Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

13.00.00 Het in het vrije verkeer brengen

2 Het in het vrije verkeer brengen: de formaliteiten en AGS

2.1 Algemeen

Voor het doen van een douaneaangifte voor het brengen in het vrije verkeer kennen we vier mogelijkheden, Binnen het DWU is het doen van een elektronisch aangifte vereist en kan worden toegestaan dat van de elektronische aangifte wordt afgeweken

(artikel 6 lid 1, artikel 6 lid 3 en artikel 158 lid 2 DWU)

Gelet op het feit dat de elektronische aangifte de vereiste vorm van aangifte doen is wordt in de volgende paragrafen deze vorm van aangifte doen beschreven. Voor het doen van een schriftelijke, een mondelinge aangifte en het doen van een aangifte door enige andere handeling wordt verwezen naar Hoofdstuk 5 van dit onderdeel van het Handboek.

De wijze waarop deze aangifte moet worden gedaan en de werkzaamheden die de Douane hierbij verricht zijn opgenomen in onderdeel 12.00.00 van dit Handboek.

Hieronder zijn specifieke bepalingen opgenomen voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen.

Naar boven

2.1.1 Het aangiftesysteem AGS en DTV

De aangifte wordt in beginsel elektronisch gedaan in het aangiftesysteem AGS. Dit systeem is het Nederlandse aangiftesysteem voor o.a. het doen voor aangiften voor het in het vrije verkeer brengen.

Voor het gebruik van het aangiftesysteem is een registratie vereist.

Aan AGS zit het systeem DTV gekoppeld, het systeem Douane Tarief Voorziening. Dit systeem controleert de juistheid en bestaanbaarheid van de opgegeven goederencode in de aangifte, koppelt hier de eventuele maatregelen aan, bepaalt het juiste tarief en berekent de douaneschuld.

Ook voor aangevers is dit systeem te gebruiken om goederencodes op te zoeken, de op goederen van toepassing zijnde maatregelen te bepalen en het verschuldigde recht te berekenen. De aangever kan een voorlopige berekening laten maken door het systeem.

Ook is via dit systeem informatie te verkrijgen over tariefpreferenties en tariefcontingenten en kunnen de actuele wisselkoersen worden geraadpleegd.

In AGS dient de aangever zelf zijn aangifte te voorzien van een zogenaamd "Functional reference number ", welk nummer voor iedere ingediende aangifte uniek moet zijn. Dit nummer wordt vervolgens ook in alle retourberichten vanuit AGS vermeld.

Het systeem AGS genereert vervolgens een aangiftenummer of MRN- nummer, bestaande uit jaar, landcode en 14 posities.

Een elektronische aangifte voor in het vrije verkeer brengen kan worden verstuurd naar vier aangewezen aangiftepunten.

  • Aangiftepunt 0432 voor kantoor Schiphol;

  • Aangiftepunt 0396 voor kantoor Rotterdam;

  • Aangiftepunt 0144 voor kantoor Eindhoven;

  • Aangiftepunt 0155 voor kantoor Eindhoven, De aangiftepunten 144 en 155 mogen alleen worden gebruikt voor de aangiften door aangewezen koeriersbedrijven en PostNL

In AGS wordt de mogelijkheid aan aangevers geboden via elektronisch berichtenverkeer over individuele aanvaarde aangiften met de douane te communiceren. Een aangever kan bijvoorbeeld:

  • Het aanbrengen van de goederen bij een voorafaangifte via elektronisch weg aan de douane melden;

  • Het elektronisch vragen van een wijziging van zijn aangifte o.g.v. artikel173 DWU;

  • Het elektronisch vragen om ongeldig making van de aangifte als de goederen nog niet zijn vrijgegeven.

Bij deze laatste twee verzoeken dienen uiteraard de wettelijke eisen te stellen aan deze verzoeken te worden beoordeeld door de douane.

Waar dit noodzakelijk is, wordt in de volgende paragrafen kort een uitleg gegeven over de werking van AGS bij de diverse aspecten en formaliteiten van de aangiften voor het in het vrije verkeer brengen.

Naar boven

2.1.2 De aangever

Voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen geldt dat de aangifte gedaan kan worden door een ieder, die in staat is de goederen aan te brengen aan het douanekantoor en die alle bewijsstukken kan overleggen noodzakelijk voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.

Er zijn geen bijzondere verplichtingen die ontstaan door de aanvaarding van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen.

( Artikel 170 lid 1 DWU)

Dit betekent dan ook dat de aangever geen eigenaar van de goederen hoeft te zijn.

Voorbeeld:

Doet een importeur op eigen naam en voor eigen rekening de aangifte, dan krijgt hij binnen het aangiftesysteem AGS de status 1. Naast de eigenlijke importeur kan de aangifte kan dus ook op eigen naam en voor eigen rekening worden gedaan door logistiek dienstverleners, bijvoorbeeld expediteurs. Deze dient dan de goederen bij het douanekantoor te kunnen aanbrengen en over alle benodigde bewijsstukken te beschikken die de toepassing van de douaneregeling in het vrije verkeer brengen mogelijk maken. Ook deze krijgt dan binnen het aangiftesysteem AGS status 1.

( artikel 5 lid 15 DWU )

Naar boven

2.1.3 Directe vertegenwoordiging

Een logistiek dienstverlener kan de eigenaar of belanghebbende van de goederen ook direct vertegenwoordigen. In dat geval is de eigenaar de aangever en wordt tevens schuldenaar voor de ontstane douaneschuld. Binnen AGS is dan sprake van status 2.

In de aangifte zijn zowel de vertegenwoordiger als de vertegenwoordigde opgenomen. De vertegenwoordigde wordt niet vermeld door de NAW-gegevens, maar door het aan hem toegekende EORI-nummer. Gaat het om een particulier, dan kan het BSN-nummer worden gebruikt.

De aangifte wordt nu in directe vertegenwoordiging gedaan op naam en voor rekening van de vertegenwoordigde.

( Artikel 18 lid 1 en 19 lid 1 DWU )

Naar boven

2.1.4 Indirecte vertegenwoordiging

Het is ook mogelijk dat de vertegenwoordiger optreedt als indirect vertegenwoordiger. De indirecte vertegenwoordiger is dan de aangever, hij doet op eigen naam aangifte. We spreken dan binnen AGS van status 3. Hij wordt in de aangifte opgenomen als aangever.

De vertegenwoordigde is dan de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan. , in de wetgeving ook wel aangeduid met term ‘houder van de regeling’. Het is ook eigenlijk de belanghebbende. De vertegenwoordigde wordt niet vermeld door de NAW-gegevens, maar door het aan hem toegekende EORI-nummer. Gaat het om een particulier, dan kan het BSN-nummer worden gebruikt.

Beide zijn dan aan te merken als schuldenaar en hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane douaneschuld door de aanvaarding van de aangifte.

(artikel 18 lid1 en 19 lid 1 DWU, artikel 77 lid 3 DWU en artikel 84 DWU)

Let op!

Bij beide bovenstaande vormen van vertegenwoordiging dient de vertegenwoordiger te beschikken over een machtiging van de vertegenwoordigde. De douane kan de overlegging van dit bewijs eisen.

Het niet kunnen overleggen van deze machtiging leidt ertoe dat de vertegenwoordiger wordt geacht de aangifte op eigen naam en voor eigen rekening te hebben gedaan. De aangifte verandert dan van status 2 of 3 naar status 1.

De vertegenwoordiging is nu niet geaccordeerd en de logistieke dienstverlener wordt nu ook de schuldenaar.

( Artikelen 19 lid 1 en 19 lid 2 DWU)

Naar boven

2.1.5 De aanvaarding

Een aangifte die aan alle eisen voldoet, dient door de douane onmiddellijk te worden aanvaard. Van de aanvaarding wordt mededeling gedaan aan de aangever.

In de paragrafen 2.1.3., 2.1.5. en 2.1.6. van onderdeel 12.00.00 van dit Handboek zijn de eisen voor aanvaarding opgenomen.

( Artikel 172 DWU )

De datum van aanvaarding is vervolgens bepalend voor:

  • het ontstaan van de douaneschuld;

  • welke heffingsgrondslagen moeten worden toegepast;

  • welk douanerecht van toepassing is en;

  • of er sprake is van verboden of beperkende maatregelen.

( artikel 172 lid 2 DWU )

Naar boven

2.1.6 De invulling van de aangifte

De aangifte dient alle informatie te bevatten die nodig zijn voor de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.

(Artikel 162 DWU, artikel 222 DWU en Bijlage B UVo DWU )

Nationaal kunnen deze vermeldingen nog worden aangevuld. Nederland heeft hier gebruik van gemaakt. Zie artikel 2:1 letter g ADW, artikel 2:11 ADR en Bijlage VI ADR.

Let op!

Zie voor het vermelden van de gevraagde en voorafgaande regeling ook paragraaf 2.1.9. van onderdeel 12.00.00 van dit Handboek.

Naar boven

2.1.7 Bewijsstukken bij de aangifte

Bij een aangifte voor het vrije verkeer brengen moeten of kunnen in beginsel een aantal bewijsstukken worden overgelegd om de aangifte te kunnen aanvaarden.

( Artikel 163 lid 1 DWU ).

Deze bewijsstukken dienen ter onderbouwing van beweringen in de aangifte, zoals over de oorsprong, de douanewaarde, de goederensoort, het gewicht etc.

Bij een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen moeten of kunnen de volgende bewijsstukken worden overgelegd of bij de aangever beschikbaar zijn:

  • De factuur

  • De DV.1

  • De documenten die vereist zijn voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling of van iedere andere van de normale voorschriften afwijkende regeling die op de aangegeven goederen van toepassing is

  • Alle andere bewijsstukken die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen voor het in het vrije verkeer brengen

  • Paklijst

Naar boven
2.1.7.1 De factuur

Dit bewijsstuk moet altijd bij het doen een aangifte in het vrije verkeer aanwezig en op aanvraag worden overlegd. Een factuur is een bewijsstuk dat een specificatie inhoudt van de geleverde goederen. Het bevat tenminste de volgende punten:

  • naam, adres en woonplaatsgegevens van de verkoper

  • naam, adres en, woonplaatsgegevens van de koper

  • gegevens over de goederen: hoeveelheid, prijs, kwaliteit en leveringsvoorwaarden en betalingscondities

    (artikel 163 lid 1 DWU en artikel 145 UVo DWU)

Naar boven
2.1.7.2 Een D.V.1

Dit bewijsstuk moet in de in de wetgeving opgenomen gevallen worden overlegd, om de in de aangifte vermelde douanewaarde te kunnen onderbouwen. Een D.V.1 is een eigenlijk een afzonderlijke aangifte van gegevens betreffende de douanewaarde van de goederen. Deze wordt elektronisch aangeleverd in die zin dat binnen de aangifte in AGS een afzonderlijk tabblad is opgenomen om de D.V.1 gegevens te kunnen opgeven. Deze gegevens worden door AGS gebruikt om de douanewaarde te berekenen. Het is natuurlijk ook mogelijk voor een aangever om de douanewaarde zelf te berekenen en deze te vermelden in de aangifte. Aanleveren van de D.V.1 is verplicht als de douanewaarde van de goederen meer dan 20.000 euro is en als de rechten worden berekend over deze douanewaarde. M.a.w. bij een specifiek recht is een D.V.1 niet vereist.

Naar boven
2.1.7.3 De documenten die vereist zijn voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling of van iedere andere van de normale voorschriften afwijkende regeling die op de aangegeven goederen van toepassing is

Deze bewijsstukken moeten, op verzoek van de Douane, alleen worden overlegd als de aangever aanspraak maakt op het preferentiële tarief.

Voor de toepassing van preferentiële tariefregelingen worden in het handelsverkeer verschillende documenten (certificaten) gebruikt. Dit zijn bijvoorbeeld een certificaat betreffende goederenverkeer EUR.1, een formulier EUR.MED, een certificaat van oorsprong Formulier A, een certificaat ATR.

Ook bij autonome schorsingsregelingen moeten soms certificaten worden overgelegd. Een dergelijk schorsingsmaatregel voorziet in een verlaging of vrijstelling van de rechten bij invoer. Een voorbeeld van een dergelijk certificaat is het Echtheidscertificaat rundvlees.

Bovendien kunnen bepaalde goederen door hun aard of bijzondere bestemming in aanmerking komen voor een gunstige tariefbehandeling. Toepassing van een dergelijke gunstige tariefbehandeling is vaak afhankelijk van de overlegging van certificaten.

Naar boven
2.1.7.4 Alle andere bewijsstukken die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen voor het in het vrije verkeer brengen

Deze stukken dienen om aan te tonen dat aan de nationale of EU- voorwaarden is voldaan. Bijvoorbeeld een grenspassagecertificaat waaruit blijkt dat levende dieren en bepaalde veterinaire producten bij het binnenbrengen zijn aangemeld en bij de keuring in orde zijn bevonden. Ook vallen hier invoervergunning onder afgegeven door de CDIU, waarvan de vrijgave van de goederen afhankelijk is.

In een aantal gevallen communiceert het aangiftesysteem AGS rechtstreeks met de elektronische systemen van de afgevende instanties. Deze communicatie vindt plaats voordat de aangifte door AGS wordt aanvaard. Blijkt bij deze communicatie dat het vereiste bewijsstuk niet bestaat of dat een ontoereikende hoeveelheid ter beschikking staat, wordt de aangifte niet verder gestuurd naar het aangiftesysteem AGS. De aangever krijgt hiervan bericht.

( Zie verder paragraaf 2.1.7. van onderdeel 12.00.00 van dit Handboek. )

Naar boven
2.1.7.5 Een paklijst

Wanneer eenzelfde soort goederen in verscheidene colli wordt aangeboden, kan de Douane eisen dat een paklijst of een gelijkwaardig bewijsstuk wordt overgelegd, waarin de inhoud van ieder collo is vermeld.

Voor alle bewijsstukken staat een code in de Toelichting Enig document. Nationaal zijn deze codes opgenomen in het Codeboek Douane.

Naast de bovenstaande bewijsstukken waarvan de aanvaarding van de aangifte afhankelijk is kan zijn, kan een controlerend ambtenaar in het kader van een controle andere bewijsstukken opvragen, zoals koopcontracten, betalingsbewijzen en uittreksel uit bankafschriften.

( artikel 188 DWU).

Alle door de douane opgevraagde bewijsstukken moeten via een landelijke e-mailpostbus bij de douane worden ingediend.

Let op!

Het is op dit nog niet mogelijk deze bewijsstukken direct of op verzoek van de douane in het systeem AGS te uploaden. Deze mogelijkheid zal in de toekomst wellicht mogelijk worden. Op dit moment kan wel de DV 1 langs elektronische weg bij de douane worden ingediend.

Naar boven

2.1.8 Niet hoeven overleggen bewijsstukken bij doen aangifte

De EU-wetgeving maakt het mogelijk dat, indien een aangifte elektronisch wordt gedaan, de bewijsstukken niet samen met de aangifte hoeven te worden overlegd aan de douane. . Concreet betekent dit dat bepaalde bewijsstukken niet hoeven te worden getoond op het moment van aanvaarden van de aangifte.

Deze werkwijze wordt toegestaan voor de factuur, de DV1. het preferentiële certificaat van oorsprong, niet preferentiële oorsprongsbewijsstukken, door de Belastingdienst/Centrale Dienst Invoer, Uitvoer (B/CDIU)afgegeven invoervergunningen en toezichtdocumenten.

Bij de DV1 moet opgemerkt worden dat deze gegevens zijn opgenomen in de elektronische aangifte ten invoer.

Voor de invoervergunningen, die door B/CDIU worden afgegeven, geldt dat AGS voor de aanvaarding van een aangifte automatisch controleert of de opgegeven vergunning bestaat en of er nog voldoende saldo openstaat op die vergunning om de aangegeven partij af te kunnen schrijven.

Als de aangifte wordt geselecteerd voor controle is het overleggen van de bewijsstukken op aanvraag van de douane wel vereist. De aangever krijgt hiervan bericht.

De door de douane opgevraagde elektronische bewijsstukken worden ook elektronisch gearchiveerd.

(artikel 163 lid 2 DWU)

Naar boven

2.1.9 Het vervullen van verdere formaliteiten

Naast het moeten doen van een aangifte zijn er nog enkele andere formaliteiten.

Het gaat hier om het in acht nemen van nationale of EU voorwaarden op het gebied van het EU landbouwbeleid, de handelspolitiek (onder andere maatregelen van toezicht of vrijwaringsmaatregelen, kwantitatieve beperkingen, invoerverboden), veterinaire en fytosanitaire maatregelen en maatregelen in het kader van de volksgezondheid, de milieuwetgeving, de openbare orde en verkeer en veiligheid.

Dit betekent veelal het overleggen van vergunningen, certificaten en/ of ontheffingen. Deze bewijsstukken moeten door een code in de aangifte worden vermeld en worden door AGS bij de aanvaardingscontrole gecontroleerd. Het niet hebben van een of meer van deze bewijsstukken leidt tot het niet aanvaarden van de aangifte.

Een verdere controle op juistheid, geldigheid, juiste afgevende autoriteit etc. vindt in voorkomende gevallen plaats bij een controle van de aangifte. De douane kan dan vragen deze bewijsstukken te overleggen.

( Artikel 163 lid 2 DWU )

De regelgeving op deze terreinen vindt u in dit Handboek, onderdeel 13.01.00 en het Handboek VGEM.

Voor alle bewijsstukken staat een code in de Toelichting Enig document. Nationaal zijn deze codes opgenomen in het Codeboek Douane.