Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

Stappenplan

Stap 5 Premies werknemersverzekeringen berekenen

U moet premies werknemersverzekeringen betalen voor werknemers die verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Zie hoofdstuk 1 als u wilt weten wie wel en niet verzekerd zijn voor deze verzekeringen.

In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:

  • werknemersverzekeringen en premies (zie paragraaf 5.1)

  • premie WW-Awf (zie paragraaf 5.2)

  • sectorpremie (zie paragraaf 5.3)

  • Ufo-premie (zie paragraaf 5.4)

  • basispremie WAO/IVA/WGA (zie paragraaf 5.5)

  • gedifferentieerde premie Whk (zie paragraaf 5.6)

  • premies werknemersverzekeringen berekenen (zie paragraaf 5.7)

  • kortingen en vrijstelling (zie paragraaf 5.8)

  • premiekorting oudere werknemer (zie paragraaf 5.9)

  • premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer (zie paragraaf 5.10)

  • premiekorting jongere werknemer (zie paragraaf 5.11)

  • premiekortingen oudere werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer berekenen (zie paragraaf 5.12)

  • premiekortingen verrekenen en toetsen (zie paragraaf 5.13)

  • premievrijstelling marginale arbeid (zie paragraaf 5.14)

  • eigenrisicodragerschap werknemersverzekeringen (zie paragraaf 5.15)

Naar boven

5.1 Werknemersverzekeringen en premies

De werknemersverzekeringen verzekeren werknemers tegen het inkomensverlies als ze werkloos, arbeidsongeschikt of ziek worden. Nederland kent de volgende werknemersverzekeringen:

  • Werkloosheidswet (WW)

  • Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

  • Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
    Deze wet bestaat uit de volgende regelingen:

    • Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)

    • Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA)

  • Ziektewet (ZW)

Als werkgever betaalt u de volgende premies voor de werknemersverzekeringen:

  • premie WW-Awf (zie paragraaf 5.2)

  • sectorpremie (zie paragraaf 5.3)

  • Ufo-premie (zie paragraaf 5.4)

  • basispremie WAO/IVA/WGA (zie paragraaf 5.5)

  • gedifferentieerde premie Whk (zie paragraaf 5.6)

Voor bepaalde werknemers kunt u een premiekorting (zie paragraaf 5.9, 5.10 en 5.11) of een premievrijstelling (zie paragraaf 5.14) krijgen.

Zie voor de percentages voor de premies werknemersverzekeringen voor 2016 tabel 9, 10, tabel 10a en 14 achter in dit handboek.

Naar boven

5.1.1 Sectoraansluiting

Voor de werknemersverzekeringen is het bedrijfsleven verdeeld in sectoren. Elke sector bestaat uit 1 of meer bedrijfs- of beroepstakken of gedeelten daarvan. U bent verplicht aangesloten bij 1 van de sectoren. Bij welke sector dat is, hangt af van uw werkzaamheden. Uitgangspunt is dat werkgevers met dezelfde werkzaamheden bij dezelfde sector zijn aangesloten.

U moet weten bij welke sector u bent aangesloten, omdat de sectoraansluiting de hoogte bepaalt van de sectorpremie en van invloed kan zijn op de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk die u moet betalen (zie paragraaf 5.3 en 5.6).

Beoordeling sectoraansluiting

Als u zich bij ons aanmeldt als startende werkgever, geeft u aan welke werkzaamheden u uitvoert. Op basis daarvan beoordelen wij onder welke sector u valt. Binnen 8 weken na aanmelding krijgt u van ons een beschikking met de code en de naam van de sector waarbij u bent aangesloten. Tegen deze beschikking kunt u bezwaar maken. Zolang u geen beschikking hebt, houdt u rekening met de percentages van de sector waarbij u volgens uzelf hoort (zie tabel 10 achter in dit handboek).

Wijziging sectoraansluiting

Zolang uw ondernemingsactiviteiten niet structureel veranderen, blijft u aangesloten bij de vastgestelde sector. Als uw activiteiten structureel veranderen – bijvoorbeeld als u stopt met fabriceren en alleen nog maar als groothandel werkt –, moet u ons binnen 14 dagen schriftelijk om een nieuwe beoordeling van uw sectoraansluiting vragen. U krijgt dan een nieuwe beschikking.

Let op!

U past het nieuwe percentage voor de sectorpremie toe vanaf de datum die in de beschikking met de nieuwe sectoraansluiting staat. Bent u voor de gedifferentieerde premie Whk (zie paragraaf 5.6) een kleine of middelgrote werkgever? Dan gebruikt u voor de sectorale premies voor de gedifferentieerde premie Whk pas vanaf 2017 het percentage dat hoort bij uw gewijzigde sectoraansluiting.

Als uw werkzaamheden bij verschillende sectoren horen

Als uw werkzaamheden bij verschillende sectoren horen, sluiten wij u aan bij de sector waar het merendeel van uw werkzaamheden bij hoort. Hierbij is het werk waarvoor u het hoogste premieloon betaalt (of naar verwachting gaat betalen), doorslaggevend.

Wij kunnen u op uw verzoek ook bij meer dan 1 sector aansluiten, een zogenoemde gesplitste aansluiting. Meer informatie over de voorwaarden voor gesplitste aansluiting krijgt u bij de BelastingTelefoon (0800 - 0543) of bij uw belastingkantoor.

Groepsaansluiting

Als u met andere werkgevers die verschillende werkzaamheden uitvoeren, een economische of organisatorische eenheid vormt, kunt u toch bij 1 sector worden aangesloten, een zogenoemde groepsaansluiting. Hierbij is onder meer van belang onder welke sector het grootste deel van het totale premieloon van de aangesloten werkgevers valt. Meer informatie over de voorwaarden voor groepsaansluiting krijgt u bij de BelastingTelefoon (0800 - 0543) of bij uw belastingkantoor.

Naar boven

5.2 Premie WW-Awf

De premie WW-Awf is voor 2016 2,44% (zie tabel 9 achter in dit handboek).

Let op!

Overheidswerkgevers betalen geen premie WW-Awf. In plaats daarvan betalen zij de premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie) (zie paragraaf 5.4).

Naar boven

5.3 Sectorpremie

De hoogte van de sectorpremie is afhankelijk van het werkloosheidsrisico in de bedrijfs- of beroepssector waarin u werkt (zie paragraaf 5.1.1 en tabel 10 achter in dit handboek).

Let op!

Overheidswerkgevers betalen geen sectorpremie. In plaats daarvan betalen zij de premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie) (zie paragraaf 5.4).

De volgende sectoren hebben een hoger werkloosheidsrisico dan andere sectoren:

  • agrarisch bedrijf

  • bouwbedrijf

  • culturele instellingen

  • horeca algemeen

  • schildersbedrijf

Daarom gelden er voor deze sectoren 2 premiepercentages: een hoog en een laag percentage. Als u werkgever bent in 1 van deze 5 sectoren, bekijkt u per werknemer of u het hoge percentage of het lage percentage moet gebruiken. U gebruikt standaard het hoge percentage. Alleen in de volgende gevallen gebruikt u het lage percentage:

  • U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor ten minste een jaar of voor onbepaalde tijd met uw werknemer. In de arbeidsovereenkomst moet u het aantal arbeidsuren eenduidig vastleggen. Aan die voorwaarde voldoet u niet bij een oproepcontract waarin u het aantal uren niet vastlegt, of bij een nul-urencontract. U mag dan dus niet het lage percentage toepassen.

  • U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor maximaal 8 aaneengesloten weken in een kalenderjaar met een scholier of student. Deze student heeft aan het begin van het kwartaal waarin u de overeenkomst sluit, een wettelijk recht op studiefinanciering of op vergoeding van studiekosten, of heeft aan het begin van dat kwartaal recht op kinderbijslag.

  • U neemt tijdelijk een buitenlandse student of scholier aan uit een ander land van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, Zwitserland of Liechtenstein. De student is maximaal 8 aaneengesloten weken per kalenderjaar bij u in dienst en is aan het begin van het kwartaal waarin u hem aanneemt, ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt.

  • U sluit een leer-werkovereenkomst met een mbo-leerling die de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg volgt.

Als uw werknemer binnen 1 jaar nadat u hem in dienst hebt genomen, recht krijgt op een WW-uitkering omdat de dienstbetrekking bij u eindigt, moet u met terugwerkende kracht tot het begin van de dienstbetrekking alsnog het hoge premiepercentage betalen.

Om het lage premiepercentage te mogen gebruiken moet u ook voldoen aan de volgende administratieve voorwaarden:

  • U legt het aantal arbeidsuren vast in de schriftelijke arbeidsovereenkomst. Een nul-urencontract is niet mogelijk.

  • U bewaart de schriftelijke arbeidsovereenkomst bij uw loonadministratie.

  • U bewaart voor een scholier of student het 'Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en scholierenregeling)' bij uw loonadministratie (zie ook paragraaf 16.16).

  • U bewaart voor een buitenlandse student of scholier een kopie van zijn International Student Identity Card (ISIC) bij uw loonadministratie.

  • U bewaart voor een werknemer op basis van een leer-werkovereenkomst een kopie van die overeenkomst bij uw loonadministratie.

Naar boven

5.4 Ufo-premie

Overheidswerkgevers betalen geen premie WW-Awf en geen sectorpremie. In plaats daarvan betalen zij de premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie). De Ufo-premie is in 2016 0,78% (zie tabel 14).

Hebt u werknemers in dienst voor wie u Ufo-premie moet betalen en werknemers voor wie u premie WW-Awf en sectorpremie moet betalen? Dan mag u deze opnemen in dezelfde aangifte loonheffingen. In het werknemersdeel van de aangifte vult u de Ufo-premie of de premie WW-Awf en de sectorpremie in. In het collectieve deel neemt u het totaal op van de premie WW-Awf, het totaal van de sectorpremie en het totaal van de Ufo-premie.

Let op!

Het kan zijn dat u voor een werknemer voor het ene deel van de dienstbetrekking Ufo-premie moet betalen en voor het andere deel premie WW-Awf en sectorpremie. In dat geval neemt u deze dienstbetrekking als 2 afzonderlijke inkomstenverhoudingen in de aangifte op (zie paragraaf 3.4). U vult dus voor beide delen van de dienstbetrekking een werknemersdeel van de aangifte in.

Naar boven

5.5 Basispremie WAO/IVA/WGA

De basispremie WAO/IVA/WGA is voor alle werkgevers gelijk. De basispremie voor 2016 is 5,88%. De basispremie WAO/IVA/WGA heeft een opslag voor de kinderopvang, die voor alle werkgevers geldt. Deze opslag is voor 2016 0,50%.

De totale basispremie WAO/IVA/WGA inclusief de kinderopvangtoeslag is 6,38% (zie tabel 9 achter in dit handboek).

Naar boven

5.6 Gedifferentieerde premie Whk

Via de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) draagt u bij aan:

  • WGA-uitkeringen aan werknemers met een vast dienstverband

  • WGA- en ZW-uitkeringen aan zogenoemde flexwerkers

Flexwerkers

Met flexwerkers bedoelen we in dit verband:

  • werknemers met een fictieve dienstbetrekking die ziek zijn, zoals thuiswerkers en provisiewerkers

  • werknemers die ziek uit dienst zijn gegaan, zoals uitzendkrachten, werknemers met een tijdelijk dienstverband of werknemers met een vaste dienstbetrekking aan wie ontslag is aangezegd

  • werknemers die binnen 4 weken na het einde van hun dienstverband ziek zijn geworden (de zogenoemde nawerking) en niet op andere gronden recht hebben op een ZW-uitkering

Opbouw gedifferentieerde premie Whk

De gedifferentieerde premie Whk bestaat uit de volgende delen:

  • premiecomponent WGA voor vaste dienstbetrekkingen (WGA-vast)

  • premiecomponent WGA voor flexibele dienstbetrekkingen (WGA-flex)

  • premiecomponent ZW voor flexibele dienstbetrekkingen (ZW-flex)

Met de premiecomponent WGA-vast worden de WGA-lasten van werknemers met een vast dienstverband betaald. De andere premiecomponenten zijn het gevolg van het doorbelasten van ZW- en WGA-lasten voor flexwerkers die zijn ontstaan vanaf 2012. Ook overlijdensuitkeringen aan nabestaanden en re-integratiekosten worden doorbelast in deze premies.

Indeling in werkgeverscategorieën

Voor het vaststellen van de gedifferentieerde premie Whk is het van belang of u een kleine, grote of middelgrote werkgever bent:

  • U bent voor 2016 een kleine werkgever als uw premieloon in 2014 maximaal € 319.000 was (zie paragraaf 5.6.1).

  • U bent voor 2016 een grote werkgever als uw premieloon in 2014 meer dan € 3.190.000 was (zie paragraaf 5.6.2).

  • U bent voor 2016 een middelgrote werkgever als uw premieloon in 2014 meer was dan € 319.000 en maximaal € 3.190.000 was (zie paragraaf 5.6.3).

In de volgende situaties gelden specifieke regels voor het gedifferentieerde Whk-premiepercentage dat u moet gebruiken:

  • U bent een startende werkgever (zie paragraaf 5.6.4).

  • U hebt een werknemer in dienst op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) (zie paragraaf 5.6.5).

  • U hebt de beschikking of de mededeling van het gedifferentieerde premiepercentage Whk niet of te laat gekregen (zie paragraaf 5.6.6).

  • Er is sprake van een overgang van uw onderneming (zie paragraaf 5.6.7).

  • Er is sprake van regres (zie paragraaf 5.6.8).

U kunt een deel van de premie verhalen op uw werknemers (zie paragraaf 5.6.9).

Beschikking of mededeling

Wij stellen het gedifferentieerde premiepercentage Whk vast. U krijgt van ons een beschikking (als u een middelgrote of grote werkgever bent) of een mededeling (als u een kleine werkgever bent) met het totaalpercentage en de percentages van de 3 premiecomponenten die voor u gelden. Het totaalpercentage past u toe in de aangifte. Als u een middelgrote werkgever bent, staat in uw beschikking ook de berekening van het gewogen gemiddelde (zie paragraaf 5.6.3).

Naar boven

5.6.1 U bent een kleine werkgever

Voor kleine werkgevers stellen wij de percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex per sector vast. Zie tabel 10a voor een overzicht van de sectorale premiepercentages voor de Whk.

Naar boven

5.6.2 U bent een grote werkgever

Voor grote werkgevers stellen wij de percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex individueel vast. Het percentage is per premiecomponent afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidsrisico in uw onderneming.

Voor het bepalen van het arbeidsongeschiktheidsrisico in uw onderneming delen wij per premiecomponent de som van de WGA- of ZW-uitkeringen over 2014 door uw gemiddelde premieloon over 2010 tot en met 2014. Het totaal van de uitkeringen per premiecomponent en het gemiddelde premieloon waarmee wij hebben gerekend, staan in de beschikking. Het totaal van de uitkeringen berekenen wij als volgt:

  • Voor de premiecomponent WGA-vast tellen wij de uitkeringen bij elkaar op van (ex-)werknemers die in 2014 een WGA-uitkering hadden die inging op of na 1 januari 2007, en die op de 1e ziektedag bij u in dienst waren.

  • Voor de premiecomponent WGA-flex tellen wij de uitkeringen bij elkaar op van (ex-)werknemers die in 2014 een WGA-uitkering hadden die inging op of na 1 januari 2012.

  • Voor de premiecomponent ZW-flex tellen wij de uitkeringen bij elkaar op van (ex-)werknemers die in 2014 een ZW-uitkering hadden die inging op of na 1 januari 2012.

Het risicopercentage dat we op deze manier hebben berekend, vergelijken wij met het landelijke gemiddelde risicopercentage (het gemiddelde werkgeversrisicopercentage). Op grond van deze vergelijking stellen wij uw individuele percentage per premiecomponent hoger of lager vast. Dit gebeurt met een opslag of korting op het zogenoemde rekenpercentage. Het rekenpercentage is een gecorrigeerd gemiddeld percentage dat UWV jaarlijks voor elk van de premiecomponenten vaststelt.

Voor de individuele premiepercentages gelden per premiecomponent de volgende grenzen:

  • voor de premiecomponent WGA-vast: een minimumpercentage van 0,11% en een maximumpercentage van 1,88%

  • voor de premiecomponent WGA-flex: een minimumpercentage van 0,06% en een maximumpercentage van 0,96%

  • voor de premiecomponent ZW-flex: een minimumpercentage van 0,09% en een maximumpercentage van 1,44%

Voor sector 52 (Uitzendbedrijven) gelden afwijkende maximumpercentages voor de premiecomponent WGA-flex en de premiecomponent ZW-flex. Voor de premiecomponent WGA-flex geldt een maximumpercentage van 6,32%. Voor de premiecomponent ZW-flex geldt een maximumpercentage van 7,10%.

Let op!

Het individuele premiepercentage voor de WGA-flex kan door de berekeningsmethode in de praktijk niet lager worden dan 0,07%. Dit geldt dus ook als uw (ex-)werknemers in 2014 geen WGA-uitkering hadden.

Naar boven

5.6.3 U bent een middelgrote werkgever

Voor middelgrote werkgevers stellen wij de percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex vast door per premiecomponent een gewogen gemiddelde te nemen van de individueel vastgestelde premiepercentages en de sectorale premiepercentages. Zie tabel 10a voor een overzicht van de sectorale premiepercentages. De hoogte van uw premieloon in 2014 bepaalt of het individuele premiepercentage of het sectorale premiepercentage in uw geval zwaarder weegt.

De percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten worden berekend met de volgende formule:

(1-C) x sectoraal premiepercentage + C x individueel premiepercentage

Daarbij is C:

uw premieloon 2014 – premieloongrens klein/middelgroot

____________________________________________________________

premieloongrens middelgroot/groot – premieloongrens klein/middelgroot

Naar boven

5.6.4 U bent een startende werkgever

U bent een startende werkgever als u – zonder dat er sprake is van een overgang van onderneming (zie paragraaf 5.6.7) – in 2014 of later werkgever bent geworden.

U bent gestart in 2015 of 2016

Als u in 2015 of later bent gestart, beschouwen wij u altijd als startende kleine werkgever. Het gedifferentieerde premiepercentage Whk is het totaal van de sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex. Zie tabel 10a voor de sectorale premiepercentages.

U bent gestart in 2014

Als u in 2014 bent gestart, delen wij u op grond van uw premieloon in 2014 in als een startende kleine, grote of middelgrote werkgever (zie paragraaf 5.6).

Als u een startende kleine werkgever bent, is uw gedifferentieerde premiepercentage Whk het totaal van de sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex. Zie tabel 10a voor de sectorale premiepercentages.

Als u een startende grote werkgever bent, is uw premiepercentage Whk het totaal van de rekenpercentages voor de premiecomponenten WGA-vast, de WGA-flex en de ZW-flex. Voor 2016 is dit premiepercentage 1,12%.

Als u een startende middelgrote werkgever bent, is uw premiepercentage Whk het totaal van de gewogen gemiddelden van de rekenpercentages en de sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex (zie tabel 10a). De hoogte van uw premieloon in 2014 bepaalt of de individuele premiepercentages of de sectorale premiepercentages in uw geval zwaarder wegen.

Naar boven

5.6.5 U hebt werknemers op grond van de WSW in dienst

Voor werknemers met een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW), geldt in plaats van de gedifferentieerde premie Whk een vervangende premie. Het vervangende premiepercentage is het totaal van de rekenpercentages voor de premiecomponenten WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex. Voor 2016 is dit premiepercentage 1,12%.

Naar boven

5.6.6 Gedifferentieerd premiepercentage Whk niet of te laat gekregen

Het kan voorkomen dat u onze beschikking of mededeling met het gedifferentieerde premiepercentage Whk niet of te laat hebt gekregen. Hier leest u wat u dan moet doen.

Geen beschikking of mededeling met gedifferentieerd premiepercentage Whk 2016 gekregen

Als wij de gedifferentieerde premie Whk 2016 niet hebben kunnen vaststellen, krijgt u een adviesbrief. In deze brief vermelden wij een percentage gedifferentieerde premie Whk dat u voorlopig kunt toepassen. Het percentage dat wij adviseren is afhankelijk van uw indeling als kleine, middelgrote of grote werkgever.

Als u in de loop van 2016 uw beschikking of mededeling krijgt en het nieuwe gedifferentieerde premiepercentage niet afwijkt van het percentage dat u hebt gebruikt, hoeft u niets te doen. Is het premiepercentage hoger of lager, dan gebruikt u het nieuwe percentage vanaf de eerstvolgende aangifte. U moet ook de eerdere aangiften over 2016 corrigeren. Dat doet u bij de eerstvolgende of daaropvolgende aangifte. Het bedrag dat u moet bijbetalen of dat u te veel hebt betaald, verrekent u met het bedrag dat u moet betalen over het aangiftetijdvak van die aangifte (zie hoofdstuk 12). Maar u kunt ons ook vragen om een teruggaaf of naheffing voor het verschil tussen het betaalde en het nieuwe premiebedrag. Gebruik daarvoor het formulier 'Verzoek om teruggaaf of naheffing WGA/Whk'. U kunt dit formulier downloaden van www.belastingdienst.nl.

Hebt u geen beschikking of mededeling gekregen en ook geen adviesbrief? Bel dan de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.

U krijgt in 2016 een gedifferentieerd WGA-premiepercentage voor 2011, 2012 of 2013, of een gedifferentieerd Whk-premiepercentage voor 2014 of 2015

Krijgt u in 2016 voor het eerst een gedifferentieerd WGA-premiepercentage voor 2011, 2012 of 2013, of een gedifferentieerd Whk-premiepercentage voor 2014 of 2015? Of krijgt u bijvoorbeeld naar aanleiding van een bezwaar een nieuw percentage? Dan kan dat (nieuwe) percentage afwijken van het percentage dat u in uw aangiften loonheffingen hebt gebruikt. U hebt dan te veel of te weinig premie betaald. Dit kunt u op 2 manieren corrigeren:

  • U corrigeert de gedifferentieerde premie WGA of Whk in de aangiften loonheffingen die u hebt gedaan door het verzenden van correcties.

  • U vraagt ons om een naheffing of een teruggaaf voor het verschil tussen het betaalde en het nieuwe premiebedrag. Gebruik daarvoor het formulier 'Verzoek om teruggaaf of naheffing WGA/Whk. U kunt dit formulier downloaden van www.belastingdienst.nl. Als u dit formulier opstuurt, mag u voor het betreffende jaar voor dit verschil geen losse correcties versturen.

Naar boven

5.6.7 Overgang van een onderneming en gedifferentieerde premie Whk

Een overgang van een onderneming kan gevolgen hebben voor het gedifferentieerde premiepercentage Whk dat u moet gebruiken. Hierbij gaat het om een overgang van een onderneming door een overeenkomst, een fusie of een splitsing van een economische eenheid die haar identiteit houdt, of faillissement. Van een overgang van een onderneming is bijvoorbeeld ook sprake bij het inbrengen van een eenmanszaak of vennootschap onder firma in een bv.

De overdragende en de overnemende werkgever moeten de overgang van een onderneming bij ons melden. U doet dat met het formulier 'Melding loonheffingen overdracht van activiteiten'. U kunt dit formulier downloaden van www.belastingdienst.nl. Bij een gedeeltelijke overname krijgen beide werkgevers dan een nieuwe beschikking. Wanneer het nieuwe premiepercentage geldt, hangt af van de situatie:

  • De overgang vindt plaats per 1 januari. Het nieuwe premiepercentage geldt in alle gevallen vanaf 1 januari.

  • De overgang vindt plaats in de loop van het kalenderjaar:

    • Als de overdragende en de overnemende partijen bestaande werkgevers zijn, geldt het nieuwe premiepercentage voor beide werkgevers vanaf 1 januari van het jaar na het jaar van de overgang.

    • Als de overnemende werkgever een nieuwe werkgever is, geldt zijn nieuwe premiepercentage vanaf de datum van de overgang. Voor de overdragende werkgever geldt het nieuwe premiepercentage vanaf 1 januari van het jaar na het jaar van de overgang.

Bij een volledige overname krijgt alleen de overnemende werkgever een nieuwe beschikking.

Naar boven

5.6.8 Regres en gedifferentieerde premie Whk

Een derde kan aansprakelijk zijn voor de ziekte die heeft geleid tot de WGA-uitkering van uw (ex)werknemer in vaste dienstbetrekking. In dat geval kunt u deze derde aansprakelijk stellen (regresrecht) voor het loon dat u hebt doorbetaald tijdens de ziekte. Als u op grond van zo'n regresactie recht hebt op een schadevergoeding, kunt u ons vragen hiermee rekening te houden bij uw individueel vast te stellen gedifferentieerde premiepercentage Whk: uw premiecomponent WGA-vast wordt hierdoor lager. Bij het bepalen van uw premiecomponent WGA-vast laten wij dan de WGA-uitkering van deze werknemer volledig of deels buiten beschouwing vanaf het jaar waarin de schadevergoeding is vastgesteld.

U stuurt het verzoek naar uw belastingkantoor. Stuur daarbij bewijsstukken mee waaruit blijkt hoeveel loon u hebt doorbetaald tijdens de 104 weken die voorafgingen aan de WGA-uitkering. Ook moet uit de bewijsstukken blijken welk bedrag aan schadevergoeding is vastgesteld.

Als UWV een derde aansprakelijk stelt voor de ZW-lasten en op grond daarvan recht heeft op een schadevergoeding, houden wij daarmee rekening bij uw individueel vast te stellen gedifferentieerde premiepercentage Whk: uw premiecomponenten WGA-flex en ZW-flex worden hierdoor lager.

Naar boven

5.6.9 Whk-premie verhalen op uw werknemers

U mag in 2016 maximaal 50% van de premiecomponenten WGA-vast en WGA-flex verhalen op uw werknemers. Als u dit doet, moet u de premie inhouden op het nettoloon van uw werknemers. Als u de premie niet verhaalt, hoeft u over de niet-verhaalde premie geen loonheffingen te betalen. De premiecomponent ZW-flex kunt u niet verhalen op uw werknemers.

Naar boven

5.7 Premies werknemersverzekeringen berekenen

U berekent de premies werknemersverzekeringen over het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen. Daarop zijn een aantal uitzonderingen (zie paragraaf 4.1).

Bij het berekenen van de premies houdt u rekening met het maximumpremieloon. U berekent de premies per loontijdvak (zie paragraaf 5.7.2) en met voortschrijdend cumulatief rekenen (zie paragraaf 5.7.3).

Als u met een werknemer een nettoloon afspreekt, moet u eerst een berekening maken van nettoloon naar brutoloon (zie paragraaf 7.4).

Uitzonderingen en speciale regels

Sommige werknemers zijn niet of alleen voor bepaalde werknemersverzekeringen verzekerd (zie hoofdstuk 1). In die gevallen hoeft u dus geen of niet alle premies te berekenen.

Als u een aanvulling op een ZW-, WW- of WAO/WIA-uitkering van UWV betaalt, gelden speciale regels voor het berekenen van de premies (zie paragraaf 7.6).

Naar boven

5.7.1 Maximumpremieloon

De premies werknemersverzekeringen zijn een percentage van de aanwas van het cumulatieve premieloon in een loontijdvak (zie paragraaf 5.7.3). Het premieloon is het loon voor de werknemersverzekeringen (loon SV) waarbij u per werknemer per loontijdvak rekening houdt met het maximumpremieloon (zie tabel 11 tot en met 13 achter in dit handboek). Het maximumpremieloon is het maximumbedrag waarover u de premies berekent.

In de aangifte hoeft u alleen de aanwas van het premieloon sectorfonds of van het cumulatieve premieloon Ufo op te nemen. U moet wel alle premies werknemersverzekeringen apart in de aangifte opnemen.

Naar boven

5.7.2 Berekening per loontijdvak

U berekent de premies werknemersverzekeringen per loontijdvak, net als de andere loonheffingen. Het loontijdvak is de periode waarover uw werknemer het loon geniet (zie paragraaf 7.3.4). Vaak is dat 1 kalendermaand of een periode van 4 weken, maar het kan ook 1 week of 1 dag zijn. Als u bijvoorbeeld de maandtabel gebruikt voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, gaat u voor de berekening van de premies werknemersverzekeringen ook uit van 1 maand. En ook voor het maximumpremieloon gebruikt u de maandbedragen (zie tabel 11 tot en met 13 achter in dit handboek). Deze bedragen gelden voor alle werknemers, dus ook voor uw parttimewerknemers.

Genietingsmoment

Is een werknemer een deel van een loontijdvak verzekerd en een deel niet? Dan bepaalt het moment waarop de werknemer het loon geniet, of er een loontijdvak voor de werknemersverzekeringen is:

  • Is uw werknemer op het genietingsmoment verzekerd, dan is er een loontijdvak voor de werknemersverzekeringen. Dit is hetzelfde loontijdvak dat u ook voor de berekening van de loonbelasting gebruikt.

  • Is uw werknemer op het genietingsmoment niet verzekerd, dan is er geen loontijdvak voor de werknemersverzekeringen.

Let op!

Hetzelfde geldt voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (zie paragraaf 6.2.4) en de premie volksverzekeringen.

Voorbeeld 1

Uw fulltimewerknemer heeft een maandloon. In april heeft hij onbetaald verlof. Hij beschikt wel nog steeds over de auto van de zaak. Het privégebruik van de auto is loon voor de loonbelasting, de Zvw en de werknemersverzekeringen. Dit betekent dat u ook in april de maandtabel toepast. Voor de Zvw en de werknemersverzekeringen voegt u aan de 3 loontijdvakken (januari t/m maart) het loontijdvak van april toe.

Voorbeeld 2

Een verzekerde werknemer die op 23 maart zijn loon krijgt, wordt op 3 maart directeur-grootaandeelhouder (dga). Hij is daardoor niet meer verzekerd voor de werknemersverzekeringen op het moment dat hij het loon geniet en hij heeft dus in maart geen loontijdvak voor de werknemersverzekeringen. Als deze werknemer op 27 maart dga was geworden, dan had hij in maart nog wel een loontijdvak, maar vanaf april niet meer.

Herleidingsregels

Bij de berekening van de premies werknemersverzekeringen leidt u alle relevante bedragen (per dag, per week, per maand, per 4 weken en per jaar) af van een (maximum)jaarbedrag. Hierbij gaat u uit van de rekenregels die al gelden voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Dat wil zeggen dat u uitgaat van 260 dagen per jaar.

Let op!

Hetzelfde geldt voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (zie paragraaf 6.2.4).

Deze systematiek is verwerkt in de 'Toelichting loonberekening VCR'. De toelichting voor 2016 kunt u binnenkort downloaden van www.belastingdienst.nl.

Anonieme werknemers

Als u te maken hebt met een anonieme werknemer (zie hoofdstuk 2), dan past u het zogenoemde anoniementarief toe. Het anoniementarief betekent dat u 52% loonbelasting/premie volksverzekeringen inhoudt. U houdt geen rekening met de loonheffingskorting (zie ook paragraaf 23.1), het maximumpremieloon voor de premies werknemersverzekeringen en het maximumbijdrageloon voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.

Naar boven

5.7.3 Berekening met voortschrijdend cumulatief rekenen

De premies werknemersverzekeringen berekent u op basis van het voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR). U past hierbij de grondslagaanwasmethode toe. Bij deze methode berekent u per werknemer het cumulatieve premieloon tot en met het tijdvak waarover u aangifte moet doen. Van dit bedrag trekt u af het bedrag van het cumulatieve premieloon van de werknemer tot dit tijdvak. Het verschil is de aanwas van het cumulatieve premieloon. Over deze aanwas berekent u de premies.

Let op!

VCR geldt niet voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Daarvoor gebruikt u de tijdvaktabellen (zie paragraaf 7.3).

Voorbeeld

Voor de premies werknemersverzekeringen geldt een maximumpremieloon per maand van € 1.2001. Het loontijdvak is 1 maand. Volgens de grondslagaanwasmethode berekent u de aanwas als volgt:

Loontijdvak

Loon voor de werknemers-verzekeringen

Cumulatief loon voor de werknemers-verzekeringen

Cumulatief van de loontijdvak-bedragen

Cumulatief premieloon

Aanwas per loontijdvak

Januari

€ 1.500

€ 1.500

€ 1.200

€ 1.200

€ 1.200

Februari

€ 1.000

€ 2.500

€ 2.400

€ 2.400

€ 1.200

Maart

€ 1.000

€ 3.500

€ 3.6002

€ 3.500

€ 1.100

  1. Om de systematiek duidelijk te maken, gebruiken we in dit voorbeeld fictieve bedragen voor het maximumpremieloon.

  2. Het cumulatieve premieloon is het laagste van: het cumulatieve loon voor de werknemersverzekeringen en het cumulatief van de loontijdvakbedragen.

Toelichting VCR

Met de 'Toelichting loonberekening VCR' krijgt u inzicht in de methode van VCR. U kunt deze toelichting downloaden van www.belastingdienst.nl. U kunt de versie van 2016 binnenkort downloaden.

Naar boven

5.8 Kortingen en vrijstelling

Hebt u werknemers in dienst die ouder zijn dan 56 jaar? Of werknemers die (deels) arbeidsongeschikt of werkloos zijn? Dan hebt u misschien recht op een mobiliteitsbonus in de vorm van een korting op de premies werknemersverzekeringen. U kunt ook recht hebben op een vrijstelling als u een uitkeringsgerechtigde voor maximaal 6 weken in dienst neemt. U kunt recht hebben op de volgende premiekortingen of -vrijstelling:

  • premiekorting oudere werknemer (zie paragraaf 5.9)

  • premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer (zie paragraaf 5.10)

  • premiekorting jongere werknemer (zie paragraaf 5.11)

  • premievrijstelling marginale arbeid (zie paragraaf 5.14)

Zie paragraaf 5.12 voor uitleg over hoe u de premiekortingen oudere werknemer, jongere werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer berekent en paragraaf 5.13 voor uitleg over hoe u de premiekortingen verrekent in de aangifte loonheffingen.

Naar boven

5.9 Premiekorting oudere werknemer

U hebt recht op de premiekorting oudere werknemer als u in 2016 een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt die 56 jaar of ouder is. Zie paragraaf 5.9.1 als u wilt weten hoe u de premiekorting oudere werknemer toepast, en paragraaf 5.12 als u wilt weten hoe u de premiekorting berekent. De premiekorting oudere werknemer geldt voor werknemers van 56 jaar of ouder die direct voordat zij bij u in dienst kwamen, recht hadden op 1 van de volgende uitkeringen:

  • werkloosheidsuitkering (WW, IOW, wachtgeld)
    Hieronder valt ook een uitkering waarmee UWV de betalingsverplichting overneemt van een werkgever die zelf het loon, vakantiegeld en dergelijke niet meer kan betalen.

  • arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO, WIA, Wet Wajong, Waz, Wamil)

  • nabestaandenuitkering (Anw)
    Voor de werknemer die recht had op een Anw-uitkering, gelden als extra eisen dat hij voordat hij in dienst kwam, ten minste 2 jaar recht had op de nabestaandenuitkering en dat hij in die periode geen arbeidsinkomen had.

  • inkomensondersteuning Wet Wajong

  • bijstandsuitkering (Participatiewet, IOAW, IOAZ)

  • uitkeringen op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers

Neemt u in 2016 zo'n werknemer in dienst, dan hebt u bij een dienstverband van ten minste 36 uur per week recht op een premiekorting van € 7.000 per jaar. Werkt de werknemer minder dan 36 uur per week, dan moet u de premiekorting evenredig verlagen (zie paragraaf 5.12). De premiekorting kan ook nooit meer zijn dan het bedrag aan premies dat u betaalt (zie paragraaf 5.13).

Vanaf het moment dat de werknemer in dienst komt, kunt u de premiekorting toepassen zolang de dienstbetrekking bestaat, maar maximaal 3 jaar en uiterlijk tot de maand waarin uw werknemer de AOW-leeftijd bereikt. Voor de premiekorting oudere werknemer maakt het niet uit of de werknemer een tijdelijk of een vast contract heeft. Verder mag de werknemer naast de dienstbetrekking ook een uitkering hebben. En ook de hoogte van de uitkering die de werknemer had voordat hij bij u in dienst kwam, is niet van belang: het mag ook een gedeeltelijke uitkering zijn.

Doelgroepverklaring

Wilt u de premiekorting oudere werknemer toepassen, dan moet u een doelgroepverklaring van een uitkeringsinstantie (bijvoorbeeld UWV of de gemeente) hebben, waaruit blijkt dat uw nieuwe werknemer, direct voor hij bij u in dienst treedt, recht had op een uitkering. U bewaart de verklaring bij uw loonadministratie.

De werknemer vraagt de doelgroepverklaring bij zijn uitkeringsinstantie aan. U kunt de verklaring ook zelf aanvragen als uw werknemer u daarvoor machtigt.

Informatie over de procedure voor het aanvragen van zo'n doelgroepverklaring vindt u op www.uwv.nl, www.abp.nl of www.svb.nl. Als uw werknemer recht had op een uitkering van een gemeente, kunt u het best contact opnemen met die gemeente.

Let op!

Had u voor een werknemer vóór 1 januari 2015 al recht op de premiekorting oudere werknemer, dan hoeft u voor deze werknemer geen doelgroepverklaring te hebben.

Leeftijdsgrens premiekorting oudere werknemer: overgangsrecht

Per 1 januari 2015 is de leeftijdsgrens van de premiekorting oudere werknemer verhoogd van 50 jaar naar 56 jaar. Voor bestaande gevallen geldt overgangsrecht. Voor werknemers voor wie u op 31 december 2014 de premiekorting oudere werknemer al toepaste, blijft de premiekorting gelden.

Samenloop met premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer

U mag de premiekorting oudere werknemer en de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer niet tegelijk toepassen. Hebt u voor een werknemer tegelijk recht op de premiekorting oudere werknemer en op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer (zie paragraaf 5.10)? Dan past u alleen de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toe.

Geen recht op premiekorting oudere werknemer

U hebt geen recht of niet opnieuw recht op de premiekorting oudere werknemer:

  • voor een werknemer van wie de dienstbetrekking is geëindigd en voor wie u tijdens deze dienstbetrekking geen recht had op de premiekorting oudere werknemer en die binnen 6 maanden weer bij u in dienst treedt

  • voor een werknemer die u al in dienst hebt en die meer uren gaat werken of een andere functie krijgt
    Het al bestaande recht op premiekorting voor deze werknemer loopt wel gewoon door. De premiekorting kan bij een urenuitbreiding hoger worden.

  • bij direct opeenvolgende dienstverbanden, bijvoorbeeld als u een tijdelijk contract verlengt (er is dan geen sprake van een nieuwe dienstbetrekking)
    Het eventueel al bestaande recht op premiekorting voor deze werknemer loopt wel gewoon door.

  • voor dienstbetrekkingen die op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) volledig gesubsidieerd zijn of die vallen onder zogenoemd beschut werk op grond van de Participatiewet
    Is de dienstbetrekking deels gesubsidieerd, dan komt u wel in aanmerking voor de premiekorting oudere werknemer.

Voorbeeld 1

U hebt een werknemer van 56 jaar in dienst. Omdat de werknemer al bij u in dienstbetrekking was toen hij 56 werd, kunt u de premiekorting oudere werknemer niet toepassen. De dienstbetrekking eindigt. Uw ex-werknemer krijgt een WW-uitkering en binnen 6 maanden neemt u hem weer aan. Hoewel de werknemer 56 jaar is en hij direct voordat hij weer bij u in dienst kwam, recht had op een WW-uitkering, mag u de premiekorting oudere werknemer toch niet toepassen. Want de werknemer komt weer in dienst binnen 6 maanden na het einde van de eerdere dienstbetrekking waarbij u voor hem geen recht had op deze premiekorting.

Voorbeeld 2

U neemt vanaf juni 2015 een schoonmaker van 57 jaar voor een jaar in dienst. Deze werknemer werkt voor 50% van de werktijd (20 uur per week) voor u. Voor de andere 50% krijgt hij een WW-uitkering. Tot juni 2015 had deze werknemer een fulltimebaan bij een andere werkgever. U hebt voor deze werknemer geen recht op de premiekorting oudere werknemer, omdat hij geen uitkering kreeg direct voordat hij bij u in dienst kwam.

Het contract van deze werknemer met u eindigt per juni 2016 en de WW-uitkering eindigt op dat moment ook. U geeft de werknemer aansluitend, per juni 2016, een vast contract als chauffeur voor 50% van de werktijd. Voor de andere 50% komt hij – ook per 1 juni 2016 – in dienst bij een andere werkgever.

Ook per juni 2016 hebt u geen recht op de premiekorting oudere werknemer, omdat u de werknemer niet in dienst neemt, maar zijn contract verlengt. Dat de werknemer een andere functie krijgt, maakt geen verschil. De andere werkgever heeft wel recht op de premiekorting, omdat hij iemand in dienst neemt die direct voordat hij in dienst kwam, een WW-uitkering had en ouder is dan 56 jaar. Het maakt niet uit dat de werknemer geen volledige WW-uitkering kreeg. Omdat er sprake is van een contract voor 20 uur per week, is de premiekorting € 3.888,89 (20/36 van € 7.000).

Naar boven

5.9.1 Premiekorting oudere werknemer toepassen

U hoeft ons geen toestemming te vragen om de premiekorting oudere werknemer toe te passen.

De premies werknemersverzekeringen waarmee u de premiekorting verrekent, mogen betrekking hebben op andere werknemers dan de werknemer(s) voor wie u recht hebt op de premiekorting oudere werknemer. Zie paragraaf 5.13 als u wilt weten wat u moet doen als u niet alle premiekorting in een bepaald aangiftetijdvak kunt verrekenen.

U neemt een werknemer opnieuw in dienst na een volledige premiekortingsperiode

Het kan zijn dat u de dienstbetrekking beëindigt van een werknemer voor wie u de premiekorting oudere werknemer hebt toegepast voor de maximale periode van 3 jaar. Als u deze werknemer binnen 3 jaar na afloop van de premiekortingsperiode opnieuw in dienst neemt, mag u voor deze werknemer de premiekorting oudere werknemer niet meer toepassen.

Voorbeeld

Uw werknemer voldoet aan de voorwaarden voor de premiekorting oudere werknemer en u hebt de premiekorting gedurende de maximale termijn van 3 jaar toegepast. U ontslaat de werknemer 6 maanden later. Uw ex-werknemer krijgt een WW-uitkering en na 8 maanden neemt u hem weer aan. U kunt de premiekorting oudere werknemer niet toepassen, omdat u deze werknemer binnen 3 jaar na het einde van de volledige premiekortingsperiode oudere werknemer weer in dienst neemt.

U neemt een werknemer opnieuw in dienst na een onvolledige premiekortingsperiode

Een onderbreking van het dienstverband tijdens een lopende premiekortingsperiode kan gevolgen hebben voor de periode waarin u de premiekorting oudere werknemer mag toepassen. Die gevolgen zijn afhankelijk van de duur van de onderbreking.

Als het dienstverband minder dan 3 maanden is onderbroken, gaat u ervan uit dat de dienstbetrekking niet is onderbroken. U telt de premiekortingsperioden voor en na de onderbreking bij elkaar op totdat u de premiekorting 3 jaar hebt toegepast.

Voorbeeld

U neemt op 1 maart 2016 een uitkeringsgerechtigde in dienst voor wie u maximaal 3 jaar recht hebt op de premiekorting oudere werknemer. In juni en juli 2016 is het dienstverband met deze werknemer onderbroken. U hebt over juni en juli 2016 voor deze werknemer geen recht op de premiekorting. Maar de premiekortingsperiode wordt wel met 2 maanden verlengd tot 1 mei 2019.

Als het dienstverband 3 maanden of langer is onderbroken, maar niet langer dan 3 jaar, wordt de premiekortingsperiode niet verlengd. Deze blijft maximaal 3 jaar. In de periode waarin het dienstverband is onderbroken, mag u de premiekorting niet toepassen.

Als het dienstverband langer dan 3 jaar is onderbroken en uw ex-werknemer opnieuw bij u in dienst treedt, gaat een nieuwe premiekortingsperiode van 3 jaar in als u aan de voorwaarden voldoet op het moment waarop uw werknemer in dienst treedt.

Voorbeeld

U neemt op 1 maart 2016 een uitkeringsgerechtigde in dienst voor wie u maximaal 3 jaar recht hebt op de premiekorting oudere werknemer. Van juni tot en met december 2016 is het dienstverband met deze werknemer onderbroken. U hebt over juni tot en met december 2016 voor deze werknemer geen recht op de premiekorting en de premiekortingsperiode eindigt per 1 maart 2019.

Uw werknemer neemt volledig onbetaald verlof

Hebt u een werknemer in dienst voor wie u de premiekorting oudere werknemer toepast? En neemt deze werknemer volledig onbetaald verlof op? Dan hebt u tijdens deze periode geen recht op de premiekorting oudere werknemer. De korting is namelijk gekoppeld aan het aantal overeengekomen of uitbetaalde uren. Bij onbetaald verlof is het aantal overeengekomen uren nul.

Bij onbetaald verlof gelden dezelfde regels als bij een tijdelijke onderbreking van de dienstbetrekking. Als het dienstverband minder dan 3 maanden is onderbroken, gaat u ervan uit dat de dienstbetrekking niet is onderbroken. U telt de premiekortingsperioden voor en na het onbetaalde verlof bij elkaar op totdat u de premiekorting 3 jaar hebt toegepast.

De dienstbetrekking blijft tijdens het onbetaald verlof wel bestaan.

Uw werknemer werkt niet meer

Als uw (oudere) werknemer nog wel in dienst is, maar niet meer werkt, bijvoorbeeld omdat hij een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, dan hebt u geen recht op de premiekorting oudere werknemer.

U neemt een onderneming over

Als u een onderneming volledig of deels overneemt, dan gaan er misschien werknemers naar u over voor wie de oude werkgever premiekorting toepaste. U kunt dan de premiekorting voor de resterende periode overnemen. Van overname van een onderneming is sprake bij een fusie of splitsing, maar bijvoorbeeld ook bij het inbrengen van een eenmanszaak of vennootschap onder firma in een bv.

Naar boven

5.10 Premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer

U kunt de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toepassen voor bepaalde werknemers die al bij u in dienst zijn (zie paragraaf 5.10.1) of die u in dienst neemt (zie paragraaf 5.10.2). Zie paragraaf 5.10.3 voor informatie over hoe u de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toepast, en paragraaf 5.12 over hoe u de premiekorting berekent.

Samenloop met premiekorting oudere werknemer of jongere werknemer

U mag de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer en de premiekorting oudere werknemer of de premiekorting jongere werknemer niet tegelijk toepassen. Hebt u voor een werknemer tegelijk recht op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer en op de premiekorting oudere werknemer (zie paragraaf 5.9)? Of hebt u voor een werknemer tegelijk recht op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer en op de premiekorting jongere werknemer (zie paragraaf 5.11)? Dan past u alleen de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toe.

Geen recht op premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer

U hebt geen recht op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer:

  • voor een werknemer van wie de dienstbetrekking is geëindigd en voor wie u tijdens deze dienstbetrekking geen recht had op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer en die binnen 6 maanden weer bij u in dienst treedt

  • voor dienstbetrekkingen die op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) volledig gesubsidieerd zijn of die vallen onder zogenoemd beschut werk op grond van de Participatiewet
    Is de dienstbetrekking deels gesubsidieerd, dan komt u wel in aanmerking voor de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer.

Voorbeeld 1

Uw werknemer wordt ziek en u betaalt gedurende 2 jaar het loon door. Daarna ontslaat u de werknemer en krijgt de werknemer een WIA-uitkering. Een maand na het ontslag neemt u uw ex-werknemer weer in dienst. U hebt voor deze werknemer geen recht op premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer, omdat u de werknemer binnen een termijn van 6 maanden na het ontslag weer in dienst hebt genomen.

Voorbeeld 2

Uw werknemer voldoet aan de voorwaarden voor de premiekorting oudere werknemer en u hebt de premiekorting de volledige periode van 3 jaar toegepast. Uw werknemer wordt vervolgens ziek en u betaalt gedurende 2 jaar het loon door. Daarna ontslaat u de werknemer en krijgt de werknemer een WIA-uitkering. Een maand na het ontslag neemt u uw ex-werknemer weer in dienst.

U hebt voor deze werknemer geen recht op premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer, omdat u de werknemer binnen een termijn van 6 maanden na het ontslag weer in dienst hebt genomen.

Neemt u de werknemer na 7 maanden weer in dienst, dan hebt u voor deze werknemer wel recht op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer.

Naar boven

5.10.1 U hebt een werknemer al in dienst

Als u een werknemer al in dienst hebt, kunt u de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toepassen als de werknemer recht heeft op een WIA-uitkering (een WGA-uitkering of een IVA-uitkering) en hij het werk volledig of deels hervat. In dat geval kunt u de premiekorting toepassen zolang de werknemer in dienst is, maar maximaal 1 jaar en uiterlijk tot de maand waarin de werknemer de AOW-leeftijd bereikt.

U kunt deze premiekorting ook toepassen voor een werknemer die u herplaatst of van wie u de arbeidsplaats hebt aangepast als die werknemer vóór 29 december 2005 arbeidsgehandicapt was op grond van de Wet op de re-integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA). Voorwaarde is wel dat de werknemer op het moment van hervatting of aanpassing van de arbeidsplaats een arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA was (of was geweest als de Wet REA niet was ingetrokken). U kunt hierbij denken aan werknemers met een volledige of gedeeltelijke WAO- of Waz-uitkering. U kunt de premiekorting toepassen zolang het dienstverband duurt, maar maximaal 1 jaar.

Hebt u in 2016 zo'n werknemer in dienst, dan hebt u recht op een premiekorting van € 7.000 per jaar bij een dienstverband van ten minste 36 uur per week. Als uw werknemer minder dan 36 uur per week werkt, moet u de premiekorting evenredig verlagen. De premiekorting kan ook nooit meer zijn dan het bedrag aan premies dat u betaalt (zie paragraaf 5.13).

Naar boven

5.10.2 U neemt een werknemer in dienst

U kunt de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toepassen als u een werknemer in dienst neemt die behoort tot 1 van de doelgroepen van de Wet Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Die doelgroepen zijn:

  • de werknemer die niet in staat is om 100% van het wettelijk minimumloon te verdienen en onder verantwoordelijkheid van de gemeente naar werk wordt begeleid

  • de werknemer met een Wiw-baan (Wet inschakeling werkzoekenden) of een ID-baan (In- en doorstroombaan)

  • de werknemer die recht heeft op een uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong

  • de werknemer die vóór 1 januari 2015 geïndiceerd is of voor die datum een nog geldige indicatiebeschikking heeft gekregen op grond van artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening

Neemt u in 2016 zo'n werknemer in dienst, dan hebt u recht op een premiekorting van € 2.000 per jaar bij een dienstverband van ten minste 36 uur per week. Als uw werknemer minder dan 36 uur per week werkt, moet u de premiekorting evenredig verlagen. De premiekorting kan nooit meer zijn dan het bedrag aan premies dat u betaalt (zie paragraaf 5.13).

Let op!

Voor de laatste 2 doelgroepen gold in 2015 nog een premiekorting van € 7.000 of € 3.500. Met ingang van 1 januari 2016 is de premiekorting voor deze doelgroepen € 2.000 per jaar.

U kunt de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer ook toepassen als u een werknemer in dienst neemt en er direct voordat hij in dienst komt, sprake is van 1 van de volgende situaties:

  1. De werknemer heeft recht op een WIA-uitkering (een WGA- of een IVA-uitkering).

  2. UWV heeft in een arbeidskundig onderzoek bij de werknemer vastgesteld dat hij tegelijkertijd voldoet aan de volgende 4 voorwaarden:

    • De werknemer was op de 1e dag na afloop van de wachttijd van de WIA (of van het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsverplichting) voor minder dan 35% arbeidsongeschikt, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering.

    • De werknemer was 11 weken voor het einde van de wachttijd (of van het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsverplichting) nog in dienst bij dezelfde werkgever(s) die hij had toen hij ziek werd.

    • De werknemer was op de 1e dag na afloop van de wachttijd van de WIA (of van het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsverplichting) niet in staat eigen of passend werk te doen bij de werkgever bij wie hij zich ziek gemeld had.

    • De werknemer komt bij u in dienst binnen 5 jaar na de dag waarop de wachttijd (of het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsverplichting) is geëindigd.

  3. De werknemer is jonger dan 18 jaar, heeft door ziekte of handicap problemen gehad bij het volgen van onderwijs en komt binnen 5 jaar na afronding van dat onderwijs bij u in dienst. Op verzoek geeft UWV een verklaring af waarin staat dat de werknemer tot deze doelgroep hoort. Valt deze werknemer ook onder 1 van de doelgroepen van de Wet Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, dan past u de lagere premiekorting toe van € 2.000 per jaar.

  4. De werknemer is 18 jaar of ouder, krijgt geen uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong, heeft door ziekte of handicap problemen gehad bij het volgen van onderwijs, en hij komt binnen 5 jaar na afronding van dat onderwijs bij u in dienst. Op verzoek geeft UWV een verklaring af waarin staat dat de werknemer tot deze doelgroep hoort. Valt deze werknemer ook onder 1 van de doelgroepen van de Wet Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, dan past u de lagere premiekorting toe van € 2.000 per jaar.

  5. De werknemer was vóór 29 december 2005 arbeidsgehandicapt op grond van de Wet REA. Voorwaarde is wel dat hij, toen hij in dienst kwam, arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA was (of was geweest als de Wet REA niet was ingetrokken). Het gaat hier bijvoorbeeld om een werknemer die recht had op een WAO-uitkering of Waz-uitkering toen hij in dienst kwam.

Neemt u in 2016 zo'n werknemer in dienst, dan hebt u recht op een premiekorting van € 7.000 per jaar bij een dienstverband van ten minste 36 uur per week. Als uw werknemer minder dan 36 uur per week werkt, moet u de premiekorting evenredig verlagen. De premiekorting kan nooit meer zijn dan het bedrag aan premies dat u betaalt (zie paragraaf 5.13).

In al deze situaties kunt u de premiekorting toepassen vanaf het moment dat de werknemer in dienst komt en zolang hij in dienst is, maar maximaal 3 jaar en uiterlijk tot de maand waarin de werknemer de AOW-leeftijd bereikt.

Let op!

Het kan zijn dat uw werknemer u niet heeft verteld dat hij een ziekte of handicap heeft. Als de werknemer 2 maanden bij u in dienst is, mag u hem hiernaar vragen. Uw werknemer is dan verplicht om openheid van zaken te geven.

Naar boven

5.10.3 Premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toepassen

U hoeft ons geen toestemming te vragen om de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toe te passen.

De premies werknemersverzekeringen waarmee u de premiekorting verrekent, mogen betrekking hebben op andere werknemers dan de werknemer(s) voor wie u recht hebt op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer. Zie paragraaf 5.13 als u wilt weten wat u moet doen als u niet alle premiekorting in een bepaald aangiftetijdvak kunt verrekenen.

U neemt een werknemer opnieuw in dienst na een volledige premiekortingsperiode

Het kan zijn dat u de dienstbetrekking beëindigt van een werknemer voor wie u de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer hebt toegepast voor de maximale periode van een jaar (als u de premiekorting ging toepassen toen u de werknemer al in dienst had) of voor de maximale periode van 3 jaar (als u de premiekorting ging toepassen toen u de werknemer in dienst nam). Als u deze werknemer binnen 1, respectievelijk 3 jaar na afloop van de premiekortingsperiode opnieuw in dienst neemt, mag u de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer niet meer toepassen voor deze werknemer.

U neemt een werknemer opnieuw in dienst na een onvolledige premiekortingsperiode

Een onderbreking van het dienstverband tijdens een lopende premiekortingsperiode kan gevolgen hebben voor de periode waarin u de premiekorting mag toepassen. Die gevolgen zijn afhankelijk van de duur van de onderbreking.

Als het dienstverband minder dan 3 maanden is onderbroken, gaat u ervan uit dat de dienstbetrekking niet is onderbroken. U telt de premiekortingsperioden voor en na de onderbreking bij elkaar op totdat u de premiekorting 1 jaar (als u de premiekorting ging toepassen toen u de werknemer al in dienst had) of 3 jaar (als u de premiekorting ging toepassen toen u de werknemer in dienst nam) hebt toegepast.

Voorbeeld

U hebt een werknemer in dienst voor wie u vanaf 1 maart 2016 de premiekorting maximaal 1 jaar mag toepassen. In juni en juli 2016 is het dienstverband met deze werknemer onderbroken. U hebt over juni en juli 2016 voor deze werknemer geen recht op de premiekorting, maar de premiekortingsperiode wordt wel met 2 maanden verlengd tot 1 mei 2017.

Als het dienstverband 3 maanden of meer is onderbroken, maar niet langer dan 3 jaar, wordt de premiekortingsperiode niet verlengd. Deze blijft maximaal een jaar (als u de premiekorting ging toepassen toen u de werknemer al in dienst had) of 3 jaar (als u de premiekorting ging toepassen toen u de werknemer in dienst nam). In de periode waarin het dienstverband is onderbroken, mag u de premiekorting niet toepassen.

Als het dienstverband langer dan 3 jaar is onderbroken, gaat een nieuwe premiekortingsperiode van 3 jaar in als u aan de voorwaarden voldoet op het moment waarop uw werknemer in dienst treedt.

Voorbeeld

U neemt op 1 maart 2016 een werknemer in dienst voor wie u maximaal 3 jaar recht hebt op de premiekorting. Van juni tot en met december 2016 is het dienstverband met deze werknemer onderbroken. U hebt over juni tot en met december 2016 voor deze werknemer geen recht op de premiekorting. De premiekortingsperiode eindigt op 1 maart 2019.

U neemt een onderneming over

Als u een onderneming volledig of deels overneemt, gaan er misschien werknemers naar u over voor wie de oude werkgever de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toepaste. U kunt dan de premiekorting voor de resterende periode overnemen. Van een overname van een onderneming is sprake bij een fusie of splitsing, maar bijvoorbeeld ook bij het inbrengen van een eenmanszaak of vennootschap onder firma in een bv.

Naar boven

5.11 Premiekorting jongere werknemer

U komt in aanmerking voor de premiekorting jongere werknemer onder de volgende voorwaarden:

  • U hebt de werknemer vóór 1 januari 2016 in dienst genomen en de werknemer was op dat moment 18 jaar of ouder, maar niet ouder dan 26.

  • De werknemer had recht op een WW-uitkering of een uitkering op grond van de Participatiewet voordat hij bij u in dienst kwam.

  • De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling voor ten minste 32 uur per week met een duur van ten minste 6 maanden. Als de werknemer in dienst is gekomen op of na 1 juli 2015 en vóór 1 januari 2016, moet hij een arbeidsovereenkomst hebben voor ten minste 24 uur per week met een duur van ten minste 6 maanden.

U hebt maximaal 2 jaar recht op de premiekorting vanaf het moment dat uw werknemer in dienst komt, tot het einde van de dienstbetrekking en uiterlijk tot en met 31 december 2017. De korting is € 3.500 per werknemer per jaar.

Doelgroepverklaring en schriftelijke arbeidsovereenkomst

Voordat u de korting mag toepassen, moet u de beschikking hebben over:

  • een doelgroepverklaring van UWV of de gemeente waaruit blijkt dat uw werknemer direct voordat hij bij u in dienst trad, recht had op een uitkering
    Uw werknemer vraagt de doelgroepverklaring aan. Maar u kunt de verklaring ook zelf aanvragen als uw werknemer u daarvoor machtigt. Kijk voor meer informatie over de aanvraagprocedure op www.uwv.nl of neem contact op met de gemeente van uw werknemer.

  • een schriftelijke arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling voor ten minste 32 uur per week met een duur van ten minste 6 maanden, of, als de werknemer op of na 1 juli 2015, maar vóór 1 januari 2016 in dienst komt, een schriftelijke arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling voor ten minste 24 uur per week met een duur van ten minste 6 maanden

Let op!

Had u voor een werknemer vóór 1 januari 2015 al recht op de premiekorting jongere werknemer, dan hoeft u voor deze werknemer geen doelgroepverklaring en geen schriftelijke arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling te hebben.

Administratieve verplichtingen

Voor het toepassen van de premiekorting gelden voor u de volgende administratieve verplichtingen:

  • U bewaart de doelgroepverklaring van UWV of de gemeente bij uw loonadministratie, waaruit blijkt dat uw werknemer recht had op een WW- of bijstandsuitkering.

  • U bewaart de schriftelijke arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling van de werknemer bij de loonadministratie.

Samenloop met premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer

U mag de premiekorting jongere werknemer en de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer niet tegelijk toepassen. Hebt u voor een werknemer tegelijk recht op de premiekorting jongere werknemer en op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer (zie paragraaf 5.10)? Dan past u alleen de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer toe.

Naar boven

5.11.1 Premiekorting jongere werknemer toepassen

U hoeft ons geen toestemming te vragen om de premiekorting jongere werknemer toe te passen.

De premies werknemersverzekeringen waarmee u de premiekorting verrekent, mogen betrekking hebben op andere werknemers dan de werknemer(s) voor wie u recht hebt op de premiekorting jongere werknemer. Zie paragraaf 5.13 als u wilt weten wat u moet doen als u niet alle premiekorting in een bepaald aangiftetijdvak kunt verrekenen.

U neemt een werknemer opnieuw in dienst na een onvolledige premiekortingsperiode

Een onderbreking van het dienstverband tijdens een lopende premiekortingsperiode kan gevolgen hebben voor de periode waarin u de premiekorting mag toepassen. Die gevolgen zijn afhankelijk van de duur van de onderbreking.

Als het dienstverband minder dan 3 maanden is onderbroken, gaat u ervan uit dat de dienstbetrekking niet is onderbroken. U telt de premiekortingsperioden voor en na de onderbreking bij elkaar op totdat u de premiekorting 2 jaar hebt toegepast.

Voorbeeld 1

U neemt een werknemer aan op 1 juli 2015 voor wie u maximaal 2 jaar recht hebt op de premiekorting jongere werknemer. In september en oktober 2016 is het dienstverband onderbroken. U hebt over deze periode voor deze werknemer geen recht op de premiekorting. Maar de kortingsperiode wordt wel met 2 maanden verlengd tot 1 september 2017.

Als het dienstverband 3 maanden of langer maar maximaal 6 maanden is onderbroken, wordt de premiekortingsperiode niet verlengd. Deze blijft maximaal 2 jaar. In de periode waarin het dienstverband is onderbroken, mag u de premiekorting niet toepassen.

Voorbeeld 2

U neemt een werknemer aan op 1 juli 2015 voor wie u maximaal 2 jaar recht hebt op de premiekorting jongere werknemer. Van september tot en met december 2016 is het dienstverband onderbroken. U hebt over deze periode voor deze werknemer geen recht op de premiekorting en de premiekortingsperiode eindigt per 1 juli 2017.

Als het dienstverband langer dan 6 maanden is onderbroken, dan gaat een nieuwe premiekortingsperiode van 2 jaar in. U moet dan wel aan alle voorwaarden voldoen (zie paragraaf 5.11). Treedt de werknemer in dienst op of na 1 januari 2016, dan hebt u geen recht meer op de premiekorting.

Voorbeeld 3

U neemt op 1 juli 2015 een werknemer aan. Van 1 oktober 2015 tot en met april 2016 is het dienstverband onderbroken. U hebt over deze periode voor deze werknemer geen recht op de premiekorting. Op 1 mei 2016 neemt u de werknemer opnieuw in dienst. U hebt geen recht op premiekorting omdat de werknemer in 2016 bij u in dienst komt.

U voldoet tijdelijk niet aan de voorwaarden

Als u tijdens een premiekortingsperiode tijdelijk niet aan de voorwaarden voor de premiekorting voldoet, heeft dat ook gevolgen voor de periode waarin u de premiekorting mag toepassen. Dat geldt als:

  • u uw werknemer tijdelijk een arbeidsovereenkomst geeft voor minder dan 32 uur, of, als hij op of na 1 juli 2015 in dienst treedt, voor minder dan 24 uur

  • u uw werknemer tijdelijk een arbeidsovereenkomst geeft met een duur van minder dan 6 maanden

Als u korter dan 3 maanden niet aan de voorwaarden voldoet, mag u in deze periode de premiekorting niet toepassen, maar wordt de premiekortingsperiode verlengd. U telt u de premiekortingsperioden voor en na de periode waarin u niet aan de voorwaarden voldeed, bij elkaar op totdat u de premiekorting 2 jaar hebt toegepast.

Voorbeeld 1

U neemt een werknemer aan op 1 juli 2015. In september en oktober 2016 voldoet u niet aan de voorwaarden. U hebt over deze periode voor deze werknemer geen recht op de premiekorting. Maar de kortingsperiode wordt wel met 2 maanden verlengd tot 1 september 2017.

Voldoet u 3 maanden of langer maar maximaal 6 maanden niet aan de voorwaarden, dan wordt de premiekortingsperiode niet verlengd. Deze blijft maximaal 2 jaar. In de periode waarin u niet aan de voorwaarden voldoet, mag u de premiekorting niet toepassen.

Voorbeeld 2

U neemt een werknemer aan op 1 juli 2015. Van september tot en met december 2016 voldoet u niet aan de voorwaarden. U hebt over deze periode voor deze werknemer geen recht op de premiekorting en de premiekortingsperiode eindigt per 1 juli 2017.

Voldoet u langer dan 6 maanden niet aan de voorwaarden doordat uw werknemer minder dan 32 uur gaat werken en breidt u daarna het aantal uren weer uit naar ten minste 32, dan mag u de premiekorting niet opnieuw toepassen. Voor werknemers die op of na 1 juli 2015 in dienst treden, voldoet u niet aan de voorwaarden als het aantal uren minder dan 24 is.

Voorbeeld 3

U neemt op 1 juli 2015 een werknemer aan voor 36 uur. Van 1 september 2015 tot en met april 2016 verlaagt u het aantal uren naar 20 en per 1 mei breidt u het aantal uren weer uit naar 32. Vanaf 1 september 2015 mag u de premiekorting niet meer toepassen voor deze werknemer. Vanaf 1 mei mag u de premiekorting ook niet toepassen, omdat de werknemer niet bij u in dienst komt.

U neemt een onderneming over

Als u een onderneming volledig of deels overneemt, dan gaan er misschien werknemers naar u over voor wie de oude werkgever premiekorting toepaste. U kunt dan de premiekorting voor de resterende periode overnemen. Van overname van een onderneming is sprake bij een fusie of splitsing, maar bijvoorbeeld ook bij het inbrengen van een eenmanszaak of vennootschap onder firma in een bv.

Naar boven

5.12 Premiekortingen berekenen

In deze paragraaf leggen we uit hoe u de premiekorting oudere werknemer en de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer berekent (zie paragraaf 5.12.1) en hoe u de premiekorting jongere werknemer berekent (zie paragraaf 5.12.2).

Naar boven

5.12.1 Premiekorting oudere werknemer en premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer berekenen

In deze paragraaf leest u hoe u de premiekorting oudere werknemer en de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer berekent voor:

  • werknemers die niet fulltime werken

  • werknemers zonder vast overeengekomen arbeidsduur

  • werknemers met een dienstbetrekking die niet het hele aangiftetijdvak duurt

  • werknemers die werken op basis van stukloon

Werknemers die niet fulltime werken

Als de werknemer minder dan 36 uur per week voor u werkt, moet u het bedrag van de premiekorting evenredig verlagen. U doet dit bij werknemers met een vast overeengekomen aantal uren door de overeengekomen arbeidsduur te delen door 36 en te vermenigvuldigen met de maximale premiekorting. Is het vast overeengekomen aantal uren meer dan 36, dan moet u toch uitgaan van 36 uur.

Voorbeeld

Werknemer A, voor wie u recht hebt op premiekorting, heeft een deeltijdcontract van 20 uur. Daarom moet u de premiekorting herleiden.

U deelt de overeengekomen uren door 36. U hebt een aangiftetijdvak van 1 maand. De premiekorting per maand per werknemer is maximaal € 7.000/12 = € 583,34. De premiekorting voor werknemer A is dan: 20 /36 x € 583,34 = € 324,08.

Werknemers zonder vast overeengekomen arbeidsduur

Bij werknemers zonder vast overeengekomen arbeidsduur gaat u uit van de uitbetaalde uren in het aangiftetijdvak gedeeld door de normuren per 4 weken (144) of per maand (156). Als u meer uren hebt uitbetaald dan de normuren, gaat u uit van de normuren en niet van de uitbetaalde uren.

Voorbeeld

Werknemer B, voor wie u recht hebt op premiekorting, heeft geen vast overeengekomen arbeidsduur. In januari 2016 hebt u werknemer B voor 120 uur betaald. U hebt een aangiftetijdvak van 1 maand.

U herleidt de premiekorting door de uitbetaalde uren te delen door 156. De premiekorting per maand per werknemer is maximaal € 7.000/12 = € 583,34. De premiekorting voor werknemer B over januari 2016 is dan 120/156 x € 583,34 = € 448,73.

Werknemers met een dienstbetrekking die niet het hele aangiftetijdvak duurt

Als een werknemer met een vast overeengekomen aantal uren niet het hele aangiftetijdvak bij u in dienst is, moet u het bedrag van de premiekorting evenredig verlagen. U vermenigvuldigt het bedrag aan premiekorting waarop u recht zou hebben als de werknemer het hele aangiftetijdvak bij u in dienst was, met: het aantal kalenderdagen dat de werknemer tijdens het aangiftetijdvak bij u in dienst was, gedeeld door het aantal kalenderdagen in het aangiftetijdvak.

Voorbeeld 1

Op 9 januari 2016 neemt u werknemer C in dienst voor 36 uur per week. Voor deze werknemer hebt u recht op premiekorting. U hebt een aangiftetijdvak van 1 maand.

De werknemer is in januari 23 dagen bij u in dienst. De premiekorting per maand per werknemer is maximaal € 7.000/12 = € 583,34. De premiekorting voor werknemer C over januari 2016 is dan: 23 /31 x € 583,34 = € 432,81.

Voorbeeld 2

Op 12 maart 2016 neemt u werknemer D in dienst voor 36 uur per week. Voor deze werknemer hebt u recht op de premiekorting. U hebt een aangiftetijdvak van 4 weken.

De werknemer is in het 3e aangiftetijdvak van 2016 (dat loopt van 29 februari 2016 tot en met 27 maart 2016) 16 dagen bij u in dienst. De premiekorting per 4 weken per werknemer is maximaal € 7.000/13 = € 538,47. De premiekorting voor werknemer D over het 3e aangiftetijdvak is dan: 16/28 x € 538,47 = € 307,70.

Werknemers die werken op basis van stukloon

Hebt u een werknemer die op basis van stukloon voor u werkt? Dan gebruikt u het volledige bedrag aan premiekorting per aangiftetijdvak als het brutoloon van de werknemer minstens het minimumloon per 1 januari is. Is het brutoloon van deze werknemer lager dan het minimumloon dat per 1 januari voor hem geldt, dan moet u het bedrag van de premiekorting evenredig verlagen. U vermenigvuldigt het bedrag aan premiekorting waarop u recht zou hebben als het brutoloon van de werknemer minstens het minimumloon zou zijn, met: het brutoloon van de werknemer in het aangiftetijdvak, gedeeld door het minimumloon in het aangiftetijdvak. Voor werknemers van 23 jaar en ouder is het minimumloon per 1 januari 2016 € 1.524,60 per maand en € 1.407,33 per 4 weken.

Voorbeeld

Werknemer E werkt voor u op basis van stukloon. Voor deze werknemer hebt u recht op de premiekorting. Zijn brutoloon is in januari 2016 € 1.000. U hebt een aangiftetijdvak van 1 maand.

De premiekorting per maand per werknemer is maximaal € 7.000/12 = € 583,34. De premiekorting voor werknemer E over januari 2016 is: (€ 1.000/€ 1.524,60) x € 583,34 = € 382,62.

Naar boven

5.12.2 Premiekorting jongere werknemer berekenen

In deze paragraaf leest u hoe u de premiekorting jongere werknemer berekent voor werknemers met een dienstbetrekking die niet het hele aangiftetijdvak duurt

Werknemers met een dienstbetrekking die niet het hele aangiftetijdvak duurt

Als een werknemer met een arbeidsovereenkomst van ten minste 32 uur per week (of per 1 juli 2015: 24 uur per week) niet het hele aangiftetijdvak bij u in dienst is, moet u het bedrag van de premiekorting evenredig verlagen. U vermenigvuldigt het bedrag aan premiekorting waarop u recht zou hebben als de werknemer het hele aangiftetijdvak bij u in dienst was, met: het aantal kalenderdagen dat de werknemer tijdens het aangiftetijdvak bij u in dienst was, gedeeld door het aantal kalenderdagen in het aangiftetijdvak.

Voorbeeld 1

Op 1 oktober 2015 neemt u werknemer F in dienst voor 32 uur per week. Hij heeft een jaarcontract. Voor deze werknemer hebt u recht op premiekorting. U hebt een aangiftetijdvak van 1 maand. De werknemer neemt op 9 juli 2016 ontslag.

De premiekorting per maand per werknemer is € 3.500/12 = € 291,67. De premiekorting voor werknemer F over juli 2016 is dan: 8/31 x € 291,67 = € 75,27.

Voorbeeld 2

Op 1 december 2015 neemt u werknemer G in dienst voor 28 uur per week. Hij heeft een jaarcontract. Voor deze werknemer hebt u recht op de premiekorting. U hebt een aangiftetijdvak van 4 weken. De werknemer neemt op 1 augustus 2016 ontslag.

De werknemer is in het 8e aangiftetijdvak van 2016 (dat loopt van 18 juli 2016 tot en met 14 augustus 2016) 14 dagen bij u in dienst. De premiekorting per 4 weken per werknemer is maximaal € 3.500/13 = € 269,24. De premiekorting voor werknemer G over het 8e aangiftetijdvak is dan: 14/28 x € 269,24 = € 134,62.

Naar boven

5.13 Premiekortingen verrekenen en toetsen

Premiekortingen verrekenen

In de aangifte loonheffingen verrekent u een evenredig deel van de jaarbedragen van de premiekortingen.

Als het recht op de premiekorting in de loop van een aangiftetijdvak ontstaat of eindigt, verrekent u in dat tijdvak een evenredig deel van het bedrag waarop u voor het hele aangiftetijdvak recht zou hebben.

De premiekortingen verrekent u met het totaal van de premies werknemersverzekeringen die u voor al uw werknemers moet betalen, dus ook voor werknemers voor wie u geen recht hebt op premiekorting.

Premiekortingen toetsen

U moet het totaalbedrag van de premiekortingen toetsen aan het totaalbedrag van de basispremie WAO/IVA/WGA, de gedifferentieerde premie Whk, de premie WW-Awf, de Ufo-premie en de sectorpremie. Het totaal van de premiekortingen mag niet meer zijn dan de som van deze premies. Als het totaal van de premiekortingen in een aangiftetijdvak meer is dan het totaal van de te betalen premies, mag u het niet-verrekende deel van die premiekortingen verrekenen:

  • in een eerder of later aangiftetijdvak in 2016
    Verrekenen mag alleen als er in het andere aangiftetijdvak nog ruimte is. De werknemer voor wie u de premiekorting doorschuift, hoeft in dat eerdere of latere tijdvak niet in dienst geweest te zijn. Maar u mag niet doorschuiven naar een vorig of een volgend kalenderjaar.

  • met een aangifte van uzelf die u onder een ander subnummer doet over hetzelfde of een later aangiftetijdvak van 2016

Naar boven

5.14 Premievrijstelling marginale arbeid

Als u een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt, kunnen wij u op uw verzoek voor die werknemer vrijstelling verlenen voor de premies werknemersverzekeringen. U moet dan aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • U neemt de uitkeringsgerechtigde in dienst voor niet meer dan 6 aaneengesloten weken. Als uw werknemer binnen de 6 aaneengesloten weken uit dienst gaat en u hem binnen 31 dagen weer aanneemt, wordt de dienstbetrekking voor de vrijstelling als niet-onderbroken gezien. Dit betekent dat als deze 2 dienstbetrekkingen samen niet langer dan 6 weken duren, de vrijstelling voor beide dienstbetrekkingen geldt.

  • De uitkeringsgerechtigde is in het kalenderjaar niet eerder bij u in dienst geweest.

  • Een andere werkgever heeft voor de uitkeringsgerechtigde niet eerder in het kalenderjaar de premievrijstelling marginale arbeid toegepast.

Een uitkeringsgerechtigde is iemand die bij UWV als werkzoekende is geregistreerd en direct voordat hij bij u in dienst kwam, recht had op 1 van de volgende uitkeringen of inkomensvoorzieningen of op arbeidsondersteuning:

  • werkloosheidsuitkering (WW, IOW)
    Hieronder valt ook een uitkering waarmee UWV de verplichting van een betalingsonmachtige werkgever overneemt.

  • arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO, WIA, Wet Wajong, Waz)

  • bijstandsuitkering (Participatiewet, IOAW, IOAZ)

  • uitkering op grond van de Toeslagenwet

  • inkomensvoorziening op grond van de Wet Wajong

  • arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong

  • uitkering op grond van vergelijkbare regelingen of een combinatie van deze regelingen

Het premieloon van de werknemers voor wie u de vrijstelling toepast, moet u wel meenemen als premieloon bij de werknemersgegevens en bij de collectieve gegevens van de aangifte.

Komt u in aanmerking voor de premievrijstelling en wilt u bij ons een verzoek doen? Dan is het volgende van belang:

  • Dien het verzoek voor de vrijstelling vóór het einde van de dienstbetrekking bij ons in.

  • Vermeld bij het verzoek het burgerservicenummer van de uitkeringsgerechtigde.

  • Stuur een kopie mee van de inschrijving van uw werknemer als werkzoekende bij UWV WERKbedrijf.

  • Laat de uitkeringsgerechtigde het verzoek ook ondertekenen.

Naar boven

5.15 Eigenrisicodragerschap werknemersverzekeringen

In 2016 kunt u voor de WGA en de ZW eigenrisicodrager worden. In deze paragraaf leest u wat het eigenrisicodragerschap voor de WGA en de ZW betekent en hoe u dit kunt aanvragen en beëindigen.

Naar boven

5.15.1 Eigenrisicodragerschap voor de WGA

U kunt eigenrisicodrager worden voor de WGA voor werknemers met een vast dienstverband. Dat betekent dat u vanaf de start van de WGA-uitkering maximaal 10 jaar zelf het risico draagt voor gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van uw werknemer, of dat u dit volledig of deels particulier verzekert. U draagt ook het risico voor overlijdensuitkeringen aan nabestaanden van werknemers met een vast dienstverband met een WGA-uitkering die onder het eigen risico vallen.

U kunt nog geen eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van flexwerkers (zie paragraaf 5.6). Dat kan pas vanaf 2017.

Als eigenrisicodrager voor de WGA betaalt u niet de premiecomponent WGA-vast, maar wel de premiecomponent WGA-flex.

Inlooprisico's

Als u een grote werkgever bent, betaalt u vanaf de ingangsdatum van het eigenrisicodragerschap de lopende WGA-uitkeringen (en bijbehorende kosten) aan werknemers die bij u in vaste dienst zijn of waren. Dit geldt ook voor toekomstige WGA-uitkeringen aan werknemers die bij u in vaste dienst zijn of waren en waarvan de 1e arbeidsongeschiktheidsdag ligt vóór de ingangsdatum van het eigenrisicodragerschap. Als u een middelgrote werkgever bent, betaalt u een deel van deze uitkeringen en bijbehorende lasten. Kleine werkgevers hebben geen inlooprisico's.

Eigenrisicodragerschap WGA aanvragen

U moet een verzoek om eigenrisicodrager voor de WGA te worden bij ons doen. U kunt het eigenrisicodragerschap voor de WGA op 1 januari of op 1 juli laten beginnen. Uw aanvraag moet uiterlijk 13 weken vóór de ingangsdatum (dus voor 2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. Wilt u eigenrisicodrager voor de WGA worden, dan moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • U hebt een garantieverklaring van een erkende bank of een erkende verzekeraar. Vanaf 1 januari 2016 moet u hiervoor onze modelgarantieverklaring gebruiken. U kunt de modelgarantieverklaring downloaden van www.belastingdienst.nl. De meeste overheidsinstellingen hebben geen garantieverklaring nodig. Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.

  • Uw eigenrisicodragerschap voor de WGA is in de 3 jaar voor de ingangsdatum niet beëindigd om reden a of b (zie hierna onder 'Einde eigenrisicodragerschap voor de WGA').

U kunt het aanvraagformulier downloaden. Met de aanvraag stuurt u de garantieverklaring mee. Zodra uw aanvraag bij ons binnen is, krijgt u een beschikking van ons.

Als u een startende werkgever bent, kunt u ook eigenrisicodrager voor de WGA worden vanaf het moment waarop u werkgever bent geworden. U stuurt dan bij uw aanmelding als werkgever het aanvraagformulier voor het eigenrisicodragerschap WGA en de garantieverklaring mee. Het aanvraagformulier en de verklaring moeten bij ons binnen zijn uiterlijk op het moment waarop u een werknemer in dienst neemt voor wie u premies werknemersverzekeringen moet betalen. U hoeft nog geen loonheffingennummer te hebben om deze aanvraag te kunnen doen.

Op www.uwv.nl vindt u meer informatie over het eigenrisicodragerschap.

Let op!

U kunt geen eigenrisicodrager voor de WGA worden voor:

  • personeel dat op grond van de WSW bij u in dienst is

  • personeel dat in dienst is bij een verbonden rechtspersoon waaraan u de uitvoering van de WSW hebt overgedragen

Einde eigenrisicodragerschap voor de WGA

Uw eigenrisicodragerschap voor de WGA eindigt in de volgende situaties:

  1. U wilt niet langer eigenrisicodrager zijn. Dan kunt u het eigenrisicodragerschap beëindigen per 1 januari of 1 juli. Uw aanvraag moet uiterlijk 13 weken vóór de beëindigingsdatum (dus voor 2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. U kunt het aanvraagformulier voor het beëindigen van het eigenrisicodragerschap voor de WGA downloaden van www.belastingdienst.nl.

  2. Wij beëindigen per direct uw eigenrisicodragerschap. Dit gebeurt als de rechtbank de noodregeling van hoofdstuk 3.5 van de Wet op het financieel toezicht heeft uitgesproken over de verzekeraar of de bank waar u zich hebt verzekerd.

  3. Het eigenrisicodragerschap eindigt van rechtswege vanaf de datum waarop:

    • wij de schriftelijke mededeling van de bank of verzekeraar hebben gekregen waarin staat dat de bank of verzekeraar de garantie intrekt
      De garantie blijft dan nog wel gelden voor verplichtingen op grond van het eigen risico dat u, uw rechtsopvolger onder algemene titel of de verkrijgende werkgever blijft dragen voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering van (ex-)werknemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

      • Zij zijn ziek geworden vóór de datum waarop wij de schriftelijke opzegging hebben gekregen.

      • Zij waren bij u in dienst op de datum waarop zij ziek werden.

    • u failliet bent verklaard

    • de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op u van toepassing is verklaard

    • u geen werkgever meer bent

Let op!

  • Als u niet langer eigenrisicodrager voor de WGA bent, betaalt u vanaf de beëindigingsdatum weer de premiecomponent WGA-vast. U moet nog wel de WGA-uitkeringen betalen van (ex)werknemers die ziek werden voordat u geen eigenrisicodrager meer was. Dit is het zogenoemde uitlooprisico.

  • Het eigenrisicodragerschap is niet overdraagbaar. Als u bijvoorbeeld een nieuwe bv opricht en de bestaande bv omzet in een beheer-bv, blijft de beheer-bv eigenrisicodrager. Wilt u dat ook de (nieuwe) werk-bv eigenrisicodrager wordt, dan moet u dat voor deze bv aanvragen.

WGA-lasten verhalen op uw werknemers

Als eigenrisicodrager voor de WGA kunt u een deel van uw WGA-lasten voor werknemers met een vast dienstverband verhalen op al uw werknemers. Dit doet u door een bedrag in te houden op het nettoloon van uw werknemers. Hoeveel u kunt inhouden, hangt af van de vraag of u het WGA-risico zelf draagt of dit particulier hebt verzekerd.

Let op!

  • In 2016 mag u niet alleen een deel van de kosten van het eigenrisicodragerschap voor de WGA-vast op uw werknemers verhalen, maar ook maximaal 50% van de premiecomponent WGA-flex.

  • Als u niets inhoudt op het nettoloon, hoeft u over het niet-verhaalde bedrag geen loonheffingen te betalen.

U draagt zelf het WGA-risico

Als u het WGA-risico zelf draagt en niet hebt herverzekerd, dan kunt u maximaal de helft van het zogenoemde fictieve premiepercentage toepassen op het premieloon van uw werknemers. Dit bedrag kunt u vervolgens inhouden op het nettoloon van uw werknemers. U kunt het fictieve premiepercentage op 2 manieren bepalen:

  • U schat de WGA-uitkeringen aan uw werknemers met een vast dienstverband in 2016 en deelt dit bedrag door uw verwachte premieloon in 2016.

  • U deelt de WGA-uitkeringen die u in 2015 aan uw (ex-)werknemers met een vast dienstverband hebt betaald, door uw premieloon in 2015.

Bij het bepalen van het fictieve premiepercentage houdt u bovendien rekening met de volgende maxima:

  • als u een kleine werkgever bent: 1,5 keer het sectorale premiepercentage voor de premiecomponent WGA-vast dat voor u zou gelden als u geen eigenriscodrager zou zijn (zie paragraaf 5.6.1)

  • als u een middelgrote of grote werkgever bent: 1,5 keer het percentage voor de premiecomponent WGA-vast dat voor u zou gelden als u geen eigenriscodrager zou zijn (zie paragraaf 5.6.3 en 5.6.4)

Als u het fictieve premiepercentage hebt gebaseerd op uw geschatte WGA-lasten in 2016 en uw verwachte premieloon in 2016, kan aan het eind van 2016 blijken dat de daadwerkelijke WGA-lasten en het premieloon afwijken van uw schatting. Het bedrag dat u te veel of te weinig hebt verhaald, kunt u in 2017 netto met uw werknemers verrekenen.

U hebt het WGA-risico particulier verzekerd

Als u het WGA-risico particulier hebt verzekerd, kunt u maximaal de helft van de premie voor het WGA-risico inhouden op het nettoloon van uw werknemers. Als de verzekering ook andere risico's dekt dan het WGA-risico, moet u bij uw verzekeraar nagaan welk deel van de premie betrekking heeft op het WGA-risico.

Naar boven

5.15.2 Eigenrisicodragerschap voor de ZW

U kunt eigenrisicodrager worden voor de ZW. Dat betekent dat u zelf het risico draagt voor arbeidsongeschiktheid van uw ex-werknemers die bij ziekte recht hebben op een ZW-uitkering, of dat u dit volledig of deels particulier verzekert.

Als eigenrisicodrager voor de ZW betaalt u een lagere gedifferentieerde premie Whk, omdat u de premiecomponent ZW-flex niet hoeft te betalen. Verder draagt u ook het risico voor overlijdensuitkeringen aan nabestaanden van werknemers met een ZW-uitkering die onder het eigen risico vallen (zie paragraaf 5.6).

Let op!

Als u bij ziekte van een werknemer 2 jaar lang loon doorbetaalt, wil dat niet zeggen dat u eigenrisicodrager voor de ZW bent. Deze doorbetalingsverplichting geldt namelijk voor iedere werkgever.

Het ziekengeld van uw werknemers waarvoor u het eigen risico draagt, moet u verantwoorden in uw aangifte loonheffingen. In de aangifte moet u de premiepercentages gebruiken die voor u gelden. Dit geldt ook als u uw loonadministratie en het uitbetalen van het ziekengeld van uw zieke werknemers uitbesteedt aan een ander. Als deze derde ook aangifte doet, moet hij dat voor uw zieke werknemers onder uw loonheffingennummer doen en uw percentages gebruiken.

Eigenrisicodragerschap ZW aanvragen

U moet een verzoek om eigenrisicodrager voor de ZW te worden bij ons doen. U kunt het eigenrisicodragerschap voor de ZW op 1 januari of op 1 juli laten beginnen. Uw aanvraag moet uiterlijk 13 weken vóór de ingangsdatum (dus voor 2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. Wilt u eigenrisicodrager voor de ZW worden, dan moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • U laat zich voor de verzuimbegeleiding van zieke ex-werknemers die onder het eigen risico vallen, bijstaan door een deskundige persoon of dienst die gecertificeerd is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en u hebt de afspraken rond deze verzuimbegeleiding schriftelijk vastgelegd.

  • Uw eigenrisicodragerschap voor de ZW is in de 3 jaar voor de ingangsdatum niet beëindigd om reden a of b (zie hierna onder 'Einde eigenrisicodragerschap voor de ZW').

Let op!

Hebben wij in de 3 jaar voor de ingangsdatum een eerder eigenrisicodragerschap op uw verzoek beëindigd? Dan kunt u niet opnieuw eigenrisicodrager worden.

U kunt het aanvraagformulier downloaden. Met de aanvraag stuurt u de afspraken over de verzuimbegeleiding mee. Als u uw aanvraag hebt ingediend, krijgt u een beschikking van ons.

Als u een startende werkgever bent, kunt u ook eigenrisicodrager voor de ZW worden vanaf het moment waarop u werkgever bent geworden. U stuurt dan bij uw aanmelding als werkgever het aanvraagformulier voor het eigenrisicodragerschap ZW en de afspraken over de verzuimbegeleiding mee. Het aanvraagformulier en de afspraken moeten bij ons binnen zijn uiterlijk op het moment waarop u een werknemer in dienst neemt voor wie u premies werknemersverzekeringen moet betalen. U hoeft nog geen loonheffingennummer te hebben om deze aanvraag te kunnen doen.

Einde eigenrisicodragerschap voor de ZW

Uw eigenrisicodragerschap voor de ZW eindigt in de volgende situaties:

  1. U wilt niet langer eigenrisicodrager zijn. Dan kunt u het eigenrisicodragerschap beëindigen per 1 januari of 1 juli. Uw aanvraag moet uiterlijk 13 weken voor de beëindigingsdatum (dus voor 2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. U kunt het aanvraagformulier voor het beëindigen van het eigenrisicodragerschap voor de ZW downloaden van www.belastingdienst.nl.

  2. Wij beëindigen uw eigenrisicodragerschap. Dit gebeurt als u zich bij de verzuimbegeleiding van uw zieke (ex-)werknemers niet langer laat bijstaan door een deskundige of dienst die gecertificeerd is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

  3. Het eigenrisicodragerschap eindigt van rechtswege vanaf de datum waarop:

    • u failliet bent verklaard

    • de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op u van toepassing is verklaard

    • u geen werkgever meer bent

Let op!

  • Als u niet langer eigenrisicodrager voor de ZW bent, betaalt u vanaf de beëindigingsdatum weer de premiecomponent ZW-flex. U moet dan nog wel de ZW-uitkeringen betalen van werknemers die ziek werden in de periode dat u eigenrisicodrager was. Dit is het zogenoemde uitlooprisico.

  • Het eigenrisicodragerschap is niet overdraagbaar. Als u bijvoorbeeld een nieuwe bv opricht en de bestaande bv omzet in een beheer-bv, blijft de beheer-bv eigenrisicodrager. Wilt u dat ook de (nieuwe) werk-bv eigenrisicodrager wordt, dan moet u dat voor deze bv aanvragen.

Hogere premiecomponent ZW-flex bij einde eigenrisicodragerschap (terugkeerpremie)

Bent u een middelgrote of grote werkgever en is uw eigenrisicodragerschap in 2015 geëindigd? Dan betaalt u in 2016 misschien een hogere premiecomponent ZW-flex (terugkeerpremie). De premiecomponent ZW-flex is dan minimaal de helft van de sectorale premie ZW-flex die geldt voor uw sector. Dit kan in sommige gevallen hoger zijn dan de premie die u anders zou betalen.

U betaalt de hogere premiecomponent ZW-flex in het jaar waarin u voor het eerst geen eigenrisicodrager meer bent en in het jaar daarna. Als u het eigenrisicodragerschap zelf hebt beëindigd, is dat dus 1,5 of 2 jaar, afhankelijk van het moment van beëindiging.

Meer informatie vindt u op de site van UWV door te zoeken op 'gedifferentieerde premies WGA en ZW 2016'.

Naar boven