Had u in 2009 bezittingen, zoals spaargeld, aandelen of een tweede woning? Dan moet u inkomstenbelasting betalen over een vast rendement van het gemiddelde van de waarde van deze bezittingen min uw schulden op de peildatums. Van de schulden mag u alleen het deel aftrekken dat uitkomt boven de drempel van € 2.900. Had u heel 2009 een fiscale partner? Dan zijn er aanvullende regels.
Wat geeft u aan in box 3?
U moet onder meer de volgende schulden aangeven in box 3:
schulden voor consumptiedoeleinden, zoals een auto of een vakantie
schulden voor de financiering van aandelen (behalve aandelen die horen bij een aanmerkelijk belang), obligaties of rechten op periodieke uitkeringen
schulden voor de financiering van de tweede woning of andere onroerende zaken
(hypotheek) schulden die u niet in box 1 in aftrek kunt brengen, omdat de schuld niet tot de eigenwoningschuld hoort
schulden volgens de Wet studiefinanciering
De schulden geeft u aan naar de waarde in het economische verkeer. Vermeld alleen de schulden die niet in box 1 of box 2 vallen. Vermeld de schulden op de peildatums 1 januari 2009 en 31 december 2009.
Wat geeft u niet aan in box 3?
De volgende schulden hoeft u niet in box 3 aan te geven:
(hypotheek)schuld voor uw eigen woning die uw hoofdverblijf was (eigenwoningschuld)
schulden die niet opeisbaar zijn, omdat u de langstlevende echtgenoot bent
lopende termijnen van schulden met een looptijd korter dan 1 jaar
(toekomstige) Nederlandse belastingschulden en schulden premie volksverzekeringen (inclusief heffingsrente en invorderingsrente). Soms geldt voor belastingschulden een uitzondering.