Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

23.00.00 Uitgaan

2 Verlaten van het douanegebied van de Unie

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de algemene bepalingen bij uitgaan nader toegelicht.

De belangrijkste onderwerpen die aan de orde komen zijn:

  • de fictie van uitgaan;

  • de aangifte vóór vertrek;

  • de kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU);

  • het douanetoezicht en de douanecontroles bij uitgaan;

  • het douanekantoor van uitgang;

  • uitgaan in gedeelten;

  • afzien van uitgaan;

  • de aangifte ten uitklaring.

Naar boven

2.2 ‘Fictie van uitgaan’ en ‘fictief uitgaan’

2.2.1 ‘Fictie van uitgaan’

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De Algemene douanewet (Adw) bepaalt in artikel 5:1 dat goederen die zich in een bepaalde situatie bevinden, worden aangemerkt als goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten.Deze ‘fictie van uitgaan’ geldt voor:

  1. Goederen die zijn geladen in schepen die op weg zijn naar zee of aanstonds naar zee vertrekken en goederen die op het punt staan om in die schepen te worden geladen.

  2. Goederen die zijn geladen in luchtvaartuigen die aanstonds gaan opstijgen en goederen die op het punt staan om in die luchtvaartuigen te worden geladen.

Let op!

De fictie van uitgaan geldt voor de uitgaande goederen en niet voor het actieve vervoermiddel (schip en luchtvaartuig) zelf.

Door de fictie van uitgaan gelden voor de betreffende goederen de verplichtingen bij het verlaten van het douanegebied van de Unie. Aan beide leden van artikel 5:1 Adw is het zinsdeel ”tenzij blijkt dat de goederen bestemd zijn voor een plaats in het douanegebied van de Unie en het vervoer zal geschieden zonder dat het schip/luchtvaartuig het douanegebied van de Unie uitgaat” toegevoegd. Dit is gedaan omdat het niet de bedoeling is dat al deze formaliteiten ook worden verricht voor goederen waarvoor geen intentie bestaat om ze te laten uitgaan.

Voorbeeld 1

Voor goederen die in een binnenlandse supermarkt zijn gekocht en die aan boord van een Nederlands pleziervaartuig, over zee van de ene naar de andere Nederlandse haven worden vervoerd, bestaat geen intentie om ze te laten uitgaan in de zin van de douanewetgeving. Voor het vervoer van deze goederen hoeven geen douaneformaliteiten bij uitgaan (zoals aanbrengen en uitklaren) te worden verricht.

Voorbeeld 2

Voor een partij hout (Uniegoederen) die over zee van Rotterdam naar Amsterdam wordt vervoerd en waarvoor geen intentie bestaat om deze te laten uitgaan, hoeven geen douaneformaliteiten bij uitgaan (zoals aanbrengen en uitklaren) te worden verricht. (Artikel 6:4 Algemene douaneregeling)

Voorbeeld 3

Voor een in Nijmegen aan boord van een coaster geladen partij schroot met bestemming het Verenigd Koninkrijk bestaat wel de intentie om deze te laten uitgaan. In Nijmegen en in de haven van Rotterdam via welke het schroot de Unie zal verlaten, moeten douaneformaliteiten worden vervuld. Zie in dit kader ook de doorvaardersprocedure in paragraaf '2.6.12 Uitgaande doorvaarders' van dit onderdeel.

Naar boven

2.2.2 ‘Fictief uitgaan’

Wederuitvoer en uitvoer gevolgd door vervoer (fictief uitgaan)

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Goederen waarvoor bij de Douane een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer is ingediend kunnen onder dekking van deze aangifte naar een douanekantoor van uitgang (zeehaven/luchthaven) worden overgebracht om aldaar het douanegebied van Unie te verlaten. Een aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer kan, met het oog op het verlaten van het douanegebied van de Unie, echter ook worden opgevolgd door een aangifte voor douanevervoer (NCTS/TIR/CIM) of een Single Transport Document (STD).

Opgemerkt wordt dat niet-Uniegoederen (wederuitvoer) uitsluitend onder de regeling extern douanevervoer kunnen worden geplaatst en dat Uniegoederen (uitvoer) in beginsel alleen onder de regeling intern douanevervoer kunnen worden geplaatst. Slechts in een gelimiteerd aantal gevallen mogen Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst.

Zie voor de beschrijving van in- extern douanevervoer paragraaf 2.3. van onderdeel 14.00.00 van dit Handboek.

Voorbeelden van uitvoer/wederuitvoer gevolgd door douanevervoer:

  • Een ten uitvoer aangegeven zending wordt naar een EVA-land vervoerd of via een EVA-land naar het douanekantoor van uitgang vervoerd (Gemeenschappelijk douanevervoer T2).

  • In een douane-entrepot opgeslagen niet-Uniegoederen worden wederuitgevoerd. Het vervoer naar het douanekantoor van uitgang vindt plaats onder de regeling extern douanevervoer. De aangifte tot wederuitvoer wordt gevolgd door een aangifte voor extern douanevervoer (altijd de regeling extern (T1) douanevervoer toepassen).

In bovenstaande situaties wordt op de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer de 'fictie van uitgaan' toegepast. Deze houdt in dat de Douane het verlaten van het douanegebied van de Unie bevestigt op het moment dat de aangifte voor douanevervoer geldig wordt gemaakt of het STD toepassing vindt; dus al vóórdat de zending het douanegebied van de Unie daadwerkelijk heeft verlaten. Het toezicht en de controle op het daadwerkelijk uitgaan wordt overgenomen door de aangifte voor douanevervoer of het STD.

De koppeling NCTS-AES (Automated Export System) zorgt er voor dat de aangever een bevestiging van uitgaan krijgt voor zendingen die uitgaan met een vervoersaangifte (aangifte T of carnet TIR).

Voor CIM en STD gelden afzonderlijke procedures.

Gaan de goederen uit met een aangifte T of carnet TIR, let dan op het volgende:

Naar boven

2.2.3 Fictie van uitgaan (koppeling NCTS-AES)

Voorwaarden voor de juiste werking van de koppeling NCTS-AES bij fictief uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De voorwaarden voor een juiste werking van de koppeling NCTS-AES (Automated Export System) zijn:

  1. De aankomst (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) moet op tijd zijn gemeld:

    1. automatische aankomstmelding AGS of DMS (Douaneaangiften Management Systeem), of

    2. aankomstmelding door een handeling als Trader at Exit,

  2. In uitzonderingssituaties: De aankomst moet op tijd zijn gemeld door de Douane (bijvoorbeeld uitvoer gevolgd door een aangifte voor douanevervoer met een TIR-carnet)

  3. In NCTS moet in vak 40 (Summiere aangifte/voorafgaand document) het MRN (master reference number) van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer zijn ingevuld: Type documentnummer Aanvullende informatie

Is één van de twee handelingen niet gedaan? Dan krijgt de aangever geen bevestiging van uitgaan omdat het proces onvolledig is. Bij correcte verwerking krijgt de indiener van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer de bevestiging. De aangever van de opvolgende vervoersaangifte krijgt hiervan géén bericht.

Automatische aankomstmelding vanuit AGS of DMS

Wordt een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer direct opgevolgd door een aangifte voor douanevervoer? Dan kan AGS of DMS (Douaneaangiften Management Systeem) een automatische aankomstmelding genereren, direct na de toestemming tot vertrek. Om de goederen onder de regeling douanevervoer te plaatsen, moet een aangifte voor douanevervoer worden gedaan. Om die aangifte te kunnen aanvaarden, moeten de goederen zijn aangebracht (artikel 172 DWU). Het 'aanbrengbericht' zit a.h.w. in die aangifte voor douanevervoer (plaats van de goederen, zie de definitie van 'aanbrengen' in artikel 5 punt 33 DWU). Het aanvaarden van de aangifte voor douanevervoer houdt in dat de goederen zijn aangebracht bij het douanekantoor van vertrek en dat douanekantoor is ingevolge artikel 329 leden 5 en 6 UVo.DWU ook het douanekantoor van uitgang. De goederen zijn dus al aangebracht bij het douanekantoor van uitgang. Een separate aankomstmelding zou dan dubbelop zijn. Om deze reden wordt geen aankomstmelding van de Trader at Exit (TaE) geëist.

Hiervoor gelden twee voorwaarden:

  1. Het douanekantoor van uitvoer (het aangiftepunt waar de uitvoeraangifte wordt ingediend) en het voorziene douanekantoor van uitgang (vak 29 ED) moeten gelijk zijn of het douanekantoor van uitgang moet gekoppeld zijn aan het douanekantoor van uitvoer.

  2. De binnenlandse vervoerwijze (vak 26 ED) moet leeg worden gelaten. Dit zorgt er voor dat een automatische aankomstmelding wordt gegenereerd vanuit AGS/DMS. De aankomstmelding wordt geregistreerd in BUP Uitgaan (Binnenbrengen, Uitgaan, Proviandering – applicatie voor raadplegen, signaleringen, registreren aankomsten. Het voert de geautomatiseerde verwerking van het proces uitgaan uit).

Aankomstmelding door Trader at Exit

Wordt een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer niet direct opgevolgd door een aangifte voor douanevervoer? Dan genereert AGS of DMS geen automatische aankomstmelding. De Trader at Exit (TaE) kan in dit geval de aankomstmelding doen. Naast de aankomstgegevens kan hij ook eventuele verschillen aanleveren.

De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer kan alleen worden vervangen door een aangifte voor douanevervoer als de aankomst elektronisch is gemeld in AES.

De voorwaarden om deze aankomstmelding te kunnen indienen zijn:

  1. De aangever moet een Registratie elektronisch berichtenverkeer (uitgaan) (TaE) hebben.

  2. De software van de aangever moet geschikt zijn om de AES-aankomstmelding elektronisch te kunnen doen.

  3. De aanbrenglocatie (postcode) moet een toegelaten locatie van uitgaan zijn. Deze locaties moeten zijn opgenomen in de AES-tabel Z01.


    In de AES-tabel Z01 staan de aanbrenglocaties zoals deze gebruikt kunnen worden in de (elektronische) aankomstmelding voor het proces uitgaan (ECS). Bij de verwerking van de aankomstmelding wordt gecontroleerd of de opgegeven (post)code voorkomt in de ECS-tabel Z01. Daarnaast wordt gecontroleerd of er buiten de postcode een huisnummer is opgegeven. Deze locatiegegevens worden meegegeven in een eventuele controle-opdracht voor PLATO (plannen en toedelen) zodat de douane weet waar de goederen zich bevinden en waar de controle kan worden uitgevoerd. Bij het opvoeren van nieuwe aanbrenglocaties is het uitgangspunt dat de Douane daar toezicht kan houden.

Let op!

Deze postcodetabel is een andere dan de tabel van toegelaten locatie van de Vergunning toegelaten afzender.

In NCTS moet in vak 40 (Summiere aangifte/voorafgaand document) het MRN van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer zijn ingevuld.

De aangever moet het MRN (master reference number) van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer (en zoals afgedrukt op het uitvoergeleidedocument) vermelden in vak 40 van de aangifte voor douanevervoer. Vak 40 heeft drie deelvelden. Deze velden moeten (exact) als volgt ingevuld worden:

  • deelveld 1 (Type): het type: bij uitvoer: Z-EU, Z-CO of bij wederuitvoer Z-EX 

  • deelveld 2 (Documentnummer): het master reference number (MRN) van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer

  • deelveld 3 (Aanvullende informatie): het relevante artikelnummer van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer

Naar boven

2.3 Aangifte vóór vertrek

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Ontwikkelingen in de wereld, zoals de toegenomen dreiging van terroristische aanslagen etc. geven aanleiding om bij grensoverschrijdend verkeer meer nadruk te leggen op veiligheid. Eén van de maatregelen daartoe is dat goederen die het douanegebied van de Unie gaan verlaten, ook als dat tijdelijk is, een risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden moet worden verricht. De daarvoor benodigde ‘veiligheidsgegevens’ moeten worden verstrekt met een aangifte vóór vertrek. ( Artikel 263 leden 1 en 4 DWU )

De aangifte vóór vertrek kan worden gedaan in de vorm van:

  1. een douaneaangifte,

  2. een aangifte tot wederuitvoer of

  3. een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) .

Als voor goederen die het douanegebied van de Unie gaan verlaten een douaneaangifte (bijvoorbeeld een aangifte ten uitvoer) of een aangifte tot wederuitvoer moet worden ingediend, moet die aangifte ook de ‘veiligheidsgegevens’ bevatten. In dat geval is de douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer ook de aangifte vóór vertrek. De aangifte vóór vertrek gebeurt dan dus in de vorm van een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer. De wettelijke bepalingen bevatten geen lijst van gegevens voor de aangifte vóór vertrek.

Als voor goederen die het douanegebied van de Unie gaan verlaten géén douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden ingediend (bijvoorbeeld omdat daarvoor ontheffing geldt), moet de aangifte vóór vertrek gebeuren in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden).

In de paragrafen ‘2.3.1. De in de aangifte vóór vertrek te verstrekken ‘veiligheidsgegevens’ tot en met 2.3.8. ‘Ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen’ van dit onderdeel wordt nader ingegaan op:

  • de in de aangifte vóór vertrek te verstrekken ‘veiligheidsgegevens’;

  • de vormen waarin een aangifte vóór vertrek kan gebeuren;

  • de termijn voor indiening van de aangifte vóór vertrek;

  • de plaats waar de aangifte vóór vertrek moet worden ingediend;

  • de persoon die de aangifte vóór vertrek moet indienen;

  • het wijzigen van de aangifte vóór vertrek;

  • de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden;

  • de ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen.

In bijlage 1 van dit onderdeel wordt aan de hand van voorbeeldsituaties aangegeven in welke vorm de aangifte vóór vertrek moet worden gedaan.

Naar boven

2.3.1 De in de aangifte vóór vertrek te verstrekken ‘veiligheidsgegevens’

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De wettelijke bepalingen bevatten geen lijst van gegevens voor de aangifte vóór vertrek. Voor aangiften gelden vastgestelde gemeenschappelijke gegevensvereisten schrijven de artikelen 6 lid 2 DWU, 2 lid 2 en Bijlage B van de GVo.DWU voor. In de GVo.DWU, Bijlage B, Titel I, Hoofdstuk 3, Deel 1 Tabel met gegevensvereisten - uitgaan, kolom A1 Summiere aangifte bij uitgaan zijn de gegevens opgenomen die in de summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) moeten worden vermeld. Omdat een groot aantal van die gegevens ook al verplichte aangiftegegevens zijn in een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer hoeven deze aangiften slechts met de volgende 5 ‘veiligheidsgegevens’ te worden aangevuld om te dienen als aangifte vóór vertrek:

  • de code(s) van het (de) land(en) dat (die) die deel uitmaakt (uitmaken) van het vervoerstraject;

  • de VN-code gevaarlijke goederen;

  • het verzegelingsnummer dat eventueel aan het hulpmiddel bij vervoer is aangebracht;

  • de code betalingswijze vervoerskosten;

  • de indicator andere bijzondere omstandigheid.

De vervoerskosten hoeven alleen te worden verstrekt voor zover deze beschikbaar is en de indicator andere bijzondere omstandigheid hoeft alleen te worden verstrekt als de indiener beroep wil doen op een andere bijzondere omstandigheid dan genoemd in de GVo.DWU, Bijlage B, Titel I, Hoofdstuk 3, Deel 1 Tabel met gegevensvereisten - uitgaan, kolom A1 Summiere aangifte bij uitgaan of als dit gegeven ondubbelzinnig kan worden afgeleid uit andere vermelde gegevens.

Als voor goederen die uitgaan geen douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden gedaan (zie onderdeel 20.00.00 van dit Handboek), moet de aangifte vóór vertrek worden gedaan in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan. Deze moet alle in de GVo.DWU, Bijlage B, Titel I, Hoofdstuk 3, Deel 1 Tabel met gegevensvereisten - uitgaan, kolom A1 Summiere aangifte bij uitgaan genoemde gegevens bevatten die nodig zijn voor een risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden (zie paragraaf 2.3.7. van dit hoofdstuk).

Voor de omschrijving van de goederen in de summiere aangifte bij uitgaan heeft de Commissie een lijst van algemeen aanvaardbare goederenomschrijvingen opgesteld. Deze lijst is te vinden op douane.nl. Het vermelden van een niet aanvaardbare goederenomschrijving is niet aanvaardingsverhinderend maar wel risicoverhogend.

Wanneer de CUS-code (Commerce Undergraduate Society, referentienummer van de Europese douanelijst van chemische stoffen) voor chemische stoffen en preparaten is verstrekt, wordt afgezien van de eis een voldoende nauwkeurige omschrijving van de goederen te verstrekken.

Als de aangifte vóór vertrek wordt gedaan in de vorm van een aangifte voor douanevervoer (begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid TSAD) moeten daarin de gegevens worden opgenomen die zijn opgesomd in de GVo.DWU, Bijlage B, Titel I, Hoofdstuk 3, Deel 3 Tabel met gegevensvereisten - douanevervoer, kolom D1 Bijzondere regeling — Aangifte voor douanevervoer.

Let op!

De gegevens in de tweede opsomming zijn niet alleen ‘veiligheidsgegevens’ maar ook verplichte aangiftegegevens. Deze gegevens moeten dus altijd worden vermeld in een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer, ook als er ontheffing geldt van de verplichting om een aangifte vóór vertrek te doen. Zie paragraaf ‘2.3.8. Ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen’ van dit onderdeel voor de gevallen waarin ontheffing geldt van de verplichting om een aangifte vóór vertrek te doen.

Naar boven

2.3.2 Vormen van de aangifte vóór vertrek

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Artikel 263 lid 3 DWU noemt 3 vormen waarin de aangifte vóór vertrek kan gebeuren, namelijk:

  • een douaneaangifte;

  • een aangifte tot wederuitvoer;

  • een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD- bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden).

Door de veiligheidsgegevens op te nemen in de douaneaangifte, de aangifte tot wederuitvoer of de summiere aangifte bij uitgaan zijn deze aangiften ook de aangifte vóór vertrek.

Naar boven
2.3.2.1 Aangifte vóór vertrek in de vorm van een douaneaangifte

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Voor Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, moet in beginsel een douaneaangifte worden gedaan. Het kan hierbij gaan om een aangifte tot plaatsing onder één van de volgende regelingen:

  1. De regeling uitvoer. Zie voor de bepalingen bij plaatsing van goederen onder de douaneregeling uitvoer onderdeel 20.00.00 van dit Handboek.
    (Artikelen 158 lid 1 en 269 lid 1 DWU)

  2. De regeling passieve veredeling.(Artikelen 158 lid 1 en 259 lid 1 DWU)

  3. De regeling intern douanevervoer. (Artikelen 158 lid 1 en 227 DWU)

Artikel 263 lid 3 DWU bepaalt dat in die aangifte ook de aangifte vóór vertrek moet gebeuren, met andere woorden: in die aangifte moeten ook de veiligheidsgegevens worden vermeld.

De GVo.DWU, Bijlage B, Titel I, Hoofdstuk 3, Deel 1 Tabel met gegevensvereisten - uitgaan, kolom A1 Summiere aangifte bij uitgaan bevat een opsomming van de gegevens die in de summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) vermeld moeten worden. Als de aangifte vóór vertrek gebeurt in de vorm van een douaneaangifte, moet deze aangifte ook de gegevens bevatten die gelden voor een ‘Summiere aangifte bij uitgaan’. Het Nederlandse aangiftesysteem (AGS of DMS - Douaneaangiften Management Systeem) is zo ingericht dat in de aangiften tot plaatsing onder de regelingen uitvoer en passieve veredeling de veiligheidsgegevens moeten worden verstrekt. De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot plaatsing onder de regeling passieve veredeling is ook de aangifte vóór vertrek.

Let op!

Voor bepaalde goederen geldt geen verplichting om de aangifte elektronisch te doen en mag de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer mondeling worden gedaan of door een handeling die wordt geacht een douaneaangifte te vormen. Dit geldt bijvoorbeeld voor elektriciteit, brieven en persoonlijke bagage van reizigers. In die gevallen geldt ontheffing van de verplichting tot het indienen van een aangifte vóór vertrek (in welke vorm dan ook).

( Artikelen 137, 139 lid 2, 140, 141 en 245 GVo.DWU )

Reizigers kunnen voor de door hen vervoerde goederen een schriftelijke aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer indienen. Deze schriftelijke aangifte moet wel de veiligheidsgegevens bevatten omdat artikel 245 GVo.DWU voor deze goederen geen ontheffing van de verplichting tot het indienen van een aangifte vóór vertrek bevat.

( Artikelen 143 en 245 GVo.DWU )

Intern douanevervoer doet zich voor bij het overbrengen van Uniegoederen tussen 2 plaatsen in de Unie waarbij een deel van het vervoerstraject over het grondgebied van een derde land loopt. Hierbij kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  1. Het derde land maakt geen deel uit van het veiligheidsgebied van de Unie en neemt niet deel aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer;

  2. Het derde land maakt geen deel uit van het veiligheidsgebied van de Unie, maar is wel deelnemer aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer;

  3. Het derde land maakt deel uit van het veiligheidsgebied van de Unie en neemt deel aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer.

Situatie A

Voor deze situatie geldt dat ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie een aangifte vóór vertrek moet worden gedaan omdat het derde land geen deel uitmaakt van het veiligheidsgebied van de Unie. De aangever moet de veiligheidsgegevens in de aangifte voor intern douanevervoer vermelden. De aangifte vóór vertrek wordt dan gedaan in de vorm van de aangifte voor intern douanevervoer. Omdat het derde land niet deelneemt aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer kan het intern douanevervoer niet plaatsvinden onder de regeling intern Uniedouanevervoer en is vervoer alleen mogelijk overeenkomstig de TIR-overeenkomst, onder de ATA-overeenkomst (bijvoorbeeld als het beroepsuitrusting betreft), onder geleide van het formulier 302 (als het militair materieel betreft ) of onder het poststelsel (als het goederen betreft die onder het poststelsel kunnen worden vervoerd). Voor de bepalingen en vereenvoudigingen voor het vervoer overeenkomstig de TIR-overeenkomst, onder de ATA-overeenkomst, onder geleide van het formulier 302 of onder het poststelsel wordt verwezen naar de specifieke onderdelen van dit Handboek.

(Artikel 227 lid 2 onder b, c, e en f DWU, artikelen 272 - 290 UVo.DWU)

Voorbeeld

Een partij Uniegoederen wordt overgebracht van Roemenië naar Letland via Oekraïne en Wit-Rusland.

Er is sprake van vervoer van Uniegoederen tussen 2 plaatsen in de Unie (Roemenië en Letland) waarbij een gedeelte van het vervoer plaatsvindt over landen of gebieden die niet tot de Unie behoren (Oekraïne en Wit-Rusland). Het vervoer moet plaatsvinden onder de regeling intern douanevervoer (artikel 227 lid 1 DWU).

Onder de regeling intern douanevervoer geplaatste Uniegoederen hoeven als zij het douanegebied van de Unie verlaten niet onder de regeling uitvoer te worden geplaatst (artikel 269 lid 2 onder d DWU). In Roemenië hoeft dus geen aangifte ten uitvoer te worden gedaan.

Omdat Oekraïne en Wit-Rusland niet tot het veiligheidsgebied van de Unie behoren, moet ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie in Roemenië een aangifte vóór vertrek worden gedaan. Deze moet gebeuren in de vorm van de aangifte voor intern douanevervoer (artikel 263 lid 1 en lid 3 onder a DWU).

Omdat Oekraïne en Wit-Rusland niet deelnemen aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer moet het intern douanevervoer plaatsvinden overeenkomstig de TIR-overeenkomst (artikel 227 lid 2 onder b DWU).

Door de regeling intern douanevervoer behouden de goederen de douanestatus van Uniegoederen.

(Artikelen 227 lid 1 en lid 2 onder b, 269 lid 2 onder d en 263 leden 1 en 3 DWU, artikel 293 UVo.DWU)

Situatie B

Voor deze situatie geldt - net als bij situatie A - dat ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie een aangifte vóór vertrek moet worden gedaan in de vorm van de aangifte voor intern douanevervoer. Omdat het derde land deelneemt aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer vindt het intern douanevervoer plaats overeenkomstig de regeling intern Uniedouanevervoer. Het begeleidingsdocument voor douanevervoer/veiligheid (TSAD) bevat de veiligheidsgegevens die zijn opgenomen in de GVo.DWU, Bijlage B-02, Begeleidingsdocument douanevervoer. Voor de bepalingen en vereenvoudigingen voor het vervoer onder de regeling intern Uniedouanevervoer wordt verwezen naar het onderdeel Douanevervoer in het Handboek Douane.

(Artikel 227 lid 2 onder a DWU, artikelen 291 - 321 UVo.DWU)

Voorbeeld

Uniegoederen worden vervoerd van Bulgarije naar Griekenland, via Macedonië.

Er is sprake van vervoer van Uniegoederen tussen 2 plaatsen in de Unie (Bulgarije en Griekenland) waarbij een gedeelte van het vervoer plaatsvindt over een land dat niet tot de Unie behoort (Macedonië). Het vervoer moet plaatsvinden onder de regeling intern douanevervoer (artikel 227 lid 1 DWU).

Onder de regeling intern douanevervoer geplaatste Uniegoederen hoeven als zij het douanegebied van de Unie verlaten niet onder de regeling uitvoer te worden geplaatst (artikel 269 lid 2 onder d DWU). In Bulgarije hoeft geen aangifte ten uitvoer te worden gedaan.

Omdat Macedonië niet tot het veiligheidsgebied van de Unie behoort, moet ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie in Bulgarije een aangifte vóór vertrek worden gedaan. Deze moet gebeuren in de vorm van de aangifte voor intern douanevervoer (artikel 263 lid 1 en lid 3 onder a DWU).

Omdat Macedonië deelneemt aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer moet het intern douanevervoer plaatsvinden onder de regeling intern Uniedouanevervoer (artikel 227 lid 2 onder a DWU).

Het vervoer vindt plaats onder geleide van een begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid (TSAD).

Door de regeling intern douanevervoer behouden de goederen de douanestatus van Uniegoederen.

(Artikelen 227 lid 1 en lid 2 onder a, 269 lid 2 onder d en 263 leden 1 en 3 DWU, artikel 293 UVo.DWU)

Situatie C

Voor deze situatie geldt dat ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie geen aangifte vóór vertrek hoeft te worden gedaan omdat het derde land deel uitmaakt van het veiligheidsgebied van de Unie. Omdat het derde land deelneemt aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer vindt het intern douanevervoer plaats overeenkomstig de regeling intern Uniedouanevervoer. Een begeleidingsdocument voor douanevervoer (TAD) volstaat. Voor de bepalingen en vereenvoudigingen voor het vervoer onder de regeling intern Uniedouanevervoer wordt verwezen naar het onderdeel Douanevervoer in het Handboek Douane.

(Artikel 227 lid 2 onder a DWU, artikelen 291 - 321 UVo.DWU)

Voorbeeld

Een in Geldermalsen gevestigde ondernemer verkoopt goederen aan een klant in Milaan. Het vervoer naar Milaan vindt plaats via Zwitserland.

Er is sprake van vervoer van Uniegoederen tussen 2 plaatsen in de Unie (Nederland en Italië) waarbij een gedeelte van het vervoer plaatsvindt over een land dat niet tot de Unie behoort (Zwitserland). Het vervoer moet plaatsvinden onder de regeling intern douanevervoer (artikel 227 lid 1 DWU).

Onder de regeling intern douanevervoer geplaatste Uniegoederen hoeven als zij het douanegebied van de Unie verlaten niet onder de regeling uitvoer te worden geplaatst (artikel 269 lid 2 onder d DWU). In Nederland hoeft geen aangifte ten uitvoer te worden gedaan.

Omdat Zwitserland tot het veiligheidsgebied van de Unie behoort, hoeft ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie geen aangifte vóór vertrek te worden gedaan.

Omdat Zwitserland deelneemt aan de regeling gemeenschappelijk douanevervoer moet het intern douanevervoer plaatsvinden onder de regeling intern Uniedouanevervoer (artikel 227 lid 2 onder a DWU).

De aangifte voor intern Uniedouanevervoer hoeft niet de veiligheidsgegevens te bevatten. Het vervoer kan plaatsvinden onder geleide van een begeleidingsdocument douanevervoer (TAD).

Door de regeling intern douanevervoer behouden de goederen de douanestatus van Uniegoederen.

(Artikelen 227 lid 1 en lid 2 onder a, 269 lid 2 onder d en 263 leden 1 en 3 DWU, artikel 293 UVo.DWU)

Let op!

Noorwegen, Zwitserland (inclusief Liechtenstein) en Andorra maken geen deel uit van de Unie, maar behoren wel tot het zogenoemde veiligheidsgebied van de Unie.

Gaan de goederen naar een van deze landen? Dan zijn geen veiligheidsgegevens vereist in de aangifte ten uitvoer. Gaan de goederen via één van deze landen naar een land dat niet behoort tot het veiligheidsgebied van de Unie? Dan moeten de veiligheidsgegevens wel zijn vermeld in de aangifte ten uitvoer.

IJsland behoort wel tot de EVA-landen maar niet tot het veiligheidsgebied van de Unie. Voor Uniegoederen die naar IJsland worden uitgevoerd, moet dus een aangifte ten uitvoer mét veiligheidsgegevens worden gedaan.

Naar boven
2.3.2.1.1 Ontheffing van de verplichting om een douaneaangifte in te dienen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
In artikel 269 lid 2 DWU wordt een aantal situaties opgesomd waarin geen aangifte ten uitvoer hoeft te worden gedaan als Uniegoederen het douanegebied van de Unie verlaten. De veiligheidsgegevens moeten dan worden verstrekt in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan. Zie paragraaf ‘2.3.2.3 Aangifte vóór vertrek in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan’ van dit onderdeel.

Naar boven
2.3.2.2 Aangifte vóór vertrek in de vorm van een aangifte tot wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Voor niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, moet in beginsel een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend. In de aangifte moeten ook de veiligheidsgegevens worden vermeld. ( Artikelen 270 lid 1 en 263 leden 3 en 4 DWU )

Ingevolge artikel 270 lid 2 DWU zijn de bepalingen betreffende de douaneaangifte van overeenkomstige toepassing op de aangifte tot wederuitvoer. De eisen die het aangiftesysteem aan de aangifte ten uitvoer stelt, gelden ook voor de aangifte tot wederuitvoer. In de aangifte tot wederuitvoer moeten de veiligheidsgegevens worden verstrekt en de aangifte tot wederuitvoer is ook de aangifte vóór vertrek. Zie ook paragraaf ‘2.3.2.1 Aangifte vóór vertrek in de vorm van een douaneaangifte’ van dit onderdeel.

(Artikelen 158 lid 1 en 270 leden 1 en 2 DWU)

Wanneer voor wederuitvoer vrijgegeven goederen niet langer bestemd zijn om het douanegebied van de Unie te verlaten deelt de aangever dit onmiddellijk mee aan het douanekantoor van uitvoer (340 lid 1 UVo.DWU). Goederen worden bijvoorbeeld in plaats van het verlaten van de Unie ingeslagen in een douane-entrepot. De aangever dient in dat geval het kantoor van uitvoer te informeren over het feit dat de goederen niet de Unie hebben verlaten maar zijn geplaatst in een douane-entrepot. Als goederen daarna alsnog de Unie gaan verlaten zal opnieuw een aangifte tot wederuitvoer moeten worden gedaan.

Het douanekantoor van uitvoer maakt de aangifte onmiddellijk ongeldig en maakt in het voorkomende geval de bevestiging van uitgaan ongedaan.

(Artikel 248 lid 3 GVo.DWU)

Zie voor de bepalingen over wederuitvoer onderdeel 20.00.00 van dit Handboek.

Naar boven
2.3.2.2.1 Ontheffing van de verplichting om een aangifte tot wederuitvoer in te dienen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
In artikel 270 lid 3 DWU wordt een aantal situaties opgesomd waarin bij wederuitvoer geen aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden gedaan. De verplichting om voor deze goederen een aangifte vóór vertrek te doen, blijft bestaan want de niet-Uniegoederen verlaten het douanegebied van de Unie. Omdat er geen aangifte tot wederuitvoer is, moet de aangifte vóór vertrek gebeuren in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden). Zie paragraaf ‘2.3.2.3 Aangifte vóór vertrek in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan’ van dit onderdeel.

Naar boven
2.3.2.3 Aangifte vóór vertrek in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Als ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie geen douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden ingediend, moet de aangifte vóór vertrek worden gedaan in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden). Zie voor de in de summiere aangifte bij uitgaan op te nemen gegevens paragraaf ‘2.3.1 De in de aangifte vóór vertrek te verstrekken ‘veiligheidsgegevens’ van dit onderdeel. De summiere aangifte bij uitgaan moet worden ingediend bij het douanekantoor van uitgang.

(Artikel 263 lid 3 onder c DWU, artikel 269 lid 2 DWU, artikel 270 lid 3 DWU, artikel 271 lid 1 DWU)

Let op!

Het wordt tijdelijk toegestaan om in gevallen waarin een summiere aangifte bij uitgaan gedaan moet worden een kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification - Ren bericht - gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) in te dienen. De tijdelijke toestemming eindigt op het moment waarop het mogelijk is om de aangifte tot tijdelijke opslag (ATO) geautomatiseerd af te schrijven op basis van een summiere aangifte bij uitgaan.
Naar boven
2.3.2.3.1 Ontheffing van de verplichting om een summiere aangifte bij uitgaan in te dienen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
In artikel 274 lid 1 DWU wordt gesproken over de situatie dat ontheffing is verleend van de verplichting om bij wederuitvoer een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) in te dienen. Het DWU kent geen specifieke bepaling om ontheffing te verlenen van het indienen van een summiere aangifte maar wel een algemene bepaling om in specifieke gevallen die naar behoren zijn gerechtvaardigd door het soort goederen of het soort vervoer of die voortvloeien uit verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten af te zien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen. Zie ook paragraaf ‘2.3.1. Ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen’ van dit onderdeel.

(Artikel 263 lid 2 onder b DWU)

Naar boven

2.3.3 Termijn voor het indienen van de aangifte vóór vertrek

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Uit de naamgeving volgt dat de aangifte vóór vertrek moet worden ingediend vóórdat de goederen uit het douanegebied worden gebracht. De uiterste termijn varieert van 24 uur (bij uitgaan over zee van in containers vervoerde goederen) tot 30 minuten vóór het tijdstip van vertrek (bij uitgaan via de lucht). Een overzicht van de geldende termijnen en de gevallen waarin daarvan kan worden afgeweken is opgenomen in artikel 244 leden 1, 2 en 3 GVo.DWU.

De daar genoemde termijnen zijn niet van toepassing in het geval van overmacht (artikel 244 lid 4 GVo.DWU).

De voorgeschreven termijnen bieden de douane de gelegenheid om de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden en de in het kader daarvan noodzakelijke fysieke controles te verrichten. De douane informeert de Trader at Exit door een Control Notification Export (CNE) over de voorgenomen controle. Na de risicoanalyse en de eventuele controles worden de goederen vrijgegeven voor uitgaan. De douane informeert de Trader at Exit door een Release Notification Export (RNE) over het vrijgeven van de goederen na een controle.

( Artikel 264 DWU )

Het kan gebeuren dat Uniegoederen (die om economische reden in de RTO staan) een andere niet eerder voorziene bestemming krijgen. Op het laatste moment kan bijvoorbeeld besloten worden dat de Uniegoederen toch een bestemming buiten de Unie krijgen. In dit uitzonderingsgeval kan het voor komen dat de aangifte voor vertrek (douaneaangifte, aangifte tot wederuitvoer of een summiere aangifte bij uitgaan - Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) niet is ingediend binnen de wettelijk verplichte termijn van artikel 244 GVo.DWU. Om de logistiek van deze goederen geen onnodig oponthoud te bezorgen, mag alleen in uitzonderingsgevallen een aangifte voor vertrek worden ingediend tot uiterlijk het moment dat het laadplan van een uitgaand vervoermiddel door de vergunninghouder van de RTO is opgemaakt. Deze termijn biedt de Douane voldoende tijd om een risico- en selectieanalyse uit te voeren en geeft het bedrijfsleven tijd om de aangifte voor vertrek administratief aan de uitgaande goederen te koppelen. Door de termijn te koppelen aan het laadplan, komt de vergunninghouder RTO niet voor logistieke problemen te staan omdat ze voor aanvang laden in het uitgaande vervoermiddel al geïnformeerd worden over goederen die niet geladen mogen worden omdat deze eerst gecontroleerd moeten worden.

Ook voor deelzendingen geldt de termijn genoemd in artikel 244 GVo.DWU. Een voorbeeld: Eén zending goederen is verdeeld en verpakt in 5 containers. Deze zijn op verschillende dagen aangeleverd bij de RTO en op verschillende dagen geladen in het uitgaande vervoermiddel.

Dag 1: aankomst van container 1 bij de RTO

Dag 2: aankomst van container 2 bij de RTO

Dag 3: aankomst van container 3 en 4 bij de RTO, container 1 tot en met 4 worden geladen in het uitgaande vervoermiddel.

Dag 4: aankomst van container 5 bij de RTO, container 5 wordt geladen in het uitgaande vervoermiddel dat ook op deze dag vertrekt.

De aangifte voor vertrek moet voor in containers vervoerde goederen uiterlijk 24 uur voor laden zijn gedaan. Deze moet dus in dit voorbeeld op dag 2 zijn ingediend.

Naar boven

2.3.4 Plaats voor het indienen van de aangifte vóór vertrek

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Artikel 263 lid 1 DWU stelt dat de aangifte vóór vertrek moet worden ingediend bij het bevoegde douanekantoor. Het bevoegde douanekantoor is het douanekantoor van uitvoer of het douanekantoor van uitgang.

Als de aangifte vóór vertrek gebeurt in de vorm van een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer:

Een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer moet worden gedaan bij het douanekantoor van uitvoer. Omdat het aangiftesysteem eist dat deze aangifte ook de veiligheidsgegevens bevat, is het douanekantoor van uitvoer ook het bevoegde douanekantoor voor de aangifte vóór vertrek.

(Artikel 221 lid 2 UVo.DWU)

Het douanekantoor van uitvoer verricht zowel de verificatie van de douaneaangifte als de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden en geeft de goederen vervolgens vrij voor uitvoer.

Als de aangifte vóór vertrek gebeurt in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden):

Als de aangifte vóór vertrek gebeurt in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan is het douanekantoor van uitgang het bevoegde douanekantoor. Dit doet zich voor als ter zake van het uitgaan geen douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer vereist is.

(Artikel 271 lid 1 DWU)

Het douanekantoor van uitgang verricht de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden op basis van de summiere aangifte bij uitgaan en geeft de goederen vervolgens vrij voor uitgaan.

Let op!

De Nederlandse Douane geeft geen invulling aan de ‘kan’-bepalingen genoemd in artikel 271, lid 1 2e alinea, DWU, 271 lid 3 DWU en 271 lid 4 DWU.

Het is in Nederland niet toegestaan om:

  • de summiere aangifte bij uitgaan in te dienen bij een ander douanekantoor dan het douanekantoor van uitgang;

  • voor het indienen van een summiere aangifte bij uitgaan gebruik te maken van handels-, haven- en vervoersinformatiesystemen;


  • in plaats van een summiere aangifte bij uitgaan een kennisgeving in te dienen en toegang te verlenen tot de gegevens van de summiere aangifte bij uitgaan in het computersysteem van de marktdeelnemer.

    Redenen zijn de centrale behandeling van de summiere aangifte bij uitgaan en omdat de Douane zelf wil beschikken over een volledig overzicht van de summiere aangiften bij uitgaan.
Naar boven

2.3.5 De persoon die de aangifte vóór vertrek moet indienen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De wettelijke bepalingen wijzen geen specifieke persoon aan die verantwoordelijk is voor het indienen van de aangifte vóór vertrek. De verantwoordelijke persoon wordt bepaald door vorm waarin de aangifte vóór vertrek gebeurt.

De aangifte vóór vertrek in de vorm van een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer:
De douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer wordt gedaan door de aangever. Deze is gedefinieerd als de persoon die in eigen naam de douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte wordt ingediend.

De aangifte vóór vertrek in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden):
Als de aangifte vóór vertrek gebeurt in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan is de vervoerder aangewezen als de persoon die de summiere aangifte bij uitgaan moet indienen.

(Artikelen 5 punt 15 en 170 DWU)

De summiere aangifte bij uitgaan mag ook worden ingediend door:

  • de exporteur of ontvanger van de goederen of een andere persoon in wiens naam of voor wiens rekening de vervoerder handelt;

  • een ieder die in staat is de goederen bij het douanekantoor van uitgang aan te brengen of te doen aanbrengen.

(Artikel 271 lid 2 DWU)

Naar boven

2.3.6 Wijzigen van de aangifte vóór vertrek

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Artikel 173 lid 1 DWU biedt de mogelijkheid om een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer te wijzigen en artikel 272 lid 1 DWU biedt deze mogelijkheid voor een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) . Als de aangever gegevens wil wijzigen, moet hij daartoe een aanvraag indienen bij het bevoegde douanekantoor (zie paragraaf ‘2.3.4 Plaats voor het indienen van de aangifte vóór vertrek’ van dit onderdeel).

De gegevens in een aangifte vóór vertrek kunnen niet meer worden gewijzigd als de Douane:

  • de aangever in kennis heeft gesteld van het voornemen om de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

  • heeft geconstateerd dat de gegevens onjuist zijn;

  • de goederen heeft vrijgegeven.

(Artikelen 173 lid 2 en 272 lid 1 2e alinea DWU)

Zie voor het ongeldig maken van de aangifte vóór vertrek de in paragraaf ‘2.14 Afzien van uitvoer of wederuitvoer’ van dit onderdeel beschreven gevallen waarin een douaneaangifte, een aangifte tot wederuitvoer of een summiere aangifte bij uitgaan ongeldig wordt gemaakt.

Naar boven

2.3.7 Risicoanalyse

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Het bevoegde douanekantoor moet op alle goederen die het douanegebied van de Unie gaan verlaten een risicoanalyse verrichten, hoofdzakelijk voor veiligheidsdoeleinden. De risicoanalyse vindt plaats op basis van de gegevens van de aangifte vóór vertrek in de douaneaangifte, de aangifte tot wederuitvoer of de summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden).

(Artikelen 46 en 264 DWU)

De Douane moet de risicoanalyse verrichten vóór het voorziene tijdstip van laden of vertrek. De goederen worden pas vrijgegeven voor uitvoer/uitgaan nádat de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden heeft plaatsgevonden.

(Artikel 328 lid 1 UVo.DWU)

Als er geen aangifte vóór vertrek hoeft te worden ingediend, wordt de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden verricht op basis van de gegevens in de douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer. Als er ter zake van het uitgaan geen douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden gedaan, moet de risicoanalyse plaatsvinden op basis van beschikbare informatie over de goederen.

(Artikel 328 lid 2 UVo.DWU)

De stopfunctie

De Douane heeft bij uitgaan een stopfunctie. De stopfunctie omvat dat er wordt toegezien dat goederen onder het wettelijk toezichtsysteem worden gebracht met de bedoeling het nakomen van fiscale en niet-fiscale verplichtingen.
Artikel 245 lid 2 UVo.DWU)

Waar de stopfunctie zich op richt vindt u in Handboek Douane, onderdeel 12.00.00, Hoofdstuk 6, paragraaf ‘6.2.3 Verschuiving fysieke controle’.

Naar boven

2.3.8 Ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Het DWU noemt twee situaties waarin bij het verlaten van het douanegebied géén aangifte vóór vertrek hoeft te gebeuren.

  1. Als vervoermiddelen en de daarmee vervoerde goederen uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Unie worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt, of

  2. In andere specifieke gevallen die naar behoren zijn gerechtvaardigd door het soort goederen of het soort vervoer of die voortvloeien uit verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten.

(Artikel 263 lid 2 DWU)

De onder 1. genoemde situatie spreekt voor zich; het is een soortgelijke bepaling als de ontheffing van de verplichting om formaliteiten te vervullen ter zake van het binnenkomen in het douanegebied van de Unie. De vervoermiddelen kunnen het douanegebied van de Unie ongestoord doorkruisen.

De onder 2. bedoelde gevallen waarin geen aangifte vóór vertrek hoeft te worden ingediend, zijn opgesomd in artikel 245 GVo.DWU. Voor enkele van de in artikel 245 GVo.DWU genoemde goederen en situaties geldt dat er ter zake van het uitgaan geen douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden ingediend. Een voorbeeld hiervan is artikel 270 lid 3 onder b en c DWU waarin is bepaald dat als niet-Uniegoederen worden overgeladen in of rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een vrije zone of rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een ruimte voor tijdelijke opslag (RTO) geen aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden gedaan. Zie ook paragraaf ‘2.3.2 Vormen van de aangifte vóór vertrek’ van dit onderdeel.

Het in algemene zin verlenen van een ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek - in welke vorm dan ook – in te dienen, betekent feitelijk dat de wetgever in deze gevallen een risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden niet nodig acht.

Met de volgende landen heeft de EU internationale overeenkomsten gesloten waardoor zij met de EU één veiligheidsgebied vormen. Hierdoor hoeft er voor goederen die rechtstreeks worden vervoerd naar deze landen geen aangifte vóór vertrek te worden gedaan. De verplichting om bij uitvoer een aangifte ten uitvoer of bij wederuitvoer een aangifte tot wederuitvoer te doen blijft bestaan. Het betreft de volgende landen:

  • Noorwegen

  • Zwitserland (inclusief Liechtenstein)

  • Andorra

Let op!

AGS of DMS (Douaneaangiften Management Systeem) is zodanig ingericht dat in een aangifte ten uitvoer, een aangifte tot plaatsing onder de regeling passieve veredeling en een aangifte tot wederuitvoer altijd wordt gevraagd om de veiligheidsgegevens. Het achterwege laten van de veiligheidsgegevens kan ertoe leiden dat de aangifte niet wordt aanvaard.

Voorbeeld

Artikel 270 lid 3 onder c DWU bepaalt dat voor niet-Uniegoederen die rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een ruimte voor tijdelijke opslag (RTO) geen aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden ingediend. Ingevolge artikel 263 lid 1 DWU moeten deze goederen wel vergezeld gaan van een aangifte vóór vertrek. Bij gebrek aan een aangifte tot wederuitvoer moet de aangifte vóór vertrek dan gebeuren in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan(Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden). Op grond van de artikelen 263 lid 2 onder b DWU en 245 lid 2 onder e GVo.DWU hoeft voor goederen in tijdelijke opslag die binnen 14 dagen en onder toezicht van hetzelfde douanekantoor worden overgeladen op het vervoermiddel waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten géén aangifte vóór vertrek te worden gedaan. In dit specifieke geval moet dan op grond van artikel 274 lid 1 DWU een kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) worden ingediend. Zie voor de kennisgeving van wederuitvoer paragraaf ‘2.4 Kennisgeving van wederuitvoer’ van dit onderdeel.

Naar boven

2.4 Kennisgeving van wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Een kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) moet worden ingediend als:

  • ter zake van de wederuitvoer van niet-Uniegoederen geen aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden gedaan

    en

  • er ontheffing wordt verleend van de verplichting om een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD) in te dienen.

(Artikel 274 lid 1 DWU)

Voorafgaand document in de kennisgeving van wederuitvoer verwijst naar de aangifte voor tijdelijke opslag (ATO) en zorgt voor de afschrijving. Aanzuivering van de ATO vindt pas plaats als de goederen de Unie verlaten hebben. Een kennisgeving van wederuitvoer is een “uitgeklede” summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden).

Let op!

Een kennisgeving van wederuitvoer doet zich alleen voor bij wederuitvoer!

De situaties waarin geen aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden gedaan, zijn genoemd in artikel 270 lid 3 onder b en c DWU. Het gaat om:

  1. niet-Uniegoederen die worden overgeladen in of rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een vrije zone;

  2. niet-Uniegoederen die rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een ruimte voor tijdelijke opslag (RTO).

Als er geen aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden gedaan, kan de aangifte vóór vertrek niet gebeuren in de vorm van een aangifte tot wederuitvoer en moet de aangifte vóór vertrek, op grond van artikel 271 lid 1 DWU, gebeuren in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan.

Artikel 263 lid 2 DWU biedt evenwel de mogelijkheid om in specifieke gevallen ontheffing te verlenen van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen. De ontheffing geldt voor alle vormen waarin de aangifte vóór vertrek kan gebeuren. De specifieke gevallen waarin de ontheffing geldt, zijn opgesomd in artikel 245 GVo.DWU. Zie ook paragraaf 2.3.1.

Als er samenloop is van de in artikel 245 GVo.DWU bedoelde ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen met een in artikel 270 lid 3 onder b en c DWU genoemde situatie van wederuitvoer waarin geen aangifte tot wederuitvoer hoeft te worden ingediend, moet bij uitgaan een kennisgeving van wederuitvoer worden ingediend (artikel 274 lid 1 DWU).

De kennisgeving van wederuitvoer dient om douanetoezicht en -controle op het uitgaan mogelijk te maken. De kennisgeving van wederuitvoer wordt ingediend met behulp van elektronische gegevensuitwisselingstechnieken en verstrekt de Douane een Master Reference Number (MRN) aan de aangever. De in de kennisgeving van wederuitvoer genoemde goederen worden vrijgegeven na risico-analyse. Voor het bewaken van het uitgaan is een termijn van 150 dagen van toepassing.

De kennisgeving van wederuitvoer mag worden ingediend zodra bekend is dat de goederen vanuit de RTO zullen worden wederuitgevoerd. Dit onder voorwaarden dat voor de goederen een aangifte tot tijdelijke (ATO) is ingediend en de goederen zijn gelost uit het vaartuig waarmee de goederen zijn binnengekomen en de goederen in de RTO administratie zijn opgenomen. De kennisgeving van wederuitvoer moet de nodigde informatie bevatten om de tijdelijke opslag te beëindigen. Er moet sprake zijn van tijdelijke opslag om een kennisgeving van wederuitvoer te kunnen indienen. Een kennisgeving van wederuitvoer mag daarom niet worden ingediend voor de actual time of arrival (ATA).

Vanuit de aanname dat Nederland geen vrije zones kent, moet in ieder geval in de volgende gevallen (er is sprake van rechtstreekse wederuitvoer uit een RTO) een kennisgeving van wederuitvoer worden gedaan:

  • Niet-Uniegoederen en niet-Unieprovisie die rechtstreeks vanuit een RTO de Unie verlaten naar offshore installaties buiten de 12 mijlszone die worden geëxploiteerd door een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon en die zijn bestemd voor de bouw, het herstel, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van offshore installaties of om op de offshore installaties te worden gebruikt of verbruikt (artikel 245 lid 1 onder m GVo.DWU);

  • Niet-Uniegoederen die rechtstreeks vanuit RTO worden geleverd om als onderdeel of toebehoren in schepen of luchtvaartuigen te worden gemonteerd, of voor de werking van de motoren, machines en andere uitrusting van schepen of luchtvaartuigen te worden gebruikt, alsook levensmiddelen en andere artikelen bestemd om aan boord te worden verbruikt of gebruikt (artikel 245 lid 1 onder o GVo.DWU);

  • Niet-Uniegoederen die rechtstreeks vanuit een RTO worden geladen in of op het vervoermiddel waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten, mits:

    1. het lossen van de goederen van het vervoermiddel waarmee zij naar de RTO zijn gebracht en het overladen vanuit de RTO in of op een vaartuig, luchtvaartuig of trein waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten, plaatsvindt onder toezicht van hetzelfde douanekantoor;

    2. het overladen plaatsvindt binnen 14 dagen nadat de goederen zijn aangebracht;

    3. de informatie over de goederen ter beschikking staat van de Douane;

    4. de bestemming en de geadresseerde van de goederen niet wijzigen.

      (artikel 245 lid 2 onder e GVo.DWU)

Let op!

De in artikel 245 lid 2 onder e GVo.DWU beschreven situatie beperkt zich niet tot de situaties zee in–zee uit, lucht in–lucht uit of spoor in-spoor uit (de ‘echte’ transshipment situaties). Als aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, zijn ook combinaties zoals lucht in-zee uit, zee in-lucht uit en zee in-spoor uit mogelijk. Ook voor niet-Uniegoederen die na beëindiging van de regeling extern douanevervoer in tijdelijke opslag zijn geplaatst in een RTO en vanuit die RTO rechtstreeks worden wederuitgevoerd, hoeft geen aangifte vóór vertrek te worden ingediend als de goederen binnen 14 dagen na aanvang van de tijdelijke opslag de Unie verlaten. In dat geval moet een kennisgeving van wederuitvoer worden ingediend. Als de niet-Uniegoederen voorafgaand aan het uitgaan langer dan 14 dagen in RTO waren opgeslagen, moet wel een aangifte vóór vertrek (in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan) worden ingediend.

Voorbeeld 1

Een containerschip uit China meert af bij een containerterminal in de haven van Rotterdam. Onder de zendingen die in Rotterdam zullen worden gelost, bevinden zich twee zendingen niet-Uniegoederen die bestemd zijn voor IJsland. Deze zendingen worden 3 dagen later met een ander schip naar IJsland vervoerd.

Alle zendingen die in Rotterdam zullen worden gelost, dus ook de zendingen voor IJsland, zijn in tijdelijke opslag vanaf het moment dat zij bij de douane worden aangebracht. Er moet een aangifte voor tijdelijke opslag (ATO) worden gedaan en de zendingen moeten worden opgenomen in de RTO en de RTO-administratie van de terminal. Omdat de voor IJsland bestemde zendingen rechtstreeks uit een RTO worden wederuitgevoerd, hoeft er ter zake van het verlaten van het douanegebied van de Unie geen aangifte tot wederuitvoer te worden gedaan. Omdat de zendingen binnen 14 dagen nadat zij zijn aangebracht het douanegebied van de Unie verlaten, hoeft er evenmin een aangifte vóór vertrek in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan te worden gedaan. Artikel 274 lid 1 DWU eist in dat geval een kennisgeving van wederuitvoer.

(Artikel 270, lid 3 onder c DWU, artikel 274 lid 1 DWU, artikel 245 lid 2 onder e GVo.DWU)

Voorbeeld 2

Niet-Uniegoederen, opgeslagen in een douane-entrepot in Venlo, worden verkocht naar Chili. De zending zal het douanegebied van de Unie via Rotterdam verlaten. In Venlo moet een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend. Deze aangifte moet ook de veiligheidsgegevens bevatten en is dus ook de aangifte vóór vertrek. Het vervoer naar Rotterdam kan plaatsvinden onder geleide van de aangifte tot wederuitvoer, maar het is ook mogelijk om de zending onder de regeling extern douanevervoer te plaatsen en onder deze regeling naar Rotterdam over te brengen.Als het overbrengen plaatsvindt onder de regeling extern douanevervoer moet uit die aangifte blijken dat het wederuitvoer betreft (de aangifte voor extern douanevervoer vermeldt als voorafgaande regeling wederuitvoer) en dat de eindbestemming van de goederen is gelegen buiten het douanegebied van Unie. Het is handig om voor het vervoer een begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid op te maken, zodat het douanekantoor van bestemming/uitgang (Rotterdam) over de veiligheidsgegevens beschikt, maar dit is niet verplicht.Bij aankomst bij de terminal in Rotterdam moet de zending worden aangebracht en wordt de regeling extern douanevervoer beëindigd. De goederen zijn in tijdelijke opslag vanaf het moment dat zij bij de douane zijn aangebracht. Omdat tijdelijke opslag (langer dan 24 uur) slechts mogelijk is in een RTO moet de zending worden geplaatst in de RTO en worden opgenomen in de RTO-administratie van de terminal. Bij uitslag uit de RTO hoeft niet opnieuw een aangifte tot wederuitvoer te worden gedaan (want deze is al gedaan in Venlo) en als de opslagtermijn maximaal 14 dagen is geweest, geldt er ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek te doen. Op grond van artikel 274 DWU moet dan een kennisgeving van wederuitvoer worden gedaan. Als de opslagtermijn in RTO langer dan 14 dagen is geweest, moet bij het uitgaan een aangifte vóór vertrek worden gedaan in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan.

(Artikel 144 DWU, artikel 270, lid 3 onder c DWU, artikel 271 lid 1 DWU, artikel 274 lid 1 DWU, artikel 245 lid 2 onder e GVo.DWU)

Als het overbrengen van Venlo naar Rotterdam plaatsvindt onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer moeten de goederen bij aankomst in Rotterdam bij de douane worden aangebracht en houdt douanekantoor Rotterdam als douanekantoor van uitgang toezicht op het uitgaan. Als de goederen zijn uitgegaan, bevestigt dit douanekantoor het uitgaan aan douanekantoor Venlo. Douanekantoor Venlo bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever. Zie ook de paragrafen 2.5 tot en met 2.12.

In bijlage 1 van dit onderdeel wordt aan de hand van voorbeeldsituaties aangegeven in welke gevallen volstaan wordt met een kennisgeving van wederuitvoer.

Als de niet-Uniegoederen waarvoor een kennisgeving van wederuitvoer is ingediend niet uitgaan, moet de kennisgeving wederuitvoer ongeldig gemaakt worden. 
(art 275 lid 2 DWU).

Let op!

Toegestaan wordt dat in plaats van een kennisgeving wederuitvoer een summiere aangifte bij uitgaan wordt ingediend mits alle verplichte gegevenselementen van de summiere aangifte bij uitgaan worden verstrekt.
Naar boven

2.4.1 Inhoud en vorm van de kennisgeving van wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht) heeft een verplichte gegevensset. Deze gegevens zijn opgenomen in bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU. De kennisgeving van wederuitvoer bevat gegevens om de tijdelijke opslag te kunnen beëindigen (artikel 274 lid 3 DWU).

Toegestaan kan worden dat gebruik wordt gemaakt van handels-, haven- of vervoersinformatiesystemen voor het indienen van een kennisgeving van wederuitvoer, op voorwaarde dat deze de noodzakelijke gegevens voor de kennisgeving bevatten en dat deze gegevens beschikbaar zijn voordat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten. Ook kan ingestemd worden dat in plaats van het indienen van een kennisgeving van wederuitvoer, een kennisgeving wordt ingediend en toegang wordt verleend tot de gegevens van een kennisgeving van wederuitvoer in het computersysteem van de marktdeelnemer. Omdat de Douane zelf wil beschikken over een volledig (elektronisch) overzicht van de kennisgevingen van wederuitvoer wordt geen invulling gegeven aan deze bepalingen genoemd in artikel 274, lid 3 en lid 4 DWU.

De code die in een kennisgeving van wederuitvoer moet worden vermeld om aan te geven dat de betreffende goederen wederuitgevoerd worden, is ‘N705’ (waarde uit Codeboek Douane, onderdeel DWU aangiftebehandeling, tabelnaam de codelijst 214). De kennisgeving van wederuitvoer moet met de code ‘KWU’ (Kennisgeving WederUitvoer) op het douanemanifest bij uitgang (Customs Manifest at Exit – MFX) worden vermeld (waarde uit Codeboek Douane, onderdeel Uitgaan, tabelnaam A28).

Naar boven

2.4.2 Termijn voor het indienen van de kennisgeving van wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Het DWU noemt geen tijdstip waarop of termijn waarbinnen de kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) moet worden ingediend. Uit artikel 274 lid 3 DWU volgt dat de kennisgeving van wederuitvoer moet worden ingediend voordat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten.

Voor het indienen van de kennisgeving van wederuitvoer wordt aangesloten bij de termijnen die zijn vastgesteld voor het indienen van de aangifte vóór vertrek. Zie paragraaf ‘2.3.4 Plaats voor het indienen van de aangifte vóór vertrek’ van dit onderdeel.

Een kennisgeving van wederuitvoer mag niet gedaan worden voor ATA (actual time of arrival) vervoermiddel. In artikel 274 lid 1 DWU staat: "Indien niet-Uniegoederen... het douanegebied van de Unie verlaten.... wordt een kennisgeving van wederuitvoer ingediend." Daaruit blijkt dat de goederen er moeten zijn om de kennisgeving wederuitvoer te kunnen doen. Vóór ATA zijn de goederen er nog niet en kan er dus strikt genomen geen kennisgeving wederuitvoer worden ingediend. Dat vindt bevestiging in artikel 343 letter c UVo.DWU waarin staat: "Het douanekantoor van uitgang geeft in voorkomend geval de goederen vrij voor uitgaan uit het douanegebied van de Unie". Goederen kunnen pas vrij geven worden om uit te gaan als ze aanwezig zijn en dus niet eerder. Daarnaast leidt het vroegtijdig indienen van een kennisgeving van wederuitvoer mogelijk tot logistiek ongemak. Al voor aankomst van het vervoermiddel wordt voor de goederen die gelost gaan worden een aangifte tot tijdelijke opslag (ATO) ingediend. De ATO heeft dan een MRN (master reference number). Aan de hand van een vroegtijdig ingediende kennisgeving van wederuitvoer (krijgt ook direct een MRN) kan de tijdelijke opslag worden beëindigd, zie artikel 274 lid 3 DWU. Maar wat als de goederen niet worden gelost? Dan moeten én de ATO én de kennisgeving van wederuitvoer ongeldig worden gemaakt. Als de kennisgeving van wederuitvoer wordt geselecteerd voor een uitgaande controle blijkt dat de goederen er (nog) niet zijn. Zie artikel 328 lid 2 UVo.DWU waarin staat dat er bij het ontbreken van een aangifte vóór vertrek een risicoanalyse moet plaatsvinden op basis van 'andere beschikbare informatie'. Als er alleen maar een kennisgeving van wederuitvoer is, vindt de risicoanalyse dus plaats op de kennisgeving van wederuitvoer. Als de goederen al aan boord zijn, zullen ze moeten worden gelost om de controle mogelijk te maken.

Naar boven

2.4.3 Plaats voor het indienen van de kennisgeving van wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) moet worden ingediend bij het douanekantoor van uitgang.

(Artikel 274 lid 2 DWU)

Naar boven

2.4.4 De persoon die de kennisgeving van wederuitvoer moet indienen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) moet worden ingediend door een van de volgende personen:

  1. De persoon die de goederen uit het douanegebied van de Unie voert;

  2. De persoon namens wie of voor wiens rekening de persoon die de goederen uit het douanegebied van de Unie voert, optreedt;

  3. De persoon die zich belast met het vervoer van de goederen vóór het uitgaan ervan uit het douanegebied van de Unie.

(Artikel 274 lid 2 DWU)

Naar boven

2.4.5 Wijzigen van de kennisgeving van wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De indiener van de kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) mag deze wijzigen nadat ze is ingediend.

(Artikel 275 lid 1 1e alinea DWU)

Wijziging is niet meer toegestaan als de Douane:

  • de indiener in kennis heeft gesteld van het voornemen om de goederen te controleren;

  • heeft geconstateerd dat een of meer gegevens van de kennisgeving van wederuitvoer onjuist of onvolledig zijn;

  • de goederen al heeft vrijgegeven voor uitgaan.

(Artikel 275 lid 1 2e alinea DWU)

Zie paragraaf ‘2.14 Afzien van uitvoer of wederuitvoer’ van dit onderdeel voor de gevallen waarin een kennisgeving van wederuitvoer ongeldig wordt gemaakt.

Naar boven

2.4.6 Behandeling van de kennisgeving van wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Na ontvangst van de kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) wordt deze door de douane geregistreerd en verstrekt de douane een MRN (master reference number) aan de aangever. In voorkomend geval geeft de douane de goederen vrij voor uitgaan.

(Artikel 343 UVo.DWU)

Naar boven

2.5 Aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Unie- en niet-Uniegoederen die door het douanekantoor van uitvoer zijn vrijgegeven voor uitvoer moeten worden overgebracht naar het douanekantoor van uitgang en aldaar worden aangebracht. Het aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang, geschiedt op elektronische wijze met een aankomstmelding (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om naast de aankomstgegevens ook de verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) waarin de gegevenselementen, genoemd in bijlage IXa, titel I van de Algemene douaneregeling zijn opgenomen. Een aankomstmelding wordt niet meer geaccepteerd als de goederen zijn uitgegaan.

(Artikel 267 lid 2 DWU, artikel 331 lid 1 Uvo.DWU en artikel 6:1a Algemene douaneregeling)

Let op!

Een automatische aankomstmelding wordt niet meer ondersteund. Dus ook als het douanekantoor van uitvoer gelijk is aan het douanekantoor van uitgang moet de aankomst op de plaats waar de goederen zullen uitgaan bij het douanekantoor van uitgang worden gemeld met een aankomstmelding.

Niet-Uniegoederen die met het oog op de aanzuivering van een bijzondere regeling tot wederuitvoer zijn aangegeven, moeten onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer naar het douanekantoor van uitgang worden overgebracht.

Zie paragraaf ‘2.6.6 Wederuitvoer in combinatie met extern douanevervoer’ van dit onderdeel voor de situatie waarin na de aangifte tot wederuitvoer een aangifte voor extern douanevervoer wordt gedaan.

(Artikel 267 lid 1 UVo.DWU)

In deze paragraaf wordt ingegaan op het begrip ‘aanbrengen’ en in paragraaf ‘2.6 Douanekantoor van uitgang’ van dit onderdeel wordt het ‘douanekantoor van uitgang’ nader toegelicht. Daar zal blijken dat het douanekantoor van uitgang niet in alle gevallen de laatste geografische plaats in het douanegebied van de Unie is van waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten, maar dat het douanekantoor van uitgang varieert, afhankelijk van de gekozen vervoerswijze.

Let op!

Het douanekantoor van uitgang is niet in alle situaties het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten voor een bestemming buiten dat gebied. Voor een aantal vervoerswijzen/situaties geldt een afwijkende definitie van het douanekantoor van uitgang en moeten de goederen dus op een andere plaats worden aangebracht.

Zie paragraaf ‘2.6 Douanekantoor van uitgang’ van dit onderdeel.

Ook een vervoermiddel (schip of luchtvaartuig) dat wordt gebruikt in het internationale verkeer moet bij het verlaten van het douanegebied van de Unie worden aangebracht bij het douanekantoor van uitgang. Bij binnenkomst in het douanegebied van de Unie is dit vervoermiddel, door de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied, aangegeven en geplaatst onder de regeling tijdelijke invoer (door middel van een handeling die wordt geacht een douaneaangifte te vormen). Het vervoermiddel bevindt zich gedurende het verblijf in de Unie onder de regeling tijdelijke invoer en deze regeling moet worden beëindigd als het vervoermiddel naar een bestemming buiten de Unie vertrekt. Voor de wederuitvoer moet een aangifte tot wederuitvoer worden gedaan. Net als bij binnenkomst wordt deze aangifte gedaan in de vorm van een handeling die wordt geacht een douaneaangifte te vormen, namelijk door de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie.

( Artikel 250 DWU, artikelen 139, 141 en 212 GVo.DWU )

Een aangifte door een handeling die wordt geacht een douaneaangifte te vormen, is een aangifte waarop de artikelen 158–195 DWU van toepassing zijn en hierdoor moeten douaneformaliteiten bij uitgaan worden vervuld. Het vervoermiddel moet bij het douanekantoor van uitgang worden aangebracht en er moet een aangifte ten uitklaring worden gedaan. Het vervoermiddel mag de haven niet verlaten zonder toestemming van de douane en moet rechtstreeks en langs aangewezen lucht- of vaarwateren het douanegebied van de Unie verlaten.

(Artikelen 6:1, 6:1a, 6:2 leden 1, 3, 5 en 6, 6:3 en 6:5 Algemene douaneregeling)

Let op!

Vervoermiddelen die worden gebruikt voor het overbrengen van goederen van de ene naar de andere plaats binnen de Unie hoeven niet te worden aangebracht bij het douanekantoor van uitgang.

(Artikel 6:4 lid 1 Algemene douaneregeling)

Let op!

Als voor een vervoermiddel douaneformaliteiten bij binnenkomst zijn vervuld (aanbrengen, inklaren etc), moeten bij uitgaan eveneens douaneformaliteiten worden vervuld (aanbrengen, uitklaren etc).

Dit geldt ook als het vervoermiddel is geproviandeerd met niet-Unieproviand, zie Handboek Douane, onderdeel 10.60.00 Provianderen en bunkeren.

Aanbrengen bij de douane is in artikel 5 punt 33 DWU gedefinieerd als ”mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole”.

Aanbrengen houdt dus in dat de aankomst van de goederen op de plaats van uitgaan wordt gemeld aan de douane. Dit moet door een elektronisch bericht in AES (Automated Export System), de zogenaamde aankomstmelding. Deze wordt ook vaak aangeduid als de ‘arrival at exit-melding’. De aankomstmelding moet de gegevens bevatten volgens de in bijlage IXa bij de Algemene douaneregeling opgenomen specificaties. Naast de aankomstgegevens kunnen ook eventuele verschillen aangeleverd worden.

(Artikel 6:1a lid 1 Algemene douaneregeling)

Niet hoeft er te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang indien:

a. de eerste haven of luchthaven van bestemming is gelegen binnen het douanegebied van de Unie;

b. geen goederen aan boord zijn waarvoor bij de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer of andere belastingen aan het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld;

c. op de aan boord aanwezige goederen geen verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet bij het verlaten van het douanegebied van de Unie van toepassing zijn of zouden zijn; en

d. het schip of luchtvaartuig in de Unie thuishoort

(artikel 6:4 Algemene douaneregeling)

Naar boven

2.5.1 Persoon die moet aanbrengen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Het aanbrengen moet gebeuren door één van de volgende personen:

  1. de persoon die de goederen uit het douanegebied van de Unie voert;

  2. de persoon namens wie of voor wiens rekening de persoon die de goederen uit het douanegebied van de Unie voert, optreedt;

  3. de persoon die zich belast met het vervoer van de goederen vóór het uitgaan ervan uit het douanegebied van de Unie.

(Artikel 267 lid 2 DWU)

Uit artikel 267 lid 2 DWU volgt dat de aankomstmelding (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) moet worden gedaan door de vervoerder die de goederen buiten het douanegebied van de Unie brengt (rederij/cargadoor, luchtvaartmaatschappij) of door de persoon die de opdracht geeft om de goederen buiten het douanegebied te brengen (exporteur, vergunninghouder bijzondere regeling) of door de persoon die de goederen naar het douanekantoor van uitgang vervoert (vervoerder, expeditiebedrijf).

De persoon die aanbrengt bij het douanekantoor van uitgang, wordt ook wel aangeduid als ‘trader at exit’. De ‘trader at exit’ is de vervoerder (of zijn opdrachtgever) bij het kantoor van uitgang, verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de aankomstmelding en het indienen van een Douanemanifest bij uitgang (Customs Manifest at Exit – MFX).

Naar boven

2.5.2 Registratie elektronische aankomstmelding

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Voor het versturen van een elektronische aankomstmelding (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) is een ‘Registratie elektronisch berichtenverkeer’ vereist. Met de ‘Registratie elektronisch berichtenverkeer’ kunnen berichten worden uitgewisseld met het aangiftesysteem voor uitgaan van de Douane. Het aanvraagformulier en de algemene informatie over deze registratie is te vinden op douane.nl.

Naar boven

2.5.3 Inhoud van de aankomstmelding

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De aankomstmelding (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) moet de volgende informatie bevatten:

  • Het MRN van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer;

  • Eventuele verschillen tussen de aangegeven/voor uitvoer vrijgegeven goederen en de aangebrachte goederen;

  • Of de goederen na vrijgave voor uitvoer opnieuw zijn verpakt of in een container zijn geladen;

  • Als slechts een gedeelte van de zending wordt aangebracht, de hoeveelheid van de daadwerkelijke hoeveelheid aangebrachte goederen.

  • Het aantal colli en, indien in containers vervoerd, de identificatienummers van de containers.

(Artikel 331 leden 1 en 2 UVo.DWU)

De volledige lijst van functionele gegevenselementen die in het elektronische bericht moeten worden opgenomen, is opgenomen in bijlage IXa, Titel I, bij de Algemene douaneregeling. Naast de aankomstgegevens kunnen ook eventuele verschillen aangeleverd worden.

Als geen aankomstmelding wordt gedaan, is het douanekantoor van uitgang niet op de hoogte van de aanwezigheid van de goederen, kan dit douanekantoor geen toezicht houden op het uitgaan en het uitgaan bevestigen.

De te melden verschillen kunnen zijn:

  • Minder goederen dan aangegeven/voor uitvoer vrijgegeven;

  • Meer goederen dan aangegeven/voor uitvoer vrijgegeven;

  • Andere goederen dan aangegeven/voor uitvoer vrijgegeven.

In de volgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan.

Naar boven
2.5.3.1 Minder goederen dan vermeld in de aangifte

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De persoon die goederen aanbrengt bij het douanekantoor van uitgang moet aan de douane melden als minder goederen worden aangebracht dan vermeld in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer. Het douanekantoor van uitgang geeft slechts de werkelijk aangebrachte hoeveelheid goederen vrij voor uitgaan en informeert het douanekantoor van uitvoer over de minderbevinding. Het douanekantoor van uitvoer corrigeert de aangifte ten uitvoer c.q. de aangifte tot wederuitvoer en bevestigt het uitgaan van de hoeveelheid die werkelijk is uitgegaan aan de aangever.

(Artikel 332 lid 2 UVo.DWU)

Zie ook paragraaf 2.8.

Let op!

Een zending die in gedeelten naar het douanekantoor van uitgang wordt overgebracht, wordt geacht te zijn aangebracht als het laatste deel van de zending wordt aangebracht.

Naar boven
2.5.3.2 Meer goederen dan vermeld in de aangifte

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De persoon die goederen aanbrengt bij het douanekantoor van uitgang moet aan de douane melden als meer goederen worden aangebracht dan vermeld in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer.

Het douanekantoor van uitgang geeft slechts de in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer vermelde hoeveelheid goederen vrij voor uitgaan. De overmaat wordt niet vrijgegeven voor uitgaan totdat daarvoor een aangifte ten uitvoer c.q. een aangifte tot wederuitvoer is ingediend. Deze aangifte kan worden ingediend bij het douanekantoor van uitgang.

(Artikel 332 lid 3 UVo.DWU)

Zie ook paragraaf 2.8.

Naar boven
2.5.3.3 Andere goederen dan vermeld in de aangifte

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De persoon die goederen aanbrengt bij het douanekantoor van uitgang moet aan de douane melden als andere goederen worden aangebracht dan vermeld in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer.

Het douanekantoor van uitgang geeft de goederen niet vrij voor uitgaan totdat daarvoor een aangifte ten uitvoer c.q. een aangifte tot wederuitvoer is ingediend. Deze aangifte kan worden ingediend bij het douanekantoor van uitgang. Daarnaast informeert het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer dat de aangebrachte goederen naar hun aard verschillen van de aangegeven en voor uitvoer vrijgegeven goederen. Het douanekantoor van uitvoer maakt de aangifte ten uitvoer c.q. de aangifte tot wederuitvoer ongeldig.

(Artikel 332 lid 4 UVo.DWU, artikel 248 lid 1 GVo.DWU)

De aangever kan ook zelf verzoeken om de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer ongeldig te maken, zelfs nadat de goederen zijn vrijgegeven voor uitvoer. Het verzoek moet met redenen omkleed zijn.

(Artikel 148 lid 4 onder a GVo.DWU)

Zie ook paragraaf ‘2.8 Douanecontroles bij uitgaan’ van dit onderdeel.

Naar boven

2.5.4 Aanbrengen zonder de vereiste douaneaangifte

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Als bij het douanekantoor van uitgang goederen worden aangebracht die niet door een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer worden gedekt terwijl er wel een douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer is voorgeschreven of als de douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer niet alle gegevens bevat die voor een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) zijn vereist, moet de vervoerder die de goederen buiten het douanegebied wil brengen onmiddellijk alsnog een douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer indienen die ook alle gegevens van de aangifte vóór vertrek moet bevatten. Als de douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer niet alle gegevens van de aangifte vóór vertrek bevat, moet de vervoerder die de goederen buiten het douanegebied wil brengen onmiddellijk een summiere aangifte bij uitgaan indienen.

(Artikel 249 GVo.DWU, artikel 327 UVo.DWU)

Naar boven

2.5.5 Niet aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang

Als de persoon die goederen aanbrengt op het douanekantoor van uitgang verzuimt om een zending aan te brengen bij het douanekantoor van uitgang is de douane niet in staat om toezicht bij uitgaan uit te oefenen. Het douanekantoor van uitgang kan niet vaststellen dat de goederen die zijn uitgegaan overeenstemmen met de goederen vermeld in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer. Uit het feit dat de vervoerder de zending heeft opgenomen in het uitgaand manifest kan worden afgeleid dat de zending het douanegebied van de Unie heeft verlaten, maar leidt ook tot de conclusie dat de zending is uitgegaan zonder douanetoezicht en zonder dat deze door de douane voor uitgaan was vrijgegeven.

Het douanekantoor van uitgang informeert het douanekantoor van uitvoer hierover in het bericht ‘resultaten bij uitgang’. Het douanekantoor van uitvoer bepaalt vervolgens de gevolgen van het niet-aanbrengen. Dit kan betekenen dat een verzoek om teruggaaf niet wordt gehonoreerd omdat niet is vastgesteld dat de aangegeven goederen ook daadwerkelijk in dezelfde staat als op het moment van de aanvaarding van de aangifte het douanegebied hebben verlaten.

Naar boven

2.5.6 Ontheffing van de aanbrengplicht

Schepen en luchtvaartuigen hoeven niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang indien:

  1. de eerste haven of luchthaven van bestemming is gelegen binnen het douanegebied van de Unie;

  2. geen goederen aan boord zijn waarvoor bij de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer of andere belastingen aan het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld;

  3. op de aan boord aanwezige goederen geen verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet bij het verlaten van het douanegebied van de Unie van toepassing zijn of zouden zijn; en

  4. het schip of luchtvaartuig in de Unie thuishoort.

(Artikel 6:4 Algemene douaneregeling)

Naar boven
2.5.6.1 Vervallen van de ontheffing van de aanbrengplicht

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Er geldt geen ontheffing van de aanbrengverplichting als voor de in -paragraaf ‘2.5.6 Ontheffing van de aanbrengplicht’ van dit onderdeel genoemde schepen en luchtvaartuigen ter zake van de uitvoer of wederuitvoer of met het oog op het verkrijgen van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer bij het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.

(artikel 6:4, lid 2 Algemene douaneregeling)

Als met de in paragraaf ‘2.5.6 Ontheffing van de aanbrengplicht’ van dit onderdeel genoemde schepen of luchtvaartuigen goederen worden vervoerd waarvoor ter zake van de uitvoer of wederuitvoer douaneformaliteiten moeten worden vervuld, moet het schip of luchtvaartuig worden aangebracht bij het douanekantoor van uitgang.

Het schip moet ook worden aangebracht als het zelf ten (weder)uitvoer wordt aangegeven; bijvoorbeeld als het schip in Nederland is gebouwd en uitgaat in het kader van de levering aan de buiten het douanegebied van de Unie gevestigde koper. Deze situatie zal zich voor de genoemde luchtvaartuigen niet of nauwelijks voordoen omdat hiermee over het algemeen geen goederen worden vervoerd. Een denkbare situatie is die waarbij met een militair luchtvaartuig persoonlijke bezittingen van militairen worden vervoerd. In dat geval moet ook het luchtvaartuig worden aangebracht bij het douanekantoor van uitgang.

Let op!

Een schip of luchtvaartuig moet wel worden aangebracht als het zelf ten uitvoer wordt aangegeven. Een voorbeeld hiervan is de uitvoer van een schip dat in Nederland is gebouwd.

Naar boven

2.5.7 Uitwijk

TBij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
en uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen kunnen worden aangebracht bij een ander douanekantoor van uitgang dan vermeld in de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer.

(Artikel 331 lid 2 UVo.DWU)

In de praktijk komt het voor dat zendingen via een ander douanekantoor uitgaan dan voorzien op het tijdstip dat de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer werd opgemaakt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als het uitgaande vervoermiddel waarmee de goederen zullen uitgaan de voorziene (lucht)haven niet aandoet. De goederen worden dan, in beginsel onder geleide van het UGD (uitvoergeleidedocument), vervoerd naar de (lucht)haven waar het vervoermiddel wel aankomt. Dit kan ook in een andere lidstaat zijn. De goederen worden bij het feitelijke douanekantoor van uitgang aangebracht. Dit douanekantoor vraagt dan de gegevens van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer op bij het douanekantoor van uitvoer. Dit gebeurt met behulp van AES (Automated Export System); de aankomstmelding (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om naast de aankomstgegevens ook de verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) bevat het MRN (master reference number) van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer en dit biedt de ingang naar de aangiftegegevens. Nadat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, bevestigt het feitelijke douanekantoor van uitgang het uitgaan via ECS aan het douanekantoor van uitvoer.

Naar boven

2.6 Douanekantoor van uitgang

2.6.1 Inleiding

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
In deze paragraaf wordt het douanekantoor van uitgang gedefinieerd. Welk douanekantoor als douanekantoor van uitgang wordt aangemerkt, varieert, afhankelijk van de wijze van vervoer bij uitgaan of de vervoersregeling die na vrijgave voor uitvoer of wederuitvoer wordt gekozen.

Artikel 267 DWU schrijft voor dat Unie- en niet-Uniegoederen die door het douanekantoor van uitvoer zijn vrijgegeven voor uitvoer moeten worden overgebracht naar het douanekantoor van uitgang en aldaar worden aangebracht. Niet-Uniegoederen die met het oog op de aanzuivering van een bijzondere regeling ten wederuitvoer zijn aangegeven, moeten onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer naar het douanekantoor van uitgang worden overgebracht.

In de meeste gevallen (de zogenaamde standaardsituatie) is het douanekantoor van uitgang het douane kantoor dat bevoegd is voor de plaats van waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten (artikel 329 lid 1 UVo.DWU). Het formaliteiten- en toezichtstelsel bij uitgaan en AES (Automated Export System) zijn op deze situatie ingericht.

Bij bepaalde wijzen van vervoer of als na vrijgave voor uitvoer wordt gekozen voor een vervoersregeling wijst artikel 329 UVo.DWU een ander douanekantoor aan als douanekantoor van uitgang. In die gevallen wijken de douaneformaliteiten en het douanetoezicht af van die in de standaardsituatie.

In deze paragraaf komen achtereenvolgens aan de orde:

  1. Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen worden onder dekking van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer vervoerd naar de plaats van waar zij het douanegebied van de Unie verlaten (de standaardsituatie, paragraaf ‘2.6.2 Uitgaan onder dekking van de aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer’ van dit onderdeel);

  2. Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen die het douanegebied van de Unie verlaten via een vaste transportinrichting (paragraaf ‘2.6.3

    Uitgaan via een vaste transportinrichting’ van dit onderdeel);
  3. Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen die worden geladen op een schip of een luchtvaartuig voor vervoer naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie (paragraaf ‘2.6.4 Uitgaan met een schip of een luchtvaartuig’ van dit onderdeel);

  4. Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen die worden geladen op een schip dat geen lijndienst onderhoudt zoals bedoeld in artikel 120 GVo.DWU (paragraaf ‘2.6.5 Uitgaan met een schip dat geen lijndienst onderhoudt zoals bedoeld in artikel 120 GVo.DWU’ van dit onderdeel);

  5. Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen die na vrijgave voor uitvoer onder een regeling extern douanevervoer worden geplaatst (paragrafen ‘2.6.6 Wederuitvoer in combinatie met extern douanevervoer’ van dit onderdeel en ‘2.6.7 Uitvoer in combinatie met extern douanevervoer’ van dit onderdeel);

  6. Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen die na vrijgave voor uitvoer onder een andere regeling douanevervoer dan de regeling extern douanevervoer worden geplaatst (paragraaf ‘2.6.8 Uitvoer in combinatie met een andere regeling douanevervoer dan de regeling extern douanevervoer’ van dit onderdeel);

  7. Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen die door een spoorwegmaatschappij, de posterijen, een luchtvaart- of scheepvaartmaatschappij voor vervoer ten laste worden genomen in het kader van een enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de Unie en de goederen verlaten het douanegebied van de Unie per spoor, per post, door de lucht of over zee (paragraaf ‘2.6.9 Uitgaan onder een enkelvoudige vervoersovereenkomst’ van dit onderdeel).

Let op!

In deze en de volgende sub-paragrafen wordt gesproken over uitvoer en wederuitvoer, dus zowel over het uitgaan van Uniegoederen als over het uitgaan van niet-Uniegoederen. Voor Uniegoederen is een aangifte ten uitvoer gedaan waardoor zij zich onder de regeling uitvoer bevinden en voor de niet-Uniegoederen is een aangifte tot wederuitvoer gedaan om vanuit de bijzondere regeling waaronder de niet-Uniegoederen zich bevinden het douanegebied van de Unie te verlaten (artikelen 144 en 149 DWU). Het verlaten van het douanegebied van de Unie vormt het sluitstuk van de regeling uitvoer of leidt tot zuivering van de tijdelijke opslag of de bijzondere regeling (artikel 215 lid 1 DWU, artikel 267 lid 5 UVo.DWU).

De term ‘goederen’ duidt op zowel Uniegoederen als op niet-Uniegoederen!

Naar boven

2.6.2 Uitgaan onder dekking van de aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
In deze sub-paragraaf wordt de standaardsituatie bij uitvoer/wederuitvoer beschreven en toegelicht. Het betreft Uniegoederen waarvoor een aangifte ten uitvoer of niet-Uniegoederen waarvoor een aangifte tot wederuitvoer is ingediend en die het douanegebied van de Unie onder dekking van deze aangifte verlaten.

In deze situatie is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten voor een bestemming buiten dat gebied.

(artikel 329 lid 1 UVo.DWU).

Naar boven
2.6.2.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Op basis van de door de vervoerder ingediende mededeling van uitgaan, waarin ook het MRN (master reference number) van de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer is opgenomen, stelt het douanekantoor van uitgang vast dat de goederen zijn uitgegaan en bevestigt dit douanekantoor het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer. Het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever/houder van de regeling, waarmee deze, in het geval van uitvoer, bijvoorbeeld de nul-levering voor de BTW kan aantonen of, in het geval van wederuitvoer, kan aantonen dat de bijzondere regeling is gezuiverd.

(Artikel 215 lid 1 DWU, artikel 332 lid 5 UVo.DWU, artikel 333 lid 2 UVo.DWU, artikel 334 lid 1 UVo.DWU)

Naar boven

2.6.3 Uitgaan via een vaste transportinrichting

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Goederen zoals elektrische energie, olie en gas worden doorgaans vervoerd via (pijp)leidingen (vaste transportinrichtingen voor het ononderbroken transport). Bij grensoverschrijdend verkeer moet dan een aangifte ten uitvoer (voor Uniegoederen) of een aangifte tot wederuitvoer (voor niet-Uniegoederen) worden ingediend (artikelen 158, 269 lid 1 en 270 leden 1 en 2 DWU). Die aangifte moet ingevolge artikel 221 lid 2 UVo.DWU worden gedaan bij:

  • het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd;

  • het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen voor uitvoer of wederuitvoer worden verpakt of geladen;


  • een ander douanekantoor in de betrokken lidstaat dat om administratieve redenen bevoegd is voor de handelingen in kwestie.

    Wanneer via een vaste transportinrichting vervoerde goederen via die inrichting het douanegebied van de Unie verlaten, worden deze goederen geacht bij de Douane te zijn aangebracht wanneer zij in de vaste transportinrichting zijn geplaatst.

Voor goederen die via een pijpleiding vertrekken en voor elektrische energie geldt ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen (artikel 245 lid 1 onder a en onder b GVo.DWU).

De Uniegoederen behouden de status van Uniegoederen (artikel 154 onder a DWU) en de niet-Uniegoederen blijven onder de bijzondere regeling totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten (artikel 215 DWU, artikel 267 lid 5 UVo.DWU).

Artikel 329 lid 2 UVo.DWU bepaalt dat voor goederen die het douanegebied van de Unie verlaten via een vaste transportinrichting het douanekantoor van uitvoer ook het douanekantoor van uitgang is.

Voor het vervoer via een vaste transportinrichting is een ‘Overeenstemming vervoer via vaste transportinrichting’ vereist. Met de ‘Overeenstemming vervoer via vaste transportinrichting’ kunt u een vereenvoudigde procedure voor de douaneregeling douanevervoer (Unie- of Gemeenschappelijk douanevervoer) toepassen. De vereenvoudiging gaat uit van een administratief gecontroleerd systeem waarbij geen aangiften voor de regeling douanevervoer worden gebruikt. Een verzoek en de algemene informatie over deze overeenstemming is te vinden op douane.nl.

Let op!

Goederen die via een vaste transportinrichting de Unie verlaten, worden geacht bij de Douane te zijn aangebracht wanneer zij in de vaste transportinrichting zijn geplaatst. Voor door een vaste transportinrichting vervoerde goederen hoeft dus geen aankomstmelding (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om naast de aankomstgegevens ook de verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) te worden ingestuurd.
(Artikel 331 lid 3 UVo.DWU)
Naar boven
2.6.3.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Het in de pijp brengen van gas of olie, of het op de leiding brengen van elektrische energie is afdoende garantie dat het product de Unie via de pijp of leiding zal verlaten. Het feit dat het een constante goederenstroom betreft, maakt het onmogelijk om een exact moment te bepalen waarop een partij gas, olie of elektrische energie het douanegebied van de Unie verlaat. Met behulp van meters kan van de gemeten hoeveelheid die in of op de leiding is gebracht, worden aangenomen dat deze is uitgegaan en kan het douanekantoor van uitvoer ook het douanekantoor van uitgang zijn.

Doordat het douanekantoor van uitvoer ook douanekantoor van uitgang is, bevinden de goederen zich al direct na vrijgave voor (weder)uitvoer bij het douanekantoor van uitgang en worden zij geacht daar te zijn aangebracht en te zijn uitgegaan. Het douanekantoor van uitvoer/uitgang bevestigt vervolgens het uitgaan aan de aangever.

(Artikel 329 lid 2, UVo.DWU, artikel 333 lid 1 UVo.DWU, artikel 334 lid 1 en 3 onder b UVo.DWU)

Naar boven

2.6.4 Uitgaan met een schip of een luchtvaartuig

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Artikel 329 lid 3 UVo.DWU bepaalt dat als de voor uitvoer of wederuitvoer vrijgegeven goederen worden geladen op een schip of een luchtvaartuig voor vervoer naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie, het douanekantoor van uitgang het douanekantoor is dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het schip of luchtvaartuig worden geladen. Dit kan hetzelfde douanekantoor zijn als waar de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer is ingediend (dan is het douanekantoor van uitvoer ook douanekantoor van uitgang), maar het kan ook een ander douanekantoor zijn. In het laatste geval brengt het douanekantoor van uitvoer de gegevens van de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer, waaronder het MRN (master reference number), in AES (Automated Export System) en moeten de voor (weder)uitvoer vrijgegeven goederen onder dekking van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer worden overgebracht naar het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen aan boord van het schip of luchtvaartuig worden geladen (artikel 267 lid 1 UVo.DWU) en daar worden aangebracht (artikel 267 lid 2 DWU).

Voorbeeld

Goederen worden in Dordrecht geladen in het schip waarmee zij via Rotterdam rechtstreeks (dus zonder overlading) het douanegebied van de Unie gaan verlaten. Omdat Dordrecht tot het werkgebied van douanekantoor Breda/Moerdijk behoort, is douanekantoor Breda/Moerdijk dan op grond van artikel 329 lid 3 UVo.DWU dan douanekantoor van uitgang. Dat de goederen het douanegebied van de Unie feitelijk via het ambtsgebied van douanekantoor Rotterdam-Haven verlaten, doet hieraan niet af.

Bij vervoer door de lucht is het douanekantoor waaronder de internationale luchthaven zich bevindt het douanekantoor van uitgang. Dit is begrijpelijk omdat bij uitgaan via de lucht het zogenaamde ‘wheels off’ gelijk staat aan het verlaten van het douanegebied van de Unie.

De douanekantoren die in Nederland zijn aangewezen als douanekantoor van uitgang voor goederen die over zee het douanegebied van de Unie verlaten, zijn opgenomen in bijlage III bij de Algemene douaneregeling. De douanekantoren die in Nederland zijn aangewezen als douanekantoor van uitgang voor goederen die door de lucht het douanegebied van de Unie verlaten, zijn opgenomen in bijlage IV bij de Algemene douaneregeling.

( Artikel 6:1 leden 1 en 2 Algemene douaneregeling )

De bijlagen noemen de plaatsen (plaatsnamen) waar douanekantoren van uitgang zijn gevestigd voor het aanbrengen en aangeven van goederen die zullen uitgaan. Bij dit douanekantoor kunnen alle goederen worden aangebracht die binnen het ambtsgebied van dit kantoor arriveren. De ambtsgebieden van de douanekantoren van uitgang zijn opgenomen in de kantorenlijst die is gepubliceerd op douane.nl.

Naar boven
2.6.4.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Zodra het schip of luchtvaartuig de haven of luchthaven heeft verlaten, worden de goederen geacht te zijn uitgegaan. Het douanekantoor van uitgang bevestigt het uitgaan uiterlijk op de dag volgende op de dag waarop het schip of luchtvaartuig de haven of luchthaven heeft verlaten aan het douanekantoor van uitvoer. Het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever.

(Artikel 333 lid 2 onder a UVo.DWU, artikel 334 lid 1 onder b UVo.DWU)

Als het douanekantoor van uitgang hetzelfde douanekantoor is als het douanekantoor waar de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer is ingediend (het douanekantoor van uitvoer is ook douanekantoor van uitgang), bevestigt dit kantoor het uitgaan aan de aangever. Als het douanekantoor van uitgang niet hetzelfde douanekantoor is als het douanekantoor van uitvoer bevestigt het douanekantoor van uitgang het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer en bevestigt dit douanekantoor het uitgaan vervolgens aan de aangever.

(Artikel 329 lid 2, UVo.DWU, artikel 333 lid 1 UVo.DWU, artikel 334 lid 1 onder b UVo.DWU)

Vooral bij vervoer via zee is het mogelijk dat op het moment dat het douanekantoor van uitgang het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer bevestigt of het douanekantoor van uitvoer het uitgaan aan de aangever bevestigt, de goederen het douanegebied van de Unie nog niet daadwerkelijk hebben verlaten. De douane legt het tijdstip van uitgaan niet vast in BUP Uitgaan (Binnenbrengen, Uitgaan, Proviandering – applicatie voor raadplegen, signaleringen, registreren aankomsten).. Het bericht van uitgaan is gelijk aan het moment van vertrek. Dit bericht verstuurt het Havenbedrijf via Single Window voor maritiem en lucht (SW). Dit bericht heet de ‘Actual Time of Departure’ (ATD). Het moment van de ATD is het vertrek van de ligplaats, het zogenaamde ‘trossen los’ moment. Het feit dat het schip of luchtvaartuig een bestemming buiten het douanegebied van de Unie en de goederen aan boord van dat schip of luchtvaartuig blijven, is afdoende garantie dat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten.

Voor uitgaan via zee is de ligplaats (zie Codeboek Douane/Actueel codeboek/onderdeel AES (Automated Export System) Uitgaan/N24-Locatiecode NL), die is gemeld in de vooraanmelding van vertrek en de daadwerkelijke vertrekmelding, van belang. Ligplaatsen worden uitgegeven door havenbedrijven die de codes (laten) opnemen in hun havensysteem. De (nieuwe) ligplaatsen worden door het havenbedrijf (meestal door tussenkomst van een provider) doorgegeven aan de Douane. De Douane neemt de coderingen op in de tabel ‘N24-Locatiecode NL’ van het Codeboek Douane. DMF valideert de opgegeven ligplaats op deze tabel. De omschrijving van de ligplaats is een aanduiding van de plaats, haven, boei/paal/oever, eventueel aangevuld met een bedrijfsnaam. Als een bedrijfsnaam wordt doorgegeven dan bevindt de ligplaats zich bij een aan een bedrijf verleende vergunning voor de opslag van goederen. Het havenbedrijf gebruikt de ligplaatscodering voor facturering van het havengeld.

Naar boven

2.6.5 Uitgaan met een schip dat geen lijndienst onderhoudt zoals bedoeld in artikel 120 GVo.DWU

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Deze situatie heeft uitsluitend betrekking op uitgaan via zee. Het verschil met de in paragraaf ‘2.6.4. Uitgaan met een schip of een luchtvaartuig’ van dit onderdeel beschreven situatie is dat het schip waarop de goederen zijn geladen, vóórdat het de Unie verlaat, nog een andere EU-haven zal aandoen, maar niet in het kader van een lijndienst. De procedure is gelijk aan die in paragraaf ‘2.6.4. Uitgaan met een schip of een luchtvaartuig’ van dit onderdeel.

Artikel 329 lid 4 UVo.DWU bepaalt dat het douanekantoor van uitgang het douanekantoor is dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het schip worden geladen.

Let op!

Als er wél sprake is van een lijndienst wordt het douanekantoor van uitgang bepaald door de hoofdregel van artikel 329 lid 1 UVo.DWU en is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten voor een bestemming buiten dat gebied en geldt de procedure als beschreven in paragraaf ‘2.6.2 Uitgaan onder dekking van de aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer’ van dit onderdeel.

In de lijn van het voorbeeld in paragraaf ‘2.6.4 Uitgaan met een schip of een luchtvaartuig’ van dit onderdeel betekent dit dat als goederen in Dordrecht worden geladen in een schip dat een lijndienst onderhoudt met Newcastle en het schip vanuit Newcastle naar een bestemming buiten de Unie vaart (en dus na Newcastle geen gebruik meer maakt van zijn vergunning lijndienst), Newcastle douanekantoor van uitgang is (en niet douanekantoor Roosendaal/Moerdijk zoals in paragraaf ‘2.6.4 Uitgaan met een schip of een luchtvaartuig’ van dit onderdeel ). Het maakt daarbij geen verschil of de goederen via Newcastle met hetzelfde schip of, na overlading, met een ander schip uitgaan.

Naar boven
2.6.5.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De goederen worden geacht te zijn uitgegaan zodra het schip de haven heeft verlaten. Het douanekantoor van uitgang bevestigt uiterlijk op de dag volgende op de dag waarop het schip de haven heeft verlaten het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer. Het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever.

(Artikel 333 lid 2 onder a UVo.DWU, artikel 334 lid 1 onder b UVo.DWU)

Het kan voor komen dat het douanekantoor van uitgang het uitgaan bevestigt aan het douanekantoor van uitvoer of het douanekantoor van uitvoer het uitgaan bevestigt aan de aangever voordat de goederen het douanegebied van de Unie daadwerkelijk hebben verlaten. Het feit dat de bestemming van het schip een plaats buiten het douanegebied van de Unie is, waarborgt voldoende dat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten. Omdat er geen sprake is van een lijndienst wordt het binnenkomen in een andere Unie-haven aangemerkt als binnenbrengen in de zin van artikel 127 DWU.

Naar boven

2.6.6 Wederuitvoer in combinatie met extern douanevervoer

Deze paragraaf gaat over de situatie waarin ná het indienen van een aangifte tot wederuitvoer voor dezelfde niet-Uniegoederen een aangifte voor extern douanevervoer wordt gedaan.

Niet-Uniegoederen bevinden zich in tijdelijke opslag (artikel 144 DWU) of onder een bijzondere regeling (opslagregelingen – artikel 237 DWU; tijdelijke invoer – artikel 250 DWU; actieve veredeling – artikel 257 DWU). Tijdelijke opslag wordt beëindigd als de niet-Uniegoederen worden wederuitgevoerd of onder een douaneregeling worden geplaatst (artikel 149 DWU) en een bijzondere regeling wordt gezuiverd als de daaronder geplaatste niet-Uniegoederen of de daaruit verkregen veredelingsprodukten het douanegebied van de Unie verlaten, onder een opvolgende douaneregeling worden geplaatst, zijn vernietigd zonder afvalresten of aan de staat worden afgestaan (artikel 215 lid 1 DWU). Als niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie verlaten, moet een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend (artikel 270 lid 1 DWU, artikel 263 leden 1 en 3 DWU).

Let op!

Het aanvaarden van een aangifte tot wederuitvoer of het vrijgeven van niet-Uniegoederen voor wederuitvoer leidt niet tot beëindiging van de tijdelijke opslag of zuivering van de bijzondere regeling! De tijdelijke opslag of de bijzondere regeling is pas beëindigd/gezuiverd als is bevestigd dat de niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie daadwerkelijk hebben verlaten.

De reden om naast een aangifte tot wederuitvoer een aangifte voor extern douanevervoer te doen, is veelal dat de plaatsing onder de regeling extern douanevervoer direct leidt tot beëindiging van de tijdelijke opslag of de zuivering van de bijzondere regeling van waaruit de goederen de bestemming wederuitvoer hebben gekregen. De vergunninghouder RTO of de vergunninghouder van de bijzondere regeling is dan eerder ontheven van de verplichtingen die uit zijn vergunning voortvloeien. Extern douanevervoer is verplicht als het vervoer naar de plaats waar de niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie definitief zullen verlaten, plaatsvindt via het grondgebied van een derde land (artikelen 226 en 234 DWU, artikelen 272 en 278 UVo.DWU). Door de plaatsing onder de regeling extern douanevervoer wordt de tijdelijke opslag of de bijzondere regeling direct beëindigd/gezuiverd en is de vergunninghouder RTO of de vergunninghouder van de bijzondere regeling direct ontheven van de verplichtingen die uit zijn vergunning voortvloeien.

Extern douanevervoer kan plaatsvinden:

  • met toepassing van de regeling extern Uniedouanevervoer;

  • overeenkomstig de TIR-overeenkomst, op voorwaarde dat het vervoer buiten het douanegebied van de Unie eindigt of geschiedt tussen twee plaatsen in de Unie over het grondgebied van een derde land;

  • overeenkomstig de ATA-overeenkomst / Overeenkomst van Istanbul;

  • onder geleide van het Rijnvaartmanifest;

  • onder geleide van formulier 302;

  • onder het poststelsel.

(Artikel 226 lid 3 DWU)

In de meeste gevallen zal het extern douanevervoer plaatsvinden met toepassing van de regeling extern Uniedouanevervoer en, in mindere mate, overeenkomstig de TIR-overeenkomst. Zie voor specifieke bepalingen omtrent de regeling extern Uniedouanevervoer en de TIR-overeenkomst de Handboek Douane onderdelen 14.20.00 en 14.30.00.

De aanvaarding van de aangifte voor extern douanevervoer heeft de volgende gevolgen:

  1. het douanekantoor van vertrek van de regeling extern douanevervoer is het douanekantoor van uitgang (artikel 329 lid 5 UVo.DWU);

  2. de tot wederuitvoer aangegeven niet-Uniegoederen bevinden zich direct na de aanvaarding van de aangifte voor extern douanevervoer bij het douanekantoor van uitgang. Hiermee is voldaan aan de in artikel 267 lid 1 UVo.DWU opgenomen verplichting om de tot wederuitvoer aangegeven niet-Uniegoederen onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer over te brengen naar het douanekantoor van uitgang;

  3. de tot wederuitvoer aangegeven niet-Uniegoederen worden geacht te zijn aangebracht bij het douanekantoor van uitgang. Voorwaarde voor aanvaarding van de aangifte voor extern douanevervoer is dat de goederen zijn aangebracht (artikel 172 lid 1 DWU). Omdat dit dezelfde goederen zijn als waarvoor de aangifte tot wederuitvoer is ingediend - de aangever vermeldt in de aangifte voor extern douanevervoer onder meer het MRN (master reference number) van de aangifte tot wederuitvoer -, is ook voor de tot wederuitvoer aangegeven goederen aan de aanbrengplicht voldaan (artikel 331 lid 1 UVo.DWU).

Naar boven
2.6.6.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De plaatsing onder de regeling extern douanevervoer heeft tot gevolg dat de tot wederuitvoer aangegeven niet-Uniegoederen geacht worden te zijn uitgegaan. Het uitgaan en het bevestigen daarvan is dus gekoppeld aan de plaatsing onder de regeling extern douanevervoer en niet aan het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied van de Unie. Dit blijkt uit artikel 333 lid 2 2e alinea onder b UVo.DWU waarin is bepaald dat het douanekantoor van uitgang uiterlijk op de eerste werkdag na de dag waarop de regeling extern douanevervoer is aangezuiverd het douanekantoor van uitvoer over het uitgaan van de goederen moet informeren. Het douanekantoor van uitgang legt het uitgaan vast in AES (Automated Export System) en het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever of exporteur (artikel 334 lid 1 onder b UVo.DWU).

Omdat het uitgaan is gekoppeld aan de plaatsing onder de regeling extern douanevervoer en niet aan het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied van de Unie wordt in deze situatie gesproken van ‘fictief uitgaan’.

Zie paragraaf ‘2.6.6.2 Uitgaan na de regeling extern douanevervoer’ van dit onderdeel voor de formaliteiten die ter zake van het uitgaan nog moeten worden verricht nadat de niet-Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst.

Naar boven
2.6.6.2 Uitgaan na de regeling extern douanevervoer

[Gereserveerd]

Naar boven

2.6.7 Uitvoer in combinatie met extern douanevervoer

Deze paragraaf gaat over de situatie waarin ná het indienen van een aangifte ten uitvoer voor dezelfde goederen een aangifte voor extern douanevervoer wordt gedaan.

Uniegoederen kunnen alleen onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst als de douanewetgeving dat toestaat. De wettelijke bepalingen noemen een aantal specifieke gevallen waarin het verplicht is om Uniegoederen die worden uitgevoerd onder de regeling extern douanevervoer te plaatsen.

(Artikel 226 lid 2 DWU, artikel 189 GVo.DWU)

De verplichting van extern douanevervoer geldt voor Uniegoederen die worden uitgevoerd naar een derde land dat partij is bij de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, of worden uitgevoerd via een of meer dergelijke landen en de bepalingen van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van toepassing zijn. De verplichting geldt alleen voor:

  1. Uniegoederen waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld met het oog op de toekenning van uitvoerrestituties in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; of

  2. Uniegoederen die afkomstig zijn uit interventievoorraden, onderworpen aan maatregelen ter controle van het gebruik of de bestemming ervan en er zijn douaneformaliteiten bij uitvoer voor verricht in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; of

  3. Uniegoederen die in aanmerking komen voor de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten onder voorwaarde dat zij onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst overeenkomstig artikel 118, lid 4 DWU (goederen die gebreken vertonen).

Let op!

Andere dan de hiervoor genoemde Uniegoederen kunnen niet onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst. Deze paragraaf heeft alleen betrekking op de samenloop van een aangifte ten uitvoer met een aangifte voor extern douanevervoer voor de bovenstaande specifieke gevallen.

De aanvaarding van de aangifte voor extern douanevervoer heeft de volgende gevolgen:

  1. het douanekantoor van vertrek van de regeling extern douanevervoer is ook douanekantoor van uitgang (artikel 329 lid 5 UVo.DWU);

  2. de ten uitvoer aangegeven Uniegoederen bevinden zich bij het douanekantoor van uitgang en worden geacht daar, overeenkomstig de verplichting in artikel 267 DWU, te zijn aangebracht. Aan de aanvaarding van de aangifte voor extern douanevervoer is de voorwaarde gekoppeld dat de goederen zijn aangebracht (artikel 172 lid 1 DWU). Omdat dit dezelfde goederen betreft als waarvoor de aangifte ten uitvoer is ingediend, worden ook de ten uitvoer aangegeven goederen geacht te zijn aangebracht;

Zie voor de specifieke bepalingen omtrent de regeling extern Uniedouanevervoer onderdeel 14.20.00 van dit Handboek.

Naar boven
2.6.7.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De plaatsing onder de regeling extern douanevervoer heeft tot gevolg dat de ten uitvoer aangegeven Uniegoederen worden geacht te zijn uitgegaan. Het uitgaan en het bevestigen daarvan is gekoppeld aan de plaatsing onder de regeling extern douanevervoer en niet aan het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied van de Unie. Dit blijkt uit artikel 333 lid 2 2e alinea onder b UVo.DWU waarin is bepaald dat het douanekantoor van uitgang uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst het douanekantoor van uitvoer over het uitgaan van de goederen moet informeren. Het douanekantoor van uitgang legt het uitgaan vast in AES (Automated Export System) en het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever of exporteur (artikel 334 UVo.DWU).

Omdat het uitgaan is gekoppeld aan de plaatsing onder de regeling extern douanevervoer en niet aan het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied van de Unie wordt in deze situatie gesproken van ‘fictief uitgaan’.

Naar boven

2.6.8 Uitvoer in combinatie met een andere regeling douanevervoer dan de regeling extern douanevervoer

Onder het in artikel 329 lid 6 UVo.DWU gebezigde begrip “een andere regeling douanevervoer dan de regeling extern douanevervoer” moet, gelet op het in het DWU gemaakte onderscheid, worden begrepen: intern douanevervoer.

(Titel VII Hoofdstuk 2 Afdeling 1 DWU)

Voor Uniegoederen waarvoor een aangifte ten uitvoer is gedaan, kan aansluitend een aangifte voor intern douanevervoer worden gedaan. Intern douanevervoer is het vervoer van Uniegoederen tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Unie over een buiten het douanegebied van de Unie gelegen land of grondgebied (bijvoorbeeld Zwitserland), zonder wijziging van hun douanestatus (artikel 227 lid 1 DWU).

Uniegoederen waarvoor een aangifte ten uitvoer is gedaan, behouden de douanestatus van Uniegoederen totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten (artikel 154 onder a DWU).

Het gebruik van de regeling intern douanevervoer na uitvoer is slechts mogelijk als:

  1. Het douanekantoor van bestemming van het douanevervoer is gelegen in een land dat deelneemt het gemeenschappelijk douanevervoer; of

  2. Het douanekantoor van bestemming van het douanevervoer is gelegen op de grens van het douanegebied van de Unie en de goederen verlaten dat douanegebied nadat zij door een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie zijn vervoerd.

(Artikel 329 lid 6 UVo.DWU)

Intern douanevervoer vindt plaats op een van de volgende wijzen:

  • onder de regeling intern Uniedouanevervoer;

  • overeenkomstig de TIR-overeenkomst;

  • overeenkomstig de ATA-overeenkomst / Overeenkomst van Istanbul wanneer douanevervoer plaatsvindt;

  • onder geleide van het Rijnvaartmanifest;

  • onder geleide van formulier 302;

  • onder het poststelsel.

(Artikel 227 lid 2 DWU)

Als voor de voor uitvoer vrijgegeven Uniegoederen een aangifte voor intern douanevervoer wordt gedaan, is het douanekantoor van vertrek van de regeling douanevervoer douanekantoor van uitgang.

(Artikel 329 lid 6 UVo.DWU)

Voorbeeld 1

Uniegoederen worden uitgevoerd naar Noorwegen (deelnemend land aan het gemeenschappelijk douanevervoer). De aangifte ten uitvoer wordt gedaan in Zwolle en direct na vrijgave voor uitvoer wordt, eveneens in Zwolle, een aangifte voor gemeenschappelijk douanevervoer gedaan met douanekantoor van bestemming Oslo. Ingevolge artikel 329 lid 6 onder a UVo.DWU is Zwolle douanekantoor van uitgang.

Voorbeeld 2

Uniegoederen worden uitgevoerd naar Tunesië. De goederen worden over de weg via Zwitserland naar Genua vervoerd en daar geladen in een schip met bestemming Tunesië. De aangifte ten uitvoer wordt gedaan in Zwolle en direct na vrijgave voor uitvoer wordt, eveneens in Zwolle, een aangifte voor intern douanevervoer gedaan met douanekantoor van bestemming Genua. Het intern douanevervoer kan plaatsvinden onder de regeling intern gemeenschappelijk douanevervoer omdat Zwitserland een deelnemend land is, maar in theorie kan ook onder de TIR-regeling worden vervoerd. Ingevolge artikel 329 lid 6 onder b UVo.DWU is Zwolle douanekantoor van uitgang.

Als Milaan douanekantoor van bestemming zou zijn, wordt niet aan de in artikel 329 lid 6 UVo.DWU gestelde eisen voldaan omdat Milaan niet op de grens van het douanegebied van de Unie ligt. In dat geval is Zwolle alleen douanekantoor van vertrek en geen douanekantoor van uitgang. Echter, als de goederen in Milaan in een vliegtuig worden geladen en via de lucht naar Tunesië worden vervoerd, ligt Milaan wel op de grens van het douanegebied van de Unie en is Zwolle wel douanekantoor van uitgang.

Voorbeeld 3

Uniegoederen worden uitgevoerd naar Egypte en worden over de weg via Albanië naar Piraeus (GR) vervoerd en daar geladen in een schip met bestemming Egypte. De aangifte ten uitvoer wordt gedaan in Zwolle en direct na vrijgave voor uitvoer wordt, eveneens in Zwolle, een aangifte voor intern douanevervoer gedaan met douanekantoor van bestemming Piraeus. Omdat via Albanië wordt gereden (Albanië is geen-Unie-land en ook geen deelnemer aan het gemeenschappelijk douanevervoer) moet het intern douanevervoer plaatsvinden onder de TIR-regeling. Omdat Piraeus aan de grens van het douanegebied van de Unie ligt, is Zwolle, ingevolge artikel 329 lid 6 onder b UVo.DWU douanekantoor van uitgang.

De aanvaarding van de aangifte voor intern douanevervoer heeft de volgende gevolgen:

  1. het douanekantoor van vertrek van de regeling intern douanevervoer is douanekantoor van uitgang (artikel 329 lid 6 UVo.DWU);

  2. de ten uitvoer aangegeven Uniegoederen bevinden zich bij het douanekantoor van uitgang en worden geacht daar, overeenkomstig de verplichting in artikel 267 DWU, te zijn aangebracht. Aan de aanvaarding van de aangifte voor intern douanevervoer is de voorwaarde gekoppeld dat de goederen zijn aangebracht (artikel 172 lid 1 DWU). Omdat dit dezelfde goederen betreft als waarvoor de aangifte ten uitvoer is ingediend, worden ook de ten uitvoer aangegeven goederen geacht te zijn aangebracht.

Naar boven
2.6.8.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De ten uitvoer aangegeven Uniegoederen worden geacht te zijn uitgegaan op de dag waarop de regeling intern douanevervoer is aangezuiverd (artikel 333 lid 2 onder c UVo.DWU). Het douanekantoor van vertrek van de regeling intern douanevervoer is ook douanekantoor van uitgang. Dit douanekantoor bevestigt het uitgaan uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de regeling intern douanevervoer is aangezuiverd (artikel 333 lid 2 onder c UVo.DWU). Het douanekantoor van uitgang legt het uitgaan vast in AES (Automated Export System) en het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever of exporteur (artikel 334 UVo.DWU).

Naar boven

2.6.9 Uitgaan onder een enkelvoudige vervoersovereenkomst

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Deze paragraaf gaat over ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen die door een spoorwegmaatschappij, de posterijen, een luchtvaart- of scheepvaartmaatschappij voor vervoer ten laste worden genomen in het kader van een enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de Unie en die het douanegebied van de Unie per spoor, per post, door de lucht of over zee verlaten. In deze situatie is het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het kader van de enkele vervoersovereenkomst ten laste worden genomen douanekantoor van uitgang (artikel 329 lid 7 UVo.DWU). Artikel 329 lid 7 UVo.DWU is weliswaar een ‘kan’-bepaling die op verzoek van de marktdeelnemer kan worden toegestaan, maar in Nederland heeft deze ‘kan’-bepaling een algemeen karakter. Het maakt daarbij geen verschil of het Uniegoederen betreft waarvoor een aangifte ten uitvoer is gedaan of niet-Uniegoederen betreft waarvoor een aangifte tot wederuitvoer is gedaan.

Voorbeeld

Een luchtvaartmaatschappij neemt in Amsterdam goederen in vervoer die via Schiphol zullen uitgaan. Ingevolge artikel 329 lid 7 UVo.DWU is dan douanekantoor Amsterdam (en dus niet douanekantoor Schiphol Cargo) douanekantoor van uitgang.

Als de ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen via het spoor, via de lucht of over zee worden overgebracht naar het douanekantoor waar zij het douanegebied zullen verlaten (plaats van uitgang), kan het vervoer vereenvoudigd plaatsvinden onder dekking van een CIM-vrachtbrief (spoor) of manifest (lucht en zee) die daarbij dient als aangifte voor douanevervoer. De ten uitvoer aangegeven goederen moeten in de CIM-vrachtbrief of het manifest worden geïdentificeerd met een “X”, de voor wederuitvoer aangegeven goederen met “T1”. Zie de artikelen 24 tot en met 53 OGVo.DWU (Verordening (EU) 2106/341). De CIM-vrachtbrief of het manifest moet verwijzen naar het MRN (master reference number) van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer (artikel 333 lid 6 UVo.DWU).

Voorbeeld 1

Een luchtvaartmaatschappij sluit een overeenkomst om Uniegoederen te vervoeren van Venlo naar New York. De goederen worden in Venlo door de maatschappij overgenomen. Het is daarbij niet van belang dat de goederen eerst door de luchtvaartmaatschappij of, in opdracht van deze maatschappij, door een derde over de weg van Venlo naar Schiphol worden vervoerd: het voor Venlo bevoegde douanekantoor van uitvoer is, op verzoek van de aangever, (ook) het bevoegde douanekantoor van uitgang.

Voorbeeld 2

Een scheepvaartonderneming in Rotterdam neemt goederen over voor het vervoer naar een derde land, en de goederen zullen daarbij via Antwerpen het douanegebied van de Unie verlaten. In dit geval is het voor Rotterdam bevoegde douanekantoor van uitvoer, op verzoek van de aangever, (ook) het bevoegde douanekantoor van uitgang. Het is niet van belang hoe de goederen van Rotterdam naar Antwerpen worden vervoerd (auto, lichter), als dit vervoer maar plaatsvindt in het kader van een enkele vervoersovereenkomst.

De Commissie van de EU heeft besloten de hiervoor genoemde bepaling uit te breiden met koeriersdiensten, voor zover de goederen de Unie door de lucht zullen verlaten. Deze uitbreiding houdt in dat de koeriersdiensten die niet over een eigen luchtvaartmaatschappij beschikken, gelijk gesteld worden met luchtvaartmaatschappijen. Voor de koeriersdiensten die wel over een eigen luchtvaartmaatschappij beschikken, gold de gelijkstelling al.

Naar boven
2.6.9.1 Bevestigen van het uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Het douanekantoor van uitgang bevestigt het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen onder dekking van een enkele overeenkomst voor vervoer ten laste zijn genomen (artikel 333 lid 2 2e alinea onder d UVo.DWU). Het douanekantoor van uitgang legt het uitgaan vast in AES (Automated Export System) en het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan vervolgens aan de aangever of exporteur (artikel 334 UVo.DWU).

Naar boven

2.6.10 Datum van uitgaan van proviandleveringen aan schepen zonder bezoeknummer

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Sommige soorten schepen (bijvoorbeeld vissersschepen) zijn vrijgesteld van een aantal wettelijke verplichtingen, zowel op douanegebied als op het gebied van maritieme wetgevingen. Eén van de gevolgen van deze vrijstellingen is dat deze schepen bij binnenkomst geen Call Reference Number (CRN) krijgen en het schip als het ware ‘onbekend’ is in de havensystemen en SW.

De havenautoriteit legt voor deze schepen geen Actual Time of Departure (ATD) vast in SW. Hierdoor vindt de applicatie Proviand en het AES (Automated Export System) geen ATD-datum in het SW en krijgen de douaneaangiften (MRN’s - master reference numbers) in de ‘meldingen proviand’ die voor het betreffende (vissers)schip zijn ingediend geen Confirmation(s) of Exit (CoE). Voor schepen zonder CRN wordt daarom de datum van uitgaan op een andere wijze vastgesteld.

In een incidenteel geval is het technisch niet mogelijk om een PRO-bericht aan een CRN te koppelen (het PRO-bericht bevat bijvoorbeeld geen CRN) of uit het SW de ATD-datum te halen. Ook dan moet de datum van uitgaan op een andere manier worden vastgesteld.

Naar boven
2.6.10.1 Bevestigen van het uitgaan

In deze gevallen is de datum van uitgaan, de dag na de datum van provianderen. Deze datum is in nagenoeg alle gevallen ook de datum waarop het schip - en daarmee ook de proviand – het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

Naar boven

2.6.11 Uitgaan van tankcontainers met daarin een resthoeveelheid (empty uncleaned)

Een empty uncleaned container is: “een container met een bepaalde resthoeveelheid, welke zover als mogelijk is gelost en waarbij de inhoud zonder reiniging niet uit een container te verwijderen is”. Met andere woorden: na het lossen/leegpompen kleeft het product nog aan de wand of blijft er een minimaal restant op de bodem liggen. Alleen voor deze tankcontainers gelden de onderstaande aangiftemethodes.

  1. Een empty uncleaned container mag zonder douaneaangifte worden aangeleverd op de containerterminal. In het terminalsysteem mag de container worden opgenomen met de status “leeg”. Hierdoor kunnen deze containers zonder tussenkomst van de Douane de containerterminal verlaten; of

  2. Empty uncleaned containers mogen zonder douaneaangifte worden aangeleverd op de containerterminal. In het terminalsysteem wordt de container opgenomen met de status “vol”. Doordat de container de status “vol” heeft in het terminalsysteem, is deze voorzien van een “X “ blokkade. Deze blokkade kan worden opgeheven door een Melding Export Documentatie (MED) met de code “TAE”. Na het inschieten van de MED melding kunnen deze containers zonder tussenkomst van de Douane de terminal verlaten.

Naar boven

2.6.12 Uitgaande doorvaarders

In deze paragraaf wordt de douaneprocedure voor uitgaande doorvaarders toegelicht.
Onder een uitgaande doorvaarder wordt verstaan een in een haven in het achterland met Unie- of niet-Uniegoederen beladen schip dat via een haven van uitgang via zee de Unie uitgaat.
Overige begripsbepalingen:
Haven in het achterland: een niet in bijlage III bij de Algemene douaneregeling genoemde haven in Nederland.
Haven van uitgang: een in bijlage III bij de Algemene douaneregeling genoemde haven.

Let op!

Veterinaire en fytosanitaire producten zijn uitgesloten
De doorvaardersprocedure kan niet worden gebruikt voor veterinaire en fytosanitaire producten. Europese gezondheidswetgeving stelt verplicht dat deze producten in de haven van uitgang ter keuring worden aangeboden aan de keuringsautoriteiten. Een uitgaande doorvaarder die veterinaire en/of fytosanitaire producten vervoert, moet deze producten in de haven van uitgang lossen en ter keuring aanbieden bij een Border Inspection Point (BIP). De keuring van deze producten kan niet al plaatsvinden in de haven in het achterland.

Formaliteiten en verplichtingen:
Voor uitgaande doorvaarders gelden de volgende formaliteiten en verplichtingen.

  • Voor alle geladen goederen moet, voordat deze het douanegebied van de Unie verlaten, een aangifte vóór vertrek worden gedaan, tenzij daarvoor ontheffing geldt. De aangifte vóór vertrek kan worden gedaan in de vorm van een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer.

  • Uniegoederen moeten uiterlijk bij aankomst in de haven in het achterland met een aangifte ten uitvoer onder de regeling uitvoer worden geplaatst. Het douanekantoor dat bevoegd is voor de haven in het achterland is dan douanekantoor van uitvoer.

  • Voor niet-Uniegoederen moet uiterlijk bij aankomst in de haven in het achterland een aangifte tot wederuitvoer worden ingediend. Het douanekantoor dat bevoegd is voor de haven in het achterland is dan douanekantoor van uitvoer.

  • Ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen zijn onder douanetoezicht en kunnen aan douanecontroles worden onderworpen.

  • Alle aan boord van de uitgaande doorvaarder geladen goederen worden overgebracht naar de haven van uitgang. Het douanekantoor dat bevoegd is voor de haven van uitgang is dan douanekantoor van uitgang.

  • Bij aankomst in de haven van uitgang moeten alle goederen (Unie- en niet-Unie) worden aangebracht bij het douanekantoor van uitgang. Eventuele ontstane verschillen en wijzigingen ten opzichte van de gegevens in de aangifte moeten worden gemeld.

  • De uitgaande doorvaarder hoeft niet af te meren in de haven van uitgang , behalve in de situatie dat de douane (een deel van) de lading selecteert voor een overeenstemmingscontrole in het kader van toezicht op het uitgaan of safety & security (S&S). Als het voor deze controle noodzakelijk is dat de goederen worden gelost, moet de uitgaande doorvaarder afmeren en de betreffende goederen lossen.

Let op!

De verplichting om af te meren en te lossen geldt altijd als het veterinaire of fytosanitaire producten betreft die ter keuring moeten worden aangeboden bij een Border Inspection Point (BIP).
  • De douane in de haven van uitgang (het douanekantoor van uitgang) geeft de lading vrij voor uitgaan.

  • De uitgaande doorvaarder vaart vanuit de haven van uitgang langs de aangewezen vaarwaters naar zee (artikel 6:3 Algemene douaneregeling).

  • De vervoerder deelt het uitgaan mee aan het douanekantoor van uitgang door indiening van het aangifte ten uitklaring.

  • Het douanekantoor van uitgang bevestigt het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer.

  • Het douanekantoor van uitvoer bevestigt het uitgaan aan de exporteur/aangever.

Naar boven

2.7 Douanetoezicht bij uitgaan

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Artikelen 158 lid 3 en 267 lid 1 DWU bepalen dat goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, onderworpen zijn aan douanetoezicht. Douanetoezicht is in artikel 5 punt 27 DWU omschreven als ”de activiteiten die door de douaneautoriteiten in het algemeen worden ontplooid ten einde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn”.

Onder de noemer van douanetoezicht vallen alle formaliteiten en verplichtingen die op basis van de Uniewetgeving en de nationale wetgeving bij uitgaan moeten worden vervuld, zoals de verplichting om een aangifte voor vertrek (in de vorm van een douaneaangifte, een aangifte tot wederuitvoer of summiere aangifte bij uitgaan - Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) in te dienen, langs een bepaalde route het douanegebied van de Unie te verlaten of de goederen aan te brengen bij het douanekantoor van uitgang.

Bij het toezicht op het verlaten van het douanegebied van de Unie wordt onder andere gebruik gemaakt van het Export Control System (ECS) en DMF. Met AES (Automated Export System) en BUP Uitgaan (Binnenbrengen, Uitgaan, Proviandering – applicatie voor raadplegen, signaleringen, registreren aankomsten) kan snel worden vastgesteld of ten (weder)uitvoer aangegeven goederen de Unie hebben verlaten. AES en BUP Uitgaan voorziet in een elektronische uitwisseling van informatie tussen de douanekantoren van uitvoer en de douanekantoren van uitgang. Deze informatie omvat:

  • de gegevens over de goederen;

  • de resultaten van controles;

  • de bevestiging dat de goederen de Unie hebben verlaten.

Ten uitvoer aangegeven Uniegoederen bevinden zich onder douanetoezicht totdat zij het douanegebied van de Unie verlaten, totdat zij worden vernietigd of totdat de douaneaangifte ongeldig is gemaakt. Door het verlaten van het douanegebied worden de Uniegoederen niet-Uniegoederen.

( Artikelen 158 lid 3 en 154 onder a DWU )

Het douanetoezicht voor ten uitvoer aangegeven Uniegoederen vangt dus aan op het moment dat de aangifte ten uitvoer is aanvaard en eindigt als het douanekantoor van uitgang bevestigt dat de Uniegoederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Het douanetoezicht eindigt ook als de aangifte ten uitvoer ongeldig wordt verklaard of, als er ontheffing geldt van de verplichting om een aangifte ten uitvoer te doen, de voor Uniegoederen ingediende summiere aangifte bij uitgaan ongeldig wordt gemaakt of wordt geacht niet te zijn ingediend.

(Artikelen 174 en 272 DWU, artikel 248 GVo.DWU, artikel 342 UVo.DWU)

Als wordt vastgesteld dat goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten niet zijn gedekt door een aangifte vóór vertrek, moet vóór het uitgaan van de goederen alsnog een dergelijke aangifte worden ingediend, tenzij ontheffing is verleend van de verplichting om een dergelijke aangifte in te dienen.

(Artikel 327 UVo.DWU)

Let op!

Niet-Uniegoederen blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat zij een andere douanestatus krijgen of totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten of vernietigd zijn. Als de voor niet-Uniegoederen gedane aangifte tot wederuitvoer ongeldig wordt verklaard of, als er ontheffing geldt van de verplichting om een aangifte tot wederuitvoer te doen, de voor de niet-Uniegoederen ingediende summiere aangifte bij uitgaan of de kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) ongeldig wordt gemaakt of wordt geacht niet te zijn ingediend, blijven de niet-Uniegoederen onder douanetoezicht.

(Artikel 134 lid 1 4e alinea DWU)

Douanetoezicht kan plaatsvinden om fiscale- of om niet-fiscale redenen. Daarnaast geldt dat de Douane bij uitvoer een taak heeft bij het leveren van gegevens voor de handelsstatistiek.

Fiscale redenen

Hoewel er op dit moment geen uitvoerrechten zijn vastgesteld, kunnen deze op elk noodzakelijk geacht moment worden ingesteld om de interne markt te beschermen, bijvoorbeeld als er een tekort van een bepaalde goederensoort dreigt te ontstaan. Door het heffen van uitvoerrechten wordt de uitvoer van deze goederen onaantrekkelijker gemaakt. Is er een dergelijk recht ingesteld, dan ontstaat de douaneschuld bij uitvoer door het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied van de Unie. Dit middel om de uitvoer te ontmoedigen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen ingezet, gezien het grote belang van de exportsector voor de Europese economie.

(Artikel 81 leden 1 en 2 DWU)

Ook in de volgende gevallen is er sprake van douanetoezicht vanuit een fiscaal belang:

  1. Bij uitvoer van accijnsgoederen, waarvoor de accijns voldaan is, kan teruggaaf van accijns worden gevraagd.

  2. Voor het vrije verkeer aangegeven goederen die gebreken vertonen of niet in overeenstemming zijn met het koopcontract en door de importeur worden geweigerd, kunnen de invoerrechten worden terugbetaald of kwijtgescholden, onder voorwaarde dat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten. ( Artikel 118 lid 1 en lid 2 DWU)

  3. Bij uitvoer van Uniegoederen kan de exporteur aanspraak maken op het BTW-nultarief.

  4. Voor niet in de Unie wonende particulieren bestaat de mogelijkheid van teruggaaf van BTW. Klik hier voor een beschrijving van de procedure die dan van toepassing is.

  5. In het kader van het Gemeenschappelijke landbouwbeleid kan bij uitvoer voor bepaalde landbouwgoederen landbouwrestitutie worden verleend. Verwisseling van goederen kan een fiscaal gevolg hebben. Daarom is het van belang om bij uitvoer de identiteit van de goederen vast te stellen. Het vasthouden van de identiteit is ook belangrijk als, bijvoorbeeld, Uniegoederen tijdelijk uit het douanegebied worden uitgevoerd om daarna weer in het vrije verkeer te worden gebracht of als Uniegoederen zullen worden veredeld in het kader van de regeling passieve veredeling.

Niet fiscale redenen

De handelspolitieke maatregelen kunnen een rol spelen bij de uitvoer van de Uniegoederen. Handelspolitieke maatregelen zijn niet–tarifaire maatregelen die in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid zijn vastgesteld in de vorm van Unievoorschriften inzake de internationale handel in goederen. Het kan daarbij gaan om uitvoerverboden, kwantitatieve beperkingen etc. Naast de om economische redenen ingestelde maatregelen ter bescherming van de economie van de Unie kunnen hieronder ook politieke of veiligheidsmaatregelen vallen, zoals het instellen van een handelsembargo. Een handelspolitieke maatregel heeft als kenmerk dat het een Uniemaatregel is.

(Artikel 5 punt 36 DWU)

Verboden en beperkingen uit hoofde van de bescherming van de openbare orde, zedelijkheid, veiligheid, gezondheid en dergelijke, zoals niet-fiscale voorschriften op het gebied van Veiligheid, Gezondheid, Economie en Milieu bij uitvoer van Uniegoederen vallen niet onder het begrip handelspolitieke maatregelen. De Uniewetgeving voorziet in een controle op de toepassing van deze verboden en beperkingen bij het verlaten van het douanegebied van de Unie.

(Artikel 287 lid 3 onder e DWU)

Enkele voorbeelden van situaties waarbij deze wetgeving een rol speelt:

  • Bij de uitvoer van afval is een vergunning vereist van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

  • Bij de uitvoer van vlees is een gezondheidscertificaat vereist van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

  • Bij de uitvoer van een auto moet het kenteken afgemeld worden in het kentekenregister.

De Douane geeft de goederen niet vrij voor uitgaan als de vereiste documenten op het gebied van veiligheid, gezondheid, economie of milieu (VGEM) niet aanwezig zijn.

De wetten en voorschriften die bij de uitvoer van toepassing kunnen zijn, staan in Bijlage b van de Algemene Douanewet en zijn nader uitgewerkt in het Handboek VGEM.

Statistiek

Het verzamelen van gegevens over de uitvoer gebeurt in Nederland door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS krijgt die gegevens rechtstreeks vanuit de geautomatiseerde douanesystemen aangeleverd.

Naar boven

2.8 Douanecontroles bij uitgaan

Douanecontroles zijn in artikel 5 punt 3 DWU omschreven als “door de douaneautoriteiten verrichte specifieke handelingen voor het waarborgen van de naleving van de douanewetgeving en andere wetgeving betreffende het binnenbrengen, het uitgaan, de doorvoer, het overbrengen, de opslag en de bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Unie en landen of gebieden daarbuiten worden vervoerd, en betreffende de aanwezigheid en het verkeer binnen het douanegebied van de Unie van niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst”.

In de vorige paragraaf is al opgemerkt dat de douane in het kader van douanetoezicht controles kan verrichten bij het uitgaan van goederen en dat deze controles vanuit diverse risicogebieden kunnen worden geïnitieerd. Naast de controles op de naleving van de douaneformaliteiten verricht de douane ook controles in het kader van de veiligheid en de bijzondere (niet fiscale) wetgeving. De risicoanalyse en de controleselectie vinden deels plaats bij de aanvaarding en de verificatie van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer en deels plaats bij het aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van uitgang c.q. het uitgaan van de goederen.

Artikel 267 lid 4 DWU bepaalt dat de douane de goederen vrijgeeft voor uitgaan op voorwaarde dat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten in dezelfde staat als op het tijdstip dat de douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer was aanvaard of - als een dergelijke aangifte niet vereist is - de summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) was ingediend. Deze overeenstemmingscontrole vindt plaats na ontvangst van de arrival at exit-melding (AAX - biedt de mogelijkheid om verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane). De douane informeert de persoon die de goederen aanbrengt op het kantoor van uitgang dat de aangebrachte zending aan een overeenstemmingscontrole zal worden onderworpen. De controle vindt plaats in overleg met en, desgewenst, in aanwezigheid van de persoon die de goederen aanbrengt op het kantoor van uitgang, exporteur of aangever. De controle kan zich beperken tot een kort onderzoek of de aangebrachte goederen (soort, hoeveelheid) overeenstemmen met de in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer vermelde goederen. Bij een door de douane verzegelde zending of een bedrijfsverzegeling aangebracht door een AEO-gecertificeerd bedrijf, kan de controle beperkt blijven tot een controle op het intact zijn van deze verzegelingen en vindt steekproefsgewijs een controle van de aangebrachte goederen plaats. Als wordt getwijfeld over de overeenstemming moet een diepgaander onderzoek worden ingesteld.

Bij de overeenstemmingscontrole kan ook worden gecontroleerd op zogenaamde ‘bijpak’ van andere goederen. Als bijpak wordt bevonden, geeft de douane deze goederen pas vrij voor uitgaan nadat daarvoor alsnog een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer is gedaan. Het bevinden van ‘bijpak’ kan ook leiden tot sancties. (Artikel 332 lid 4 UVo.DWU, artikel 10:2 Algemene douanewet)

Naar boven

2.8.1 Minder goederen bevonden dan vermeld in de aangifte

Als in de aangebrachte zending minder goederen worden bevonden dan de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer vermeldt, geeft het douanekantoor van uitgang slechts de werkelijk aangebrachte hoeveelheid goederen vrij voor uitgaan. Het informeert het douanekantoor van uitvoer over de minderbevinding en dit douanekantoor corrigeert de aangifte ten uitvoer c.q. de aangifte tot wederuitvoer naar de werkelijk bevonden hoeveelheid. Nadat van het douanekantoor van uitgang bericht is ontvangen dat de zending het douanegebied van de Unie heeft verlaten, bevestigt het douanekantoor van uitvoer voor de werkelijke hoeveelheid goederen die is uitgegaan het uitgaan aan de aangever.

(Artikel 332 lid 2 UVo.DWU)

Naar boven

2.8.2 Meer goederen bevonden dan vermeld in de aangifte

Als in de aangebrachte zending meer goederen worden bevonden dan vermeld in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer geeft het douanekantoor van uitgang slechts de in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer vermelde hoeveelheid goederen vrij voor uitgaan.

Voor de meer bevonden hoeveelheid moet eerst een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer worden gedaan voordat de douane deze goederen kan vrijgeven voor uitgaan. De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer kan worden ingediend bij het douanekantoor van uitgang.

(Artikel 332 lid 3 UVo.DWU)

Naar boven

2.8.3 Andere goederen dan vermeld in de aangifte

Als in de aangebrachte zending andere goederen worden bevonden dan vermeld in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer geeft het douanekantoor van uitgang slechts de goederen die in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer zijn vermeld, vrij voor uitgaan.

Voor de andere bevonden goederen moet eerst een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer worden gedaan voordat de douane deze goederen kan vrijgeven voor uitgaan. De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer kan worden ingediend bij het douanekantoor van uitgang. Het douanekantoor van uitgang informeert het douanekantoor van uitvoer over de bevinding zodat dit douanekantoor de aangifte ten uitvoer c.q. de aangifte tot wederuitvoer de aangifte ongeldig kan maken. Het douanekantoor van uitvoer informeert de aangever en het opgegeven douanekantoor van uitgang over de ongeldigmaking.

(Artikel 332 lid 4 UVo.DWU, artikel 340 lid 4 UVo.DWU, artikel 248 GVo.DWU)

Als voor de bevonden andere goederen de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer is ingediend bij het douanekantoor van uitgang bevestigt dit douanekantoor het uitgaan aan de aangever nadat van de vervoerder bericht is ontvangen dat de goederen zijn uitgegaan.

(Artikel 332 lid 5 UVo.DWU)

Uiteraard kunnen bovenstaande bevindingen ook strafrechtelijke gevolgen hebben.

Naar boven

2.9 Een aangebrachte zending verlaat het douanegebied als meer dan één zending

Het gebeurt dat niet alle in een aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer vermelde goederen die bij het voorziene douanekantoor van uitgang zijn aangebracht gelijktijdig en met hetzelfde vervoermiddel uitgaan. Het in gedeelten uitgaan kan via hetzelfde douanekantoor van uitgang plaatsvinden, maar het uitgaan kan ook via verschillende douanekantoren van uitgang plaatsvinden. In alle gevallen is er dan sprake van uitgaan in meer dan één zending.

Onder een zending wordt verstaan: de hoeveelheid goederen die door één afzender naar één geadresseerde worden verzonden en die gelijktijdig en met hetzelfde vervoermiddel uitgaan. Zie voor het begrip zending ook paragraaf 2.4.4. van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek.

Er kunnen zich twee situaties voordoen:

  1. De goederen zijn ten onrechte als één zending in één aangifte aangegeven;

  2. Het uitgaan in meer dan één zending is het gevolg van onvoorziene omstandigheden.

Naar boven

2.9.1 De goederen zijn ten onrechte als één zending in één aangifte aangegeven

In beginsel moet voor elke afzonderlijke zending een afzonderlijke aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer worden ingediend (artikel 336 UVo.DWU). Een in één aangifte als één zending aangegeven partij goederen die niet gelijktijdig en met hetzelfde vervoermiddel uitgaat, is ten onrechte als één zending in één aangifte aangegeven. Het uitgaan in meer dan één zending betekent het volgende:

  • De oorspronkelijke aangifte kan, na correctie, dienen als aangifte voor één van de deelzendingen die uitgaat.

  • De overige deelzendingen worden pas vrijgegeven voor uitgaan nadat daarvoor een aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer is gedaan. Deze aangifte kan worden ingediend bij het douanekantoor van uitgang (artikel 332 lid 3 UVo.DWU).

Voorbeeld

Een bierbrouwer wil 90.000 flesjes bier exporteren en doet daarvoor een aangifte ten uitvoer. De 90.000 flesjes bier worden verpakt in 3 containers die gelijktijdig worden overgebracht naar een containerterminal in de haven van Rotterdam en aldaar bij de douane worden aangebracht. Container 1 en 2 zullen twee dagen later worden geladen op een containerschip en daarmee uitgaan. Container 3 zal drie dagen daarna met een ander containerschip het douanegebied van de Unie verlaten.

Omdat vooraf bekend is dat container 3 op een later moment zal uitgaan, is dit een afzonderlijke zending. Er hadden twee aangiften ten uitvoer moeten worden gedaan (één voor de containers 1 en 2 en één voor container 3). De oorspronkelijke aangifte ten uitvoer wordt gecorrigeerd zodat deze uitsluitend betrekking heeft op de containers 1 en 2 en voor container 3 moet alsnog een afzonderlijke aangifte ten uitvoer worden ingediend. Zie paragraaf ‘2.9.2 Uitgaan in meer dan één zending als gevolg van onvoorziene omstandigheden’ van dit onderdeel voor de situatie waarin het in gedeelten uitgaan is veroorzaakt door onvoorziene omstandigheden.

Naar boven

2.9.2 Uitgaan in meer dan één zending als gevolg van onvoorziene omstandigheden

Als een zending als gevolg van onvoorziene omstandigheden als dan één zending het douanegebied van de Unie verlaat, gelden er soepelere regels. De volgende situaties kunnen zich voordoen:

  1. Het uitgaan in gedeelten vindt plaats via hetzelfde douanekantoor van uitgang;

  2. Het uitgaan vindt plaats via verschillende douanekantoren van uitgang.

Naar boven
2.9.2.1 Uitgaan in meer dan één zending via hetzelfde douanekantoor van uitgang

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Als een zending door onvoorziene omstandigheden als meer dan één zending, maar via hetzelfde douanekantoor van uitgang uitgaat, geldt het volgende:

  • De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer blijft in stand.

  • Het douanekantoor van uitgang bevestigt het uitgaan pas aan het douanekantoor van uitvoer als alle goederen (deelzendingen) het douanegebied van de Unie hebben verlaten (artikel 333 lid 4 UVo.DWU).

Voorbeeld

Idem als het voorbeeld in paragraaf ‘2.9.1 van dit onderdeel, maar de goederen zijn terecht als één zending in één aangifte aangegeven. Het uitgaan vindt echter plaats in gedeelten als gevolg van onvoorziene omstandigheden, bijvoorbeeld omdat het wel de bedoeling was dat de 3 containers met hetzelfde schip zouden uitgaan maar dat het schip container 3 niet mee kon nemen.

De aangifte ten uitvoer blijft in stand, wordt niet gecorrigeerd en er hoeft voor container 3 geen afzonderlijke aangifte ten uitvoer te worden ingediend. Het douanekantoor van uitgang (Rotterdam) bevestigt het uitgaan van de hele zending (dus van alle 3 containers) aan het douanekantoor van uitvoer (Amsterdam) nadat ook container 3 is uitgegaan. De informatie-uitwisseling verloopt via AES (Automated Export System).

Naar boven
2.9.2.2 Uitgaan in meer dan één zending via verschillende douanekantoren van uitgang

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Als een zending door onvoorziene omstandigheden als meer dan één zending en via verschillende douanekantoren van uitgang uitgaat, geldt het volgende: De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer blijft in stand. Elk douanekantoor waar een deel van de zending is aangebracht houdt toezicht op het uitgaan en informeert rechtstreeks het douanekantoor van uitvoer voor dat deel dat is uitgegaan. De informatie-uitwisseling verloopt via AES (Automated Export System) (artikel 333 lid 5 UVo.DWU).

Voorbeeld

Bij een containerterminal in de haven van Rotterdam worden 3 containers met bier aangebracht die samen één zending vormen en waarvoor in Amsterdam één aangifte ten uitvoer is gedaan. Door onvoorziene omstandigheden kunnen alleen container 1 en 2 in Rotterdam in het uitgaande schip worden geladen en via Rotterdam uitgaan; container 3 moet naar Antwerpen worden overgebracht en verlaat vanuit Antwerpen het douanegebied van de Unie.

De aangifte ten uitvoer blijft in stand, wordt niet gecorrigeerd en er hoeft voor container 3 geen afzonderlijke aangifte ten uitvoer te worden ingediend. Elk douanekantoor van uitgang waar een deel van de zending wordt aangebracht, houdt toezicht op het uitgaan en informeert rechtstreeks het douanekantoor van uitvoer over het uitgaan. Dus: het oorspronkelijke douanekantoor van uitgang (Rotterdam) en het douanekantoor van uitgang Antwerpen bevestigen elk rechtstreeks voor dat deel van de zending dat is uitgegaan aan het douanekantoor van uitvoer (Amsterdam).

Naar boven

2.10 Toestemming tot vertrek

In de wettelijke bepalingen ontbreekt de bepaling dat de bij het douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen niet eerder mogen worden weggevoerd dan na toestemming van de douane. Een dergelijke bepaling is niet nodig omdat het vertrek van de goederen is gekoppeld aan het vertrek van het vervoermiddel waarin zij het douanegebied van de Unie gaan verlaten. De bij het douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen mogen worden weggevoerd nadat de douane toestemming tot vertrek heeft gegeven aan de kapitein/gezagvoerder van het schip of luchtvaartuig waarmee de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten. De toestemming tot vertrek blijkt uit de acceptatie van de aangifte ten uitklaring die voor het schip of luchtvaartuig is gedaan. Deze ontvangt de indiener in de vorm van een elektronisch bericht (NLEC09 – letters staan voor: Nederland Export Control of PDM - permission departure means of transport). De indiener kan een vertegenwoordiger zijn, zie hiervoor Handboek Douane, onderdeel 2.00.00. (Artikelen 6:2 lid 1 en 6:5 Algemene douaneregeling)

Naar boven

2.11 Mededelen van het uitgaan aan de douane

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Aangifte ten uitklaring voor de goederen

Voor alle goederen die aan boord van een schip of luchtvaartuig worden geladen om het douanegebied van de Unie te verlaten, moet een aangifte ten uitklaring worden gedaan. (Artikel 6:2 lid 2 Algemene douaneregeling)

De aangifte ten uitklaring moet worden gedaan door de vervoerder door het op elektronische wijze inzenden van het douanemanifest bij uitgang (wordt ook wel ‘Bericht van lading’ genoemd - Customs Manifest at Exit – MFX). Het douanemanifest bij uitgang moet de gegevens bevatten volgens de in bijlage IXa bij de Algemene douaneregeling opgenomen specificaties. In het douanemanifest bij uitgang moeten in ieder geval worden vermeld:

  1. het unieke referentienummer van de zending of het referentienummer van het vervoersdocument;

  2. wanneer de goederen in colli of in containers zijn aangebracht, het aantal colli en, indien in containers vervoerd, de identificatienummers van de containers;

  3. het MRN van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer, indien van toepassing.

(Artikel 6:2 lid 4 Algemene douaneregeling, artikel 332 lid 5 UVo.DWU)

De aangifte ten uitklaring voor de goederen wordt in Nederland uiterlijk op de werkdag volgend op de dag van vertrek uit de haven, onderscheidelijk de luchthaven, gedaan door het op elektronische wijze inzenden van het ‘Bericht van lading’ in het douanesysteem BUP Uitgaan (Binnenbrengen, Uitgaan, Proviandering – applicatie voor raadplegen, signaleringen, registreren aankomsten).

Bij ieder gegevenselement in de lijst wordt toegelicht op welke wijze en/of vorm dit moet worden verstrekt. In veel gevallen wordt daarbij verwezen naar het Codeboek Douane, onderdeel AES (Automated Export System) Uitgaan. De communicatie tussen indiener en douanekantoor vindt plaats door middel van standaardberichten via het systeem BUP Uitgaan. Deze standaardberichten zijn genummerd met de letters NLEC (Nederland Export Control) en een tweecijferig volgnummer. Een overzicht van alle NLEC-codes is opgenomen Codeboek Douane onderdeel uitgaan tabel N08.

De indiener van de aangifte ten uitklaring voor de goederen moet in het bezit zijn van een EORI-nummer (Economic Operators Registration and Identification Number). Voor meer informatie over het EORI-nummer zie onderdeel 1.00.00.

Aangifte ten uitklaring voor het vervoermiddel

Ook voor het vervoermiddel waarmee de goederen het douanegebied van de Unie verlaten, moet door de gezagvoerder (of zijn vertegenwoordiger) een aangifte ten uitklaring worden gedaan. De aangifte ten uitklaring moet elektronisch worden gedaan, vóór het vertrek van het vervoermiddel.

(Artikel 6:2 Algemene douaneregeling)

De Douane heeft de in het IMO/FAL-Verdrag (Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie) opgenomen verplichting tot elektronische informatie-uitwisseling geïmplementeerd. De aangifte ten uitklaring van een schip wordt gedaan door het elektronisch inzenden van het bericht Notification of Departure (NOD) in het door de Havenautoriteiten aangewezen havensysteem. De NOD bevat de gegevens van de generale verklaring (IMO/FAL 1 bij vertrek, wordt gebruikt om de gegevens van het schip bij vertrek aan de Douane mede te delen), zoals is voorzien in de bijlage bij de IMO Facilitatie Conventie 1965 van de Internationale Maritieme Organisatie. De NOD gegevens worden vanuit het havensysteem in het Maritime Single Window (MSW) gebracht en door MSW doorgestuurd naar het elektronische douanesysteem BUP Uitgaan.

Het is in enkele gevallen ook verplicht om aan de Douane te melden wanneer een schip vertrekt van een tijdelijke ligplaats die opgenomen is in bijlage V van de Adr (artikel 2:1 lid 4 Adr). Deze tijdelijke ligplaatsen zijn de zogenaamde ankerplaatsen. De ankerplaatsen kunnen zich binnen of buiten de territoriale wateren bevinden. Nadere informatie over ankerplaatsen is te vinden in HD, onderdeel 10.00.00, Hoofdstuk 3, paragraaf '3.2.2 Rechtstreeks vervoer door de territoriale zee van de lidstaten zonder een haven in die lidstaten als bestemming te hebben'.

De meldingsplicht geldt alleen als op de tijdelijke ligplaats (gelegen binnen of buiten de territoriale zee) één van de volgende drie activiteiten heeft plaatsgevonden:

  • Het innemen van scheepsvoorraden ten behoeve van de bemanning van het schip;

  • Het innemen van brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip;

  • Het aan of van boord nemen van goederen voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis voort te kunnen laten zetten alsmede de daadwerkelijke reparatie of vervanging van die onderdelen (artikel 2:1 lid 3 Adr).

De melding aan de Douane wordt als volgt gedaan: Bij vertrek vanaf de in Bijlage V genoemde ligplaats moet een ingevuld IMO/FAL 1 (uitklaringsformulier) naar het e-mailadres van team ‘Binnenbrengen en Uitgaan’ (BU) van Douane Rotterdam Haven, douanekantoor Maasvlakte, per e-mail opgestuurd worden. De contactgegevens staan in Bijlage 2 van dit onderdeel.

In antwoord op de verstuurde e-mail zal door dit team ambtshalve een call reference nummer (CRN - bezoeknummer) worden toegekend.

De aangifte ten uitklaring van een luchtvaartuig wordt gedaan door het elektronisch inzenden van de generale verklaring luchtvaart, zoals is voorzien in bijlage 9 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen ICAO verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van de Internationale organisatie voor de burgerluchtvaart.

(Artikel 6:2 lid 1 Algemene douaneregeling)

Let op!

Als het niet mogelijk is om de aangifte ten uitklaring langs elektronische weg in te dienen, moet de noodprocedure worden gehanteerd. Zie voor de noodprocedure douane.nl.

Naar boven

2.11.1 Termijn van indiening van de aangifte ten uitklaring voor de goederen

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Uiterlijk op de werkdag volgend op de dag van vertrek uit de haven, onderscheidenlijk de luchthaven moet de aangifte ten uitklaring (uitgaand manifest) voor de goederen, die zijn geladen aan boord van een schip of luchtvaartuig, zijn gedaan. De aangifte ten uitklaring wordt gedaan bij het douanekantoor van uitgang door het op elektronische wijze inzenden van het douanemanifest bij uitgang (Customs Manifest at Exit – MFX) waarin de gegevenselementen, genoemd in bijlage IXa, titel II, zijn opgenomen.

(Artikel 6:2 lid 2 van de Algemene douaneregeling).

Voorbeelden voor de termijn van een werkdag :

  • Op vrijdag hebben goederen de Unie verlaten: De indiener heeft minimaal 3 dagen (tot maandag op dinsdag 00.00 uur). Stel: De goederen verlaten de Unie op vrijdag 00.01 uur, dan heeft de indiener maximaal 94 uur en 58 minuten de tijd.

  • Op zaterdag hebben goederen de Unie verlaten: De indiener heeft minimaal 2 dagen (tot maandag op dinsdag 00.00 uur). Stel: De goederen verlaten de Unie op zaterdag 00.01 uur, dan heeft de indiener maximaal 71 uur en 58 minuten de tijd.

  • Op zondag hebben goederen de Unie verlaten: De indiener heeft minimaal 1 dag (tot maandag op dinsdag 00.00 uur). Stel: De goederen verlaten de Unie op zondag 00.01 uur, dan heeft de indiener maximaal 47 uur en 58 minuten de tijd.

  • Op dinsdag hebben goederen de Unie verlaten: De indiener heeft minimaal 1 dag (tot woensdag op donderdag 00.00 uur). Stel: De goederen verlaten de Unie op dinsdag 00.01 uur, dan heeft de indiener maximaal 47 uur en 58 minuten.

Naar boven

2.12 Termijn voor het bevestigen van het uitgaan aan de aangever

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
De aangifte ten uitklaring voor de goederen moet elektronisch worden ingediend na vertrek van het schip of luchtvaartuig, met inachtneming van de in paragraaf ‘2.11.1 Termijn van indiening van de aangifte ten uitklaring voor de goederen’ van dit onderdeel genoemde voorbeelden.

De elektronische gegevensset die in BUP Uitgaan (Binnenbrengen, Uitgaan, Proviandering – applicatie voor raadplegen, signaleringen, registreren aankomsten) wordt ingediend bevat het MRN (master reference number) van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer of in voorkomend geval de vervoersaangifte. Hiermee kan het douanekantoor van uitgang controleren of de gegevens in het douanemanifest bij uitgang (Customs Manifest at Exit – MFX) en de ontvangen aankomstmeldingen (Arrival at Exit – AAX - biedt de mogelijkheid om verschillen t.o.v. de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door te geven aan de Douane) overeenstemmen. Als dat het geval is, bevestigt het douanekantoor van uitgang, uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer met het bericht ‘resultaten bij uitgaan’.

Op basis van het bericht ‘resultaten bij uitgaan’ bevestigt het kantoor van uitvoer aan de exporteur of aangever dat de goederen zijn uitgegaan. (Artikel 334 UVo.DWU)

Naar boven

2.12.1 Nasporingsprocedure

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Als het douanekantoor van uitvoer 90 dagen na vrijgave voor uitvoer niet over het uitgaan van de goederen is geïnformeerd, kan het de aangever vragen om informatie over de datum waarop en het douanekantoor van uitgang van waaruit de goederen het douanegebied hebben verlaten. De aangever kan hiertoe ook zelf het initiatief nemen. Na ontvangst van de informatie vraagt het douanekantoor van uitvoer het douanekantoor van uitgang om deze informatie te bevestigen. Bij een positieve reactie (binnen 10 dagen) bevestigt het douanekantoor van uitvoer het uitgaan aan de aangever. Als het douanekantoor van uitgang niet binnen 10 dagen reageert, stelt het douanekantoor van uitvoer de aangever hiervan in kennis en kan de aangever met alternatief bewijs het uitgaan aantonen. Het aantonen kan onder meer gebeuren met een kopie van de pakbon die door de geadresseerde buiten het douanegebied van de Unie is ondertekend of gewaarmerkt, het betalingsbewijs, de factuur, de pakbon, een verklaring van de vervoerder, een douaneverklaring of de administratie. In veel gevallen zal een combinatie van bewijsstukken benodigd zijn. Als de bewijsstukken worden geaccepteerd, informeert het douanekantoor van uitvoer het douanekantoor van uitgang zodat de vooraanmelding een eindstatus krijgt.

(Artikel 335 UVo.DWU)

Als het douanekantoor van uitvoer 150 dagen na vrijgave voor uitvoer geen informatie over het uitgaan heeft ontvangen en ook de hiervoor beschreven nasporingsprocedure geen resultaat heeft opgeleverd, kan het douanekantoor van uitvoer de betreffende aangifte ongeldig maken. Nederland past dit toe. Dit is een automatische ongeldigmaking in het aangiftesysteem (AGS of DMS - Douaneaangiften Management Systeem). De exporteur of aangever wordt hiervan op de hoogte gesteld.

(Artikel 248 lid 2 GVo.DWU)

Naar boven

2.13 Noodprocedure

Als het niet mogelijk is om langs elektronische weg met de douane te communiceren, moet de noodprocedure worden gebruikt. In de noodprocedure kan gebruik worden gemaakt van aangiften op papier. Zie hiervoor op douane.nl.

Naar boven

2.14 Afzien van uitvoer of wederuitvoer

2.14.1 Goederen waarvoor een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer is ingediend

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Een aangifte ten uitvoer en een aangifte tot wederuitvoer zijn aangiften waaruit bijzondere verplichtingen voortvloeien. De bijzondere verplichting bestaat er uit dat de ten uitvoer of tot wederuitvoer aangegeven goederen buiten het douanegebied van de Unie moeten worden gebracht. De aangever kan, nadat de goederen zijn vrijgegeven voor (weder)uitvoer, er voor kiezen om de goederen toch niet buiten het douanegebied van de Unie te brengen. In dat geval moet hij dit direct aan het douanekantoor van uitvoer mededelen onder opgave van het MRN (master reference number) van de betreffende aangifte. Als de goederen al bij het douanekantoor van uitgang zijn aangebracht, moet de aangever dit ook melden. Het douanekantoor van uitvoer verklaart de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer dan ongeldig en informeert de aangever en het opgegeven douanekantoor van uitgang over de ongeldigmaking. De vooraanmelding (het proces ‘uitgaan’ start met het ontvangen van de vooraanmelding uitgaan op het voorziene douanekantoor van uitgang, zie hoofdstuk 1 van dit onderdeel) krijgt dan de eindstatus. Uniegoederen komen vervolgens weer in het vrije verkeer en niet-Uniegoederen bevinden zich weer onder de bijzondere regeling waaronder zij zich bevonden toen de aangifte tot wederuitvoer werd ingediend. De houder van die regeling moet de goederen weer opnemen in zijn administratie. De persoon die de goederen weghaalt bij het douanekantoor van uitgang moet dit douanekantoor informeren dat de goederen het douanegebied van de Unie niet zullen verlaten en daarbij het MRN (master reference number) van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer vermelden.

(Artikel 174 DWU, artikel 148 lid 4 onder a GVo.DWU, artikel 340 leden 1 en 2 UVo.DWU)

Naar boven

2.14.2 Goederen waarvoor een summiere aangifte bij uitgaan is ingediend

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Als goederen waarvoor alleen een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD - bevat de gegevens die nodig zijn voor de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden) is gedaan het douanegebied van de Unie niet zullen verlaten, moet de persoon die de goederen weghaalt bij het douanekantoor van uitgang om ze naar een plaats binnen het douanegebied te vervoeren, dat melden aan het douanekantoor van uitgang en daarbij het MRN (master reference number) van de summiere aangifte bij uitgaan doorgeven. Het douanekantoor van uitgang maakt de summiere aangifte bij uitgaan vervolgens ongeldig.

(Artikel 272 lid 2 onder a DWU, artikel 342 UVo.DWU)

De douane maakt de summiere aangifte bij uitgaan ook ongeldig als na 150 dagen na de indiening daarvan geen bewijs is ontvangen dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

(Artikel 272 lid 2 onder b DWU)

Zie voor de summiere aangifte ij uitgaan ook paragraaf ‘2.3.2.3 Aangifte vóór vertrek in de vorm van een summiere aangifte bij uitgaan’ van dit onderdeel.

Naar boven

2.14.3 Niet Uniegoederen waarvoor een kennisgeving van wederuitvoer is ingediend

Bij (nog) geen gebruik van AES en BUP, geldt de tekst van deze paragraaf in bijlage 3 van dit onderdeel.
Als niet-Uniegoederen waarvoor een kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification – Ren bericht – gegevens van bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) is ingediend het douanegebied van de Unie niet zullen verlaten, moet de persoon die de goederen weghaalt bij het douanekantoor van uitgang om ze naar een plaats binnen het douanegebied te vervoeren, dat melden aan het douanekantoor van uitgang. Het douanekantoor van uitgang maakt de kennisgeving van wederuitvoer vervolgens ongeldig.

(Artikel 275 lid 2 onder a DWU, artikel 344 UVo.DWU)

De douane maakt de kennisgeving van wederuitvoer ook ongeldig als na 150 dagen na de indiening daarvan geen bewijs is ontvangen dat de niet-Uniegoederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

(Artikel 275 lid 2 onder b DWU)

Zie voor de kennisgeving van wederuitvoer ook paragraaf 2.4.

Let op!

De kennisgeving van wederuitvoer worden ingediend met behulp van elektronische gegevensuitwisselingstechnieken en verstrekt de douane een MRN (master reference number) aan de aangever. In de melding dat de goederen het douanegebied niet zullen verlaten, moet dan ook het MRN van de kennisgeving van wederuitvoer worden vermeld.

Naar boven