Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

7.00.00 Niet-preferentiele oorsprongsregels

4 Niet-preferentiële oorsprongsbewijzen

4.1 Algemeen

In tegenstelling tot de tariefpreferentiële regelingen waarbij de oorsprong van de goederen altijd door middel van een specifiek oorsprongsbewijs moet worden aangetoond is de eis tot het verplicht overleggen van een oorsprongsbewijs ter staving van de niet-preferentiële oorsprong meestal niet aanwezig. Indien deze eis er wel is en de niet-preferentiële oorsprong van een product moet worden aangetoond door middel van een certificaat van oorsprong (CvO) is er - in tegenstelling tot de tariefpreferentiële regelingen - niet altijd een een specifiek oorsprongsbewijs vastgesteld. In voorkomend geval kan ieder certificaat van oorsprong worden aanvaard mits het maar voldoet aan een aantal algemene voorwaarden. Naast het algemene certificaat van oorsprong kunnen specifieke communautaire maatregelen het gebruik van een specifiek certificaat voorschrijven.

In artikel 26 CDW en de artikelen 44 tot en met 65 TVo. CDW zijn nadere bepalingen gesteld voor het opstellen en afgeven van niet-preferentiële certificaten van oorsprong.
In de nationale wetgeving zijn in artikel 2:1 Algemeen douanebesluit juncto artikel 5:3, 5:4, 5:7 en 5:8 en 11:3 Algemene douaneregeling nadere bepalingen opgenomen.
In AGS is afhankelijk van de situatie per goederencode aangegeven of het overleggen van een niet-preferentieel oorsprongsbewijs bij de aangifte tot het brengen in het vrije verkeer van de Europese Unie verplicht is.
Hierna komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • algemene certificaten van oorsprong (paragraaf 4.1.1);

  • specifieke certificaten van oorsprong (paragraaf 4.1.2);

  • certificaten van oorsprong bepaalde landbouwproducten (paragraaf 4.1.3);

  • controle op niet-preferentiële oorsprongsbewijzen (paragraaf 4.1.4).

Naar boven

4.1.1 Algemene certificaten van oorsprong

Uitvoer

In een groot aantal derde landen moet de niet-preferentiële oorsprong van producten bij invoer worden aangetoond door middel van een certificaat van oorsprong (CvO). Dit betekent dat bij export van goederen uit de Europese Unie en op verzoek van de exporteur certificaten van oorsprong kunnen worden afgegeven ten bewijze dat goederen van oorsprong zijn uit de Europese Unie, een bepaalde lidstaat of een derde land, Hiertoe is in bijlage 12 TVo. CDW een model vastgesteld. In artikel 48 tot en met 54 TVo. CDW vindt u de bepalingen met betrekking tot deze certificaten van oorsprong.
De Nederlandse Douane is niet betrokken bij de afgifte van niet-preferentiële certificaten van oorsprong bij uitvoer van goederen uit de Europese Unie via Nederland. Om deze reden wordt hier in dit onderdeel niet verder op ingegaan. In Nederland worden certificaten van oorsprong afgegeven door de Kamers van Koophandel.

Invoer

Als specifieke communautaire bepalingen vereisen dat de niet-preferentiële oorsprong bij bij het volgen van een douanebestemming in de Europese Unie moet worden aangetoond, moet het certificaat van oorsprong worden overlegd op het moment dat de aangifte voor het volgen van de douanebestemming (meestal: in het vrije verkeer brengen) wordt gedaan. Voor dit certificaat van oorsprong is geen specifiek model vastgesteld, maar het moet wel aan een aantal algemene voorwaarden voldoen. Deze zijn:

  • het certificaat moet afgegeven zijn door een overheidsinstantie of een orgaan dat door het land van afgifte is gemachtigd om certificaten van oorsprong af te geven. In de praktijk worden deze certificaten meestal afgegeven door een Kamer van Koophandel, een Ministerie van Handel, een Ministerie van Economische zaken of door de douaneautoriteiten;

  • het certificaat moet alle nodige gegevens bevatten om het product waarop het betrekking heeft te kunnen identificeren. Voorbeelden van deze gegevens zijn;

  • het aantal, de aard, de merken en nummers van de colli;

  • de soort van het product;

  • het bruto- en nettogewicht, aantal of volume van het product; het aantal of volume mag gebruikt worden als:

    1. het gewicht van het product tijdens het vervoer aan veranderingen onderhevig is;

    2. het gewicht van het product niet kan worden vastgesteld;

    3. het product gewoonlijk aan de hand van het aantal of volume wordt geïdentificeerd.

  • op het certificaat moet de naam van de exporteur van de goederen zijn vermeld;

  • in het certificaat moet ondubbelzinnig worden verklaard dat het product of de producten waarop het betrekking heeft,van oorsprong is uit een bepaald land. Dit kan als volgt aangegeven worden:

    1. "Certification by the competent authority: I, the undersigned, certify that the goods described above originate in the country shown in box (land van oorsprong)";

    2. "Visa de l’autorité competente: Je soussigne certifie que les marchandises désignées ci-dessus sont originaires du pays figurant dans la case (land van oorsprong)".

(artikel 47 TVo. CDW)

In het algemeen zijn deze certificaten van oorsprong niet gebonden aan een bepaalde geldigheidsduur: zij zijn dus onbeperkt geldig.

Naar boven

4.1.2 Specifieke Certificaten van oorsprong

In specifieke communautaire regelingen kan zijn bepaald dat de oorsprong van goederen in de Europese Unie moet worden aangetoond met gebruikmaking van een bepaald model certificaat van oorsprong. Het model van het te gebruiken certificaat is dan opgenomen bij de betreffende communautaire regeling. Het gebruik van een algemeen (universeel) certificaat van oorsprong (zie paragraaf 4.1.1) is dan niet toegestaan. Tenzij in de betreffende communautaire regeling anders bepaald zijn deze certificaten van oorsprong niet gebonden aan een bepaalde geldigheidsduur.

Naar boven

4.1.3 Certificaten van oorsprong voor bepaalde landbouwproducten

Zoals blijkt uit artikel 55 TVo. CDW zijn in artikel 56 tot en met 65 TVo. CDW nadere voorwaarden vastgesteld voor het gebruik van certificaten van oorsprong voor landbouwproducten uit derde landen waarvoor bijzondere invoerregelingen gelden en hierbij naar de communautaire bepalingen voor de vaststelling van de oorsprong (de niet-preferentiële oorsprongsbepalingen van het CDW) wordt verwezen.
Het model van het certificaat van oorsprong voor landbouwgoederen die onder een bijzondere invoerregeling vallen is opgenomen in bijlage 13 TVo. CDW. Deze certificaten moeten worden afgegeven door een daartoe in het derde land bevoegde instantie en moeten zijn voorzien van een volgnummer. De certificaten worden afgegeven indien de goederen als van oorsprong zijn te beschouwen op basis van de in de Europese Unie geldende oorsprongsregels op het moment dat de goederen worden uitgevoerd of vaststaat dat zij zullen worden uitgevoerd. Bij wijze van uitzondering kunnen deze certificaten na de export van de goederen worden afgegeven. In het vak "Opmerkingen" van het certificaat moet dan de volgende clausule zijn geplaatst "afgegeven a posteriori" of een voorgeschreven clausule in een van de andere talen van de Europese Unie.

Tenzij in de bijzondere communautaire regeling anders is bepaald is een certificaat van oorsprong voor landbouwgoederen tien maanden geldig vanaf de datum waarop het door de bevoegde autoriteiten werd afgegeven.

Naar boven

4.1.4 Onvolledige aangifte / Overlegging achteraf

Indien op grond van een bijzondere communautaire regeling het aantonen van de oorsprong voorwaarde is om goederen onder een douaneregeling te brengen moet het bewijs van oorsprong worden overgelegd op het moment dat de goederen onder de betreffende douaneregeling worden gebracht. Indien bij de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer het oorsprongsbewijs niet kan worden overgelegd kan in beginsel geen invoer plaats vinden tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  1. het betrokken bewijs van oorsprong bestaat en dat - indien van toepassing - de geldigheidsduur hiervan niet is verstreken;

  2. het feit dat het oorsprongsbewijs niet bij de aangifte kon worden gevoegd te wijten is aan omstandigheden buiten de wil van de aangever;

  3. iedere vertraging bij de aanvaarding van de aangifte ertoe zou leiden dat de goederen niet in het vrije verkeer zouden kunnen worden gebracht of ten gevolge zou hebben dat deze goederen aan hogere rechten zouden worden onderworpen.

In voorkomend geval kan worden toegestaan dat het bewijs van oorsprong achteraf wordt overgelegd. Op grond van artikel 256, lid 1 TVo. CDW moet het bewijs van oorsprong binnen één maand na de aanvaarding van de aangifte worden overgelegd. Deze termijn kan niet worden verlengd.

Om van deze mogelijkheid gebruik te kunnen maken geeft de aangever door het gebruik van de betreffende code aan dat er een onvolledige aangifte wordt gedaan omdat het certificaat van oorsprong ontbreekt (zie voor de te gebruiken code het Codeboek Douane).

In het geval dat niet aan de in artikel 255, lid 2, TVo. CDW genoemde voorwaarden kan worden voldaan, wordt de aangifte niet aanvaard omdat de oorsprong niet kan worden vastgesteld. U dient dan te handelen als bedoeld onder punt 2 van deze paragraaf.

Als tijdens een controle blijkt dat de oorsprong niet juist is kunnen twee situaties worden onderscheiden:

  1. De goederen blijken van oorsprong te zijn uit een ander land dan het aangegeven land van oorsprong. Er is dan sprake van een onjuiste aangifte (de fiscale en niet-fiscale maatregelen voor het vastgestelde land van oorsprong zijn dan van toepassing).

  2. De oorsprong van de goederen is niet vast te stellen. In dat geval is er sprake van onbekende oorsprong en dient als volgt te worden gehandeld:

    1. 2.1. Geef de goederen de status "onbekende oorsprong". Het in het vrije verkeer brengen kan nu alleen plaatsvinden onder overlegging van een invoervergunning zoals bedoeld in artikel 2:1 Algemeen douanebesluit juncto artikel 5:2 tot en met 5:8 Algemene douaneregeling.

    2. 2.2. Geef de goederen op basis van artikel 73, lid 1, CDW niet vrij. Indien de goederen reeds zijn vrijgegeven, dient de importeur of zijn gemachtigde in kennis te worden gesteld.

    3. 2.3. Stel het Douanekantoor Groningen/centrale dienst voor in- en uitvoer telefonisch op de hoogte, zodat bij de beoordeling van de vergunningaanvraag door de importeur rekening wordt gehouden met de door u geconstateerde feiten. Als daarbij al blijkt dat een eventuele vergunning zonder meer kan worden verleend, pleegt u overleg met het Douanekantoor Groningen/centrale dienst over de te volgen handelwijze. Zonodig licht u de FIOD in.

Naar boven

4.1.5 Controle van de in de aangifte vermelde oorsprong / controle van bewijzen inzake de oorsprong

Als er aanwijzingen bestaan die het vermoeden rechtvaardigen dat een op een aangifte vermelde niet-preferentiële oorsprong onjuist is of als u twijfelt aan het overgelegde niet-preferentiële oorsprongsbewijs, kunt u eisen de aangegeven oorsprong nader aannemelijk te maken. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden:

  1. Indien er geen communautaire bepalingen zijn die tot het overleggen van een bewijs van oorsprong verplichten kunt u op grond van artikel 14 en artikel 68 van het CDW eisen dat bewijsstukken worden overgelegd ter staving van de aangegeven oorsprong. Aan deze bewijsstukken zijn geen specifieke voorwaarden gesteld, met andere woorden: hier geldt het principe van de vrije bewijsvoering.

  2. Indien er wel communautaire bepalingen zijn die voorschrijven dat de oorsprong van de goederen moet worden aangetoond door middel van een bewijs van oorsprong kunt u hoewel er een geldig oorsprongsbewijs is overgelegd op grond van artikel 26 CDW - in geval van ernstige twijfel - eisen dat aanvullend bewijs wordt geleverd ter staving van de op het bewijs van oorsprong vermelde oorsprong. Met betrekking tot dit aanvullend bewijs zijn geen specifieke voorwaarden gesteld. Ook hier geldt het principe van de vrije bewijsvoering.

Zonodig kunt u een onderzoek naar de juistheid van een bewijs van oorsprong laten instellen door het Douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongzaken. Om een dergelijk onderzoek uit te laten voeren, zendt u het betreffende oorsprongscertificaat en alle relevante bescheiden en gegevens aan het Douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken (onder verwijzing naar deze paragraaf). U maakt hierbij gebruik van het model dat in bijlage 6 van onderdeel 8.00.00 van dit Handboek is opgenomen. De rubrieken die betrekking hebben op fiscale aspecten, hoeft u niet in te vullen. Daarbij dient de reden voor het onderzoek te worden aangegeven. Op basis van de ter beschikking staande gegevens zal door Douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken worden getoetst of het bewijs van oorsprong voldoet aan de gestelde voorwaarden. Zo mogelijk kan vervolgens een controle worden ingesteld in het land waar het bewijs van oorsprong is afgegeven,

Naar boven

4.1.6 Bewaren van bewijzen van oorsprong door de aangever

Indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat indien de (periodieke) aangifte elektronisch wordt gedaan, de daarbij behorende bescheiden niet worden overgelegd bij het doen van de aangifte. In dit geval worden de oorsprongsbewijzen ter beschikking van de douaneautoriteiten gehouden. Op grond van artikel 1:32 van de Algemene douanewet juncto artikel 10, lid 3, Boek 2 Burgerlijk Wetboek is de aangever verplicht de bescheiden die belang zijn voor de heffing van rechten bij invoer te minste 7 jaar te bewaren en zijn administratie zodanig in te richten dat deze binnen een redelijke termijn is te controleren.
(artikel 77, lid 2 CDW)

De controle van de door de aangever gearchiveerde oorsprongsbewijzen (COF) omvat de volgende elementen:

  1. Controleer of het oorsprongsbewijs aanwezig is.

  2. Controleer of er overeenstemming bestaat tussen het gearchiveerde oorsprongsbewijs en ingevoerde goederen en

  3. Controleer indien van toepassing:

    • of het oorsprongsbewijs voldoet aan het daarvoor vastgestelde model;

    • of het certificaat is afgegeven door een daartoe bevoegde instantie;

    • of gebruik is gemaakt van het juiste stempel;

    • mde geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs.

Naar boven

4.1.7 Samenloop tussen preferentiële en niet-preferentiële bewijzen van oorsprong

Indien op grond van een specifieke communautaire maatregel de verplichting bestaat de oorsprong aan te tonen door middel van een niet-preferentieel bewijs van oorsprong en men overlegt bij het in het vrije verkeer brengen een preferentieel oorsprongbewijs om gebruik te maken van een tariefpreferentiële behandeling dan geldt deze verplichting onverkort. Tenzij in de specifieke communautaire maatregel uitdrukkelijk anders is bepaald betekent dit dat in voorkomend geval zowel een niet-preferentieel bewijs van oorsprong als een preferentieel oorsprongsbewijs moet worden overlegd.

Naar boven

4.2 Procedures en ambtelijke werkzaamheden

In deze paragraaf komen de volgende procedures en ambtelijke werkzaamheden aan de orde:

  • vervangen en splitsen van certificaten van oorsprong (paragraaf 4.2.1);

  • afschrijven van niet-preferentiële oorsprongscertificaten (paragraaf 4.2.2).

Naar boven

4.2.1 Vervangen van certificaten van oorsprong

Tenzij in de betreffende specifieke communautaire regeling anders is bepaald worden certificaten van oorsprong niet vervangen of gesplitst door de Douane. In Nederland zijn hiervoor de Kamers van Koophandel aangewezen. Zie voor de adressen: www.KvK.nl.

Naar boven

4.2.2 Invoer in gedeelten: geen vervanging van certificaten van oorsprong

Indien een op een certificaat van oorsprong vermelde zending goederen in gedeelten in het vrije verkeer wordt gebracht kan het - tenzij een bijzondere communautaire maatregel dit belet - worden toegestaan dat de aangever/importeur het certificaat zelf afschrijft voor de in het vrije verkeer gebrachte goederen. Een vergunning van de inspecteur is hiervoor niet nodig. De aangever/importeur hecht daartoe een allonge achter het certificaat. Op het allonge worden de volgende vermeldingen gesteld:

  • de datum en het nummer van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen;

  • hoeveelheid van de in het vrije verkeer gebrachte goederen.

De aangever/importeur mag nooit meer dan de op het in het certificaat van oorsprong vermelde hoeveelheid afschrijven. Het certificaat alsmede de allonge moeten door aangever/importeur gedurende 7 jaar worden bewaard en ter beschikking van de Douane worden gehouden.

Naar boven