Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

50.10.00 Vrijstellingen

5 Vrijstelling bij gebruik minerale oliën voor bunkeren schepen of scheepsbehoeften

5.1 Wanneer is vrijstelling van accijns mogelijk

Vrijstelling van accijns kan worden verleend voor minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen anders dan pleziervaartuigen (WA, artikel 66). Het leveren van minerale oliën voor dit doel wordt in de praktijk ook wel aangeduid als bunkeren. Degene die de minerale olie levert wordt de bunkeraar genoemd.

Naar boven

5.2 Administratieve controle

De minerale olie wordt met vrijstelling van accijns uitgeslagen vanuit de (fictief) AGP. De Douane moet aan de hand van de administratie kunnen nagaan of de betrokken hoeveelheden olie zijn gebruikt voor het doel waarvoor de vrijstelling is verleend.

Naar boven

5.3 Eigenaar met eigen opslagplaats voor bunkering van eigen schepen

Op basis van paragraaf 4.9 van de beleidsregels accijnswetgeving kan, onder bepaalde voorwaarden, een eigenaar van meerdere schepen die voor de bunkering van zijn schepen een eigen opslagplaats heeft ook met vrijstelling van accijns minerale oliën in zijn opslagplaats ontvangen..

Naar boven

5.4 Minerale oliën waarvoor de vrijstelling geldt

De vrijstelling geldt voor iedere minerale olie (op lichte olie na) en voor alle producten die op grond van hun gebruik als motorbrandstof worden aangemerkt als minerale olie (WA, artikel 25, lid 2, letter a).

Halfzware olie, gasolie en biodiesel moeten zijn voorzien van herkenningsmiddelen (UBA, artikel 20, tweede lid en derde lid en WA, artikel 1a derde lid). Het herkenningsmiddel Solvent Yellow 124 moet aan al deze producten worden toegevoegd; lichte gasolie moet daarnaast zijn voorzien van een voldoende hoeveelheid rode kleurstof (URA, artikel 13, lid 2). De rode kleurstof moet ook toegevoegd worden aan biodiesel.

Wat betreft Marine dieselolie(MDO) moet gekeken worden naar de GN-code. Wanneer MDO wordt ingedeeld als gasolie dan moeten herkenningsmiddelen worden toegevoegd maar wanneer MDO wordt ingedeeld als stookolie is dit niet nodig.

Naar boven

5.5 Vrijstellingen schepen

5.5.1 Het begrip schip

De WA (noch enige andere belastingwet) definieert wat onder een schip wordt verstaan. Daarom is aansluiting gezocht bij het Burgerlijk Wetboek. Het BW, boek 8, titel 1, artikel 1 verstaat onder schepen: alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven, en drijven of hebben gedreven.

Dit is een ruime begripsomschrijving. Als schip moeten dus ook worden aangemerkt: veerboten, veerponten, baggerschepen, andere baggervaartuigen, werkschepen, drijvende kranen en dergelijke.

Aan de vrijstelling zijn echter voorwaarden verbonden, die in de volgende paragrafen worden besproken.

Naar boven

5.5.2 Het begrip pleziervaartuig

De vrijstelling is niet van toepassing op pleziervaartuigen. Artikel 66 lid 3 van de WA verstaat onder een pleziervaartuig: een vaartuig dat wordt gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan:

  • het vervoer van personen of goederen onder bezwarende titel (betaling)

  • het verrichten van diensten onder bezwarende titel (betaling)

  • het gebruik ten behoeve van overheidsinstanties

Deze betaling hoeft geen betaling in geld te zijn, maar kan ook bestaan uit een tegenprestatie. De betaling moet wel reëel zijn, dat wil zeggen dat de hoogte van de betaling in verhouding staat tot de prestatie. De definities van pleziervaartuig en plezierluchtvaartuig zijn beide opgenomen in artikel 66, lid 3 WA, zij zijn naar inhoud en reikwijdte gelijk. Vaartuigen die worden gebruikt voor het tegen betaling bedrijfsmatig vervoeren van personen, komen voor vrijstelling in aanmerking. Hierbij kan worden gedacht aan rondvaartboten en passagiersboten. Daarvan is sprake als er wordt gevaren:

  • volgens een vaste dienstregeling

  • met vaste vaarroutes en aanleghavens

  • tegen vooraf vastgestelde en voor iedereen kenbare prijzen

Voorbeeld 1

De eigenaar van een vissersboot verhuurt plaatsen aan boord om te vissen. De eigenaar brengt de vissers naar de plaats waar kan worden gevist. Vaak is zo’n plaats van tevoren bekend, maar als tijdens de tocht naar andere plaatsen wordt gezocht, is dat geen reden om de vrijstelling te weigeren.

Soms is niet zonder meer duidelijk of er sprake is van bedrijfsmatig vervoer van personen tegen betaling, bijvoorbeeld bij het verhuren of charteren van omgebouwde vracht- en vissersboten. De voorwaarden van de vrijstelling moeten dan worden bezien vanuit de huurder. Wanneer een schip wordt verhuurd, is de vrijstelling alleen van toepassing als de huurder zelf rechtstreeks personen tegen betaling vervoert of diensten tegen betaling verricht.

Voorbeeld 2

De eigenaar van een schip biedt personen tegen betaling de mogelijkheid een rondvaart te maken. Hierbij kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  • De eigenaar exploiteert het schip zelf en vervoert personen tegen betaling. In dit geval is vrijstelling mogelijk.

  • De eigenaar verhuurt het schip met of zonder bemanning. Ook al is de verhuur een commerciële activiteit, als de huurder geen betaling van de personen vraagt is geen vrijstelling mogelijk. Let op: het maakt hierbij dus geen verschil of het schip met of zonder bemanning wordt verhuurd.

Voorbeeld 3

Belanghebbende bezit een oude botter. In zijn vrije tijd verzorgt hij opleidingen voor vaarbewijs 1 en 2, waaronder een aantal praktijklessen. Hiervoor gebruikt hij zijn botter, voor ongeveer 100 uur per jaar. Is hier sprake van een pleziervaartuig in de zin van artikel 66, lid 3, van de WA?

Er moet bij het afleveren van motorbrandstof telkens worden gekeken naar het gebruik van het vaartuig. Is er sprake van gebruik voor privédoeleinden of gebruik voor niet commerciële doeleinden dan wordt het vaartuig aangemerkt als pleziervaartuig en mag niet met vrijstelling van accijns worden gebunkerd. Als er sprake is van zakelijke doeleinden waar geen betaling (tegenprestatie) tegenover staat, wordt dit niet als commercieel beschouwd! Ook dan mag niet met vrijstelling van accijns worden gebunkerd. Wordt hetzelfde vaartuig echter ook gebruikt voor commerciële doeleinden, dan is het gedurende de tijd van dat gebruik geen pleziervaartuig meer en mag met vrijstelling van accijns worden gebunkerd. Wel heeft de gebruiker van het vaartuig dan een probleem. Wanneer het vaartuig wordt gebruikt als pleziervaartuig moet als brandstof voor de aandrijving blanke gasolie worden gebruikt inclusief accijns. Gedurende de tijd dat het vaartuig voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, zou voor de aandrijving rode gasolie mogen worden gebruikt met vrijstelling van accijns. In dat geval moet wel een ondertekende verklaring zijn opgesteld als bedoeld in artikel 19 van het UBA. Door het wisselende gebruik van blanke en rode gasolie wordt echter vrijwel zeker de verbodsbepaling van artikel 91, lid 2, onderdeel b, van de WA overtreden op het moment dat het vaartuig weer wordt gebruikt als pleziervaartuig (tenzij telkens na het gebruik van rode gasolie de brandstoftank zou worden leeggehaald en gereinigd). Als een monster zou worden gevorderd, zal dit nagenoeg altijd bestanddelen van herkenningsmiddelen bevatten. Voor de gebruiker van een dergelijk voor verschillende doeleinden gebruikt vaartuig zou dit een reden kunnen zijn om altijd blanke gasolie te bunkeren, inclusief accijns.

Naar boven

5.5.3 Schepen waarvoor de vrijstelling kan gelden

De vrijstelling van accijns is van toepassing op minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen, andere dan pleziervaartuigen.

Voorbeeld

De vraag is of een drijvend boorplatform kan worden aangemerkt als schip. Zoals is aangegeven in paragraaf 5.5.1, geeft het Burgerlijk Wetboek een ruime begripsomschrijving van een schip. Op basis van het BW voldoet een drijvend boorplatform aan de definitie van een schip. Een tijdelijk vastzitten ontneemt aan een schip niet zijn kwalificatie als zodanig. De vrijstelling van artikel 66, lid 1, onderdeel a van de WA kan ook van toepassing zijn. Dit is het geval als de poten van het boorplatform niet uitstaan.

Artikel 66, lid 2 van de WA geeft aan dat de vrijstelling niet van toepassing is voor minerale oliën die worden gebruikt aan boord van schepen die kennelijk niet worden gebruikt om te varen. Als het boorplatform op zijn poten staat, wordt het kennelijk niet meer gebruikt om te varen. De vrijstelling van de artikel 66, lid 1, onderdeel a van de WA is dan niet van toepassing. Hierop is echter weer een uitzondering.

Buiten de Nederlandse territoriale wateren gelegen boorplatforms mogen, ook al staan ze op hun poten, minerale oliën accijnsvrij betrekken, doorgaans via zogenaamde supply-schepen. Formeel is dit uitvoer naar een derde land. Voor binnen de territoriale wateren gelegen boorplatforms, die op hun poten staan, geldt dit niet en is de vrijstelling niet van toepassing.

Naar boven

5.5.4 Pleziervaartuigen komende uit derde landen

Pleziervaartuigen moeten over de brandstof in de bunkertanks accijns betalen en de bunkertank mag dus geen rode olie bevatten. In andere landen buiten de EU is dit wel mogelijk toegestaan. Hoe gaan we om met pleziervaartuigen komende uit derde landen met rode olie in de bunkertank?

Artikel 7:16, eerste lid, onderdeel a Adr bepaalt dat vrijstelling van invoerrechten wordt verleend voor brandstoffen en smeermiddelen aanwezig in binnenkomende schepen en luchtvaartuigen en bestemd voor de aandrijving of smering daarvan. Artikel 7:27, eerste lid Adr verklaart de vrijstelling van artikel 7:16 van overeenkomstige toepassing op de accijns.

Het is hierbij wel belangrijk dat de vrijstelling alleen geldt voor brandstoffen (en smeermiddelen) aanwezig in binnenkomende schepen. Artikel 1:2, onderdeel c Adr bepaalt wat een binnenkomend schip is, n.l. een schip waarvoor de aanbrengverplichting van artikel 139 DWU geldt.

Dus een pleziervaartuig komende uit derde landen mag rode olie in de bunkertank hebben. De brandstof mag niet van boord worden gehaald.

Naar boven

5.5.5 Schepen waarvoor de vrijstelling niet geldt

De vrijstelling is niet van toepassing op minerale oliën die worden gebruikt voor:

  • pleziervaartuigen (WA, artikel 66, lid 3)

  • schepen die kennelijk niet worden gebruikt om te varen, bijvoorbeeld woonschepen

  • andere schepen met een vaste ligplaats, zoals hotel- en winkelschepen of een boorplatform die op poten staat (WA, artikel 66, lid 2)

Voorbeeld

Een schip - volgens de beschrijving bij het kadaster een overslagschip - is op een vaste locatie verankerd. Het is voorzien van een hoofdmotor en een aggregaat. De motoren worden van brandstof voorzien vanuit dezelfde tank. Op het schip is een drukinstallatie gebouwd waarmee vanuit lichters cement wordt opgezogen, dat wordt doorgepompt naar silo’s op de wal. Het schip wordt nooit verplaatst en de eigenaar geeft aan dat de hoofdmotor niet wordt gebruikt. De vraag is of als brandstof rode gasolie mag worden gekocht met vrijstelling van accijns. Het antwoord is nee.

Op grond van artikel 66, lid 1, onderdeel a van de WA, wordt vrijstelling van accijns verleend voor minerale olie die wordt gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen. Lid 2 van dit artikel geeft aan dat de vrijstelling niet van toepassing is met betrekking tot minerale olie voor schepen die kennelijk niet worden gebruikt om te varen. In dit voorbeeld betreft het een schip met een vaste ligplaats, waarmee niet wordt gevaren. De gebruikte brandstof dient uitsluitend voor de aandrijving van het aggregaat. Hiervoor moet blanke gasolie worden gebruikt.

Naar boven

5.5.6 Scheepsbehoeften waarvoor de vrijstelling kan gelden

Op grond van artikel 66, lid 1, onderdeel a van de WA, wordt vrijstelling verleend voor minerale olie die wordt gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van die schepen.

Voorbeelden van scheepsbehoeften zijn:

  • Het gebruik van minerale oliën als brandstof voor het aan boord van schepen opwekken van elektriciteit.

  • Het gebruik van minerale oliën aan boord van schepen voor verwarmingsdoeleinden.

Werktuigen die vastzitten aan een ponton

Voor werktuigen die vastzitten aan een ponton mag minerale olie met vrijstelling worden gebruikt als deze werktuigen deel uitmaken van het ponton. Van ‘vastzitten’ is sprake als de werktuigen:

  • vastgelast zijn aan een ponton

  • zich op rails voortbewegen op een ponton

  • vastgesjord zijn aan een ponton met kettingen, kabels of spanbanden.

Bij vastsjorren geldt als voorwaarde dat het werktuig alleen aan boord van een ponton mag worden gebruikt en niet aan land. Uit de (project)administratie van de waterbouwer moet blijken dat het werktuig alleen bestemd is om aan boord van een ponton te worden gebruikt en ook daadwerkelijk uitsluitend aan boord van een ponton is (en wordt) gebruikt.

Alle andere werktuigen op pontons

Voor werktuigen die niet vastzitten aan een ponton ofn worden gebruikt zowel op een ponton als op de wal mag geen minerale olie worden gebruikt met vrijstelling van accijns.

Voor het gebruik van een aggregaat op een ponton geldt het volgende.

Een aggregaat op ponton met gebruik van elektriciteit op zelfde ponton mag minerale olie worden gebruikt met vrijstelling van accijns.

Een aggregaat op een ponton met gebruik van elektriciteit op ander ponton of een aggregaat op de wal met gebruik van elektriciteit op een ponton mag geen minerale olie worden gebruikt met vrijstelling van accijns.

Naar boven

5.6 Bunkeren met vrijstelling van accijns

5.6.1 De bunkerverklaring

In alle gevallen van bunkering met vrijstelling van accijns moet door of namens de eigenaar van het schip (dus ook de buitenlandse eigenaar) een bunkerverklaring worden ondertekend, opgemaakt door de vergunninghouder van de AGP. In deze verklaring verklaart de afnemer de minerale oliën te gebruiken voor de aandrijving van het schip, of voor ander gebruik aan boord van het schip (UBA, artikel 19, letter a).

Wettelijk is voorgeschreven dat de bunkerverklaring wordt opgemaakt door de leverancier. De afnemer tekent voor de hoeveelheid die hij in zijn schip heeft ontvangen.

Vorm

Er is geen model voorgeschreven voor de bunkerverklaring. Zo kan het voorkomen dat de gegevens worden vermeld op een ticketprinterbon. Dit is een afleveringsbon die wordt ingedrukt op een ticketprinter en in het algemeen bestaat uit een origineel en vier zelfdoorschrijvende kopieën. Deze bonnen mogen ook als bunkerverklaring dienen, mits alle vereiste gegevens erop staan vermeld (URA, artikel 29, lid 1). Bij aflevering in meerdere op het schip aanwezige tanks zijn evenzovele ticketprinterbonnen benodigd, met opeenvolgende nummers. Zulke gescheiden bunkeringen kunnen als één bunkering worden aangemerkt, mits de leveringsfactuur alle nummers van de ticketprinterbonnen vermeldt.

Nadat de bunkerverklaring is ingevuld en ondertekend, bewaren de leverancier en de afnemer elk een exemplaar bij hun administratie. De afnemer bewaart de bunkerverklaring aan boord van het schip (UBA, artikel 19, letter d).

Naar boven

5.6.2 Moment van bunkering

Wanneer een schip minerale olie nodig heeft, meert het af bij een leverancier van olie. Dit kan de houder van een AGP zijn, of de eigenaar van olie waarvoor de accijns al is voldaan. Deze laatste kan de accijns terugvragen nadat hij de olie heeft afgeleverd aan het schip (zie onderdeel 50.20.00, Teruggaven accijns, van dit Handboek).

De plaats van waaruit wordt geleverd kan een opslagplaats zijn of een vervoermiddel, meestal een bunkerlichter. Het eigenlijke moment van bunkeren is het moment dat de olie via slangen overgaat uit de opslag naar de brandstoftanks van het schip.

Naar boven

5.6.3 Vaststellen hoeveelheid geleverde bunkerolie

Van de levering wordt een afleveringsbon opgemaakt waarop de geleverde hoeveelheid liters staat vermeld. In de meeste gevallen gebeurt dit door het afdrukken van de meterstanden op een bon.

Een andere manier om de geleverde hoeveelheid vast te stellen, is het meten van de tanks van waaruit is geleverd, zowel voor als na de levering.

Naar boven

5.6.4 Leverancier moet vermeld staan op bunkerverklaring

De afnemer van de bunkerolie is de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger. De leverancier van de bunkerolie is degene die de olie verkoopt aan de afnemer. In de bunkerhandel komt het voor dat de leverancier niet zelf de olie aflevert in het te bunkeren schip. Hij kan het vervoer en de feitelijke levering laten verzorgen door een transporteur. Ook dan blijft de eigenaar de leverancier die op de bunkerverklaring moet worden vermeld.

Het komt ook voor dat een tussenhandelaar zonder AGP de bunkerolie koopt van een andere handelaar, die de olie heeft opgeslagen in een AGP. De olie wordt dan met betaling van accijns uitgeslagen uit de AGP. De leverancier(tussenhandelaar) kan de accijns terugvragen nadat hij de olie heeft afgeleverd aan het schip, onder overlegging van de bunkerverklaring waarop hij als leverancier staat vermeld (zie onderdeel 50.20.00, Teruggaven accijns, van dit Handboek).

Naar boven