorsprong uit derde landen dezelfde kwaliteit hebben, als hop en hopproducten welke van oorsprong uit de Gemeenschap zijn. Het voorgeschreven formulier van een gelijkwaardigheidsverklaring is opgenomen in bijlage 2.
(artikel 158 Verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 4 Verordening (EG) 1295/2008)

Uittreksel gelijkwaardigheidsverklaring

In plaats van een gelijkwaardigheidsverlaring kan ook een uittreksel van deze verklaring worden overgelegd. Dit is een in meerdere gedeelten gesplitste gelijkwaardigheidsverklaring, zodat een zending in gedeelten in het vrije verkeer kan worden gebracht. Het splitsen vindt plaats door de douaneautoriteiten in de Gemeenschap. Het voorgeschreven formulier voor het uittreksel uit de gelijkwaardigheidsverklaring is opgenomen in bijlage 3.
(artikel 6 Verordening (EG) 1295/2008)

Fysieke controle

Van de invoerzendingen hop moet een steekproef van minimaal 5% fysiek gecontroleerd worden om vast te stellen of de hop voldoet aan de geldende kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 1850/2006.
(artikel 9 Verordening (EG) nr. 1295/2008)

Naar boven

4.7.2. Overzicht afgevende instanties gelijkheidsverklaringen

In de uitvoeringsverordening (EG) nr. 1295/2008 is een overzicht opgenomen van derde landen en de in deze landen aangewezen instanties, die bevoegd zijn voor het afgeven van gelijkwaardigheidsverklaringen. Het overzicht is opgenomen in bijlage 4.

Naar boven

4.7.3. Het behandelen van gelijkwaardigheidsverklaringen en uittreksels

Wanneer voor de hele zending een aangifte in het vrije verkeer brengen wordt ingediend, moet de zending vergezeld zijn van een in een derde land afgegeven gelijkwaardigheidsverklaring. De gelijkwaardigheidsverklaring bestaat uit één origineel en twee kopieën. Als de gelijkwaardigheids-verklaring niet wordt overgelegd mag de zending niet in het vrije verkeer worden gebracht.

Het komt voor dat een zending waarvoor in een derde land een gelijkwaardigheidsverklaring is afgegeven wordt gesplitst, vóórdat deze onder de douaneregeling "in het vrije verkeer brengen" wordt gebracht. Omdat per zending een gelijkwaardigheidsverklaring moet worden overgelegd, wordt de originele gelijkwaardigheidsverklaring gesplitst in meerdere uittreksels. De originele gelijkwaardigheidsverklaring wordt daarmee vervangen door het benodigde aantal uittreksels. Elk uittreksel bestaat uit één origineel en twee kopieën. De uittreksels zijn op aanvraag bij het Hoofdproductschap Akkerbouw verkrijgbaar.

Wanneer u belast bent met de verificatie van een aangifte in het vrije verkeer brengen voor producten die worden genoemd in deze verordening verricht u de volgende werkzaamheden:

  1. Stel vast of het nummer van de gelijkwaardigheidsverklaring in vak 44 van de schriftelijke aangifte, of het overeenkomstige vak van de elektronische aangifte, is vermeld.

  2. Stel vast of de gelijkwaardigheidsverklaring is opgesteld volgens het voorgeschreven model en of deze is afgegeven door een aangewezen instantie in het betreffende derde land.

    Als niet aan de voorwaarden van stap 1 en 2 is voldaan kan de aangifte niet worden aanvaard en moet deze buiten werking worden gesteld. De zending wordt niet vrijgegeven.

    Neem in uw beoordeling mee of sprake is van een onjuiste aangifte. (artikel 10:5 Algemene douanewet)

    Als wel aan de voorwaarden is voldaan, gaat u verder met stap 3.

  3. Na behandeling van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen behandelt u vak 13 van de gelijkwaardigheidsverklaring. De tekst "Deze verklaring is vervangen door …….uittreksels" haalt u door. Verder vermeldt u in vak 13, plaats, datum, handtekening en dienststempel.

  4. U bewaart het origineel bij het aangiftedossier. Van de twee kopieën geeft u een kopie terug aan de aangever en de andere kopie stuurt u naar het Hoofdproductschap Akkerbouw.

Wanneer u belast bent met het behandelen van een verzoek tot splitsing van een originele gelijkwaardigheidsverklaring in meerdere uittreksels:

  1. Stel vast of de gelijkwaardigheidsverklaring en de uittreksels hiervan, zijn opgesteld op het voorgeschreven model en of de gelijkwaardigheidsverklaring is afgegeven door een aangewezen instantie in het betreffende derde land.

  2. Stel vast of de gegevens van de originele gelijkwaardigheidsverklaring overeenstemmen met de gegevens in de overgelegde uittreksels.

  3. Als u heeft vastgesteld dat de gegevens overeenstemmen behandelt u vak 13 van de originele gelijkwaardigheidsverklaring. De tekst "De bovenomschreven producten zijn in het vrije verkeer gebracht" haalt u door. Verder vermeldt u in vak 13, plaats, datum, handtekening en dienststempel. Als de gegevens niet overeenstemmen geeft u de overgelegde bescheiden onder opgaaf van reden terug aan de aangever.

  4. U bewaart het origineel van de gelijkwaardigheidsverklaring. De twee kopieën stuurt u naar het Hoofdproductschap Akkerbouw.

  5. Vervolgens behandelt u vak 13 van de uittreksels, die de originele gelijkwaardigheidsverklaring vervangen. U vermeldt in de rechterkolom van vak 13, plaats, datum, handtekening en dienststempel.

Wanneer u belast bent met de verificatie van een aangifte in het vrije verkeer brengen van producten die worden genoemd in deze verordening verricht u de volgende werkzaamheden:

  1. Stel vast of het nummer van het uittreksel in vak 44 van de schriftelijke aangifte, of het overeenkomstige vak van de elektronische aangifte, is vermeld.

  2. Stel vast of het uittreksel in vak 13 is geviseerd door de douaneautoriteiten in de Gemeenschap.

    ls niet aan de voorwaarden van stap 1 en 2 is voldaan kan de aangifte niet worden aanvaard en moet deze buiten werking worden gesteld. De zending wordt niet vrijgegeven. Neem in uw beoordeling mee of sprake is van een onjuiste aangifte.
    (artikel 10:5 Algemene douanewet)

    Als wel aan de voorwaarden is voldaan, gaat u verder met stap 3.

  3. Na behandeling van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer behandelt u vak 14 van het uittreksel, door vermelding van plaats, datum, handtekening en dienststempel.

  4. U bewaart het originele uittreksel van de gelijkwaardigheidsverklaring bij het aangiftedossier.
    Van de twee kopieën geeft u een kopie aan de aangever en de andere kopie stuurt u naar het Hoofdproductschap Akkerbouw.

Naar boven

4.7.4. Specifieke aandachtspunten bij het uitzetten van een fysieke controle

Op elke verpakkingseenheid moet in één van de talen van de Gemeenschap, in onuitwisbare letters en of cijfers van gelijke grootte, de volgende informatie zijn aangebracht:

  • de omschrijving van het product;

  • de aanduiding van het ras of de rassen;

  • het land van oorsprong;

  • de merktekens en nummers die zijn vermeld in vak 9 van de gelijkwaardigheidsverklaring of het betreffende uittreksel.
    (artikel 5 Verordening (EG) nr. 1295/2008)

Bij een fysieke controle moet worden vastgesteld of deze verplicht te vermelden gegevens daadwerkelijk op de verpakkingseenheden vermeld staan.

Daarnaast moet door het laboratorium vastgesteld worden of de ingevoerde producten voldoen aan de geldende kwaliteitseisen. De bemonsteringsmethode van hop is in onderdeel 12.10.00, bijlage 12 van dit Handboek aangegeven. In de fysieke controle opdracht moet de profiel opdracht zijn overgenomen. Het is belangrijk dat de uitslag van de controle opgenomen wordt bij het profiel in DSI zodat de bevindingen in de verplichte rapportage aan de Commissie kan worden overgenomen.

Naar boven

4.7.5. Invoer van hop en hopproducten in kleine verpakkingen

Het onder de douaneregeling "in het vrije verkeer brengen" van hop en hopproducten is onder voorwaarden vrijgesteld van de overlegging van een gelijkwaardigheidsverklaring en de vermelding van informatie zoals bedoeld in paragraaf 4.7.4.

De volgende zendingen zijn vrijgesteld:

  • hopbellen en hopmeel in verpakkingen van maximaal 1.000 gram;

  • hopextract in verpakkingen van maximaal 300 gram; op voorwaarde dat de betreffende hop en hopproducten:

    1. worden aangeboden in kleine zendingen bestemd voor de verkoop aan particulieren voor eigen gebruik;

    2. bestemd zijn voor wetenschappelijk en technisch onderzoek;

    3. bestemd zijn voor jaarbeurzen en worden ingevoerd onder de regeling tijdelijke invoer.

Verder geldt dat op de verpakkingen de aard, het gewicht en het uiteindelijke gebruik van de producten moet worden vermeld.
(artikel 10 Verordening (EG) nr. 1295/2008)

Naar boven

4.8. Sector Olijfolie en tafelolijven

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor olijfolie en tafelolijven.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel VII van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Naar boven

4.9. Sector vlas en hennep

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor vlas en hennep.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel VIII van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De Douane heeft gelet op de bijzondere eigenschappen van het product een belangrijke controletaak bij de invoer uit derde landen van hennep en hennepzaad; deze taak wordt hierna beschreven.

Hennep en hennepzaad dat afkomstig is uit derde landen, mag alleen worden ingevoerd als hiervoor een certificaat voor ingevoerde hennep zoals is genoemd in de bijlage 1 van Verordening (EG) nr. 507/2008 is afgegeven. In Nederland worden deze certificaten uitsluitend afgegeven door het Hoofdproductschap Akkerbouw. Afgegeven certificaten voor ingevoerde hennep kunnen voor meerdere invoerzendingen worden gebruikt; deze certificaten kunnen dus worden "afgeschreven".
(artikel 130, lid 1, letter f, Verordening (EG) nr. 1234/2007, juncto artikel 1, lid 2, letter a, bijlage II, deel 1 Verordening (EG) nr. 376/2008, juncto artikel 17, Verordening (EG) nr. 507/2008.

Naast overlegging bij de aangifte voor het vrije verkeer van een geldig certificaat voor ingevoerde hennep, moet ook nog aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • De ruwe hennep met GN-code 5302 10 00 moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (de ruwe hennep bevat maximaal 0,2% tetrahydrocannabinol)

  • Zaaizaad voor de inzaai van hennep met GN-code 1207 99 15 moet vergezeld gaan van het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan het gehalte dat in artikel 39, lid 1 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is vastgesteld (maximaal 0,2%).

  • Hennepzaad met GN-code 1207 99 91 dat niet voor inzaai is bestemd, mag alleen worden ingevoerd door importeurs die door de lidstaat zijn erkend, zodat het zeker niet voor inzaai wordt gebruikt.
    (artikel 157 Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Deze erkenning vindt plaats door het Hoofdproductschap Akkerbouw en de controle hierop vindt plaats door de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Douane heeft geen taak bij de controle van deze importeurs; de taak van de douane beperkt zich tot controle bij de aangifte voor het vrije verkeer of de betreffende importeur wel is erkend.

Aangifte tot het brengen in het vrije verkeer controleren

Als u bent belast met de verificatie van aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van ruwe hennep met GN-code 5302 10 00 dan gaat u als volgt te werk:

  1. Controleer of bij de zending een geldig certificaat voor ingevoerde hennep wordt overgelegd, welke is afgegeven door het Hoofdproductschap Akkerbouw. Certificaten welke in andere lidstaten zijn afgegeven, kunnen niet worden aanvaard.

  2. Neem een monster van de partij ter controle of de hennep voldoet aan het maximumgehalte van 0,2% tetrahydrocannabinol; zendt hiertoe het monster op naar het douanelaboratorium voor analyse.

  3. In afwachting van de uitslag van de analyse, mag de partij niet worden vrijgegeven voor invoer.

  4. Nadat u de uitslag van het laboratorium ontvangt, stelt u vast of is voldaan aan de eis ten aanzien van het maximale gehalte aan tetrahydrocannabinol.

    1. Wanneer de partij niet meer dan de toegestane maximale hoeveelheid tetrahydrocannabinol bevat, schrijft u de ingevoerde partij af op het certificaat; u gebruikt hiervoor een allonge die u gewaarmerkt hecht aan het certificaat. Geef het certificaat (na aftekening) weer retour aan de aangever en geef de partij vrij voor invoer.

    2. Wanneer de partij meer dan de toegestane maximale hoeveelheid tetrahydrocannabinol bevat, geldt voor deze zending een invoerverbod.

Als u bent belast met de verificatie van aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van zaaizaad bestemd voor de inzaai met GN-code 1207 99 15 dan gaat u als volgt te werk:

  1. Controleer of bij de zending een geldig certificaat voor ingevoerde hennep wordt overgelegd, welke is afgegeven door het Hoofdproductschap Akkerbouw. Certificaten welke in andere lidstaten zijn afgegeven, kunnen niet worden aanvaard.

  2. Controleer of een geldig bewijs wordt overgelegd dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan het gehalte dat in artikel 39, lid 1 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is vastgesteld.
    Dit bewijs is een officieel etiket dat op de verpakking is aangebracht. Indien hierover vragen bestaan, kan hier informatie over worden verkregen bij de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK)
    (telefoon 0527 - 63 54 00).

  3. Indien de etiketten voldoen aan de gestelde eisen, dan schrijft u de ingevoerde partij af op het certificaat voor ingevoerde hennep; u gebruikt hiervoor een allonge die u gewaarmerkt hecht aan het certificaat. Geef het certificaat (na aftekening) weer retour aan de aangever.

  4. Geef de goederen vrij voor invoer.

  5. Indien de etiketten niet voldoen aan de gestelde eisen, dan geldt voor deze goederen een invoerverbod en kunnen de goederen niet worden vrijgegeven voor invoer.
    Noot: Het nemen van monsters te bepaling van het gehalte aan tetrahydrocannabinol kan achterwege blijven aangezien dit gehalte uitsluitend kan worden vastgesteld op het veld waar het zaad is geoogst.

Als u bent belast met de verificatie van aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van zaaizaad niet bestemd voor de inzaai met GN-code 1207 99 10 dan gaat u als volgt te werk:

  1. Controleer of bij de zending een geldig certificaat voor ingevoerde hennep wordt overgelegd, welke is afgegeven door het Hoofdproductschap Akkerbouw. Certificaten welke in andere lidstaten zijn afgegeven, kunnen niet worden aanvaard.

  2. Controleer of de importeur van dit hennepzaad is genoemd in deze lijst van erkende importeurs; momenteel (situatie per 01/09/2008) zijn de volgende importeurs erkend:

    • DKSH gevestigd in Dordrecht;

    • Alanheri B.V gevestigd in Wijk en Aalburg;

    • Penta Trading gevestigd in Breda;

    • Do-It gevestigd in Barneveld;

    • Pedex gevestigd in Bloemendaal;

    • G. Bakker D. Jzn. gevestigd in Moerkapelle.

  3. Is de importeur niet in deze lijst genoemd, dan mogen de goederen niet worden weggevoerd maar geldt er hiervoor een invoerverbod.

  4. Is de importeur wel in deze lijst genoemd, dan moet u de ingevoerde partij afschrijven op het certificaat voor ingevoerde hennep. U gebruikt hiervoor een allonge die u gewaarmerkt hecht aan het certificaat. Geef het certificaat (na aftekening) weer retour aan de aangever.

  5. Geef de goederen vrij voor invoer.

Naar boven

4.10. Sector groenten en fruit

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.10.1);

  • aanvullend invoerrecht (paragraaf 4.10.2);

  • eenheidsprijzen (paragraaf 4.10.3);

  • vrijwaringsmaatregelen bij invoer van knoflook (paragraaf 4.10.4).

Naar boven

4.10.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor groenten en fruit.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel IX van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit kennen de mogelijkheid van een invoerprijssysteem. Voor dit systeem geldt het volgende:

  • Als het douanerecht afhankelijk is van de invoerprijs van de ingevoerde partij, dan wordt deze prijs gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde. Ook kunnen bij deze controle nog specifieke bepalingen vastgesteld worden.

  • Als de opgegeven invoerprijs hoger is dan de forfaitaire waarde, rekening houdend met een vastgestelde marge, moet een zekerheid gesteld worden. Deze zekerheid is dan gebaseerd op de forfaitaire waarde.

  • Als de invoerprijs van de ingevoerde partij niet wordt opgegeven, is het douanerecht afhankelijk van de forfaitaire waarde.

(artikel 140bis Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Let op

Bij invoer kunnen ook nog aanvullende fytosanitaire voorwaarden zijn gesteld. Zie voor meer informatie hierover het Handboek VGEM, voorschrift Fytosanitair.

Naar boven

4.10.2. Aanvullend invoerrecht

Er kunnen (naast het douanerecht) aanvullende invoerrechten worden vastgesteld voor de in bijlage XVIII van Verordening (EU) nr. 543/2011 opgenomen producten.

Op dit moment worden geen aanvullende invoerrechten opgelegd voor de goederen die hierboven zijn genoemd. De Commissie legt namelijk een aanvullend invoerrecht op als wordt vastgesteld dat van een van bovenstaande producten meer is ingevoerd dan het vastgestelde drempelvolume. Op dit moment zijn er geen producten waarvan is vastgesteld dat er meer is ingevoerd dan het vastgestelde drempelvolume.

In deze paragraaf wordt alvast ingegaan op de werking van het systeem van de aanvullende invoerrechten voor de groenten en fruit en op de berekening daarvan. Zodra de verordening actief wordt, krijgt u hierover bericht.

Systeem van de aanvullende invoerrechten

Zodra wordt vastgesteld dat van bepaalde groenten of fruit meer is ingevoerd dan het vastgestelde drempelvolume, legt de Commissie een aanvullend invoerrecht op (zie hierboven). Voor het toezicht op de invoer van deze producten worden de invoergegevens gebruikt die de douaneadministraties van de lidstaten verstrekken aan de Commissie. (artikel 139 Verordening (EU) nr. 543/2011)

De Belastingdienst/Centrale Administratie in Apeldoorn verzamelt de gegevens van producten die in het vrije verkeer zijn gebracht en verstrekt deze aan de Commissie.

Berekening van het aanvullend invoerrecht

Als er aanvullende invoerrechten van toepassing zijn, kunnen die niet automatisch in Sagitta worden berekend. U moet dan zowel het douanerecht als het aanvullend invoerrecht (belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) handmatig berekenen.

Het aanvullend invoerrecht is een derde van het douanerecht dat geldt voor het betrokken product. Voor een product waarvoor tariefpreferenties voor het ad-valoremrecht gelden, is het aanvullend invoerrecht een derde van het specifieke recht dat geldt voor het product, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • De tariefindeling van het betrokken product (overeenkomstig artikel 137 Verordening (EU) nr. 543/2011) leidt tot toepassing van de hoogste specifieke invoerrechten die voor de invoer van dit product gelden.

  • De invoer vindt plaats in de periode van toepassing van het aanvullend recht.

(artikel 5, juncto artikel 140, lid 2, Verordening (EU) nr. 543/2011)

Geen aanvullend invoerrecht

Het aanvullend invoerrecht wordt niet toegepast voor:

  • groenten en fruit die worden ingevoerd in het kader van de tariefcontingenten die zijn vermeld in bijlage 7 bij de GN;

  • groenten en fruit die naar de Gemeenschap onderweg zijn.

Producten gelden als onderweg naar de Gemeenschap als ze voldoen aan de volgende twee voorwaarden:

  • De producten hebben het land van oorsprong verlaten voor het besluit tot toepassing van het aanvullend invoerrecht.

  • De producten worden vervoerd met een vervoersdocument dat geldt vanaf de plaats van lading in het land van oorsprong tot de plaats van lossing in de Gemeenschap en dat is opgesteld voordat het aanvullend invoerrecht van toepassing werd verklaard.

De betrokkenen moeten de douaneautoriteiten het bewijs leveren dat aan deze voorwaarden is voldaan. Een van de volgende documenten geldt als voldoende bewijs dat de producten het land van oorsprong hebben verlaten voor de datum van toepassing van het aanvullend invoerrecht:

  1. het cognossement waaruit blijkt dat de lading voor die datum heeft plaatsgevonden (bij vervoer over zee);

  2. de vrachtbrief die voor die datum is aanvaard door de spoorwegdiensten van het land van oorsprong (bij vervoer per spoor);

  3. het CMR-contract (Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg) of elk ander transitodocument dat in het land van oorsprong voor die datum is opgesteld, als aan de voorwaarden wordt voldaan die zijn vastgesteld in de bilaterale of multilaterale regelingen over communautair douanevervoer of gemeenschappelijk transitoverkeer (bij vervoer over de weg);

  4. de luchtvrachtbrief waaruit blijkt dat de luchtvaartmaatschappij de producten voor die datum heeft overgenomen (bij vervoer door de lucht).

(artikel 142 Verordening (EU) nr. 543/2011)

Naar boven

4.10.3. Eenheidsprijzen

De maatstaf van heffing is in het algemeen de douanewaarde bij invoer van de goederen. Op het moment van invoer is de douanewaarde echter vaak nog niet bekend (die wordt pas bekend na verkoop van de goederen), omdat goederen die aan bederf onderhevig zijn (zoals groenten en fruit) vaak op basis van consignatiecontracten worden geleverd. U kunt dan op verzoek van de importeur de douanewaarde voor de goederen vaststellen met de vereenvoudigde procedure van het gebruik van eenheidsprijzen. Zo voorkomt u vertraging bij de invoerprocedures.

Deze eenheidsprijzen worden periodiek bekend gemaakt door de Europese Commissie. In Nederland maakt het Landelijk Waarde Team van de Douane Rotterdam de eenheidsprijzen bekend. Zie voor de voorwaarden voor het gebruik van de eenheidswaarden, paragraaf 7.1.11 van onderdeel 9.00.00, Douanewaarde, van dit Handboek.

Voor de goederen waarvoor een eenheidswaarde is vastgesteld, is in het Gebruikstarief Douane bij de betreffende GN-code een voetnoot opgenomen dat er voor deze goederen sprake is van een eenheidswaarde.

Let op

Als er voor het betrokken product een forfaitaire invoerwaarde is vastgesteld, dan geldt de eenheidswaarde niet, maar komt hiervoor de forfaitaire invoerwaarde in de plaats. (artikel 136, lid 2, Verordening (EU) nr. 543/2011)

Naar boven

4.10.4. Vrijwaringsmaatregelen bij invoer van knoflook

Bij het in het vrije verkeer brengen van knoflook met GN-code 0703 2000 is toepassing van een contingent mogelijk; in plaats van het gebruikelijke recht bij invoer, is dan slechts een ad-valorumrecht van 9,6% van toepassing.
(artikel 1 Verordening (EG) nr. 341/2007)

Voor het beheer van dit contingent zijn een aantal bijzondere maatregelen vastgesteld omdat in het verleden diverse onregelmatigheden bij de invoer van knoflook zijn vastgesteld. Hierna volgt de voor de douane van belang zijnde bepalingen die moeten worden toegepast bij invoer van knoflook met toepassing van het contingent.

Bij het in het vrije verkeer brengen van knoflook met GN-code 0703 2000 is een invoercertificaat verplicht.
(artikel 5, lid 1, Verordening (EG) nr. 341/2007)

De algemene bepalingen van de certificatenverordening
(Verordening (EG) nr. 376/2008) zijn ook van toepassing op knoflook, met uitzondering van de hierna genoemde bijzonderheden.

Op het invoercertificaat wordt in vak 8 het land van oorsprong ingevuld; het invoercertificaat is slechts geldig voor producten van oorsprong uit dit in vak 8 genoemde land (verplichte oorsprong).
(artikel 6, lid 3, Verordening (EG) nr. 341/2007)

De certificaten mogen niet worden overgedragen.
(artikel 6, lid 4, Verordening (EG) nr. 341/2007)

Invoer met toepassing van het contingent is mogelijk vanuit Argentinië, China en alle andere derde landen; voor elk van de genoemde landen en groepen van landen, is een vooraf bepaalde hoeveelheid beschikbaar.

Met betrekking tot een beperkt aantal derde landen heeft de Europese Commissie besloten dat naast de gebruikelijke controles, een aantal aanvullende controlemaatregelen noodzakelijk zijn in verband met gebleken onregelmatigheden in het verleden. Het betreft de volgende landen:

  • Iran;

  • Libanon;

  • Maleisië;

  • Taiwan;

  • Verenigde Arabische Emiraten;

  • Vietnam.

Knoflook uit deze landen mag alleen in het vrije verkeer van de Gemeenschap worden gebracht, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • Er wordt een oorsprongscertificaat overgelegd dat door de bevoegde nationale autoriteiten is afgegeven overeenkomstig de artikelen 56 tot en met 62 TVo. CDW.

  • De knoflook is rechtstreeks vanuit deze landen naar de Gemeenschap vervoerd

(artikel 15 Verordening (EG) nr. 341/2007

Voor het oorsprongscertificaat dat is afgegeven overeenkomstig de artikelen 56 tot en met 62 TVo. CDW, geldt het volgende:

  • Het certificaat moet zijn opgemaakt overeenkomstig artikel 56 TVo. CDW. In bijlage 13 TVo. CDW is de lay-out van dit certificaat opgenomen (Certificaat van oorsprong voor de invoer van landbouwproducten in de Europese Economische Gemeenschap).

    Let op
    Van deze voorwaarde voor de opmaak van het certificaat mag onder geen enkele omstandigheid worden afgeweken.

  • Hoewel douanetechnisch een certificaat Form.A wel zou kunnen worden geaccepteerd (het Form.A bevat minimaal de gegevens die ook in het voorgeschreven certificaat moeten voorkomen), is het om redenen van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid niet toegestaan om het Form.A te accepteren. Als de belanghebbende problemen heeft met het verkrijgen van het certificaat dat in de verordening is voorgeschreven, kan hij hierover contact opnemen met het Productschap Tuinbouw. Het Productschap Tuinbouw is in het bezit van de namen van de instanties in het betreffende land waartoe de belanghebbende zich dan kan wenden.

De knoflook wordt beschouwd als rechtstreeks vanuit de genoemde landen naar de Gemeenschap vervoerd, als het product voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

  1. Het product is niet over het grondgebied van een ander derde land vervoerd.

  2. Het product is - eventueel met overlading of tijdelijke opslag in deze landen - over het grondgebied van een ander derde land dan het land van oorsprong vervoerd, maar het vervoer door deze landen is om geografische redenen of alleen om vervoerstechnische redenen gebeurd en daarbij:

    • is het product in het land van doorvoer of overslag onder toezicht van de Douane gebleven;

    • is het product daar niet in de handel gebracht of tot verbruik aangegeven;

    • heeft het product daar geen andere bewerking ondergaan dan (in voorkomend geval) lossen, opnieuw laden of een behandeling om het product te bewaren in de oorspronkelijke staat.

(artikel 16, lid 1, Verordening (EG) nr. 341/2007)

Het bewijs dat de knoflook rechtstreeks naar de Gemeenschap is vervoerd, kan met name worden geleverd door aan de douaneautoriteiten van de Gemeenschap een van de volgende stukken te overleggen:

  1. het in het land van oorsprong opgestelde enige vervoersdocument onder dekking waarvan het product door het land (of landen) van doorvoer is vervoerd;

  2. een door de douaneautoriteiten van het land (of landen) van doorvoer afgegeven verklaring waarin:

    • De producten nauwkeurig zijn omschreven.

    • De data waarop de producten zijn gelost en opnieuw geladen, zijn aangegeven.

    • In voorkomend geval is vermeld van welke schepen gebruik is gemaakt.

    • Is gecertificeerd onder welke voorwaarden de producten in het land van doorvoer hebben verbleven.

Wanneer u belast bent met de verificatie van een aangifte voor het vrije verkeer van knoflook van GN-code 0703 2000 waarbij aanspraak wordt gemaakt op het tariefcontingent, moet u - naast de gebruikelijke elementen - met name aandacht besteden aan:

  1. Is er een geldig invoercertificaat bij de aangifte overgelegd.

  2. Wordt (indien van toepassing) terecht aanspraak gemaakt op een tariefcontingent.

  3. Is de aangegeven oorsprong van de knoflook wel juist.

  4. Is (bij invoer vanuit Iran of Taiwan) het juiste oorsprongscertificaat overgelegd.

    Let op
    Het oorsprongscertificaat moet zijn opgemaakt overeenkomstig artikel 56 TVo. CDW. In bijlage 13 TVo. CDW is de lay out van dit certificaat opgenomen). Van deze eis mag onder geen enkele omstandigheid worden afgeweken.

  5. Is (bij invoer vanuit Iran of Taiwan) voldaan aan de eisen van rechtstreeks vervoer.

  6. Wanneer het land van oorsprong Libanon, Maleisië, de Verenigde Arabische Emiraten of Vietnam is, dan is de invoer niet toegestaan; er geldt voor deze landen een invoerverbod.

  7. Wanneer de invoer plaatsvindt vanuit een ander land dan Iran, Taiwan Libanon, Maleisië, de Verenigde Arabische Emiraten of Vietnam, dan hoeft geen oorsprongscertificaat te worden overgelegd wat is opgemaakt overeenkomstig artikel 56 TVo. CDW. Overlegging van een gangbaar oorsprongsbewijs is voldoende. Daarnaast geldt dan ook niet de verplichting dat de goederen rechtstreeks moeten zijn vervoerd.

Naar boven

4.11. Sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor verwerkte groenten en fruit.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel X van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit kennen de mogelijkheid van een invoerprijssysteem. Voor dit systeem geldt het volgende:

  • Als het douanerecht afhankelijk is van de invoerprijs van de ingevoerde partij, dan wordt deze prijs gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde. Ook kunnen bij deze controle nog specifieke bepalingen vastgesteld worden.

  • Als de opgegeven invoerprijs hoger is dan de forfaitaire waarde, rekening houdend met een vastgestelde marge, moet een zekerheid gesteld worden. Deze zekerheid is dan gebaseerd op de forfaitaire waarde.

  • Als de invoerprijs van de ingevoerde partij niet wordt opgegeven, is het douanerecht afhankelijk van de forfaitaire waarde.

(artikel 140bis Verordening (EG) nr. 1234/2007)

Naar boven

4.12. Sector bananen

Bijzondere bepalingen bij invoer van bananen staan in dit hoofdstuk.

Naar boven

4.12.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor bananen.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XI van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Invoercertificaat

Voor bananen van GN-code 0803 00 19 is bij het brengen in het vrije verkeer tegen de normale rechten bij invoer een invoercertificaat verplicht.
(artikel 130, lid 1, letter g, Verordening (EG) nr. 1234/2007 juncto artikel 1, lid 1, Verordening (EG) nr. 2014/2005), juncto artikel 1, lid 2 onder letter a, Verordening (EG) nr. 376/2008). De algemene bepalingen van Verordening (EG) nr. 376/2008 (de certificatenverordening) zijn van toepassing op deze invoercertificaten.

Voor de beoordeling in welke overige situaties een invoercertificaat verplicht is, kijkt u in het Gebruikstarief Douane.

Naar boven

4.12.2. Weegcertificaten.

Algemeen

Bij de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van verse bananen met GN-code 0803 00 19 moet de aangever een weegcertificaat overleggen. Dit certificaat is opgesteld met het oog op de controle van het nettogewicht van de ten invoer aangegeven zending verse bananen.
(artikel 290quater Verordening (EEG) nr. 2454/93)

Weegcertificaten moeten worden opgemaakt door een zogenoemde erkende weger bananen’ (zie voor meer informatie, paragraaf 4.10.3).
Het door een erkende weger bananen afgegeven weegcertificaat is binnen de gehele Gemeenschap geldig. Een model van het certificaat is opgenomen in bijlage 38quarter TVo. CDW.

In Nederland wordt (nog) geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een elektronisch weegcertificaat.

Aangifte tot het brengen in het vrije verkeer via het systeem Douane Sagitta Invoer (DSI)

De aangever moet bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer, een weegcertificaat overleggen. Daarop moeten staan: het nettogewicht van de betrokken zending verse bananen per soort verpakking en per oorsprong.
(artikel 290quater Verordening (EEG) nr. 2454/93)

In het kader van de administratieve lastenvermindering voor het bedrijfsleven wordt de volgende vereenvoudigde procedure toegepast.

  1. De aangever bewaart het weegcertificaat in zijn administratie. Heeft hij ontvangen, een 'Mededeling bescheiden overleggen of een 'Voorlopige mededeling afhandeling'? Dan overlegt hij het weegcertificaat bij de aangifte voor het in vrije verkeer brengen. Wordt het totaal aan bananen op het weegcertificaat door verschillende aangevers in het vrije verkeer gebracht (deelzendingen)? Dan is het genoeg als de aangever van een deelzending in zijn administratie een afschrift (kopie) van het weegcertificaat bewaart.

  2. In de aangifte in het vrije verkeer brengen vermeldt de aangever de bescheidcode C046 en het (de) nummer(s) van het (de) betreffende weegcertifica(a)t(en). Door deze vermelding voldoet de aangever aan de verplichting tot overlegging van het weegcertificaat.

  3. Steekproefsgewijs controleert de Douane of de bescheidcode terecht op de aangifte staat. Valt de aangever in de steekproef? Dan moet de aangever het weegcertificaat altijd fysiek bij de Douane overleggen.

  4. Wordt vastgesteld dat de aangever ten onrechte de bescheidcode op de aangifte heeft vermeld? Dan wordt de aangever uitgesloten van deze vereenvoudigde regeling. Dit houdt in dat bij toekomstige aangiften, de aangever het weegcertificaat fysiek bij de Douane moet overleggen.

Is er geen weegcertificaat bij de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen aanwezig? Dan kan de aangifte niet worden aanvaard. De reeds door DSI aanvaarde aangifte moet dan buiten werking worden gesteld. Zie voor meer informatie hoofdstukken 2 en 3 van het onderdeel "Plaatsing van goederen onder een douaneregeling", opgenomen in dit Handboek onder nummer 12.00.00.

Een onvolledige aangifte voor in het vrije verkeer brengen ingediend met als onvolledigheidsreden dat er nog geen weegcertificaat voorhanden is, is niet mogelijk. Het weegcertificaat is een bescheid dat noodzakelijk is voor de toepassing van de bepalingen betreffende het in het vrije verkeer brengen van bananen. Dit betekent dat het weegcertificaat bij de aangifte voor in het vrije verkeer brengen van bananen door de aangever moet worden overgelegd of ter beschikking moet worden gehouden in zijn administratie.
(artikel 290quater en 218 lid 1, letter d TVo CDW)

Domiciliëringsprocedure invoer

Wordt de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer gedaan door een inschrijving in de administratie? Dan hoeft de klantbehandelaar in de individuele voorwaarden bij de vergunning "domiciliëringsprocedure invoer" geen operationele afspraken te maken. De normale risicobeheersingsmaatregelen worden op basis van de aanvullende aangifte uitgevoerd. Ook voor deze aangifteprocedure kan - in het kader van de administratieve lastenvermindering voor het bedrijfsleven - de vereenvoudigde procedure uit de vorige alinea, worden toegepast.

Naar boven

4.12.3. Vergunning erkende weger bananen

Algemeen

Elke marktdeelnemer die betrokken is bij de invoer, het vervoer, de opslag en de behandeling van bananen kan een vergunning "erkende weger bananen" aanvragen. De vergunningaanvraag moet worden ingediend bij het douanekantoor waarbinnen de weeginstallatie wordt gebruikt. Wil de aanvrager een (mobiele) weeginstallatie op meer locaties gebruiken? Dan moet de vergunningaanvraag worden ingediend bij het douanekantoor van de plaats waar de hoofdboekhouding van de vergunninghouder wordt bijgehouden. Artikel 290ter Tvo. CDW verzet zich niet tegen dit centrale beheer van deze vergunningen.

Het aanvragen van een vergunning wordt gedaan op een aanvraagformulier dat is te downloaden vanaf www.douane.nl.

De vergunning is in het Klant Informatie Systeem opgenomen met het nummer 8958999.

Voor het krijgen van de vergunning "erkende weger bananen" moet de marktdeelnemer aan een aantal algemene eisen voldoen. Deze eisen zijn:

  • De aanvrager biedt alle noodzakelijke waarborgen voor een juiste uitvoering van de weging.

  • De aanvrager beschikt over een door een in Nederland erkende instantie goedgekeurde (geijkte) weeginstallatie.

  • De administratie van de aanvrager stelt de douane in staat een doeltreffende controle uit te voeren.

  • De administratie van de vergunninghouder moet zodanig zijn ingericht dat de Douane op elk moment inzicht heeft in de afgegeven weegcertificaten.

  • De afgegeven weegcertificaten moeten op een eenduidige manier in de administratie van de vergunninghouder worden bewaard.

  • Uit de administratie moet op ieder moment blijken welke weegcertificaten bij het opstellen ervan, zijn gecontroleerd door de Douane.

De administratie moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

  • nummer en datum afgifte van certificaat

  • mededelingsnummer van de Douane van de mededeling van het voornemen tot wegen

  • identiteit vervoermiddel bij binnenkomst

  • land van oorsprong

  • naam van de exporteur per zending

  • aantal verpakkingseenheden en soort verpakkingen

  • het nettogewicht, merken en nummers van de zending

Afgifte van de vergunning

De inspecteur die bevoegd is voor het ambtsgebied waarbinnen de weeginstallatie wordt gebruikt, verleent de vergunning "erkende weger bananen" Geldt de vergunning op meer weeglocaties?, Dan is de inspecteur bevoegd van de plaats waar de hoofdboekhouding van de vergunninghouder wordt bijgehouden.

Na afgifte van de vergunning verzendt de inspecteur een kopie van de vergunning naar:

Belastingdienst/CA/Unit Concern Administratie, Landelijk Team Maatregelen,
Postbus 801
7301 BB Apeldoorn

In de linker bovenhoek van de verzendenveloppe vermeldt u:
vergunning erkende weger bananen.

Informatie over alle afgegeven vergunningen

Het Landelijk Team Maatregelen is in Nederland verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de Europese Commissie over de in Nederland afgegeven vergunningen "erkende weger bananen".

Op Douanenet onder " Start/Landelijke teams Douane/LTM Maatregelen/erkende wegers bananen" vindt u de lijst van alle erkende wegers bananen in de gehele Gemeenschap.

Naar boven

4.12.4. Fysieke controle bij invoer van verse bananen

De Douane moet minimaal 5% (die landelijk per jaar zijn overgelegd) van de weegcertificaten van bananen controleren. Deze controle dient om vast te stellen of het nettogewicht van de aangegeven zending verse bananen voorzien van een weegcertificaten, wel juist is.
(artikel 290quater, lid 3, Verordening (EEG) nr. 2454/93)

Afhankelijk van de procedure van invoer, vindt dit op een van de volgende wijzen plaats.

Controle bij het opstellen van weegcertificaten

Van het wegen van verse bananen (GN-code 0803 00 19) met het oog op:

  1. het opstellen van een weegcertificaat (dat details bevat over het type verpakking, de oorsprong, de tijd en de plaats van weging, voor

  2. het brengen in het vrije verkeer van de Gemeenschap, moet de vergunninghouder van te voren mededeling doen aan de Douane. De procedure van deze mededeling is opgenomen op www.douane.nl. De mededeling van het voornemen tot wegen is de aanleiding voor een controle van het weegcertificaat.

Na de mededeling van het voornemen tot wegen verneemt de vergunninghouder of de Douane al dan niet voor controle ter plaatse komt.

  1. Heeft de Douane de vergunninghouder medegedeeld dat zij voor controle ter plaatse komt? Dan kan de vergunninghouder pas gaan wegen als de Douane op de weeglocatie(s) aanwezig is. Is de Douane niet binnen 120 minuten na de mededeling van het voornemen tot wegen op de weeglocatie(s)? Dan heeft de vergunninghouder toestemming tot wegen. Deze toestemming om te wegen geldt niet als daarover nadere voorwaarden zijn gesteld in de individuele voorwaarden van de vergunning.

  2. Heeft de Douane niet binnen 120 minuten gereageerd op een mededeling? Dan heeft de vergunninghouder na deze tijd toestemming tot wegen. Deze toestemming geldt niet als daarover nadere voorwaarden zijn gesteld in de individuele voorwaarden van de vergunning en als de mededeling op werkdagen tussen 232.00 en 07.00 en op niet werkdagen is gedaan. (Niet werkdagen zijn alle dagen, die feestdagen, zondagen of zaterdagen zijn). Als bewijs van mededeling ontvangt de vergunninghouder het mededelingsnummer op een later tijdstip.
  3. Heeft de Douane de vergunninghouder medegedeeld dat zij niet voor controle ter plaatste komt? Dan heeft de vergunninghouder direct na deze mededeling toestemming tot wegen. Staat er een afwijkende termijn op het laatste blad van de vergunning? Dan geldt voor de vergunninghouder deze termijn. (artikel 290quater, [hyperlink] lid 2, Verordening (EEG) nr. 2454/93)
Controle van het weegcertificaat

Bij het bepalen van de netto massa van de aangegeven zending verse bananen gaat u als volgt te werk:

  1. Bepaal de grootte van het representatieve monster overeenkomstig de onderstaande tabel:

    Aantal eenheden verpakte bananen (per type verpakking en oorsprong) Aantal te onderzoeken eenheden verpakte bananen
    tot en met 400 5
    van 401 tot en met 700 7
    Van 701 tot en met 1.000 10
    van 1.001 tot en met 2.000 13
    van 2.001 tot en met 4.000 15
    van 4.001 tot en met 6.000 18
    meer dan 6.000 21
  2. Bepaal het totale bruto gewicht door weging van het hele monster.

  3. Stel het gewicht van één verpakkingseenheid (doos + plastic) vast.

  4. Vermenigvuldig het vastgestelde gewicht van de verpakkingseenheid met het totale aantal verpakkingseenheden (van hetzelfde type en dezelfde oorsprong) van het monster.

  5. Breng dit bevonden gewicht in mindering op het bruto gewicht van het monster.

  6. Deel het netto gewicht van het monster door het aantal verpakkings-eenheden om het gemiddelde netto gewicht per verpakkingseenheid vast te stellen.

  7. Vermenigvuldig de gevonden gemiddelde netto massa per verpakkings-eenheid met het totale aantal verpakkingseenheden van de aangegeven zending.

  8. Stel van de uitgevoerde controle een dossier samen dat voldoet aan de eisen die zijn gesteld in paragraaf 6.2.7 van het onderdeel Plaatsing van goederen onder een douaneregeling, opgenomen in dit Handboek onder nummer 12.00.00.

(Bijlage 38quater TVo. CDW)

Naast de controle bij het opstellen van weegcertificaten, kan er ook steekproefsgewijs gecontroleerd worden als er een aangifte in het vrije verkeer brengen is of wordt gedaan. Afhankelijk van de procedure van invoer, vindt dit op een van de volgende wijzen plaats

Aangiften Douane Sagitta Invoer

Een deel van de aangiften in het vrije verkeer brengen zal gecontroleerd worden vanwege de normale risicobeheersingsmaatregelen. Steekproefsgewijs de bescheiden controleren of een cof controle volstaat. De controle kan zich beperken tot:

  • de vaststelling van de aanwezigheid van een weegcertificaat, en

  • een vergelijking van het nettogewicht op het weegcertificaat met dat van de aangifte in het vrije verkeer brengen.

Domiciliëringsprocedure invoer

De normale risicobeheersingsmaatregelen kunnen op basis van de aanvullende aangifte uitgevoerd worden. Steekproefsgewijs of met cof controles controleert de Douane of het gewicht van de in de administratie ten invoer ingeschreven zending, overeenkomt met het op het weegcertificaat opgegeven gewicht.

Is het gemiddelde nettogewicht op het weegcertificaat meer dan 1% groter of kleiner dan het nettogewicht op de aangifte in het vrije verkeer brengen? Dan kan het weegcertificaat voor de aangegeven zending niet worden gebruikt. Een ander certificaat zal dan bij de 'aangifte in het vrije verkeer brengen' overgelegd moeten worden.

Naar boven

4.13. Sector wijn

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.13.1);

  • druivensap en druivenmost (paragraaf 4.13.2);

  • V I 1 document (paragraaf 4.13.3);

  • toegestane behandelingen in een douane-entrepot of vrij entrepot (paragraaf 4.13.4).

Naar boven

4.13.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor wijn.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XII van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek. Voor de verdere invulling van de in deze marktordening vastgestelde bepalingen, heeft de Europese Commissie een tweetal uitvoeringsverordeningen vastgesteld. Dit zijn:

  • Verordening (EG) nr. 555/2008met betrekking tot het handelsverkeer van producten van de wijnbouwsector met derde landen.

  • Verordening (EG) nr. 436/2009houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de begeleidende documenten voor het vervoer van wijnbouwproducten en de in de wijnbouwsector bij te houden registers. Deze verordening is opgenomen in het boekwerk Wetgeving Accijns en Verbruiksbelastingen onder nummer 10.20.02. In het onderdeel Overbrenging van accijnsgoederen, wat is opgenomen in het Handboek Accijns en Verbruiksbelastingen onder tekstnummer 40.10.00, zijn de instructies opgenomen die voor de ambtenaar van belang zijn bij het overbrengen van wijn in het intracommunautaire verkeer.

De definities en categorieën voor de producten uit deze marktordening zijn toegelicht in bijlagen IIIbis en XIter Verordening (EG) nr. 1234/2007.

In de GMO-verordening zijn naast de bepalingen voor de in- en uitvoer van goederen ook specifieke bepalingen opgenomen voor:

  • het productiepotentieel (betreft onder andere de aanplant van wijngebieden en de herstructurering van wijngaarden);

  • de marktmechanismen (betreft onder andere de steun voor particuliere opslag en steun voor bepaalde vormen van gebruik);

  • de productenorganisaties en brancheorganisaties;

  • de oenologische procédés en behandelingen, omschrijvingen, aanduidingen, aanbiedingsvormen en bescherming;

  • in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn.

Omdat de Nederlandse Douane hier in het algemeen geen taak in heeft, worden deze bepalingen hier niet verder behandeld. De Douane heeft echter wel een toezichthoudende taak ten aanzien van het oenologische procédé bij behandeling van wijn in douane-entrepots; dit is uitgewerkt in paragraaf 4.13.4.

In de GMO-verordening zijn ook een aantal maatregelen opgenomen in het kader van de regeling voor de handel met derde landen. Voorzover deze maatregelen van belang zijn voor de taken van de douaneambtenaar, worden ze hierna (kort) behandeld.

Naar boven

4.13.2. Druivensap en druivenmost

Er gelden bijzondere bepalingen voor druivensap en druivenmost met de volgende GN-codes: 2009 61, 2009 69 en 2204 30.

Voor dit druivensap/deze druivenmost is de toepassing van de douanerechten afhankelijk van de invoerprijs van het ingevoerde product.

De echtheid van de invoerprijs moet worden geverifieerd. Dit vindt plaats op een van de volgende manieren:

  • Door controle van elke partij; of

  • Aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer die door de Commissie wordt berekend op basis van de prijsnoteringen voor dezelfde producten in de landen van oorsprong.

(artikel 133bis Verordening (EG) nr. 1234/2007)

De praktijk is echter dat het onmogelijk is forfaitaire waarden voor de invoer te berekenen die voldoende representatief zijn om de echtheid van de invoerprijs te bepalen. Dit komt door het ontbreken van regelmaat in deze invoer, zowel wat de omvang en de frequentie, als wat de plaats van invoer en de oorsprong van de betrokken producten betreft. Daarom is bepaald dat de controle altijd plaats moet vinden door controle van de invoerprijs per partij. Deze invoerprijs is gelijk aan de feitelijke douanewaarde gecontroleerd per partij.
(artikel 39 Verordening (EG) nr. 555/2008)

Onder "partij" wordt verstaan: de goederen die met een enkele aangifte worden aangeboden om in het vrije verkeer te worden gebracht. Deze aangifte om producten in het vrije verkeer te brengen mag slechts betrekking hebben op goederen van eenzelfde oorsprong en van eenzelfde code van de GN.
(artikel 38 Verordening (EG) nr. 555/2008)

Naar boven

4.13.3. V I 1 document

Overlegging van V I 1 document bij invoer

De in artikel 158 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten (wijn, druivensap en druivenmost) mogen alleen worden ingevoerd wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. wat alle producten betreft, deze moeten:

    • voldoen aan de in het land van oorsprong van die producten (het derde land) geldende bepalingen met betrekking tot de productie, het in het handelsverkeer brengen en, in voorkomend geval, de levering voor rechtstreekse menselijke consumptie. Het bewijs dat aan deze bepalingen is voldaan wordt geleverd door overlegging van een certificaat dat is afgegeven door een instantie van het land van oorsprong die op een lijst voorkomt,

    • wanneer zij bestemd is voor rechtstreekse menselijke consumptie, vergezeld zijn van en analyseverslag dat is opgesteld door een door het land van oorsprong aangewezen instantie of dienst;

  2. wat voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde wijnen betreft, andere dan likeurwijnen en mousserende wijnen, deze moeten:

    • een effectief alcoholvolumegehalte van tenminste 9% vol. en een totaal alcoholvolumegehalte van ten hoogste 15% vol. hebben;

    • een totaal zuurgehalte, uitgedrukt in wijnsteenzuur, van tenminste 3,5 gram per liter of 46,6 milli-equivalenten per liter hebben.

In Verordening (EG) nr. 555/2008 zijn nadere bepalingen vastgesteld met betrekking tot de eisen die aan het certificaat (attest) en het analyseverslag worden gesteld.

Het onder letter a bedoelde certificaat en analyseverslag vormen samen één document. Dit document is vastgesteld als:

  • een formulier V I 1geviseerd door daartoe bevoegde autoriteiten in derde landen, dan wel

  • een formulier V I 2(uittreksel uit het document V I 1) geviseerd door de douane van een Lidstaat.

(artikel 43 en 44 Verordening (EG) nr. 555/2008)

Het gedeelte dat betrekking heeft op het certificaat wordt opgesteld door een instantie in het derde land waaruit de producten van oorsprong zijn. Het gedeelte dat betrekking heeft op het analyseverslag wordt opgesteld door een officieel laboratorium dat is erkend door het derde land waaruit de producten vanoorsprong zijn.

Wanneer u als verifiërend ambtenaar twijfelt of het certificaat en/of het analyseverslag door een erkende instantie is afgegeven, dan neemt u hierover telefonisch contact op met Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen / Landelijk Team Oorsprongszaken (LTO). Hier beschikt men over een lijst van erkende instanties en laboratoria. De lijst met erkende instanties is ook te raadplegen via Douanenet Portaal.

Mocht blijken dat het V I 1 document niet door een erkende instantie of erkend laboratorium is opgesteld, dan kan het invoercertificaat niet dienen als invoervergunning. De aangifte voor het brengen in het vrije verkeer moet in dit geval buiten werking worden gesteld.

Bijzonderheden ten aanzien van de invulling en afgifte van het V I 1 formulier

Indien de producten niet bestemd zijn voor rechtstreekse menselijke consumptie, hoeft het gedeelte "analyseverslag" van het V I 1 formulier niet te worden ingevuld. (artikel 43, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EG) nr. 555/2008)

Wijnproducenten in Australië mogen zelf V I 1 documenten afgeven. Zij dienen daartoe door de bevoegde autoriteiten aldaar te zijn erkend en dienen op het formulier het aan hun toegekende registratienummer te vermelden. (artikel 45, juncto bijlage XII uitvoeringsverordening (EG) nr. 555/2008)

Voor likeurwijn en distillatiewijn worden de V I 1 documenten slechts als geldig erkend wanneer de bevoegde autoriteiten in vak 14 de volgende aantekening hebben gesteld:

  1. "Hierbij wordt bevestigd dat de aan deze wijn toegevoegde alcohol uit wijnbouwproducten is verkregen"

Tevens moet deze vermelding zijn aangevuld met de naam, het adres, het stempel alsmede de handtekening van een vertegenwoordiger van de afgevende instantie.
(artikel 50, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EG) nr. 555/2008)

Indien wijn met verlaagde douanerechten in de Gemeenschap wordt ingevoerd kan het V I 1 document dienen als certificaat ter staving van de oorsprong. In vak 14 moet hiertoe de volgende vermelding zijn aangebracht:

  1. "Hierbij wordt bevestigd dat de wijn waarop dit document betrekking heeft, in wijnbouwgebied ……. is geproduceerd en dat de in vak 6 vermelde geografische aanduiding aan deze wijn is toegekend overeenkomstig de voorschriften van het land van oorsprong".

Tevens moet deze vermelding zijn aangevuld met de naam, het adres, het stempel alsmede de handtekening van een vertegenwoordiger van de afgevende instantie.
(artikel 50, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EG) nr. 555/2008 )

Vrijstelling van overlegging van een V I 1

Op grond van artikel 42 van Verordening (EG) nr. 555/2008 is het overleggen van een document V I 1 of V I 2 niet verplicht voor:

  1. ingevoerde wijn van oorsprong en herkomst uit derde landen, die wordt aangeboden in geëtiketteerde verpakkingen van 5 liter of minder, welke is voorzien van een sluiting welke niet opnieuw kan worden gebruikt en die deel uitmaakt van een partij waarvan de totale hoeveelheid, ook wanneer deze uit verscheidene partijen bestaat die ten hoogste 100 liter bedraagt;

  2. hoeveelheden wijn, druivenmost en druivensap van ten hoogste 30 liter, die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers in de zin van artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

  3. hoeveelheden wijn van ten hoogste 30 liter die door een particulier worden verzonden naar een andere particulier in de zin van artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

  4. wijn en druivensap die deel uitmaken van verhuisboedels van particulieren;

  5. wijn en druivensap die bestemd zijn voor tentoonstellingen als omschreven in artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1186/2009, mits verpakt in geëtiketteerde verpakkingen van 2 liter of minder, die zijn voorzien van een sluiting die niet opnieuw kan worden gebruikt;

  6. wijn, druivenmost en druivensap, die worden ingevoerd voor wetenschappelijke en technische experimenten, tot een maximumhoeveelheid van 100 liter;

  7. wijn en druivensap, bestemd voor diplomatieke betrekkingen, de consolaire diensten en daarmee gelijkgestelde organisaties met een krachtens daartoe ingestelde vrijstellingsregeling

  8. wijn en druivensap, die deel uitmaken van proviand aan boord van internationale vervoermiddelen

  9. wijn en druivensap, die van oorsprong zijn uit de Europese Gemeenschap, daar zijn gebotteld, naar een derde land zijn uitgevoerd, naar het douanegebied van de Gemeenschap zijn teruggekeerd en daar in het vrije verkeer zijn gebracht.

Splitsen van het V I 1 of V I 2 certificaten

Voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht kan een V I 1 of een V I 2 worden gesplitst. Voorwaarde is echter wel dat deze splitsing plaatsvindt op het douanekantoor, waarvan de goederen zich binnen het ambtsgebied bevinden.
(artikel 47, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EG) nr. 555/2008)

Wanneer u belast bent met het splitsen van V I 1 of V I 2 dient u de volgende handelingen uit te voeren

  1. de aangever overlegt bij u het origineel en de kopie van het V I 1 of het V I 2 met daarbij het aantal benodigde uittreksels (origineel en twee kopieën hiervan);

  2. u controleert of de op het V I 1 of V I 2 vermelde gegevens overeenstemmen met de gegevens die op het voor elke nieuwe partij opgestelde V I 2;

  3. indien er overeenstemming bestaat viseert u het V I 2 in vak 10, dat vervolgens als uittreksel V I 2 geldt;

  4. in vak 15 van het originele V I 1 of V I 2 vermeldt u het aantal uittreksels dat u heeft afgegeven. U ondertekent deze verklaring en plaatst hierbij uw naam in blokletters en een afdruk van het metalen dienststempel;

  5. u geeft het originele (afgeschreven) V I 1 of V I 2 tezamen met de geviseerde uittreksels (origineel en één kopie) terug aan de aangever;

  6. u bewaart van alle door u behandelde documenten (origineel V I 1 of V I 2 en de hierop afgegeven uittreksels) gedurende ten minste vijf jaar.

Naar boven

4.13.4. Toegestane behandelingen in een douane-entrepot of vrij entrepot

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de toegestane oenologische procédés en behandelingen voorzover deze in een douane-entrepot of vrije entrepot plaatsvinden. Ongeacht de mogelijkheden die de douanewetgeving biedt met betrekking tot het verrichten van gebruikelijke behandelingen van goederen in douane-entrepot of vrije entrepot, kunnen deze handelingen beperkt of verboden zijn op grond van Verordening (EG) nr. 1234/2007 (GMO-verordening). In de bijlagen XVbis en XVter zijn de toegestane oenologische procédés en behandelingen vermeld. De belangrijkste handelingen die op grond van deze verordening zijn verboden, zijn hierna beschreven.

Verboden dan wel beperkte behandelingen

De volgende behandelingen zijn verboden dan wel beperkt:

  1. het toevoegen van water aan wijnbouwproducten is verboden;
    (letter A.1. van Bijlage XVter van Verordening (EG) nr. 1234/2007)

  2. het versnijden van wijn van oorsprong uit derde landen met wijn van oorsprong uit de EG dan wel het versnijden van wijnen uit derde landen onderling op het grondgebied van de Gemeenschap is verboden;
    (letter C van Bijlage XVter van Verordening (EG) nr. 1234/2007)

  3. het toevoegen van alcohol aan wijn en druivenmost (het zogenaamde vineren) is verboden, tenzij het betreft:

    • druivenmost waarvan de gisting door toevoegen van alcohol is gestuit;

    • distillatiewijn;

    • likeurwijn;

    • mousserende wijn;

    • parelwijn
      (letter A.2. van Bijlage XVter van Verordening (EG) nr. 1234/2007)

  4. de verwerking tot wijn of toevoeging aan wijn op het grondgebied van de Gemeenschap, van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijke gegiste druivenmost, geconcentreerde druivenmost, gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, druivenmost waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit, druivensap en geconcentreerd druivensap, van oorsprong uit derde landen is verboden.
    (letter B.5. van Bijlage XVter van Verordening (EG) nr. 1234/2007)

  5. het is verboden uit derde landen ingevoerde wijnbouwproducten tot alcoholische vergisting te brengen. Deze bepaling is niet van toepassing op producten, die bestemd zijn om in het Verenigd Koninkrijk, Ierland of Polen te dienen als grondstof voor de productie van producten die vallen onder de onderverdeling 2206 00 en waarvoor de lidstaten het gebruik van een samengestelde benaming toestaan waarin het woord "wijn" voorkomt.
    (letter B.3. van Bijlage XVter van Verordening (EG) nr. 1234/2009)

Wanneer u als verifiërend ambtenaar twijfelt of de behandeling waarvoor toestemming aan u wordt gevraagd een toegestane oenologische behandeling is, neemt u telefonisch contact op met het Hoofdproductschap Akkerbouw - Wijninformatiecentrum om hierover uitsluitsel te krijgen (telefoon: 070 - 370 83 26). Eventueel bepaalt u in overleg met het Wijninformatiecentrum welke aanvullende eisen moeten worden gesteld en de wijze waarop het toezicht op de behandeling het best kan worden uitgevoerd.

Naar boven

4.14. Sector Levende planten en producten van de bloementeelt

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor "levende planten".

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XIII van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Naar boven

4.15. Sector Ruwe tabak

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor ruwe tabak.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XIV van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Naar boven

4.16. Marktordening rundvlees

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.16.1);

  • invoer van fokrunderen van zuiver ras (paragraaf 4.16.2).

Naar boven

4.16.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor rundvlees.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XV van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De definities voor de producten uit deze sector zijn toegelicht in deel IV van bijlage III, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Invoercertificaat

Voor producten die onder deze sector vallen, kan bij het brengen in het vrije verkeer een invoercertificaat verplicht zijn.
(artikel 130, lid 1, letter i, Verordening (EG) nr. 1234/2007, juncto artikel 2, lid 1, Verordening (EG) nr. 382/2008, juncto artikel 1, lid 2 onder letter a, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Hiervoor dient het Gebruikstarief Douane geraadpleegd te worden.

Let op

Bij invoer van de hier genoemde goederen moet bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer altijd een Gemeenschappelijk Veterinair Document worden overgelegd. Aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is zonder zo'n certificaat niet toegestaan.
(artikel 7, lid 3, Richtlijn 97/78 van de Raad)

Naar boven

4.16.2. Invoer van fokrunderen van zuiver ras

Op grond van Verordening (EEG) nr. 133/2008 kunnen fokrunderen van zuiver ras zonder betaling van douanerechten in de Gemeenschap worden ingevoerd. Nadere aanwijzingen over deze regeling vindt u in:

  • onderdeel 6.10.00, Bijzondere bestemmingen, van dit Handboek;

  • onderdeel 6.10.11, Controle en samenwerking met andere diensten bij de invoer van fokrunderen van zuiver ras, van dit Handboek.

Naar boven

4.17. Sector melk en zuivelproducten

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.17.1);

  • preferentiële invoer van melk en zuivelproducten met verlaagd recht; algemene bepalingen (paragraaf 4.17.2);

  • preferentiële invoer zonder toepassing van een tariefcontingent (paragraaf 4.17.3);

  • preferentiële invoer met toepassing van een tariefcontingent op basis van uitsluitend een invoercertificaat (paragraaf 4.17.4);

  • preferentiële invoer met toepassing van een tariefcontingent op basis van een invoercertificaat en een certificaat IMA 1 (paragraaf 4.17.5)

  • verificatie aangiften tot het brengen in het vrije verkeer bij preferentiële invoer van zuivel (paragraaf 4.17.6);

  • extra verplichtingen voor verificatie bij preferentiële invoer van boter uit Nieuw-Zeeland (paragraaf 4.17.7).

Naar boven

4.17.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor melk en zuivelproducten.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XVI van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De definities voor de producten uit deze sector zijn toegelicht in deel V van bijlage III, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Invoercertificaat

Voor de producten die onder deze sector vallen, kan bij het brengen in het vrije verkeer een invoercertificaat verplicht zijn.
(artikel 130, lid 1, letter j, Verordening (EG) nr. 1234/2007, juncto artikel 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001, juncto artikel 1, lid 2 onder letter a Verordening (EG) nr. 376/2008 )

Hiervoor dient het Gebruikstarief Douane geraadpleegd te worden.

Bij het gebruik van invoercertificaten voor de invoer van zuivelproducten geldt het volgende:

Regels bij gebruik invoercertificaten

Toelichting

   

De importeur is verplicht om producten in te voeren vanuit het land van oorsprong dat in het invoercertificaat is aangegeven (verplicht land van oorsprong).
(artikel 18, lid 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Op deze regel bestaat een uitzondering. Zendingen die worden ingevoerd met toepassing van een contingent zoals vermeld in bijlage I, deel A van Verordening (EG) nr. 2535/2001, hoeven niet verplicht te worden ingevoerd vanuit het land dat staat vermeld als land van oorsprong.
(artikel 18, lid 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

De hoeveelheid zuivelproducten die wordt ingevoerd, mag niet groter zijn dan de hoeveelheid die in de vakken 17 en 18 van het invoercertificaat is vermeld.
(artikel 17 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

  • In vak 19 van het invoercertificaat is daarom het cijfer "0" ingevuld.

  • Als de hoeveelheid producten groter is dan de hoeveelheid die in de vakken 17 en 18 is vermeld, moet de hoeveelheid producten die niet wordt gedekt door het invoercertificaat, worden ingevoerd tegen het normale derdelandentarief. Als deze hoeveelheid groter is dan de certificaatvrijstelling, moet hiervoor een tweede invoercertificaat worden overgelegd.

Naast douanerechten wordt voor een aantal producten binnen deze sector ook een aanvullend invoerrecht geheven. Dit is een belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2).

Let op

Bij invoer van de hier genoemde goederen moet bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer altijd een Gemeenschappelijk Veterinair Document van Binnenkomst worden overgelegd. Aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is zonder zo'n certificaat niet toegestaan.
(artikel 7, lid 3, Richtlijn 97/78 van de Raad)

Naar boven

4.17.2. Preferentiële invoer van melk en zuivelproducten met verlaagd recht; algemene bepalingen

In Verordening (EG) nr. 2535/2001 zijn de uitvoeringsbepalingen opgenomen van Verordening nr. (EG) 1234/2007 betreffende de preferentiële invoerregeling voor de sector melk en zuivelproducten. In de verordening zijn een drietal verschillende mogelijkheden opgenomen:

  1. Preferentiële invoer zonder toepassing van een tariefcontingent.
    (Titel 2, hoofdstuk II, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

  2. Preferentiële invoer met toepassing van een tariefcontingent op basis van uitsluitend een invoercertificaat
    (Titel 2, hoofdstuk I, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

  3. Preferentiële invoer met toepassing van een tariefcontingent op basis van een invoercertificaat en een certificaat IMA 1 ("Inward Monitoring Arrangements Certificate").
    (Titel 2, hoofdstuk III, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Deze drie regelingen zijn uitgewerkt in de paragrafen 4.17.3 tot en met 4.17.5 van dit onderdeel.

Invoercertificaten

Bij het gebruik van invoercertificaten voor de preferentiële invoer van zuivel gelden dezelfde regels als bij de "gewone" invoer van zuivel. Zie voor deze regels de tabel (paragraaf 4.7.1). Zie voor de algemene voorwaarden voor het gebruik en de behandeling van invoercertificaten onderdeel 13.02.00, Invoercertificaten landbouwgoederen, van dit Handboek.

De contingenten en preferenties die in Verordening (EG) nr. 2535/2001 zijn beschreven, worden beheerd met invoercertificaten, met uitzondering van:

  • invoer in het kader van overeenkomstig de artikelen 308bis tot en met 308quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93 beheerde contingenten;
    en

  • alle producten van GN-code 0406 van oorsprong uit Zwitserland.

(artikel 19bis, lid 2 en artikel 22bis Verordening (EG) nr. 2535/2001)

In Nederland is het Productschap Zuivel bevoegd om invoercertificaten voor zuivelproducten af te geven.

Naar boven

4.17.3. Preferentiële invoer zonder toepassing van een tariefcontingent

De preferentiële invoerregelingen zonder tariefcontingenten worden besproken in hoofdstuk II en IIbis van Verordening (EG) nr. 2535/2001.
In bijlage II van Verordening (EG) nr. 2535/2001 zijn de zuivelproducten opgenomen waarvoor een preferentiële invoerregeling geldt, en de toe te passen rechten.

Het betreft de invoer buiten contingent op basis van uitsluitend een invoercertificaat vanuit de volgende landen of groepen van landen:

  • Turkije;

  • Zuid-Afrika;

  • Zwitserland.

Let op

Producten van GN-code 0406 van oorsprong uit Zwitserland zijn vrijgesteld van invoerrechten en van de overlegging van een invoercertificaat. Wel moet bij de aangifte voor het vrije verkeer een bewijs van oorsprong worden overgelegd, dat is afgegeven overeenkomstig Protocol nr. 3 van de overeenkomst tussen de EEG en de Zwitserse Bondsstaat.
(artikel 22bis, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Deze preferentiële regelingen zijn verwerkt in Taric-nl; de noodzakelijke aanwijzingen zijn daarbij in voetnoten aangegeven.

Bij invoer in het vrije verkeer van de Gemeenschap, moet de importeur aan een aantal voorwaarden voldoen. Naast de gebruikelijke voorwaarden zoals zijn beschreven in het onderdeel "Het in het vrije verkeer brengen", wat is opgenomen in dit Handboek onder nummer 13.00.00, gelden ook nog de volgende voorwaarden.

Invoercertificaat

Bij de invoer van zuivelproducten in het kader van hiervoor genoemde tariefcontingenten moet de importeur een invoercertificaat overleggen.
(artikel 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Op dit invoercertificaat moeten - naast de gebruikelijke gegevens - de volgende gegevens voorkomen:

Vaknummer

Vermelde gegevens

   

8

het land van oorsprong

15

  • voor invoer van zuivelproducten van oorsprong uit Turkije en Zwitserland: de gedetailleerde beschrijving van het product overeenkomstig bijlage I deel D van Verordening (EG) nr. 2535/2001;
  • voor de overige invoer: de gedetailleerde beschrijving van het product en met name de gebruikte grondstof en het vetgehalte in gewichtspercenten. Wat de producten van GN-code 0406 betreft, moet eveneens het vetgehalte in gewichtspercenten van de droge stof en het op de vetvrije massa berekenden vochtgehalte in gewichtspercenten zijn vermeld.

16

de GN-code van het betrokken product, in voorkomend geval voorafgegaan door "ex".

20

de vermelding "Verordening (EG) nr. 2535/2001, artikel 20" (eventueel vermeld in een andere taal van de Gemeenschap)

(artikel 21, lid 1, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Het certificaat verplicht tot invoer van het in vak 8 aangegeven land van oorsprong. (artikel 21, lid 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Toepassing verlaagd recht onder voorwaarden

Het verlaagde minimumrecht wordt slechts toegepast na overlegging van de aangifte voor het vrije verkeer, vergezeld van het invoercertificaat en, voor wat betreft de hieronder bedoelde invoer betreft, van het bewijs van oorsprong dat is afgegeven overeenkomstig de betreffende overeenkomst:

  1. Protocol nr. 1 bij bijlage V van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst;

  2. Protocol nr. 3 bij Besluit nr. 1/98van de associatieraad EG-Turkije;

  3. Protocol nr. 1 bij de overeenkomst met Zuid-Afrika;

(artikel 22 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Zie voor meer informatie betreffende de oorsprongsbewijzen, de onderdelen "Niet-preferentiële oorsprong" en "Preferentiële oorsprong en herkomst", opgenomen in dit Handboek, nummers 7.00.00 en 8.00.00.

Naar boven

4.17.4. Preferentiële invoer met toepassing van een tariefcontingent op basis van uitsluitend een invoercertificaat

Algemeen

In artikel 5 Verordening (EG) nr. 2535/2001 zijn de producten en de landen genoemd waarbij een tariefcontingent is vastgesteld op basis van uitsluitend een invoercertificaat. Dit zijn:

  • de niet naar land van oorsprong gespecificeerde contingenten van de lijst CXL. Dit betreft contingenten voor bepaalde goederen vanuit alle derde landen. De betreffende goederen zijn genoemd in bijlage I, deel A van Verordening (EG) nr. 2535/2001;

  • de in bijlage 1 van Protocol nr. 1 bij besluit nr. 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije bedoelde contingenten. De betreffende goederen zijn genoemd in bijlage I, deel D van Verordening (EG) nr. 2535/2001;

  • de contingenten zoals bedoeld in bijlage 2 bij de tussen de Gemeenschap en Zwitserland gesloten overeenkomst. De betreffende goederen zijn genoemd in bijlage I, deel F van Verordening (EG) nr. 2535/2001;

  • de in Besluit 2003/465/EG van de Raad bedoelde contingenten bij de tussen de Gemeenschap en Noorwegen gesloten overeenkomst. De betreffende goederen zijn genoemd in bijlage I, deel H van Verordening (EG) nr. 2535/2001;

  • de contingenten zoals bedoeld in bijlage II bij de tussen de Gemeenschap en IJsland gesloten overeenkomst;

  • de bij Verordening (EG) nr. 55/2008 van de Raad bij de tussen de Gemeenschap en de Republiek Moldavië gesloten overeenkomst. De betreffende goederen zijn genoemd in bijlage I, deel J van Verordening (EG) nr. 2535/2001.

In Taric-nl zijn bij de diverse goederencodes en landen van oorsprong, de betreffende tariefcontingenten vermeld.

Bij invoer in het vrije verkeer van de Gemeenschap, moet de importeur aan een aantal voorwaarden voldoen. Naast de gebruikelijke voorwaarden zoals zijn beschreven in het onderdeel "Het in het vrije verkeer brengen", wat is opgenomen in dit Handboek, onderdeel 13.00.00, gelden ook nog de volgende voorwaarden.

Invoercertificaat

Bij de invoer van zuivelproducten in het kader van hiervoor genoemde tariefcontingenten moet de importeur een invoercertificaat overleggen.
(artikel 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

In afwijking van Verordening (EG) nr. 376/2008 mag de op grond van dit hoofdstuk ingevoerde hoeveelheid niet groter zijn dan de in de vakken 17 en 18 van het invoercertificaat aangegeven hoeveelheid. Daartoe wordt in vak 19 van het certificaat het cijfer "0" ingevuld.
(artikel 17 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Op dit invoercertificaat moeten - naast de gebruikelijke gegevens - de volgende gegevens voorkomen:

Vaknummer

Vermelde gegevens

   

8

het land van oorsprong

15

de beschrijving van het product overeenkomstig bijlage I van Verordening (EG) nr. 2535/2001, of anders de beschrijving van het product overeenkomstig de GN-code van het betrokken contingent:

  • voor invoer van zuivelproducten van oorsprong uit Turkije: de gedetailleerde beschrijving van het product overeenkomstig bijlage I deel D van Verordening (EG) nr. 2535/2001;
  • voor de overige invoer: de gedetailleerde beschrijving van het product en met name de gebruikte grondstof en het vetgehalte in percenten. Wat de producten van GN-code 0406 betreft, moet eveneens het vetgehalte in gewichtspercenten van de droge stof en het op de vetvrije massa berekende vochtgehalte in gewichtspercenten zijn vermeld.

16

de GN-code van het betrokken contingent, in voorkomend geval voorafgegaan door "ex".

20

  • het nummer van het contingent

  • de vermelding "Verordening (EG) nr. 2535/2001, artikel 5" (eventueel vermeld in een andere taal van de Gemeenschap)

24

Één van de in bijlage XX opgenomen vermeldingen. Dit is de zogenaamde deelperiode waarvoor het invoercertificaat is afgegeven

(artikel 16, lid 3 en artikel 18 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Het certificaat verplicht tot invoer van het in vak 8 aangegeven land van oorsprong.

Uitzondering hierop is de invoer in het kader van de in bijlage 1, deel A van Verordening (EG) nr. 2535/2001 aangegeven contingenten (niet naar land van oorsprong gespecificeerde contingenten vanuit ACS landen).
(artikel 18, lid 2, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Toepassing verlaagd recht onder voorwaarden

Het verlaagde minimumrecht wordt slechts toegepast na overlegging van de aangifte voor het vrije verkeer, vergezeld van het invoercertificaat en, voor wat betreft de hieronder bedoelde invoer, van het bewijs van oorsprong dat is afgegeven overeenkomstig de betreffende overeenkomst:

  1. Protocol nr. 3 bij Besluit nr. 1/98van de associatieraad EG-Turkije;

  2. Protocol nr. 3 bij de overeenkomst tussen de EEG en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972;

  3. Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst met Jordanië;

  4. de in punt 10 van de Overeenkomst met Noorwegen bedoelde regels;

  5. Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst met IJsland

  6. de in artikel 2, lid 1, onder a, van Verordening (EG) nr. 55/2008 bedoelde bepalingen, bij de overeenkomst met de Republiek Moldavië.

(artikel 19, lid 1 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Zie voor meer informatie betreffende de oorsprongsbewijzen, de onderdelen "Niet-preferentiële oorsprong" en "Preferentiële oorsprong en herkomst", opgenomen in dit Handboek, nummers 7.00.00 en 8.00.00.

Aanvullende voorwaarden bij invoer van bepaalde kaassoorten

Bij invoer van de kaassoorten die zijn genoemd in bijlage XIII van Verordening (EG) nr. 2535/2001, moet de importeur - naast de gebruikelijke gegevens - tevens in vak 31 van de aangifte voor het vrije verkeer de volgende gegevens vermelden:

  • het drogestofgehalte in gewichtspercenten;

  • het vetgehalte in gewichtspercenten van de droge stof;

  • (in voorkomend geval) het vetgehalte in gewichtspercenten.

Wanneer deze gehalten hoger zijn dan de in bijlage XIII bepaalde gehalten, dan moet de Douane zo spoedig mogelijk hiervan bericht geven aan de Europese Commissie. Op welke wijze dit moet plaatsvinden, is beschreven in paragraaf 4.17.6.
(artikel 19, lid 3 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Naar boven

4.17.5. Preferentiële invoer met toepassing van een contingent op basis van een invoercertificaat en een certificaat IMA 1

Algemeen

In het kader van een beter beheer van de contingenten, hebben aan de ene kant de Europese Gemeenschap en aan de andere kant een aantal derde landen afgesproken dat ook de autoriteiten in die derde landen toezicht houden op de omvang van de contingenten. Dit toezicht vindt plaats door het gebruik van certificaten IMA 1(Inward Monitoring Arrangements Certificate) die in de derde landen worden ingevuld en geldig gemaakt door instellingen die daarvoor speciaal zijn aangewezen. Deze instellingen zijn opgenomen in bijlage XII van Verordening (EG) nr. 2535/2001. Een overzicht van de personen die bevoegd zijn deze certificaten te ondertekenen, alsmede van de gebruikte stempels, is voorhanden bij het Landelijk Team Oorsprongszaken (LTO).

Voor de hierna genoemde producten zijn tariefcontingenten vastgesteld waarbij als voorwaarde geldt dat naast de aangifte voor het vrije verkeer en een invoercertificaat, een certificaat IMA 1 moet worden overgelegd.

  1. de naar land van oorsprong gespecificeerde contingenten van de lijst CXL;

    Dit zijn:

    • bepaalde soorten boter van oorsprong uit Nieuw-Zeeland;
      (Bijlage III A Verordening (EG) nr. 2535/2001) (IIIA)

    • kaas voor de verwerking van oorsprong uit Nieuw-Zeeland en Australië;

    • bepaalde soort cheddar van oorsprong uit Nieuw-Zeeland, Australië of Canada.
      (Bijlage III B Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Bij het gebruik van certificaten IMA 1 voor zuivelproducten gelden de volgende bepalingen:

Regels bij gebruik certificaten IMA 1

Toelichting

   

De gevallen waarin de importeur bij invoer een certificaat IMA 1 moet overleggen, zijn per goederencode opgenomen in het geïntegreerd gebruikstarief.

Deze gevallen zijn bij de goederencode opgenomen met een voetnoot

De aangewezen instellingen stellen het certificaat IMA 1 op volgens het model van bijlage IX van Verordening (EG) nr. 2535/2001. (artikel 29, lid 1 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Dit geldt echter niet voor Nieuw-Zeelandse boter die wordt ingevoerd met toepassing van het contingent. Voor de invoer van Nieuw-Zeelandse boter moet het certificaat zijn opgesteld volgens het model van bijlage X van Verordening (EG) nr. 2535/2001. (artikel 42, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Het certificaat IMA 1 bevat de gegevens die in bijlage XI van Verordening (EG) nr. 2535/2001 zijn vermeld. (artikel 31, lid 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Het IMA 1 wordt ingevuld overeenkomstig bijlage IV van Verordening (EG) nr. 2535/2001. (artikel 40, juncto artikel 42 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Als een certificaat IMA 1 is voorgeschreven voor de toepassing van de preferentie, moet de importeur het origineel van dit certificaat binnen de geldigheidsduur van het certificaat overleggen bij de Douane, naast de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer. (artikel 32, lid 1 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Als het originele certificaat IMA 1 echter verloren is gegaan of ongeschikt voor gebruik is geworden, dan mag de importeur een kopie gebruiken die door de afgevende instelling is geviseerd. (artikel 32, lid 1 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Het certificaat IMA 1 is geldig vanaf de datum van afgifte van het certificaat tot het einde van de achtste daaropvolgende maand, maar is niet meer geldig na 31 december van het jaar waarvoor het is afgegeven. Ook is het certificaat IMA 1 nooit langer geldig dan de geldigheidsduur van het invoercertificaat dat ermee correspondeert. (artikel 26, lid 1 Verordening (EG) nr. 2535/20001)

--

Een certificaat IMA 1 is alleen geldig als het naar behoren is ingevuld en geviseerd door een instelling voor afgifte die in bijlage XII van Verordening (EG) nr. 2535/2001 is vermeld. (artikel 32, lid 2, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Een certificaat IMA 1 is naar behoren geviseerd, als het de volgende elementen bevat:

  • de plaats en datum van afgifte;

  • de stempel van de instelling voor afgifte;

  • de handtekening van de persoon of personen die bevoegd zijn om het certificaat te ondertekenen.

(artikel 32, lid 3 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Als u wilt controleren of het certificaat IMA 1 is afgegeven door een medewerker die daarvoor is geautoriseerd, dan kunt u het certificaat voorleggen aan Landelijk Team Oorsprongszaken (LTO) van Douane Noord. Op deze afdeling is een lijst voorhanden met medewerkers die voor de afgifte van certificaten IMA 1 zijn geautoriseerd.

Voor het toesturen van het certificaat IMA 1 aan de afdeling Oorsprongszaken kunt u de procedure toepassen die is beschreven in paragraaf 6.7.6 van onderdeel 8.00.00, Preferentiële oorsprong en herkomst, van dit Handboek.

Het Productschap Zuivel geeft alleen een invoercertificaat voor de hier bedoelde contingenten af als de importeur bij de aanvraag van het invoercertificaat een certificaat IMA 1 overlegt dat betrekking heeft op de betreffende zending.

Het Productschap Zuivel geeft een invoercertificaat af voor de totale nettohoeveelheid die in het certificaat IMA 1 is vermeld.

Op het invoercertificaat moeten (naast de gebruikelijke gegevens volgens Verordening (EG) nr. 376/2008 (de certificatenverordening)) de volgende gegevens voorkomen:

  • in de vakken 7 en 8, het land van herkomst en dat van oorsprong;

  • in vak 15 de beschrijving van de producten overeenkomstig de specificatie in bijlage III Verordening (EG) nr. 2535/2001;

  • in vak 16 de GN-code volgens de specificatie van bijlage III, in voorkomend geval voorafgegaan door "ex";

  • in vak 20, in voorkomend geval het contingentnummer en het volgnummer van het certificaat IMA 1 en de datum ervan vermeld in de vorm van de volgende formulering "Geldig indien vergezeld van een certificaat IMA 1 nr. ….. dat is afgegeven op …" (of in een andere officiële taal van de gemeenschap).

(artikel 28 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Het is verplicht om de goederen in te voeren vanuit het op het invoercertificaat vermelde land van oorsprong. (artikel 28, lid 2 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Naar boven

4.17.6. Verificatie aangiften tot het brengen in het vrije verkeer bij preferentiële invoer van zuivel

Algemeen

In deze paragraaf en de volgende paragraaf worden de bijzondere controlebepalingen behandeld die zijn voorgeschreven in Verordening (EG) nr. 2535/2001.

De verificatieaanwijzingen zoals hier beschreven, zijn een aanvulling op de algemene verificatieaanwijzingen zoals die elders in dit Handboek zijn beschreven.

Zie voor die algemene verificatieaanwijzingen onder andere:

Ter uitvoering van de in Verordening (EG) nr. 2535/2001 vastgestelde bijzondere controlebepalingen en de informatieprocedures, moest nationaal nog het een en ander worden geregeld.

Deze nationale invulling is uitgewerkt in deze paragraaf en in paragraaf 4.7.7. In deze paragraaf worden de volgende onderwerpen behandeld:

  • algemene verplichtingen voor de verificatie bij de invoer van melk en zuivelproducten met aanspraak op een preferentieel tarief;

  • Invoer van kaas in het kader van tariefcontingent;

  • Invoer van zuivelproducten genoemd in Bijlage III van Verordening (EG) nr. 2535/2001 met toepassing van een verlaagde invoerheffing;

  • Informatieverstrekking;

Algemene verplichtingen voor verificatie bij de invoer van melk en zuivelproducten met aanspraak op een preferentieel tarief.

Bij de invoer van zuivelproducten met aanspraak op een preferentieel tarief moeten de douanekantoren waar de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer wordt ingediend, de volgende taken uitvoeren:

  • de verificatie van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer en de daarbij behorende bescheiden;

  • de fysieke controle van de zuivelproducten;

  • de informatieverstrekking als uit de fysieke controle blijkt dat de aangifte van de zuivelproducten niet conform is;

  • verificatie bij producten met verlaagde invoerheffing.

Aan de verificatie van de aangifte en de daarbij behorende bescheiden moet speciale aandacht worden besteed als er sprake is van de invoer van zuivelproducten met toepassing van een verlaagde invoerheffing op grond van Verordening (EG) nr. 2535/2001.

Bij de invoer van kaas van de in bijlage XIII van Verordening (EG) nr. 2535/2001 genoemde kaassoorten in het kader van een tariefcontingent, moet de importeur op de aangifte voor het vrije verkeer in vak 31 de volgende gegevens te vermelden:

  • het drogestofgehalte in gewichtspercenten;

  • het vetgehalte in gewichtspercenten van de droge stof;

  • in voorkomend geval, het vetgehalte in gewichtspercenten.

(artikel 19, lid 3, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Bij de verificatie van de aangifte voor het vrije verkeer dient u na te gaan of de in de aangifte voor het vrije verkeer vermelde percentages hoger zijn dan de in Bijlage XIII genoemde percentages. Zie voor monsterneming van deze zendingen kaas het gestelde in deze paragraaf onder het kopje "fysieke controle".

Toelichting

Ter verduidelijking van het voorgaande zijn hierna een aantal voorbeelden beschreven. De in de voorbeelden genoemde percentages zijn echter fictief. In het hierna volgende zijn een aantal voorbeelden opgenomen te verduidelijking van de gevallen waarin in Commissie van de EU dient te worden geïnformeerd.

Voorbeeld 1

Bijlage XIII Verordening 2535/2001

Aangifte voor het vrije verkeer

Feitelijk bevonden bij verificatie

Bandbreedte goederencode en invoercertificaat

       

55%

55%

55%

54-62%

In dit voorbeeld komen de door de importeur in de aangifte voor het vrije verkeer vermelde percentages, de feitelijk bevonden percentages overeen met die van bijlage XIII van Verordening (EG) nr. 2535/2001. Dit betekent dat de Commissie van de EU niet behoeft te worden geïnformeerd.

Voorbeeld 2

Bijlage XIII Verordening 2535/2001

Aangifte voor het vrije verkeer

Feitelijk bevonden bij verificatie

Bandbreedte goederencode en invoercertificaat

       

55%

54%

54%

54-62%

In dit voorbeeld zijn de door de importeur in de aangifte voor het vrije verkeer vermelde percentages en de feitelijk bevonden percentages gelijk. Bovendien zijn de percentages lager dan die vermeld in bijlage XIII van Verordening (EG) nr. 2535/2001. Dit betekent de Commissie van de EU niet behoeft te worden geïnformeerd.

Voorbeeld 3

Bijlage XIII Verordening 2535/2001

Aangifte voor het vrije verkeer

Feitelijk bevonden bij verificatie

Bandbreedte goederencode en invoercertificaat

       

55%

56%

57%

54-62%

In dit voorbeeld zijn de door de importeur in de aangifte voor het vrije verkeer en het feitelijk bevonden percentage hoger dan het percentage vermeld in bijlage XIII van Verordening (EG) nr. 2535/2001. Dit betekent de Commissie van de EU moet worden geïnformeerd.

Invoer van zuivelproducten genoemd in Bijlage III van Verordening (EG) 2535/2001 met toepassing van een verlaagde invoerheffing.

Bij de invoer van zuivelproducten genoemd in Bijlage III van Verordening (EG) 2535/2001 met toepassing van een verlaagde invoerheffing moet - samen met de aangifte voor het vrije verkeer - een certificaat IMA 1 worden overgelegd. (artikel 25, lid 1 (bijlage III.B) en artikel 37, lid 1 (bijlage III.A) Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Als bij de invoer van zuivelproducten met toepassing van een verlaagde invoerheffing op grond van Verordening (EG) nr. 2535/2001 samen met de aangifte voor het vrije verkeer - een certificaat IMA 1 wordt overgelegd, gaat u als volgt te werk:

  1. Controleer of het aangeboden certificaat IMA 1 overeenkomt met:

    • de aangeboden zending;

    • het invoercertificaat dat hoort bij de betreffende zending.

  2. Geef het certificaat IMA 1 na de controle terug aan de aangever.

Let op

Plaats van deze controle geen aantekening op het certificaat IMA 1 en schrijf het certificaat niet "af". Wel kunt u - voordat u het certificaat teruggeeft - een kopie maken van het certificaat IMA 1 en deze archiveren in het invoerdossier.

Als bij de invoer van zuivelproducten met toepassing van een verlaagde invoerheffing op grond van Verordening (EG) nr. 2535/2001- samen met de aangifte voor het vrije verkeer - geen of een onjuist certificaat IMA 1 wordt overgelegd, dan heeft de aangever niet voldaan aan een van de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 2535/2001. Dit heeft als gevolg dat de aangever geen aanspraak kan maken op de toepassing van de verlaagde invoerheffing op grond van deze Verordening.

Fysieke controle

Voor de fysieke controle geldt het volgende:

  • De fysieke controle moet worden uitgevoerd zonder voorafgaande waarschuwing aan de aangever of de importeur. Welke aangifte tot het brengen in het vrije verkeer zal worden onderworpen aan een fysieke controle, wordt beslist op basis van een risicoanalyse.

  • Per jaar moet per lidstaat minimaal 3% van de zendingen zuivelproducten die met aanspraak op een preferentieel tarief worden ingevoerd, worden onderworpen aan een fysieke controle.

  • Voor de berekening van het minimumaantal uit te voeren fysieke controles worden de aangiften met minder dan 500 kg product buiten beschouwing gelaten.

  • De vergadering van risicomanagers van juni 2000 heeft besloten dat het Douane Informatiecentrum de douanekantoren aanstuurt wat betreft de selectie van de zendingen die fysiek moeten worden gecontroleerd. Voor de selectie van deze zendingen en het beheer van het verplichte minimumpercentage fysieke controles, zal gebruik worden gemaakt van verificatieprofielen in het systeem Sagitta-invoer.
    (artikel 44, leden 2 en 3, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

  • Elk douanekantoor maakt van iedere uitgevoerde fysieke controle een dossier op overeenkomstig de normen die zijn opgenomen in onderdeel 12.00.00, Plaatsing van goederen onder een douaneregeling, van dit Handboek.

  • De dossiers worden gearchiveerd op het douanekantoor Zuivering in Heerlen, op de manier die gebruikelijk is voor de invoerdossiers. De dossiers moeten minimaal drie kalenderjaren worden bewaard.
    (artikel 44, lid 2, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

  • De fysieke controle moet minimaal een controle inhouden van de elementen die van belang zijn voor de heffing van de douanerechten; voor zuivelproducten zijn met name het nettogewicht en de samenstelling van de producten van belang voor de heffing. Daarnaast is ook de oorsprong van de goederen van belang voor de hoogte van de heffing. Controle van de oorsprongsbescheiden samen met (eventuele) aanduidingen op de verpakkingen zijn dan ook van belang.

  • Als een fysieke controle is uitgevoerd, moet de verifiërend ambtenaar in vak 32 van het invoercertificaat de volgende vermelding aanbrengen:
    "Fysieke controle uitgevoerd Verordening (EG) nr. 2535/2001"

  • De verifiërend ambtenaar moet de resultaten van de fysieke controle binnen twintig werkdagen nadat de fysieke controle is uitgevoerd, vaststellen. Omdat analyses op het monster in het laboratorium noodzakelijk zijn voor de controle op de samenstelling van het product, moet, gelet op de tijd die nodig is om deze analyses uit te voeren, het monster onmiddellijk na de monstername naar het douanelaboratorium worden gestuurd. Gelet op de frequentie waarmee monsters naar het laboratorium worden gestuurd (gemiddeld een of twee keer per week), is tussentijdse toezending in het algemeen niet noodzakelijk.
    (artikel 44, lid 3 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Het laboratorium waarborgt dat deze monsters met voorrang worden geanalyseerd en dat de uitslag van het onderzoek per ommegaande wordt meegedeeld aan het verzoekende douanekantoor.

Als de fysieke controle uitwijst dat de eigenschappen van de ingevoerde zuivelproducten niet overeenkomen met de gegevens in de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer, is er sprake van een niet-conforme aangifte. Over deze niet-conforme aangifte moet de Douane informatie verstrekken.

Informatie verstrekken

Verordening (EG) 2535/2001 bevat de volgende twee informatieprocedures voor het inlichten van de Commissie van de EU:

  • Informatieprocedure artikel 19, lid 3, Verordening (EG) 2535/2001;

  • Informatieprocedure artikel 44, lid 4, Verordening (EG) 2535/2001.

Om reden van duidelijkheid is er in Nederland voor gekozen om beide informatieprocedures door de Douane te laten uitvoeren.

Ad. 1 Informatieprocedure artikel 19, lid 3, Verordening (EG) 2535/2001
Deze procedure ziet op de invoer van zendingen kaassoorten die zijn genoemd in bijlage XIII van Verordening (EG) nr. 2535/2001 en die worden ingevoerd in het kader van tariefcontingenten.

Door middel van deze informatieprocedure is de Commissie in staat om de invoer van hoeveelheden droge stof en vet in de ingevoerde zendingen kaas te monitoren. Daartoe heeft de Commissie in Bijlage XIII van Verordening (EG) nr. 2535/2001 zogenaamde referentiepercentages vastgesteld.

Wanneer de in de aangifte voor het vrije verkeer vermelde en/of de bij verificatie feitelijk bevonden percentages hoger zijn dan de in Bijlage XIII genoemde percentages voor het drogestofgehalte en vetgehalte, dan moet u de Commissie van de EU inlichten.

Wanneer u vaststelt dat de door de importeur in de aangifte voor het vrije verkeer vermelde percentages hoger zijn dan de in bijlage XIII Verordening (EG) nr. 2535/2001 vermelde percentages, dan handelt u als volgt:

U zendt zo spoedig mogelijk een kopie van de aanvaarde aangifte voor het vrije verkeer en een kopie van het invoercertificaat aan het Belastingdienst/Douane Rotterdam/Douane Informatiecentrum, team A&T. Dit team zorgt voor het doorsturen van deze informatie naar de Europese Commissie.

Let op

Dit geldt zowel voor Nederlandse als voor in het buitenland afgegeven invoercertificaten.

Ad. 2 Informatieprocedure artikel 44, lid 4, Verordening (EG) 2535/2001
De Europese Commissie wil nauwkeurig de invoer van zuivelproducten met een verlaagd recht monitoren. Dit geldt zowel voor de aangiften voor het vrije verkeer binnen de contingenten als buiten de contingenten (zie voor meer informatie: paragraaf 4.7.3 en 4.7.4).

Wanneer na een fysieke controle (monsteronderzoek) blijkt dat de feitelijk bevonden percentages hoger zijn dan de in bijlage XIII Verordening (EG) nr. 2535/2001 vermelde percentages, moet de Europese Commissie worden geïnformeerd.

Wanneer u vaststelt dat de door de importeur in de aangifte voor het vrije verkeer vermelde percentages hoger zijn dan de in bijlage XIII Verordening (EG) nr. 2535/2001 vermelde percentages, dan handelt u als volgt:

U zendt zo spoedig mogelijk:

  • een kopie van de aanvaarde aangifte voor het vrije verkeer;

  • een kopie van de gecorrigeerde aangifte;

  • een kopie van het invoercertificaat;
    aan het Belastingdienst/Douane Rotterdam/Douane Informatiecentrum, team A&T. Dit team zorgt voor het doorsturen van deze informatie naar de Europese Commissie.

Let op

Dit geldt zowel voor Nederlandse als voor in het buitenland afgegeven invoercertificaten.

Naar boven

4.17.7. Extra verplichtingen voor verificatie bij preferentiële invoer van boter uit Nieuw-Zeeland

Algemeen

Voor de invoer van boter vanuit Nieuw-Zeeland met toepassing van een preferentieel tarief, zijn in overleg tussen de Europese Commissie en de Nieuw-Zeelandse autoriteiten bijzondere bepalingen vastgesteld. Deze bijzondere bepalingen hebben betrekking op:

  • de afgifte en het beheer van de certificaten IMA 1 en de invoercertificaten;

  • de controlevoorschriften bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer.

In deze paragraaf worden de bijzondere bepalingen voor boter met preferentie uit Nieuw-Zeeland verduidelijkt, voor zover ze van belang zijn voor de Nederlandse Douane. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • certificaten IMA 1 en invoercertificaten;

  • certificaat IMA 1 en invoercertificaat controleren;

  • procedure bij boter met een samenstelling die afwijkt van de aangegeven samenstelling;

  • gewicht van de zending verifiëren;

  • vetgehalte van de zending verifiëren;

  • tweede onderzoek na een niet-conforme uitslag van de verificatie van het vetgehalte;

  • informatie verstrekken bij een niet-conforme aangifte;

  • maandelijkse opgave van documenten;

  • kwartaalopgave van fysieke controles.

Certificaten IMA

Voor het gebruik van de certificaten IMA 1 geldt onder meer het volgende:

Certificaat

Toelichting

   

Certificaat IMA 1

  • Het certificaat IMA 1 moet zijn opgesteld overeenkomstig bijlage X van Verordening (EG) nr. 2535/2001.
  • Een van de voorwaarden voor de toepassing van het contingent is dat de boter "ten minste zes weken oud" moet zijn. Dit houdt in dat op het moment van de aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer, de boter tenminste zes weken oud moet zijn.
    (artikel 34, lid 3, Verordening (EG) nr. 2535/2001)
IMA 1 en invoercertificaat controleren

Bij de controle van de certificaten IMA 1 en invoercertificaten geldt het volgende:

Als de aangever bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer van boter uit Nieuw-Zeeland met toepassing van een preferentieel tarief een certificaat IMA 1 en een invoercertificaat overlegt, gaat u als volgt te werk:

  1. Ga na of het certificaat IMA 1 is opgesteld overeenkomstig bijlage X van Verordening (EG) nr. 2535/2001 en is afgegeven door in bijlage XII vermelde instantie van afgifte.

  2. Ga na of op het invoercertificaat het nummer en de datum van afgifte van het overgelegde certificaat IMA 1 is vermeld.

  3. Ga na of de boter op het moment van aanvaarding van de aangifte ten minste zes weken oud is (dit is verplicht voor de toepassing van het contingent). De datum waarop de betreffende boter zes weken oud is geworden of zal worden, vindt u in vak 17 van het certificaat IMA 1.
    (artikel 34, lid 3, Verordening (EG) nr. 2535/2001, Bijlage IV 2k)

  4. Ga na of op de verpakking van de boter én op de betreffende factuur (of facturen) is vermeld dat de oorsprong van de boter Nieuw-Zeeland is.

  5. Ga na of op de factuur (of de facturen) de volgende vermelding voorkomt:

    "Op grond van hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 2535/2001 van de Commissie ingevoerde boter: komt niet in aanmerking voor de toekenning van steun voor boter als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 429/90 van de Commissie en evenmin voor de toekenning van steun voor boter als bedoeld in artikel l, lid 2, onder a, van Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie en evenmin voor de toekenning van uitvoerrestituties overeenkomstig artikel 31, leden 10 en 11, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad behalve in de gevallen als bedoeld in lid 12 van dat artikel 31 en in artikel 7bis van Verordening (EG) nr. 1222/94 van de Commissie".
    (artikel 41, lid 3 Verordening (EG) nr. 2535/2001)

  6. Als op het moment van de aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer niet is voldaan aan een van de voorwaarden in de stappen 1 tot en met 5, bereken dan het normale derdelandentarief. Maak eventueel een proces-verbaal op wegens het indienen van een onjuiste aangifte.

  7. Als wel is voldaan aan de voorwaarden als vermeld in stappen 1 tot en met 5, vermeld u het volgnummer van het certificaat IMA 1 in vak 31 van het invoercertificaat en schrijft u de daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheid af op het invoercertificaat.

Let op

Nadat de boter is vrijgegeven voor het brengen in het vrije verkeer, heeft de Douane geen taak meer in de controle op de toepassing van het bovenstaande.

Als bij een administratieve controle echter wordt bevonden dat niet is voldaan aan de hierboven beschreven voorwaarden, dan maakt de Douane hiervan een rapport op en stuurt dit naar het technisch team van het betreffende kantoor. Het technisch team overlegt met het Productschap Zuivel over de te nemen stappen.

Procedure bij boter met samenstelling die afwijkt van aangegeven samenstelling

Wanneer niet is voldaan aan de eisen die zijn gesteld aan de samenstelling van de boter, gaat u als volgt te werk:

  1. Leg voor de hoeveelheid die niet voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan de samenstelling het gewone derdelandentarief op.
    (artikel 36 Verordening (EG) nr. 2535/2001)
  2. Schrijf van het overgelegde preferentiële certificaat de hoeveelheid af die voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan de samenstelling.
    Voor de hoeveelheid die niet voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan de samenstelling moet een invoercertificaat worden overgelegd, waarin geen aanspraak wordt gemaakt op een preferentieel recht.
    (artikel 36 Verordening (EG) nr. 2535/2001)
  3. Verwerk de correcties van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer in het systeem Sagitta-invoer.

Gewicht van zending verifiëren

Op grond van artikel 40, lid 1 en bijlage IV van Verordening (EG) nr. 2535/2001 zijn er specifieke procedures voorgeschreven voor de controle van het gewicht van de zending boter en de gevolgen die aan die controle verbonden kunnen worden.

Let op

Gelet op de mogelijkheid dat de uitslag van de fysieke controle wordt beïnvloed door externe factoren, is het van het grootste belang dat bij de uitvoering van de fysieke controle, de noodzakelijke voorzorgen worden genomen met betrekking tot de persoonlijke hygiëne en de hygiëne van de gebruikte apparatuur. Voor nadere aanwijzingen hierover kunt u contact opnemen met het douanelaboratorium.

Als u het gewicht van de zending boter wilt verifiëren, gaat u als volgt te werk:

  1. Neem een aselecte steekproef uit de zending. Bepaal de steekproefgrootte aan de hand van de volgende formule:

    n = 3√N

    waarin

    n = de steekproefgrootte
    N = het aantal dozen van de aangegeven partij

    Let op
    Het douanelaboratorium heeft een schema ontwikkeld waarmee per partijgrootte meteen kan worden vastgesteld hoeveel dozen moeten worden gewogen.
    Om te voorkomen dat de steekproef te klein wordt om een goed beeld te kunnen geven over de juistheid van het aangegeven gewicht, moet de steekproef uit minimaal tien dozen bestaan.

  2. Gebruik voor de weging een geijkte weegschaal; controleer of het ijkrapport nog geldig is. Leg deze controle vast op het fycoformulier.

  3. Weeg elke doos apart en leg van elke weging de resultaten vast op een weeglijst.

  4. Stel de tarra van de verpakking (de plastic folie) vast; dit kan op twee manieren gebeuren:

    1. Weeg een aantal verpakkingen (minimaal 3) zonder inhoud:

      Let op
      Alle (eventuele) boterresten moeten voor de weging nauwkeurig van deze verpakking (de folie) worden verwijderd. Daarnaast moet de verpakking ook absoluut droog zijn.

    2. Weeg de verpakking van een aantal gelijksoortige verpakkingen (minimaal drie) welke de importeur hiervoor ter beschikking stelt.

      Let op
      Stel vast dat deze verpakkingen identiek zijn aan de verpakkingen waarmee de boter is verpakt (leg uw conclusie hierover vast in het fycodossier); indien u twijfel heeft of het wel dezelfde verpakking betreft, moet u de tarra vaststellen op de wijze die is beschreven onder letter a.

  5. Stel vast of de hoeveelheid van de aangegeven zending overeenkomt met het gewicht dat op het certificaat IMA 1 is opgegeven. Gebruik hiervoor het beveiligde rekenblad dat het douanelaboratorium hiervoor heeft gemaakt. Vanwege de zeer complexe berekeningen die moeten worden uitgevoerd, is gebruik van dit rekenblad verplicht. Nadat u de bruto- en tarragewichten heeft ingebracht, geeft het rekenblad een uitkomst. Aan de hand van deze uitkomst kunt u eenvoudig vaststellen of de zending voldoet aan de opgegeven gewichten. Na de berekening zijn er twee uitslagen mogelijk:

    1. Het rekenkundig gemiddelde van de dozen in de steekproef komt overeen met het rekenkundig gemiddelde dat in het certificaat IMA 1 is vermeld. Pas in dit geval het nettogewicht dat in het certificaat IMA 1 is vermeld, toe om het nettogewicht van de ingevoerde partij te bepalen.

    2. Het rekenkundig gemiddelde van de dozen in de steekproef komt niet overeen met het rekenkundig gemiddelde dat in het certificaat IMA 1 is vermeld. Pas in dit geval het rekenkundig gemiddelde van de dozen in de steekproef toe om het nettogewicht van de ingevoerde partij te bepalen.

  6. Schrijf het vastgestelde gewicht af van het invoercertificaat. Hierbij kunnen zich twee situaties voordoen:

    1. De ingevoerde hoeveelheid boter is groter dan de hoeveelheid die op het invoercertificaat is vermeld. De aangever zal voor dit meerdere dus ook een certificaat dienen te overleggen Dit invoercertificaat kan worden afgegeven door het Productschap Zuivel.

      Let op
      Voor dit meerdere geldt de certificaatvrije hoeveelheid van 150 kg niet.

    2. De ingevoerde hoeveelheid boter is kleiner dan of gelijk aan de hoeveelheid die op het invoercertificaat is vermeld. Schrijf de ingevoerde hoeveelheid af van het certificaat. Het invoercertificaat kan voor een of meer aangiften voor het brengen in het vrije verkeer worden gebruikt.

(artikel 37, lid 4, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Let op

Afwijkingen van deze procedure zijn onder geen beding toegestaan.

Vetgehalte van zending verifiëren

Op grond van artikel 40, lid 1 en bijlage IV van Verordening (EG) nr. 2535/2001 zijn er specifieke procedures voorgeschreven voor de controle van het vetpercentage van de zending boter en de gevolgen die aan die controle verbonden kunnen worden.

Als u het vetpercentage van de zending boter wilt controleren, gaat u als volgt te werk:

  1. Neem voor de verificatie van het vetgehalte van de zending de helft van de dozen die zijn getrokken als aselecte steekproef voor het bepalen van het gewicht. (minimaal 5 dozen)

  2. Neem uit elk van deze dozen een monster, overeenkomstig de methode van standaard 50C/1995 van de Internationale Dairy Federation. Voor nadere aanwijzingen met betrekking tot de monsterneming van boter/boterolie, zie hoofdstuk 7 van het onderdeel Monsterneming en monsteronderzoek, opgenomen onder nummer 12.10.00.

  3. Maak van elk monster 2 eindmonsters en vermeld op elk eindmonster de gegevens van de doos waaruit het monster is genomen. Als u nog vragen heeft over deze methode, dan kunt u het douanelaboratorium hiervoor raadplegen.

  4. Stuur de eindmonsters naar het douanelaboratorium met het verzoek om analyse.

    Let op
    Zorg dat de eindmonsters onder geconditioneerde omstandigheden worden verzonden naar het douanelaboratorium.Voor aanwijzingen hierover kunt u contact opnemen met het douanelaboratorium.

  5. Nadat het douanelaboratorium het monster heeft geanalyseerd, zijn er twee situaties mogelijk:

    1. Het rekenkundig gemiddelde van het vetpercentage is niet hoger dan 84,4 %(m/m).
      Sta de importeur in dit geval toe om de partij in te voeren met toepassing van het contingent en de preferentie.

    2. Het rekenkundig gemiddelde van het vetpercentage van het monster is hoger dan 84,4 %(m/m). De aangifte is op dit punt dus niet conform. Laat de importeur in dit geval de hele zending invoeren tegen het geldende derdelandentarief. Zie voor de afwerking van het invoercertificaat de "Procedure bij boter met samenstelling die afwijkt van aangegeven samenstelling" (hiervoor in deze paragraaf) en zie voor de informatie die moet worden verstrekt "Informatie verstrekken bij niet-conforme aangifte" (verder in deze paragraaf).

Let op
  • Afwijkingen van deze procedure zijn onder geen beding toegestaan.

  • Wanneer de uitslag van de verificatie niet conform is en de importeur is het niet met deze conclusie eens, dan heeft hij de mogelijkheid om een tweede onderzoek te laten plaatsvinden (zie hieronder).

Tweede onderzoek na niet-conforme uitslag verificatie vetgehalte

Als de verificatie van het vetgehalte van Nieuw-Zeelandse boter met preferentie de uitslag niet-conform heeft opgeleverd, kan de importeur een tweede onderzoek aanvragen. Dit tweede onderzoek is gebaseerd op Verordening (EG) nr. 2535/2001.

Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft het RIKILT als laboratorium aangewezen waar het tweede onderzoek moet plaatsvinden. Bij een tweede onderzoek hebben de verschillende partijen (aangever, Douane, RIKILT en douanelaboratorium) achtereenvolgens de volgende verplichtingen:

Betrokken partij

Verplichting

   

Aangever

  • De aangever moet binnen zeven werkdagen nadat hij de resultaten van de verificatie van de aangifte heeft ontvangen, deze analyseresultaten betwisten. Dit moet hij doen bij het douanekantoor waar de aangifte is aanvaard.

  • De aangever moet zich verbinden om de kosten die de tweede analyse met zich meebrengt, te vergoeden.

Douanekantoor

Het douanekantoor stuurt een verzoek tot heronderzoek naar het douanelaboratorium en meldt op dit verzoek dat het tweede eindmonster door het RIKILT onderzocht moet worden.

Douanelaboratorium

Het douanelaboratorium stuur het tweede eindmonster verzegelt naar het RIKILT dat voor de tweede analyse is aangewezen.

RIKILT

Na analyse bij het RIKILT deelt dit laboratorium de analyseresultaten mee aan het douanelaboratorium.

Douane-laboratorium

Het douanelaboratorium bericht het betreffende douanekantoor over de definitieve uitslag van het onderzoek, dit is de uitslag van het tweede eindmonster,

Douane-kantoor

De verifiërend ambtenaar deelt de definitieve uitslag van het onderzoek per brief mee aan de aangever.

Informatie verstrekken bij een niet-conforme aangifte

Bij de invoer van Nieuw-Zeelandse boter kan het zijn dat er twee eenheden bepaalde informatie moeten verstrekken, namelijk:

  • het douanekantoor;

  • het douanelaboratorium.

Als, naar aanleiding van een fysieke controle van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer van boter uit Nieuw-Zeeland die wordt ingevoerd met aanspraak op het preferentiële tarief, blijkt dat de aangifte niet conform is, dan gaat u als volgt te werk:

  1. Stel een dossier samen dat bestaat uit de volgende bescheiden:

    • een kopie van de aanvaarde aangifte tot het brengen in het vrije verkeer;

    • een kopie van de gecorrigeerde aangifte tot het brengen in het vrijeverkeer;

    • een kopie van het invoercertificaat;

    • een kopie van het certificaat IMA 1;

    • een afschrift van het formulier "Aanvraag monsteronderzoek";

    • een afschrift van de analyseresultaten van het douanelaboratorium;

    • een afschrift of kopie van alle andere relevante bescheiden.

  2. Stuur binnen tien werkdagen nadat u definitief heeft vastgesteld dat de aangifte niet conform is, een afschrift van het dossier naar:

    • Het Belastingdienst/Douane Rotterdam/Douane Informatiecentrum, team A&T, dat zorgt voor het doorsturen van deze informatie naar de Europese Commissie.

(artikel 44, leden 3 en 4 juncto bijlage IV, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Maandelijkse opgave documenten

De douanekantoren die aangiften tot het brengen in het vrije verkeer aanvaarden voor boter vanuit Nieuw-Zeeland met toepassing van een contingent, moeten hiervan maandelijks een opgave doen aan het Productschap Zuivel. Op basis van deze opgaven verstrekt het Productschap Zuivel maandelijks een overzicht aan de Europese Commissie van de hoeveelheden boter uit Nieuw-Zeeland waarvoor in Nederland een aangifte tot het brengen in het vrije verkeer met aanspraak op preferentie is aanvaard.
(artikel 39, Verordening (EG) nr. 2535/2001)

Als u een aangifte tot het brengen in het vrije verkeer voor boter vanuit Nieuw-Zeeland met toepassing van het contingent heeft aanvaard, gaat u als volgt te werk:

  • Verstrek, binnen vijf werkdagen na afloop van de maand waarin de aangifte is aanvaard, de volgende documenten aan het Productschap Zuivel:

    • een kopie van de aangiften tot het brengen in het vrije verkeer die in die maand zijn aanvaard;

    • een kopie van de bijbehorende invoercertificaten;

    • een kopie van de bijbehorende certificaten IMA 1.

Kwartaalopgave fysieke controles

De lidstaten moeten elk kwartaal aan de Europese Commissie de resultaten van de fysieke controles meedelen die ze in dat kwartaal hebben uitgevoerd op de aangiften tot het brengen in het vrije verkeer van boter uit Nieuw-Zeeland met aanspraak op de preferentie. De resultaten van de controles moeten uiterlijk de tiende van de volgende maand worden verstrekt en wel volgens het model van bijlage V, Verordening (EG) nr. 2535/2001.

Als er sprake is van invoer van boter uit Nieuw-Zeeland met aanspraak op de preferentie waarop een fysieke controle is uitgevoerd, en de verificatie van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is definitief beëindigd, dan gaat u als volgt te werk:

  • Stuur direct nadat de verificatie van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer definitief is beëindigd, per post, van elke uitgevoerde fysieke controle een ingevuld exemplaar van bijlage XII naar het Belastingdienst/Douane Rotterdam/Douane Informatiecentrum, team A&T.
    (artikel 40, lid 2, Verordening (EG) nr. 2535/2001)
  • Het team A&T verzamelt de ingevulde exemplaren zend deze tijdig door naar de Europese Commissie.

Naar boven

4.18. Sector varkensvlees

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor varkensvlees.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XVII van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Let op

Bij invoer van de hier genoemde goederen moet bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer altijd een Gemeenschappelijk Veterinair Document worden overgelegd. Aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is zonder zo'n certificaat niet toegestaan. (artikel 7, lid 3, Richtlijn 97/78 van de Raad)

Naar boven

4.19. Sector Schapen- en Geitenvlees

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor schapen- en geitenvlees.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XVIII van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Invoercertificaat

Voor producten die onder deze sector vallen, kan bij het brengen in het vrije verkeer een invoercertificaat verplicht zijn.
(artikel 130, lid 1, letter l, Verordening (EG) nr. 1234/2007, juncto artikel 2, lid 1, Verordening (EG) nr. 1439/1995, juncto artikel 1, lid 2 onder letter a, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Hiervoor dient het Gebruikstarief Douane geraadpleegd te worden.

Let op

Bij invoer van de hier genoemde goederen moet bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer altijd een Gemeenschappelijk Veterinair Document worden overgelegd. Aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is zonder zo'n certificaat niet toegestaan. (artikel 7, lid 3, Richtlijn 97/78 van de Raad)

Naar boven

4.20. Sector eieren

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor eieren.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XIX van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De definities voor de producten uit deze sector zijn toegelicht in deel VI van bijlage III, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Let op

Bij invoer van de hier genoemde goederen moet bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer altijd een Gemeenschappelijk Veterinair Document worden overgelegd. Aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is zonder zo'n certificaat niet toegestaan.
(artikel 7, lid 3, Richtlijn 97/78 van de Raad)

Naar boven

4.21. Sector vlees van pluimvee

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (paragraaf 4.21.1);

  • aanvullend invoerrecht (paragraaf 4.21.2).

Naar boven

4.21.1. Algemeen

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor vlees van pluimvee.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XX van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

De definities voor de producten uit deze sector zijn toegelicht in deel VII van bijlage III, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Naast douanerechten wordt voor een aantal producten binnen deze sector ook een aanvullend invoerrecht geheven. Dit is een belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2). Het vlees van pluimvee waarvoor een aanvullend invoerrecht geldt, wordt behandeld in paragraaf 4.21.2.

Let op

Bij invoer van de hier genoemde goederen moet bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer altijd een Gemeenschappelijk Veterinair Document worden overgelegd.

Aanvaarding van de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is zonder zo'n certificaat niet toegestaan.
(artikel 7, lid 3, Richtlijn 97/78 van de Raad)

Naar boven

4.21.2. Aanvullend invoerrecht

Er zijn aanvullende invoerrechten vastgesteld voor o.a. de volgende producten:

GN-code

Omschrijving

Land van oorsprong

     

0207 14 10

Delen van hanen of van kippen, zonder been, bevroren

Argentinië, Brazilië of Chili

1602 32 11

Bereidingen en conserven van vlees of van slachtafval, van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

Brazilië

(artikel 1, juncto bijlage 1 Verordening (EG) nr. 1484/95)

Voor een actueel overzicht dient u de circulaires van het Productschap te raadplegen.

Hieronder komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • systeem van de aanvullende invoerrechten;

  • berekening van het aanvullend invoerrecht;

  • CIF-invoerprijs hoger dan representatieve prijs;

  • Fob-prijs aantonen.

Systeem van de aanvullende invoerrechten

De Europese Commissie stelt periodiek representatieve prijzen vast op basis van de CIF-invoerprijzen en op basis van de vastgestelde prijzen op de wereldmarkt of op de markt van invoer in de Gemeenschap. De representatieve prijzen worden door de Productschappen Vee, Vlees en Eieren bekend gemaakt in circulaires.

Als de representatieve prijzen beneden een bepaald niveau komen, de zogenaamde reactieprijs, is de importeur een aanvullend invoerrecht verschuldigd. De Europese Commissie stelt de reactieprijs periodiek vast in het kader van het GATT-akkoord.

Berekening van het aanvullend invoerrecht

Als er aanvullende invoerrechten van toepassing zijn, kunnen die (nog) niet automatisch in Sagitta worden berekend. U moet dan zowel het douanerecht als het aanvullend invoerrecht (belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) handmatig berekenen.

Hoe het aanvullend invoerrecht wordt berekend, ziet u in de volgende tabel.

Situatie

Verschil tussen reactieprijs en CIF-invoerprijs, in percentages van de reactieprijs

Hoogte van het aanvullend invoerrecht

     

A

Het verschil is niet groter dan 10% van de reactieprijs.

0

B

Het verschil is groter dan 10%, maar niet groter dan 40% van de reactieprijs.

30% van het verschil boven 10%

C

Het verschil is groter dan 40%, maar niet groter dan 60% van de reactieprijs.

50% van het verschil boven 40%, plus het aanvullend recht zoals bepaald onder B

D

Het verschil is groter dan 60%, maar niet groter dan 75% van de reactieprijs.

70% van het verschil boven 60%, plus de aanvullende rechten zoals bepaald onder B en C

E

Het verschil is groter dan 75% van de reactieprijs.

90% van het verschil boven 75%, plus de aanvullende rechten zoals bepaald onder B, C en D

(artikel 4 Verordening (EG) nr. 1484/95)

Uit deze tabel blijkt dat hoe hoger de CIF-invoerprijs is, hoe lager het aanvullend invoerrecht is.

De CIF-invoerprijs bestaat uit de volgende elementen:

  • de fob-prijs in het land van oorsprong;

  • de reële kosten van vervoer en verzekeringen tot op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap.

(artikel 2 Verordening (EG) nr. 1484/95)

Als u het aanvullend invoerrecht wilt berekenen, gaat u als volgt te werk:

  1. Neem de reactieprijs van het product en breng hierop de CIF-invoerprijs in mindering (reactieprijs - CIF-invoerprijs = prijs x).

  2. Bereken welk percentage prijs x is van de reactieprijs.

  3. Kijk in de tabel met welke situatie het percentage overeenkomt (A tot en met E).

  4. Voer de berekening uit die hoort bij deze situatie. U komt nu uit op het aanvullend invoerrecht.

Hierna volgen twee voorbeelden van de berekening van het aanvullend invoerrecht 1).

1) De voorbeelden zijn deels gebaseerd op gegevens uit circulaire 31/99 U van PVE van 2 maart 1999.

Situatie

Percentage van de reactieprijs

Reactieprijs

Te betalen aanvullend invoerrecht

       

100%

€ 333,53

A

Over de stap van € 333,53 tot en met € 300,18 is het aanvullend invoerrecht 0.

90%

€ 300,18

B

Over de stap van € 300,18 tot en met € 200,12 is het aanvullend invoerrecht 30%.

60%

€ 200,12

C

Over de stap van € 200,12 tot en met € 133,41 is het aanvullend invoerrecht 50%.

40%

€ 133,41

D

Over de stap van € 133,41 tot en met € 83,50 is het aanvullend invoerrecht 70%.

25%

€ 83,38

E

Over dit gedeelte van € 83,38 en lager is het aanvullend invoerrecht 90%.

Voorbeeld 1 1)

1) Prijzen in de voorbeelden per 100 kg

Product : ontbeend kippenvlees
GN-code : 02071410
Oorsprong : Brazilië
Reactieprijs : € 333,53
CIF-invoerprijs : € 192,86
Representatieve prijs voor Brazilië : € 222,81

Het verschil tussen de reactieprijs en CIF-invoerprijs is € 140,76, oftewel 42% van de reactieprijs. De situatie komt dus overeen met situatie C van de tabel en daaruit volgt deze berekening:

50% x (€ 200,12 - € 192,86) = : € 3,63
30% x (€ 300,40 - € 200,12) = : € 30,02 +
Aanvullend invoerrecht : € 33,65

Voorbeeld 2

Product : ontbeend kippenvlees
GN-code : 02071410
Oorsprong: Thailand
Reactieprijs : € 333,53
CIF-invoerprijs : € 229,16
Representatieve prijs voor Thailand : € 222,81

Het verschil tussen de reactieprijs en CIF-invoerprijs is € 104,37, oftewel 31% van de reactieprijs. Voor de berekening van het aanvullend invoerrecht geldt dus situatie B van de tabel en daaruit volgt deze berekening:

30% x (€ 300,18 - € 229,16) = € 21,31
--------+
Aanvullend invoerrecht € 21 31

In dit voorbeeld is de CIF-invoerprijs hoger dan de representatieve prijs voor Thailand. Voor dit soort gevallen heeft de Commissie bepaald dat de importeur bepaalde bewijsstukken moet overleggen en een zekerheid moet stellen.

CIF-invoerprijs hoger dan representatieve prijs
Bewijsstukken overleggen

Als de CIF-invoerprijs per 100 kg hoger is dan de representatieve prijs moet de importeur tenminste de volgende bewijsstukken bij de aangifte voor het vrije verkeer overleggen:

  • het koopcontract of een gelijkwaardig bewijsstuk;

  • de verzekeringspolis;

  • de factuur;

  • het certificaat van oorsprong (zo nodig);

  • de vervoersovereenkomst;

  • het cognossement (bij vervoer over zee).

(artikel 3, lid 2, Verordening (EG) nr.1484/95)

De bewijsstukken moeten uiterlijk de tweede werkdag na de dag waarop de aangifte is aanvaard, worden ingeleverd bij het aangiftepunt waar de aangifte is gedaan.
(artikel 218, lid 1, Verordening (EEG) 2454/93. Zie ook onderdeel 12.00.00, par. 2.1.7 en onderdeel 13.00.00, par. 1.2.4 van dit Handboek)

Bij het ontbreken van de vereiste bewijsstukken kan een onvolledige aangifte worden gedaan. De ontbrekende bewijsstukken moeten uiterlijk binnen één maand vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte worden ingeleverd bij de Douane. Wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de goederen daadwerkelijk voor het lagere aanvullende invoerrecht in aanmerking komen dan kan de termijn, op verzoek van de importeur en voor zover de omstandigheden dit rechtvaardigen, worden verlengd.
(artikelen 255 en 256, lid 1, Verordening (EEG) 2454/93. Zie ook onderdeel 13.00.00, paragraaf 9.3.4 van dit Handboek)

De importeur moet een zekerheid stellen zoals is bedoeld in artikel 248, lid 1, Verordening (EEG) 2454/93. Deze zekerheid moet gelijk zijn aan het bedrag aan aanvullende invoerrechten dat de importeur zou hebben betaald als het aanvullend invoerrecht was berekend op basis van de representatieve prijs voor het product.
(artikel 3, lid 3, Verordening (EG) nr.1484/95)

De verificatie van de aangifte voor het vrije verkeer wordt aangehouden.

De importeur moet bewijzen dat de betrokken producten zijn afgezet tegen zodanige condities, dat de door hem aangegeven CIF-invoerprijs juist is. Hij moet bewijsstukken waaruit dat blijkt binnen een maand na de verkoop van de goederen, maar uiterlijk binnen zes maanden na de datum van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer, bij de Douane overleggen.

Let op
  • De importeur kan bij de douaneautoriteit waar de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer is aanvaard, (gemotiveerd) verzoeken om de termijn van zes maanden te verlengen met hoogstens drie maanden.

  • Als de termijnen voor het overleggen van bewijzen niet in acht worden genomen, wordt de zekerheid verbeurd.

(artikel 3, lid 4, Verordening (EG) nr.1484/95)

De zekerheid wordt vrijgegeven zodra de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat de afzetcondities waartegen de CIF-invoerprijs is vastgesteld, correct waren. Als dat niet het geval is, wordt de zekerheid verbeurd door het betalen van de aanvullende invoerrechten. Als de termijnen voor het overleggen van bewijzen niet in acht worden genomen, wordt de zekerheid ook verbeurd.
(artikel 3, leden 2, 3 en 5, Verordening (EG) nr.1484/95)

Let op

Als de CIF-invoerprijs per 100 kg lager is dan de representatieve prijs, hoeven er als gevolg van deze verordening dus geen bewijsstukken te worden overgelegd en hoeft er geen zekerheid te worden gesteld. In de zin van Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt onder de CIF-invoerprijs verstaan:

  • de fob-prijs in het land van oorsprong (zie volgende alinea);

  • de reële kosten van vervoer en verzekeringen tot op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap.

Overleggen factuur fob-prijs land van oorsprong

De hoofdregel is dat bij de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer een factuur fob-prijs land van oorsprong wordt overgelegd.

Indien een importeur niet aan deze eis kan voldoen - bijvoorbeeld in geval van opeenvolgende verkopen 1 - kan van deze hoofdregel worden afgeweken. In dat geval kan voor de berekening van het aanvullend invoerrecht gebruik worden gemaakt van de aangegeven CIF-prijs, welke behoort bij de transactie voor de uitvoer naar de Gemeenschap.

1) NB. De door u geaccepteerde factuur in geval van opeenvolgende verkopen moet wel voldoen aan de waardebepalingen als opgenomen onder Titel II, hoofdstuk 3 van het CDW. Zie hiervoor dit Handboek, onder nummer 9.00.00.

Het doel van het instellen van een aanvullend invoerrecht is namelijk het voorkomen van marktverstoring, omdat producten tegen te lage prijzen op de Europese markt worden gebracht.

Onder DouaneNet Portaal zijn berekeningsmodellen te vinden om het aanvullend invoerrecht vast te stellen.

Naar boven

4.22. Sector overige producten

In de GMO-verordening is een sector opgenomen voor overige producten.

Een overzicht van de producten die onder deze sector vallen vindt u in deel XXI van bijlage I, Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Voor deze sector zijn in de GMO-verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

De relevante algemene bepalingen die voor alle sectoren gelden zijn toegelicht in onderdeel 13.01.00, paragraaf 4.1 van dit Handboek.

Naar boven

4.23. Marktordening verwerkte landbouwproducten

In de GMO-verordening is geen sector opgenomen voor "verwerkte landbouw-producten"-(ILP).

Voor deze goederen, die zijn verkregen door verwerking van landbouwproducten, is een specifieke marktordening vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1216/2009.

Een overzicht van de producten die onder deze marktordening vallen vindt u in bijlage B van de verordening.
(artikel 1, juncto bijlage II Verordening (EG) nr. 1216/2009)

In de marktordening verwerkte landbouwproducten is een aantal specifieke maatregelen opgenomen betreffende de handel met derde landen. Voor zover deze maatregelen van belang zijn voor de taken van de douaneambtenaar, worden ze hierna (kort) behandeld.

In deze verordening worden de volgende definities gebruikt:

  • landbouwproducten: producten die vallen onder bijlage I bij het Verdrag;

  • goederen: de producten die genoemd worden in bijlage II bij deze verordening en die niet vallen onder bijlage I bij het Verdrag;

    De term "goederen" gebruikt in hoofdstuk I, en in artikel 12 heeft evenwel betrekking op producten die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, maar zijn opgenomen in de overeenkomstige bijlagen van de verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening in de landbouwsector.

Voor de toepassing van bepaalde preferentiële overeenkomsten gelden de volgende definities:

  • agrarisch element kan de volgende twee dingen zijn:

    1. het gedeelte van de belasting dat overeenkomt met de douanerechten van de Gemeenschap die gelden voor de landbouwproducten die vermeld zijn in bijlage 1;

    2. het gedeelte van de belasting dat overeenkomt met de rechten die gelden voor de landbouwproducten die van oorsprong zijn uit het betrokken land, voor de hoeveelheden landbouwproducten die geacht worden te zijn gebruikt, zoals bedoeld in artikel 14.

  • niet-agrarisch element: het gedeelte van de belasting dat overeenkomt met het douanerecht, verminderd met het agrarisch element;

  • basisproducten zijn landbouwproducten die voldoen aan één van de volgende voorwaarden:

    1. De producten vallen onder bijlage I van Verordening (EG) nr. 1216/2009 of zijn gelijkgesteld met producten die onder bijlage 1 vallen.

    2. De producten zijn verkregen door verwerking van producten die voldoen aan alle volgende voorwaarden:

      • Ze vallen onder bijlage I.

      • Voor de producten worden de desbetreffende douanerechten gebruikt om het agrarisch element vast te stellen van de belasting die op de goederen wordt geheven.

(artikel 1, leden 1 en 2, Verordening (EG) nr. 1216/2009)

Wat betreft het preferentiële handelsverkeer kan deze verordening ook worden toegepast op sommige landbouwproducten die onder een andere marktordening vallen.
(artikel 3, Verordening (EG) nr. 1216/2009)

Voor de indeling van de producten die onder deze verordening vallen, gelden de algemene bepalingen voor de interpretatie van de GN en de bijzondere regels voor de toepassing van de GN.
(artikel 4, Verordening (EG) nr. 1216/2009)

Tenzij anders in Verordening (EG) nr, 1216/2009 is bepaald, worden de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief toegepast op de in bijlage II van Verordening (EG) nr. 1216/2009 bedoelde goederen.

Voor de in tabel 1 van bijlage II bedoelde goederen bestaat de belasting uit een ad valorem-recht, "vast element" genaamd, en een in EUR vastgesteld specifiek bedrag, "agrarisch element" genaamd.

Voor de in tabel 2 van bijlage II bedoelde goederen is het agrarisch element van de belasting, een gedeelte van de belasting die van toepassing is bij invoer van die goederen.

Behoudens het bepaalde in artikel 10 en artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1216/2009 is het verboden andere douanerechten of heffingen van gelijke werking op te leggen dan de hiervoor bedoelde belasting.

(artikel 4, Verordening (EG) nr. 1216/2009)

Als bij invoer van bepaalde goederen een maximumtarief aan douanerechten is bepaald, dan mag het invoerrecht niet hoger zijn dan dit maximum.
(artikel 5, Verordening (EG) nr. 1216/2009)

Daarnaast kan er (onder voorwaarden) ook nog een aanvullend invoerrecht van toepassing zijn. Dit aanvullend invoerrecht is een belasting in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (zie tabel in paragraaf 2.1.2). Op dit moment is er echter geen aanvullend invoerrecht van toepassing.
(artikel 11, Verordening (EG) nr. 1216/2009)

In Taric-NL en in het tariefbestand van Sagitta zijn per GN-code de heffingen opgenomen die bij invoer worden opgelegd. Daarnaast is hier aangegeven of het verplicht is om voor de goederen een invoercertificaat te overleggen en of er een tariefcontingent van toepassing is (of kan zijn). In het Gebruikstarief Douane is in voorkomende gevallen deze verplichting bij de betreffende goederencode opgenomen.

Naar boven

4.24. Marktordening visserijproducten

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemeen (4.24.1);

  • maatregelen bij de lage prijzen en te veel invoer (4.24.2);

  • meldingen voor het in het vrije verkeer brengen van zalm (4.24.3);

  • compenserende vergoeding bij invoer van tonijn (4.24.4).

Naar boven

4.24.1. Algemeen

In de marktordening Vis (Verordening (EG) nr. 104/2000) is een aantal specifieke maatregelen opgenomen betreffende de handel met derde landen. Voor zover deze maatregelen van belang zijn voor de taken van de douaneambtenaar, worden ze hierna behandeld.

Deze verordening geldt voor de in artikel 1 Verordening (EG) nr. 104/2000 genoemde visserijproducten.

Verordening (EG) nr. 104/2000 kent een indeling met een aantal specifieke bepalingen rond:

-

handelsnormen en consumenteninformatie

Titel I

-

producentenorganisaties

Titel II

-

brancheorganisaties

Titel III

-

prijzen en interventie

Titel IV

-

handelsverkeer derde landen

Titel V

De titels IV en V kennen een aantal maatregelen in het kader van de regeling met de handel tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en derde landen.

De Nederlandse Douane heeft in de regelgeving genoemd in Titel IV, prijzen en interventie en Titel V, handelsverkeer derde taken die hierna worden toegelicht.

Invoercertificaten

In Taric-NL en in het Gebruikstarief Douane zijn per GN-code de heffingen opgenomen die bij invoer worden opgelegd. Daarnaast is hier aangegeven of het verplicht is om voor de goederen een invoercertificaat te overleggen en of er een tariefcontingent van toepassing is (of kan zijn).

Naar boven

4.24.2. Maatregelen bij te lage prijzen en te veel invoer

Voor de invoer van visserijproducten kan de Europese Commissie een aantal maatregelen vaststellen. Het gaat dan om visserijproducten uit derde landen.

Let op

Deze maatregelen gelden op dit moment niet. De maatregelen worden namelijk ingesteld als de interne markt wordt verstoord door te lage prijzen bij invoer in combinatie met te veel invoer. Die combinatie komt op dit moment niet voor. Dit betekent dat bij invoer nu alleen de douanerechten verschuldigd zijn.

Systeem van maatregelen

De Europese Commissie stelt jaarlijks referentieprijzen vast voor visserijproducten. Dit doet de Commissie om te voorkomen dat zich verstoringen voordoen door zendingen die vanuit derde landen worden ingevoerd tegen abnormale prijzen, of onder zodanige voorwaarden, dat de stabiliserende maatregelen van titel III van Verordening (EG) nr. 104/2000 in gevaar komen.
(artikel 22, lid 1, titel III van Verordening (EG) nr. 104/2000)

Wanneer de aangegeven douanewaarde van ingevoerde visserijproducten waarvoor een referentieprijs is vastgesteld, lager is dan deze vastgestelde interventieprijs, dan wordt het voordeel van de betrokken tariefregeling opgeheven voor de betrokken hoeveelheden. Met andere woorden, deze producten moeten worden ingevoerd met toepassing van het normale derde landen recht in plaats van een preferentieel recht.
(artikel 29, lid 2, Verordening (EG) nr. 104/2000)

De lidstaten stellen de Commissie regelmatig in kennis van de op hun markten en in hun havens geconstateerde prijzen en ingevoerde hoeveelheden van de in bijlage I tot en met IV genoemde producten. Deze prijzen zijn gelijk aan de douanewaarde van de betrokken producten. Het Productschap Vis is belast met de verstrekking van deze gegevens aan de Commissie.
(artikel 29, lid 4, Verordening (EG) nr. 104/2000)

Wanneer de communautaire markt ernstig wordt - of dreigt te worden - verstoord als gevolg van een grote invoer van visserijproducten die in artikel 1 zijn genoemd, dan kan de Commissie ingrijpen. Ze kan dan passende maatregelen nemen in het handelsverkeer met derde landen, totdat deze verstoring is opgeheven of het gevaar daarvoor is geweken. Deze maatregelen noemt men "vrijwaringsmaatregelen".
(artikel 30, lid 1, Verordening (EG) nr. 104/2000)

Naar boven

4.24.3. Melding voor het in het vrije verkeer brengen van zalm

In de EU wordt zoveel zalm ingevoerd, dat er bijna een compenserende heffing kan worden opgelegd. Om de invoer van zalm te bewaken heeft de Commissie bepaald dat de lidstaten de Commissie informatie moeten geven over bepaalde soorten zalm. Het gaat om de volgende soorten zalm

GN-code

Omschrijving

   

0302 13 00

Verse of gekoelde Pacifische zalm, Atlantische zalm en Donauzalm, behalve visfilets en ander visvlees zoals bedoeld bij post 0304

0303 13 00

Bevroren Atlantische zalm en Donauzalm, behalve visfilets en ander visvlees zoals bedoeld bij post 0304

0303 11 00 en 0303 12 00

Bevroren Pacifische zalm, behalve visfilets en ander visvlees zoals bedoeld bij post 0304

0304 41 00

Verse of gekoelde visfilets van Pacifische zalm, Atlantische zalm en Donauzalm

0304 81 00

Bevroren filets van Pacifische zalm, Atlantische zalm en Donauzalm

Over deze zalm moet de volgende informatie worden gegeven:

  • het gewicht van de zalm;

  • de gedeclareerde douanewaarde;

  • de GN-code van de zalm;

  • de dag van aanvaarding van de aangifte;

  • het land van oorsprong;

  • het land van herkomst.

Daarnaast moet er voor bepaalde Noorse ondernemingen nog aanvullende informatie worden gegeven. In het Gebruikstarief zijn de betreffende ondernemingen vermeld met de aanvullende Taric-code.

De informatie moet aan de Commissie worden toegestuurd op de volgende dagen, afhankelijk van de periode waarin de betreffende goederen in het vrije verkeer worden gebracht:

Periode waarin zalm in vrije verkeer wordt gebracht

Dag van toesturen informatie

   

Eerste tot en met de 15e dag van de maand

25e dag van de maand of op de eerste werkdag daarna

16e tot en met de laatste dag van de maand

Tiende dag van de volgende maand of de eerste werkdag daarna

Informatieverstrekking

De Centrale Beheereenheid Douane, team Maatregelen, in Apeldoorn verzamelt gegevens uit de aangiften die via Sagitta worden verwerkt. Deze gegevens stuurt de Centrale Beheereenheid Douane naar het Productschap Vis. Het Productschap geeft deze informatie vervolgens door aan de Commissie.

De periodieke aangiften,(invoer met toepassing van een vereenvoudigde regeling, worden niet via Sagitta verwerkt, maar ze moeten wel gemeld worden in de opgave aan de Commissie. Daarom moeten de douanekantoren de informatie van deze periodieke aangiften verzamelen en versturen naar de Centrale Beheereenheid Douane in Apeldoorn.

Als u de informatie van de periodieke aangiften naar de Centrale Beheereenheid Douane moet sturen, gaat u als volgt te werk:

  1. Zet de informatie op volgorde van GN-code per kantoor op een elektronische gegevensdrager.

  2. Stuur de elektronische gegevensdrager naar de Centrale Beheereenheid Douane in Apeldoorn, voor de 15e van elke volgende maand.

    Let op
    Voor meer informatie over de overdracht per elektronische gegevensdrager kunt u contact opnemen met de Centrale Beheereenheid Douane.

De Centrale Beheereenheid Douane stuurt de informatie naar het Productschap Vis.

Naar boven

4.24.4. Compenserende vergoeding bij invoer van tonijn

Als de prijzen van producten uit de tonijnverwerkende industrie beneden een bepaalde interventiedrempel komen te liggen, wordt aan deze industrie een compenserende vergoeding verleend. (artikel 26 Verordening (EG) nr. 104/2000)

In verordening (EG) nr. 2183/2001 zijn hiervoor uitvoeringsbepalingen vastgesteld.

Hierna komen in deze paragraaf aan de orde:

  • de eigenschappen van tonijn waarvoor een compenserende vergoeding wordt verleend;

  • de bewijzen die nodig zijn bij de aanvraag om betaling van de compenserende vergoeding;

  • de afgifte van de kopie van het bewijs van communautaire oorsprong T2M.

Eigenschappen tonijn

De vergoeding wordt alleen verleend voor tonijn wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • Het betreft tonijn zoals bedoeld in bijlage III van Verordening (EG) nr. 104/2000.

  • De tonijn is gevangen door leden van een producentenorganisatie zoals bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 104/2000.

  • De tonijn wordt verkocht of geleverd aan bewerkende en verwerkende bedrijven die in het douanegebied gevestigd zijn.

  • De tonijn wordt verwerkt tot producten met GN-code 1604.

  • Wanneer voor een bepaald kwartaal wordt geconstateerd dat:

  • de op de markt van de Gemeenschap geconstateerde gemiddelde verkoopprijs en

  • de in artikel 29, lid 3, onder d, bedoelde invoerprijs lager zijn dan de interventie.

Let op

De compenserende vergoeding wordt verleend voor bepaalde maximale hoeveelheden van deze tonijn.

Bewijzen

De aanvraag om betaling van de compenserende vergoeding moet worden ingediend bij het Productschap Vis, samen met de volgende bewijsstukken:

  • het bewijs van communautaire oorsprong (zie hieronder);

  • kopieën van de facturen;

  • het bewijs dat de producten echt zijn geleverd aan een verwerker in het douanegebied van de Gemeenschap;

  • het bewijs dat een bepaalde prijs conform de facturen voor de producten is betaald;

  • een schriftelijke verklaring van de verwerker dat de aangekochte hoeveelheid is verwerkt tot producten met GN-code 1604.

(artikel 7 Verordening (EG) nr. 2183/2001)

Het bewijs van communautaire oorsprong of het communautaire karakter wordt geleverd door overlegging van het document T2M dat is afgegeven overeenkomstig de artikelen 325 tot en met 337 TVo. CDW. In het document T2M moeten de volgende eigenschappen van de producten duidelijk zijn vermeld:

  • de soort;

  • de aanbiedingsvorm;

  • het gewicht van de producten.

Zo nodig wordt het document T2M nog aangevuld met een certificaat van weging.

Het douanekantoor dat het document T2M bij invoer in het douanegebied van de Gemeenschap heeft geviseerd, geeft op verzoek een extra kopie af van het document T2M.

Afgifte kopie T2M

Als u werkzaam bent op het douanekantoor dat het document T2M bij invoer in het douanegebied van de Gemeenschap heeft geviseerd, en u krijgt het verzoek een extra kopie af te geven van het document T2M, dan gaat u als volgt te werk:

  • Zet het volgende op deze kopie:

    "EENMALIGE KOPIE VOOR COMPENSERENDE VERGOEDINGEN "

(artikel 8 Verordening (EG) nr. 2183/2001)

Naar boven