Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

12.00.00 Plaatsing van goederen onder een douaneregeling

11 Ongeldig maken/buiten werking stellen

Dit hoofdstuk behandelt het ongeldig maken, buiten werking stellen van de aangifte.

Naar boven

11.1 Algemeen

Een aanvaarde aangifte kan ongeldig worden gemaakt. Ongeldig maken gebeurt op verzoek van de aangever of van rechtswege. Daarnaast kan een aangifte buiten werking gesteld worden. Dit gebeurt op initiatief van de Douane. Ondanks de verschillende termen is het uiteindelijke resultaat hetzelfde: de aangifte krijgt niet de voorziene werking.

Dit hoofdstuk behandelt het ongeldig maken en het buiten werking stellen van aangiften.

Naar boven

11.2 Procedures, ambtelijke werkzaamheden

11.2.1 Ongeldig maken voor vrijgave

Op verzoek van de aangever kan de Douane een aanvaarde aangifte ongeldig maken. In twee gevallen is dit mogelijk, namelijk:

  • de aangever heeft zich vergist in de douaneregeling

  • de plaatsing onder een bepaalde douaneregeling is niet meer gerechtvaardigd na het optreden van bijzondere omstandigheden

( artikel 66, lid 1, CDW)

Voorbeeld vergissen in een bepaalde douaneregeling

Een douane-expediteur geeft de goederen aan voor het vrije verkeer. De ontvanger van de goederen had echter een opdracht tot douanevervoer gegeven. Zolang de goederen niet zijn vrijgegeven, kan de aangifte ongeldig gemaakt worden.

Voorbeeld bijzondere omstandigheden

Een douane-expediteur mag van een importeur zonder een aparte opdracht goederen voor hem aangeven voor het vrije verkeer. De importeur gaat failliet. De douane-expediteur is daarvan niet op de hoogte. De goederen kunnen nu buiten de wil van de douane-expediteur niet bij de importeur worden afgeleverd. De aangifte kan in dit geval ongeldig gemaakt worden, zolang de goederen nog niet vrijgegeven zijn.

In beide gevallen moet de aangever aantonen dat er sprake is van een vergissing of bijzondere omstandigheden. Hij toont bijvoorbeeld de opdracht om goederen onder een andere douaneregeling te plaatsen. Uiteraard moet de datum van deze opdracht vóór de aanvaardingsdatum van de ongeldig te maken aangifte liggen.

Het is mogelijk dat u de aangever van een voorgenomen fysieke controle op de hoogte heeft gebracht. Vervolgens verzoekt de aangever om ongeldigmaking. Dit verzoek kunt u niet onmiddellijk aanvaarden. Eerst voert u de fysieke controle uit. Hierbij kunt u constateren of er onregelmatigheden zijn. Misschien heeft de aangever juist een verzoek gedaan, omdat u fysiek wilde controleren.

Pas na de fysieke controle neemt u het verzoek in behandeling. Als aan de voorwaarden is voldaan, kunt u de aangifte ongeldig maken. Ondanks de ongeldigmaking kunt u toch bekeuren, als er wettelijke bepalingen zijn overtreden.
(artikel 66, leden 1, 3, CDW)

Naar boven

11.2.2 Ongeldig maken na vrijgave

Alleen in speciale gevallen kan een aangifte ongeldig gemaakt worden na de vrijgave (artikel 66, lid 2). Deze gevallen zijn uitgewerkt in artikel 251 TVo. CDW. Het zijn er vijf:

  • goederen aangegeven voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling

  • verkeerde goederen aangegeven voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer gedeeltelijke vrijstelling

  • goederen aangegeven voor uitvoer of passieve veredeling

  • goederen aangegeven voor wederuitvoer

  • communautaire goederen geplaatst onder het stelsel van douane-entrepots

Goederen aangegeven voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer

Ongeldig maken is toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de aangever heeft bij vergissing voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer aangegeven;

  • binnen drie maanden na de aanvaarding van de aangifte wordt het verzoek gedaan;

  • er is een douaneschuld ontstaan;

  • er is niets met de goederen gebeurd wat niet mocht onder de juiste douaneregeling;

  • toen de aangifte gedaan werd, waren de goederen al bestemd voor die andere douaneregeling, ze voldeden aan alle voorwaarden van die douaneregeling;

  • de goederen worden onmiddellijk aangegeven voor de juiste douaneregeling.

De aangifte voor plaatsing onder de juiste douaneregeling krijgt de aanvaardingsdatum van de ongeldig gemaakte aangifte.

In AGS wordt een verzoek tot ongeldigmaken van de aangifte elektronisch ingediend als het gaat om een eerder elektronisch ingediende aangifte. Als de aangifte in eerste instantie schriftelijk is ingediend wordt ook het verzoek om ongeldig maken schriftelijk ingediend. In het verzoek wordt de reden van ongeldigmaken met een code aangegeven. Na beoordeling van het verzoek door de aangiftebehandelaar wordt een douanestandpunt ingenomen. Het verzoek kan worden ingewilligd of worden afgewezen. Toewijzing van het verzoek heeft tot gevolg dat er terugbetaling van de rechten bij invoer plaats vindt op grond van artikel 237 CDW. In uitzonderlijke gevallen kan de drie-maanden-termijn overschreden worden. Dit moet de Douane per geval beoordelen.
( artikel 251, lid 1, TVo. CDW, artikel 201 CDW)

Verkeerde goederen aangegeven voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer

Ongeldig maken is in dit geval toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • de aangever heeft zich vergist, een verkeerde zending voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer aangegeven;

  • binnen drie maanden na aanvaarding van de aangifte wordt een verzoek gedaan;

  • er is een douaneschuld ontstaan;

  • de verkeerde zending goederen is niet gebruikt op een andere manier dan in de situatie vóór de aangifte voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer mocht

  • de verkeerde zending goederen wordt weer in de voorafgaande situatie gebracht

  • de juiste zending goederen had kunnen worden aangebracht op het douanekantoor waar de verkeerde zending is aangegeven op het moment van indiening van de aangifte voor de verkeerde zending

  • de juiste zending is inmiddels al aangegeven voor het vrije verkeer of tijdelijke invoer.

In uitzonderlijke gevallen kan de drie-maanden-termijn overschreden worden. De Douane moet dit per geval beoordelen.
( artikel 251, lid 1bis, TVo. CDW, artikel 201 CDW)

Goederen aangegeven voor het vrije verkeer in het kader van een postorderverkoop en zogenaamde internetverkopen

Het komt voor dat goederen die via een postorderbedrijf en zogenaamde internetverkopen zijn gekocht door de afnemer worden geweigerd. De aangifte voor het vrije verkeer voor deze goederen kan ongeldig worden gemaakt als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • binnen drie maanden na de aanvaarding van de aangifte wordt het verzoek gedaan;

  • de goederen zijn uitgevoerd naar het adres van de oorspronkelijke leverancier (of naar een ander adres dat door de oorspronkelijke leverancier is opgegeven).

( artikel 251, lid 1ter, TVo. CDW)

Onder postorderbedrijf moet u in dit verband verstaan een gespecialiseerde economische activiteit die bestaat uit detailverkoop per catalogus. De catalogus moet gericht zijn op het publiek in het algemeen. Zij zal soms op papier zijn gesteld, maar mag ook op andere wijze zijn verspreid, de zogenaamde internetverkopen. De te koop aangeboden artikelen worden opgesomd op een zodanige wijze dat aan de volgende drie criteria wordt voldaan:

  • de overeenkomst van goederenleveringen moet worden gesloten op grond van de catalogus/of op internet geplaatste verkoopvoorwaarden die de afnemer in afwezigheid van de verkoper heeft kunnen raadplegen

  • ten aanzien van de levering komen de verkoper en de koper de hele afwikkeling overeen. Het kan niet zo zijn dat de koper zelf een andere partij voor het vervoer benaderen moet

  • In de catalogus, de overeenkomst, c.q. de verkoopvoorwaarden op internet moet duidelijk zijn vermeld dat de afnemer het recht heeft de goederen binnen een termijn van tenminste zeven dagen na de datum van ontvangst aan de verkoper terug te zenden of in de genoemde periode de overeenkomst op te zeggen zonder dat op de afnemer een andere verplichting rust dan de verplichting de goederen redelijk zorgvuldig te behandelen

Goederen aangegeven voor uitvoer of passieve veredeling

De TVo.CDW maakt voor uitvoer of passieve veredeling aangegeven goederen een onderscheid. Het gaat hier om de volgende goederen:

  • goederen waarvoor bij de uitvoer geld wordt uitgekeerd of waarop andere bijzondere maatregelen van toepassing zijn

  • andere goederen.

Goederen waarvoor bij de uitvoer geld wordt uitgekeerd of waarop andere bijzondere maatregelen van toepassing zijn
Hier kunt u denken aan de volgende goederen:

  • goederen waarvoor een verzoek om terugbetaling van invoerrechten is gedaan;

  • goederen waarvoor restitutie is gevraagd;

  • goederen waarvoor een uitvoervergunning nodig is.

Ongeldig making van een aangifte voor deze goederen is mogelijk als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de aangever toont op het douanekantoor van uitvoer aan dat de goederen het douanegebied van de Europese Unie niet hebben verlaten

  • de aangever levert alle exemplaren van de douaneaangifte, alle na de aanvaarding teruggegeven bescheiden weer in op het douanekantoor van uitvoer

  • dde aangever toont aan dat hij de geldbedragen heeft terugbetaald of dat er maatregelen zijn genomen om uitbetaling aan hem te voorkomen
    (artikel 849, lid 3 TVo. CDW);

  • de aangever voldoet aan de voorwaarden die het douanekantoor van uitvoer stelt om de situatie van de goederen te regelen.

Voor landbouwgoederen wordt soms een certificaat overgelegd bij de aangifte ten uitvoer. De afboeking op zo'n certificaat moet ongedaan gemaakt worden, als de aangifte ongeldig wordt gemaakt. Voor meer informatie kunt u terecht in het boekwerk Wetgeving Douane, communautaire wetgeving: Landbouw: [hyperlink] en dit Handboek, onderdeel Uitvoercertificaten landbouwgoederen, nummer 20.03.00.

De aangifte moet in Douane Sagitta Uitvoer ook buiten werking worden gesteld. Douane Sagitta Uitvoer kent geen termijn waarbinnen de buitenwerkingstelling moet plaatsvinden.

Andere goederen

Voor andere goederen gelden de volgende voorwaarden voor ongeldig making:

  • de goederen hebben het douanegebied van de Europese Unie niet verlaten;

  • de exporteur stelt het douanekantoor van uitvoer onmiddellijk in kennis;

  • het uitvoergeleidedocument (UGD) wordt teruggegeven aan het douanekantoor van uitvoer.

(artikel 251, lid 2, letter b, artikel 796 TVo. CDW)

Goederen aangegeven voor wederuitvoer

Voor goederen die zijn aangegeven voor wederuitvoer geldt hetzelfde als voor goederen die aangegeven zijn voor uitvoer of passieve veredeling.

Communautaire goederen geplaatst onder het stelsel van douane-entrepots

Artikel 98, lid 1, letter b, CDW maakt het mogelijk communautaire goederen te plaatsen onder het stelsel van douane-entrepots. U kunt daarbij denken aan:

  • goederen waarvoor restituties wordt gevraagd door toepassing van de regeling prefinanciering

  • communautaire landbouwgoederen door toepassing van de regeling bevoorradingsdepot

  • bepaalde communautaire goederen waarvoor speciale toestemming is verleend (bijvoorbeeld goederen die met vrijstelling van accijns, omzetbelasting geleverd worden aan diplomaten)
    Zie onderdeel 15.50.00 van dit Handboek voor meer informatie

De aangifte tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots kan niet zo maar ongeldig gemaakt worden. De goederen moesten eigenlijk een bepaalde bestemming volgen. Bijvoorbeeld uitvoer uit het douanegebied van de Europese Unie. Nu deze bestemming niet gevolgd gaat worden, moeten maatregelen genomen worden. U kunt daarbij denken aan terugbetaling van ontvangen restituties.
( artikel 251, lid 4, TVo. CDW)

Naar boven

11.2.3 Buiten werking stellen

Buiten werking stellen gebeurt op initiatief van de Douane. In de TVo. CDW vindt u drie gevallen waarin buiten werking stelling mogelijk is. Het betreft:

  • artikel 241, lid 4 (weigering medewerking aangever)

  • artikel 250, lid 2 (niet overlegging van bescheiden)

  • artikel 842, lid 2 (vernietiging van de goederen)

Daarnaast wordt een aangifte buiten werking gesteld als de goederen niet aanwezig waren op het moment dat de aangifte gedaan werd. De aangifte werd dan ten onrechte aanvaard. Dit geldt uiteraard niet als er sprake is van een zogenaamde voorafaangifte. Het resultaat is hetzelfde als bij ongeldig maken. De aangifte krijgt niet de voorziene werking.

Naar boven

11.2.4 Goederen zijn niet aanwezig

Bij de aanvaardingscontrole of de fysieke controle in het kader van de verificatie kunt u vaststellen dat de goederen die in de aangifte zijn vermeld niet aanwezig zijn.

Goederen zijn in het geheel niet aangebracht:

Het is mogelijk dat deze goederen in het geheel niet zijn aangebracht. Dit heeft tot gevolg dat de aangifte niet mag worden aanvaard c.q. had mogen worden aanvaard. Een al aanvaarde aangifte moet bij constatering dat de goederen niet aanwezig zijn, ambtshalve buiten werking worden gesteld. Daarmee wordt de aangifte geacht niet te zijn aanvaard, gaan alle rechtshandelingen die terzake van de aanvaarding zijn verricht teniet.

Het niet aanvaarden van deze aangifte of het ambtshalve buiten werking stellen, heeft tot gevolg dat de voorafgaande vorm van douanetoezicht waaronder de goederen zich bevinden, niet op regelmatige wijze kan worden beëindigd. Voor zover er al formaliteiten zijn verricht ter beëindiging van dat douanetoezicht, moeten deze ongedaan worden gemaakt.

Er ontstaat vervolgens een douaneschuld wegens onttrekken van de goederen aan die voorafgaande vorm van douanetoezicht. Bijvoorbeeld een vermis in entrepot, niet-beëindiging van een regeling voor douanevervoer. Zie voor de handelwijze die u moet volgen bij niet-beëindiging van de betreffende vorm van douanetoezicht, het betreffende onderdeel van dit Handboek.
(artikel 203, lid 1, CDW)

Goederen zijn na het aanbrengen zonder toestemming weggevoerd:

Het is ook mogelijk dat de goederen wel aanwezig zijn geweest, maar dat deze zonder toestemming van de Douane zijn weggevoerd. De aangifte is terecht aanvaard omdat de goederen wel zijn aangebracht. Door de vervoegde wegvoering kan de Douane echter de procedure voor het plaatsen van de goederen onder een douaneregeling niet meer volgen, een onderzoek van de goederen is namelijk niet meer mogelijk.
(titel IV, hoofdstuk 2, afdeling 1, CDW)

Het Hof van Justitie heeft beslist dat wanneer een door een douane-autoriteit gelaste inspectie van goederen met het oog op verificatie van een aanvaarde aangifte niet heeft kunnen plaatsvinden omdat de goederen zonder toestemming van de bevoegde douane-autoriteit zijn verwijderd, een douaneschuld ontstaat uit hoofde van onttrekking.
(Arrest Hof van Justitie in zaak C-66/99, dd. 1 februari 2001, r.o. 51)

Dit arrest heeft betrekking op een aangifte voor het vrije verkeer, waarbij wordt geconcludeerd dat de douaneschuld bij het wegvoeren zonder toestemming niet kan ontstaan uit hoofde van regelmatige invoer. Uit de overwegingen van het Hof, bezien in hun onderlinge samenhang, moet worden geconcludeerd dat deze beslissing zich uitstrekt tot de plaatsing van goederen onder ongeacht welke douaneregeling.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat wanneer goederen zonder toestemming zijn weggevoerd tussen het moment van aanvaarding van een aangifte, het verlenen van de toestemming tot wegvoering, de aangifte ambtshalve buiten werking moet worden gesteld. Hierbij wordt op dezelfde wijze gehandeld als wanneer de goederen in het geheel niet aanwezig zijn geweest.

Als de goederen onder de regeling douanevervoer zijn aangebracht met de vereiste documenten bij het kantoor van bestemming is deze douaneregeling beëindigd (Artikel 92 CDW). Als de nadere aangifte voor een douaneregeling vervolgens ambtshalve buiten werking wordt gesteld omdat de goederen zonder toestemming zijn weggevoerd, kan de regeling douanevervoer niet meer herleven. De goederen bevinden zich na het beëindigen van de regeling douanevervoer namelijk in tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 50 en 55 CDW. Door de wegvoering zonder toestemming worden de goederen onttrokken aan die tijdelijke opslag. De schuldenaar is in dat geval onder meer de beheerder van de goederen. Dit is degene die in staat is geweest om de goederen bij de Douane aan te brengen. Veelal zal dit dezelfde persoon zijn als de aangever van de aangifte die buiten werking is gesteld.(artikel 184 TVo. CDW)

Naar boven

11.2.5 Verplichte bescheiden niet aanwezig

Als bij een aangifte bescheiden moeten worden overgelegd, waarvan de overlegging noodzakelijk is voor de plaatsing onder de gevraagde douaneregeling, moeten deze bij de aanvaarding van de aangifte aanwezig zijn. Achteraf overleggen van deze bescheiden mag slechts als wordt voldaan aan voorwaarden. Zie paragraaf 2.2.6 van dit onderdeel.
( artikelen 62, lid 2, en 63 CDW)

Als bij een controle blijkt dat een overgelegd bescheid niet kan dienen omdat het bijvoorbeeld niet tot de aangegeven goederen behoort, moet de Douane de aangifte ambtshalve buiten werking stellen. In de lijn van de uitleg van het Hof van Justitie in het arrest C-66/99 (zie paragraaf 11.2.4 hiervoor), kunnen goederen namelijk niet worden geplaatst onder een douaneregeling, wanneer niet aan alle voorwaarden voor plaatsing onder die regeling wordt voldaan. Als gevolg van de buitenwerkingstelling is de voorafgaande douaneregeling niet beëindigd, wanneer dit een economische douaneregeling is. Is de voorafgaande regeling douanevervoer, dan is die regeling wel beëindigd, maar dan worden de goederen na buitenwerkingstelling geacht zich in tijdelijke opslag te bevinden.

Als een noodzakelijk bescheid achteraf wordt overgelegd en de datum van afgifte van dat bescheid ligt na de datum van aanvaarding van de aangifte, kan het bescheid slechts dienen, als de bevoegde instantie voor afgifte van dat bescheid geen bezwaren heeft tegen het gebruik van dat bescheid voor de betreffende zending. In- respectievelijk uitvoercertificaten die op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid noodzakelijk zijn voor plaatsing van goederen onder de douaneregelingen vrije verkeer respectievelijk uitvoer moeten altijd geldig zijn op de datum van aanvaarding van de aangifte.

Naar boven