Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

20.00.00 Uitvoer en wederuitvoer

3 Wederuitvoer

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de wederuitvoer toegelicht. Wederuitvoer kan worden gedefinieerd als het brengen van niet-Uniegoederen buiten het douanegebied van de Unie.

Voor niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, moet een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend. (Artikelen 5 lid 13 en 270 lid 1 DWU)

In de paragrafen 2, 3 en 4 worden de drie elementen van deze basisbepaling toegelicht. Het betreft:

  • niet-Uniegoederen (paragraaf 2);

  • verlaten van het douanegebied van de Unie (paragraaf 3); en

  • de aangifte tot wederuitvoer (paragraaf 4).

In de paragrafen 5 en verder wordt ingegaan op de vorm waarin de aangifte tot wederuitvoer kan worden gedaan, het vervoer van niet-Uniegoederen naar gebieden met een speciale status, wederuitvoer van accijnsgoederen, wederuitvoer van reizigersbagage, wederuitvoer gevolgd door een vervoersregeling en de aangifte achteraf.

Let op!

Artikel 270 lid 2 DWU bepaalt dat de artikelen 158 tot een met 195 DWU van toepassing zijn op de aangifte tot wederuitvoer. Dit houdt in dat de bepalingen die voor de aangifte ten uitvoer gelden van overeenkomstige toepassing zijn op de aangifte tot wederuitvoer. Omdat ook in dit hoofdstuk de wettelijke terminologie wordt gebruikt, wordt bij wederuitvoer, bijvoorbeeld, gesproken over het douanekantoor van uitvoer.

Vanwege de overeenkomsten met de aangifte ten uitvoer wordt voor de toelichting op een aantal aspecten van de aangifte tot wederuitvoer verwezen naar de toelichting in het hoofdstuk Uitvoer (zie paragraaf 3.4.1).

Naar boven

3.2 Niet-Uniegoederen

Niet-Uniegoederen zijn alle goederen die geen Uniegoederen zijn of goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben verloren. ( Artikel 5 lid 24 DWU )

Uit de definitie van artikel 5 lid 24 DWU volgt dat niet-Uniegoederen zijn:

  1. goederen die in de wetgeving als zodanig zijn aangeduid; en

  2. goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben verloren.

Voor het begrip ‘Uniegoederen’ wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van het hoofdstuk Uitvoer.

Naar boven

3.2.1 I. Goederen die in de wetgeving zijn aangeduid als niet-Uniegoederen.

Artikel 119 GVo.DWU geeft aan dat de volgende goederen niet-Uniegoederen zijn:

  1. in het douanegebied van de Unie gebrachte goederen die onder douanetoezicht staan om hun douanestatus te bepalen;

  2. goederen in tijdelijke opslag;

  3. goederen die onder een van de bijzondere regelingen zijn geplaatst, met uitzondering van de regelingen intern douanevervoer, passieve veredeling en bijzondere bestemming;

  4. producten van de zeevisserij, gevangen door een EU-vissersvaartuig buiten het douanegebied van de Unie in andere wateren dan de territoriale wateren van een derde land, die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht zoals bepaald in artikel 129 GVo.DWU;

  5. goederen verkregen uit de onder d) bedoelde producten aan boord van dat vaartuig of een EU-fabrieksschip, bij de vervaardiging waarvan andere producten met de douanestatus van Uniegoederen mogen zijn gebruikt, die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht zoals bepaald in artikel 129 GVo.DWU;

  6. producten van de zeevisserij en andere producten, gewonnen of gevangen binnen het douanegebied van de Unie door schepen die de vlag van een derde land voeren.

Naar boven

3.2.2 II. Uniegoederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben verloren.

Ingevolge artikel 154 DWU verliezen Uniegoederen de status van Uniegoederen:

  1. als zij het douanegebied van de Unie verlaten, tenzij de voorschriften inzake intern douanevervoer van toepassing zijn;

  2. als zij onder de regeling extern douanevervoer, de regeling opslag of de regeling actieve veredeling zijn geplaatst;

  3. als zij onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst en vervolgens aan de staat worden afgestaan of worden vernietigd en er afval overblijft;

  4. als de aangifte voor het vrije verkeer na vrijgave van de goederen ongeldig wordt gemaakt.

Naar boven

3.3 Verlaten van het douanegebied van de Unie

‘Verlaten van het douanegebied van de Unie’ houdt in dat de grens van het douanegebied van de Unie wordt overschreden. Het maakt geen verschil of het douanegebied tijdelijk (kortstondig) of definitief wordt verlaten. Ook de wijze van vervoer (via zee, lucht, pijplijn, kabel, spoor of weg) doet er niet toe.

Aan het verlaten van het douanegebied van de Unie zijn formaliteiten verbonden. Een belangrijke eis is dat uiterlijk 150 dagen na de datum van vrijgave voor wederuitvoer moet zijn aangetoond dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Als het douanekantoor van uitvoer geen informatie over het uitgaan heeft ontvangen, kan dit kantoor de aangifte tot wederuitvoer ongeldig maken. In Nederland is dit proces geheel geautomatiseerd (in DSU / AGS) en wordt de aangifte tot wederuitvoer automatisch ongeldig gemaakt als na 150 dagen geen bevestiging van het uitgaan is ontvangen. (Artikel 248 lid 2 GVo.DWU)

Tijdelijke opslag kan worden beëindigd en de bijzondere regelingen opslag (douane-entrepot en vrije zone), tijdelijke invoer en actieve veredeling kunnen worden aangezuiverd als de niet-Uniegoederen die zich daaronder bevinden het douanegebied van de Unie verlaten. (Artikelen 149 en 215 lid 1 DWU)

Als niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie verlaten ter beëindiging van de tijdelijke opslag of ter zuivering van de bijzondere regelingen douane-entrepot, vrije zone, tijdelijke invoer of actieve veredeling moet een aangifte tot wederuitvoer worden gedaan. De bijzondere regelingen worden pas gezuiverd als de goederen het douanegebied hebben verlaten. (Artikelen 215 lid 1 en 270 lid 1 DWU, artikel 267 leden 1 en 5 UVo.DWU)

Voor de beëindiging van de tijdelijke opslag hoeft geen aangifte tot wederuitvoer te worden gedaan als de niet-Uniegoederen rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een ruimte voor tijdelijke opslag (RTO). (Artikel 270 lid 3 onder c DWU)

Voor de overige bepalingen en procedures met betrekking tot het uitgaan, wordt verwezen naar onderdeel 23.00.00 van dit Handboek.

Naar boven

3.3.1 Tijdelijk verlaten van het douanegebied van de Unie onder de regeling extern douanevervoer

Als niet-Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer worden vervoerd tussen twee plaatsen in de Unie kan het vervoer deels plaatsvinden over het grondgebied van een derde land (bijvoorbeeld Zwitserland). In dat geval verlaten de niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie en moet dan ingevolge artikel 270 lid 1 DWU bij het bevoegde douanekantoor een aangifte tot wederuitvoer wordt ingediend. Het tijdelijk verlaten van het douanegebied van de Unie onder de regeling extern douanevervoer is evenwel uitgezonderd van deze verplichting. (Artikel 270 lid 3 onder a DWU)

Let op!

De tekst van artikel 270 lid 3 onder a DWU is onduidelijk omdat deze spreekt over douanevervoer over het douanegebied van de Unie. Zie ook de Let op! in paragraaf 3.4.2.

Naar boven

3.4 De aangifte tot wederuitvoer

3.4.1 Inleiding

Als niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie verlaten, moet bij het bevoegde douanekantoor een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend. (Artikel 270 lid 1 DWU)

Artikel 270 lid 2 DWU bepaalt dat op deze aangifte de artikelen 158 tot en met 195 DWU van toepassing zijn. Dit brengt mee dat ook de in de GVo.DWU en de UVo.DWU opgenomen bepalingen die deze artikelen nader uitwerken op de aangifte tot wederuitvoer van toepassing zijn. Het betreft de artikelen 134 tot en met 154, 248 en 249 van de GVo.DWU en de artikelen 216 tot en met 247, 336, 337 en 338 van de UVo.DWU.

De algemene begrippen, formaliteiten en procedures voor het doen van een douaneaangifte zijn onverkort van toepassing op de aangifte tot wederuitvoer. Zie het Handboek Douane, onderdeel 12.00.00.

Let op!

Vanwege de overeenkomsten met de regeling uitvoer wordt in dit hoofdstuk in veel gevallen volstaan met een verwijzing naar de betreffende bepalingen in het hoofdstuk Uitvoer en worden alleen de voor wederuitvoer specifieke bepalingen uitvoeriger toegelicht.

Zoals bij 2.4.6.2. van dit handboekonderdeel is opgemerkt, is de voorwaarde dat de exporteur in de Unie gevestigd moet zijn, niet van toepassing in het geval van wederuitvoer van niet-Uniegoederen overeenkomstig artikel 270, lid 1 DWU.

Net als bij de regeling uitvoer is er bij wederuitvoer sprake van 3 fasen:

  1. Het indienen van de aangifte tot wederuitvoer bij het bevoegde douanekantoor (het bevoegde douanekantoor wordt aangeduid als douanekantoor van uitvoer). Dit kantoor controleert de aangifte en geeft, als er geen onregelmatigheden worden bevonden, de niet-Uniegoederen vrij voor wederuitvoer. Zie onderdeel 12.00.00 van dit Handboek;

  2. Het vervoer van de voor wederuitvoer vrijgegeven niet-Uniegoederen van het douanekantoor van uitvoer naar het voor de plaats van uitgang verantwoordelijke douanekantoor (het douanekantoor van uitgang) en het aldaar aanbrengen van de goederen. Het douanekantoor van uitgang verricht eventueel een overeenstemmingscontrole en geeft de niet-Uniegoederen vrij voor uitgaan;

  3. Het verlaten van het douanegebied van de Unie. Het douanekantoor van uitgang houdt toezicht op het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied en bevestigt het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer.

Zie voor de definitie van het douanekantoor van uitvoer artikel 1 lid 16 en GVo.DWU en voor de definitie van het douanekantoor van uitgang artikel 329 UVo.DWU.

In dit hoofdstuk wordt met name de eerste fase behandelt, het indienen van de aangifte tot wederuitvoer. De procedures en formaliteiten ná de vrijgave voor wederuitvoer worden toegelicht in onderdeel 23.00.00 van het Handboek.

Een strakke scheiding is echter niet mogelijk omdat het douanekantoor van uitvoer in veel gevallen tevens douanekantoor van uitgang is en dit kantoor dan zowel de werkzaamheden van het douanekantoor van uitvoer als van het douanekantoor van uitgang verricht. Bovendien vindt in alle fasen over en weer uitwisseling van informatie plaats tussen het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang. Dit is de reden dat sommige formaliteiten en procedures in beide handboekonderdelen behandeld worden.

Let op!

Het vrijgeven van de goederen voor wederuitvoer vormt het sluitstuk van de aangifteprocedure, maar de wederuitvoer wordt pas gerealiseerd als de niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Dat is tevens het moment waarop tijdelijke opslag en de bijzondere regelingen worden gezuiverd. (Artikel 215 lid 1 DWU, artikel 267 leden 1 en 5 UVo.DWU).

De wettelijke bepalingen hanteren als uitgangspunt dat de voor wederuitvoer aangegeven goederen onder geleide van de aangifte tot wederuitvoer naar het douanekantoor van uitgang worden vervoerd. Het is echter ook mogelijk om de voor wederuitvoer aangegeven en vrijgegeven goederen onder de regeling extern douanevervoer naar het douanekantoor van uitgang te vervoeren. In dat geval wordt de voorafgaande bijzondere regeling direct gezuiverd. Het douanekantoor van vertrek is dan tevens douanekantoor van uitgang. (Artikel 215 lid 1 DWU, artikel 329 lid 5 UVo.DWU)

De aangifte tot wederuitvoer vertoont op veel vlakken gelijkenis met de aangifte ten uitvoer. Omdat veel bepalingen die voor de aangifte ten uitvoer gelden ook gelden voor de aangifte tot wederuitvoer wordt voor een aantal onderwerpen verwezen naar de toelichting in het hoofdstuk Uitvoer. Het betreft de volgende onderwerpen:

  • het bevoegde douanekantoor voor het indienen van de aangifte tot wederuitvoer;

  • aangeven op zendingniveau;

  • de bijzondere verplichtingen die de aanvaarding van de aangifte tot wederuitvoer meebrengt;

  • de exporteur;

  • de aangever;

  • vertegenwoordiging;

  • de vormen waarin de aangifte tot wederuitvoer kan worden gedaan (m.u.v. ATA- en CPD-carnet);

  • de verzamelaangifte tot wederuitvoer;

  • de aangifteprocedure voor goederen waarvan tevoren de te laden hoeveelheid niet exact is vast te stellen;

  • aangifte tot wederuitvoer achteraf.

In dit hoofdstuk worden slechts de begrippen, formaliteiten en procedures toegelicht die specifiek zijn voor de aangifte tot wederuitvoer.

Naar boven

3.4.2 Uitzonderingen op de verplichting om een aangifte tot wederuitvoer in te dienen

In de volgende situaties hoeft voor niet-Uniegoederen die het douanegebied verlaten geen aangifte tot wederuitvoer te worden gedaan:

  1. niet-Uniegoederen die onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst en slechts over het douanegebied van de Unie worden vervoerd;

  2. niet-Uniegoederen die worden overgeladen in of rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een vrije zone;

  3. niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag die rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een ruimte voor tijdelijke opslag.

(Artikel 270 lid 3 DWU)

Let op!

De tekst van artikel 270 lid 3 onder a DWU is niet correct omdat deze een situatie beschrijft waarin geen sprake is van het verlaten van het douanegebied van de Unie en artikel 270 lid 1 DWU geen toepassing vindt.

De wetgever heeft met artikel 270 lid 3 onder a DWU beoogd om bij gebruik van de regeling extern douanevervoer waarbij een gedeelte van het traject via een derde land loopt - en waarbij de niet-Uniegoederen dus duidelijk het douanegebied van de Unie verlaten - geen verplichting te laten ontstaan om een aangifte tot wederuitvoer in te dienen. De strekking van de bepaling komt meer tot zijn recht als artikel 270 lid 3 onder a DWU als volgt wordt gelezen:

“a. niet-Uniegoederen die onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst en slechts over het douanegebied van een derde land worden vervoerd”.

De uitzonderingssituatie genoemd onder letter b. zal zich naar verwachting in Nederland niet voordoen omdat wordt voorzien dat binnen Nederland geen vrije zones gevestigd zullen worden.

De uitzonderingssituatie genoemd onder letter c. zal zich in Nederland veel kunnen voordoen, met name bij transshipment (zee in – zee uit en lucht in – lucht uit). De niet-Uniegoederen moeten:

  1. zich in tijdelijke opslag bevinden in een ruimte voor tijdelijke opslag (RTO); en

  2. rechtstreeks vanuit de RTO worden wederuitgevoerd.

De eerste voorwaarde spreekt voor zich en wordt niet nader toegelicht.

Er is sprake van rechtstreekse wederuitvoer als de niet-Uniegoederen vanuit de RTO rechtstreeks worden vervoerd naar en geladen in het vervoermiddel waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten. Dat er in die situatie sprake is van rechtstreekse wederuitvoer volgt mede uit de definitie van ‘aangifte tot wederuitvoer’. Artikel 5 lid 13 DWU geeft aan dat het voornemen om niet-Uniegoederen, die in tijdelijke opslag zijn, buiten het douanegebied van de Unie te brengen niet kenbaar hoeft te worden gemaakt met een aangifte tot wederuitvoer. Tijdens het overbrengen blijven de goederen onder het regime van tijdelijke opslag en blijft de houder van de RTO-vergunning verantwoordelijk totdat het uitgaan van de goederen is bevestigd. Bovendien moet de houder van de RTO-vergunning er zorg voor dragen dat ter zake van het verlaten van de Unie een aangifte vóór vertrek - in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan - wordt ingediend bij het douanekantoor van uitgang.

Als aan het einde van de termijn van tijdelijke opslag (90 dagen) niet kan worden aangetoond dat de niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, zijn de verplichtingen die zijn vastgesteld betreffende de tijdelijke opslag niet nageleefd en ontstaat er een douaneschuld bij invoer waarvoor de houder van de RTO-vergunning schuldenaar is.

(Artikel 79 lid 1 onder a en lid 3 onder a DWU)

Let op!

Als in RTO opgeslagen niet-Uniegoederen worden wederuitgevoerd maar er geen sprake is van rechtstreekse wederuitvoer moet een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend.

Voorbeeld 1

De houder van een RTO-vergunning met een RTO in Utrecht brengt niet-Uniegoederen vanuit zijn RTO rechtstreeks naar een afhandelaar op Schiphol die er voor zorgt dat de goederen worden geladen in het uitgaande luchtvaartuig. De houder van de RTO-vergunning in Utrecht hoeft geen aangifte tot wederuitvoer in te dienen, maar blijft wel verantwoordelijk voor de tijdige beëindiging van de tijdelijke opslag. Bovendien draagt hij zorg dat ter zake van het verlaten van de Unie een summiere aangifte bij uitgaan wordt ingediend (artikel 263 lid 1 en lid 3 onder c en artikel 271 lid 2 DWU). Zie voor de summiere aangifte bij uitgaan onderdeel 23.00.00 van het Handboek.

Let op!

Als de afhandelaar op Schiphol ook een RTO-vergunning heeft en de niet-Uniegoederen in zijn eigen RTO plaatst, is er geen sprake meer van rechtstreekse wederuitvoer door de houder van de RTO-vergunning in Utrecht maar van overbrenging tussen RTO. In dat geval is rechtstreekse wederuitvoer alleen nog mogelijk vanuit de RTO van de afhandelaar. De afhandelaar moet dan zorgen dat ter zake van het verlaten van de Unie een summiere aangifte bij uitgaan wordt ingediend maar de houder van de RTO-vergunning in Utrecht blijft verantwoordelijk voor de tijdige beëindiging van de tijdelijke opslag.

Voorbeeld 2

De houder van een RTO-vergunning in Barendrecht brengt niet-Uniegoederen vanuit zijn RTO rechtstreeks naar een containerterminal op de 2e Maasvlakte in Rotterdam. De terminalhouder zorgt dat de goederen vanaf het terminalterrein worden geladen in het uitgaande containerschip. De houder van de RTO-vergunning in Barendrecht hoeft geen aangifte tot wederuitvoer in te dienen, maar draagt wel zorg dat ter zake van het verlaten van de Unie een summiere aangifte bij uitgaan wordt ingediend (artikel 263 lid 1 en lid 3 onder c en artikel 271 lid 2 DWU). Omdat Barendrecht en Rotterdam 2e Maasvlakte binnen hetzelfde douanekantoor van uitgang zijn gelegen, hoeft de houder van de RTO-vergunning in Barendrecht, als het laden in het containerschip plaatsvindt binnen 14 dagen na aanvang van de tijdelijke opslag en ook aan de overige in artikel 245 lid 2 onder e GVo.DWU gestelde voorwaarden wordt voldaan, geen summiere aangifte bij uitgaan in te dienen. Hij kan volstaan met het indienen van een kennisgeving van wederuitvoer (artikel 274 lid 1 DWU). Zie voor de summiere aangifte bij uitgaan en de kennisgeving van wederuitvoer onderdeel 23.00.00 van het Handboek.

Let op!

Ook in dit voorbeeld geldt dat als de terminalhouder ook houder van een RTO-vergunning is en de goederen in zijn eigen RTO plaatst, er sprake is van overbrenging tussen RTO en dat de wederuitvoer plaatsvindt vanuit het RTO van de terminalhouder. De terminalhouder moet dan zorgen dat ter zake van het verlaten van de Unie een summiere aangifte bij uitgaan wordt ingediend maar de houder van de RTO-vergunning in Barendrecht blijft verantwoordelijk voor de tijdige beëindiging van de tijdelijke opslag.

Naar boven

3.4.3 Douanetoezicht

De definitie van douanetoezicht is opgenomen in artikel 5 lid 27 DWU.

Goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, zijn onderworpen aan douanetoezicht en blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen. Niet-Uniegoederen blijven onder douanetoezicht totdat zij een andere douanestatus krijgen of totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten of vernietigd zijn. (Artikel 134 lid 1 DWU)

Niet-Uniegoederen die aan de staat zijn afgestaan, in beslag zijn genomen of verbeurd zijn verklaard, worden geacht onder de regeling douane-entrepot te zijn geplaatst. Als zodanig blijven zij onderworpen aan douanetoezicht. (Artikel 198 lid 2 DWU)

Naar boven

3.4.4 Douanestatus

De definitie van douanestatus is opgenomen in artikel 5 lid 22 DWU.

De volgende goederen hebben de douanestatus van niet-Uniegoederen:

  1. in het douanegebied van de Unie gebrachte goederen die onder douanetoezicht staan om hun douanestatus te bepalen;

  2. goederen in tijdelijke opslag;

  3. goederen die onder een van de bijzondere regelingen zijn geplaatst, met uitzondering van de regelingen intern douanevervoer, passieve veredeling en bijzondere bestemming;

  4. producten van de zeevisserij, gevangen door een EU-vissersvaartuig buiten het douanegebied van de Unie in andere wateren dan de territoriale wateren van een derde land, die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht zoals bepaald in artikel 129 GVo.DWU;

  5. goederen verkregen uit de onder d) bedoelde producten aan boord van dat vaartuig of een EU-fabrieksschip, bij de vervaardiging waarvan andere producten met de douanestatus van Uniegoederen mogen zijn gebruikt, die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht zoals bepaald in artikel 129 GVo.DWU;

  6. producten van de zeevisserij en andere producten, gewonnen of gevangen binnen het douanegebied van de Unie door schepen die de vlag van een derde land voeren;

  7. goederen die onder de regeling extern douanevervoer, de regeling opslag of de regeling actieve veredeling zijn geplaatst;

  8. goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst en vervolgens aan de staat worden afgestaan of worden vernietigd en er afval overblijft;

  9. goederen waarvan de aangifte voor het vrije verkeer na vrijgave van de goederen ongeldig wordt gemaakt.

(Artikel 154 DWU, artikel 119 GVo.DWU)

Zie paragraaf 3.2 (Niet-Uniegoederen) van dit hoofdstuk voor een uitgebreid overzicht van de situaties waarin de douanestatus van niet-Uniegoederen ontstaat.

Naar boven
3.4.4.1 Verlies van de douanestatus van niet-Uniegoed

Als niet-Uniegoederen in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen zij de douanestatus van Uniegoederen. (Artikel 201 lid 3 DWU)

Naar boven

3.4.5 Aangifte tot wederuitvoer met ATA- of CPD-Carnet

Als niet-Uniegoederen tijdelijk in de Unie zijn ingevoerd met een ATA- of CPD-carnet om daarna, in ongewijzigde staat, weer uit te gaan, kan het ATA- of CPD-carnet worden gebruikt als aangifte tot wederuitvoer.

Voor de wijze waarop het ATA- en CPD-carnet moet worden behandeld, wordt verwezen naar onderdeel 18.00.00 van het Handboek Douane.

Als een ATA- of CDP-carnet als aangifte tot wederuitvoer wordt gebruikt, geldt er ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen (de veiligheidsgegevens te verstrekken). (Artikel 245 lid 1 onder h GVo.DWU)

Naar boven

3.5 De inhoud van de aangifte tot wederuitvoer

Standaard douaneaangiften moeten alle gegevens bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. (Artikel 162 DWU)

Dit geldt door de bepaling in artikel 270 lid 2 DWU ook voor de aangifte tot wederuitvoer.

De gegevens die in een aangifte tot wederuitvoer moeten worden vermeld, zijn opgenomen in kolom B1 van Titel I van bijlage B bij GVo.DWU.

In de normale procedure moeten in de aangifte tot wederuitvoer ook de veiligheidsgegevens worden vermeld. De veiligheidsgegevens worden in het DWU aangeduid als aangifte vóór vertrek. (Artikel 263 DWU)

Voor een uitgebreide toelichting op de aangifte vóór vertrek wordt verwezen naar onderdeel 23.00.00 van dit Handboek.

Let op!

Zie voor het vermelden van de gevraagde en voorafgaande regeling ook paragraaf 2.1.9. van onderdeel 12.00.00 van dit Handboek.

Naar boven

3.6 Vervoer van niet-Uniegoederen naar gebieden met een bijzonder fiscaal regime

De gebieden met een bijzonder fiscaal regime behoren tot het douanegebied van de Unie en hebben een bijzondere positie ten aanzien van de heffing en schorsing van omzetbelasting en accijnzen. Als niet-Uniegoederen naar een gebied met een bijzonder fiscaal regime worden overgebracht, verlaten zij dus niet het douanegebied van de Unie en is er géén sprake van wederuitvoer. Het vervoer kan plaatsvinden onder een regeling extern douanevervoer.

De gebieden met een bijzonder fiscaal regime zijn:

  • de berg Athos (alleen voor de BTW);

  • de Canarische Eilanden;

  • de Franse overzeese departementen:

  • de Ålandseilanden;

  • Campione d’Italia;

  • de Italiaanse wateren van het meer van Lugano.

Zie voor een meer uitgebreide toelichting op de gebieden met bijzonder fiscaal regime paragraaf 2.7 van het hoofdstuk Uitvoer.

Naar boven

3.7 Wederuitvoer naar Ceuta, Melilla, Helgoland, Büsingen, de Faeroër, Groenland, de Franse gebieden overzee en de Italiaanse gemeente Livigno

Ceuta en Melilla, Helgoland, Büsingen, de Faeroër, Groenland, de Franse gebieden overzee en de Italiaanse gemeente Livigno behoren weliswaar tot het grondgebied van de lidstaten Spanje, Duitsland, Denemarken, Frankrijk of Italië maar maken géén deel uit van het douanegebied van de Unie. (Artikel 4 lid 1 DWU)

Als niet-Uniegoederen naar een van deze gebieden worden overgebracht, verlaten zij het douanegebied van de Unie en is er sprake van wederuitvoer. Er moet een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend.

Let op!

In het Uniegebied bevinden zich een aantal kleine zelfstandige stadstaatjes. Bekend zijn de republiek San Marino, Vaticaanstad, Andorra en Monaco. Ook deze gebieden maken geen deel uit van het douanegebied van de Unie. Uitzondering vormt Monaco, want het grondgebied van Monaco wordt beschouwd deel uit te maken van het douanegebied van de Unie (net als het grondgebied van Akrotiri en Dhekelia op Cyprus). (Artikel 4 lid 2 DWU)

Als niet-Uniegoederen naar genoemde gebieden (met uitzondering van Monaco, Akrotiri en Dhekelia) worden vervoerd, verlaten zij het douanegebied van de Unie en moet een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend. De bepalingen betreffende het plaatsen van goederen onder een douaneregeling zijn van toepassing. (Artikel 270 leden 1 en 2 DWU)

Naar boven

3.8 Wederuitvoer van accijnsgoederen

Voor de wederuitvoer van accijnsgoederen gelden dezelfde regels als voor de wederuitvoer van ‘gewone’ niet-Uniegoederen. Voor accijnsgoederen gelden vanuit de accijnswetgeving wel aanvullende formaliteiten.

Naar boven

3.9 Wederuitvoer van door reizigers meegevoerde bagage

Een buiten het douanegebied van de Unie wonende reiziger heeft bij binnenkomst in de Unie zijn bagage door enige handeling aangegeven voor tijdelijke invoer. Als de reiziger het douanegebied van de Unie gaat verlaten, wordt de tijdelijke invoer van zijn bagage beëindigd door een aangifte tot wederuitvoer. Deze aangifte kan door enige andere handeling worden gedaan. (Artikel 139 DWU)

Naar boven

3.10 Vervoer van ten wederuitvoer aangegeven niet-Uniegoederen

Niet-Uniegoederen waarvoor een aangifte tot wederuitvoer is ingediend, moeten nadat zij voor wederuitvoer zijn vrijgegeven naar het douanekantoor van uitgang worden vervoerd en daar worden aangebracht. Het vervoer van het douanekantoor van uitvoer naar het douanekantoor van uitgang vindt in beginsel plaats onder geleide van de aangifte tot wederuitvoer (het uitvoer-geleide-document (ugd)).

Het is ook mogelijk om het vervoer te laten plaatsvinden onder de regeling extern douanevervoer. In dat geval wordt de tijdelijke opslag beëindigd of de bijzondere regeling (opslag of actieve veredeling) gezuiverd door de vervoersaangifte voor extern douanevervoer. (Artikelen 149, 215 en 226 lid 1 DWU)

Als niet-Uniegoederen na vrijgave voor wederuitvoer onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst, is het douanekantoor van vertrek van de regeling douanevervoer tevens het douanekantoor van uitgang. Het douanekantoor van vertrek moet uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de niet-Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst het uitgaan bevestigen aan het douanekantoor van uitvoer. Zie ook onderdeel 23.00.00 (Artikel 329 lid 5 en artikel 333 lid 3 onder b UVo.DWU)

Let op!

Voor niet-Unieaccijnsgoederen onder schorsing van accijns geldt een afwijkende regel.

Als genoemde goederen, nadat zij zijn vrijgegeven voor wederuitvoer, onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst, is het douanekantoor dat bevoegd is over de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten (en dus niet het douanekantoor van vertrek) het douanekantoor van uitgang. (Artikel 329 leden 1, 5 en 8 UVo.DWU)

Naar boven