Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

8.00.00 Preferentiele oorsprong en herkomst

2 Preferentiële oorsprong

In dit hoofdstuk vindt u het theoretische gedeelte van het onderwerp preferentiële oorsprong. Naast een aantal algemene aspecten, komen hier de oorsprongsregels aan de orde die zijn vastgesteld in het kader van de verschillende preferentiële regelingen.

Naar boven

2.1 Algemeen: preferenties

De meeste preferentiële regelingen komen voort uit de verschillende overeenkomsten die zijn gesloten tussen de Europese Unie en derde landen waarbij een zogenaamde vrijhandelszone tot stand werd gebracht. Een vrijhandelszone wordt onder andere gekenmerkt door een vrij verkeer van goederen van oorsprong tussen de verdragsluitende partijen, zonder dat tegelijkertijd een gemeenschappelijk douanetarief op goederen uit derde landen wordt toegepast. Daarnaast kent de Europese Unie in een aantal gevallen autonoom - dus zonder dat daaraan een overeenkomst ten grondslag ligt - preferenties toe aan bepaalde begunstigde landen. Een dergelijke vrijhandelsovereenkomst of autonome regeling geldt zelden of nooit voor alle producten. Per overeenkomst of autonome regeling kan het goederenpakket verschillen. Meestal zijn, met name - met het oog op het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie - landbouwproducten grotendeels uitgezonderd.

Verlaagde douanerechten bij invoer

Het hiervoor bedoelde vrije verkeer van goederen van oorsprong houdt niet altijd in dat voor de betreffende goederen de heffing van douanerechten bij invoer volledig achterwege kan worden gelaten. Er kan ook sprake zijn van de heffing van verlaagde douanerechten bij invoer. Dit zal met name het geval zijn gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van een nieuwe handelsovereenkomst. Daarbij wordt in het algemeen een geleidelijke afbraak van de normaal geldende douanerechten bij invoer overeengekomen. De snelheid waarmee die afbraak binnen de Europese Unie plaatsvindt, kan verschillen van de snelheid die in het land van de andere verdragsluitende partij wordt toegepast.

Naar boven

2.2 Preferentiële regelingen

Het preferentiële stelsel van de Europese Unie is gebaseerd op de volgende vrijhandelsovereenkomsten en autonome regelingen:

  1. de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), gesloten tussen de Europese Unie en Noorwegen, IJsland en Liechtenstein;

  2. de afzonderlijke overeenkomsten met de landen van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA) die ook deel uitmaken van de EER: Liechtenstein, Noorwegen en IJsland;

  3. de overeenkomst met het EVA-land Zwitserland;

  4. de overeenkomsten met Marokko, Algerije en Tunesië (de zogenaamde MAGHREB-landen);

  5. de overeenkomsten met Egypte, Syrië, Libanon en Jordanië (de zogenaamde MASHRAK-landen);

  6. de overeenkomst met Israël;

  7. de overeenkomst met Montenegro;

  8. de regeling die bij de toetreding van Spanje is getroffen voor het handelsverkeer met Ceuta en Melilla;

  9. de overeenkomst met Denemarken/Faeröer inzake het handelsverkeer tussen de Faeröer eilanden en de Europese Unie;

  10. de overeenkomst met Andorra met betrekking tot de producten die onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het Geharmoniseerd Systeem vallen;

  11. de tijdelijke regeling met een aantal voormalige koloniën en overzeese gebiedsdelen (Verordening (EG) nr. 1528/2007) in Afrika, het Caraïbisch gebied en in de Stille Zuidzee (de zogenaamde ACS-landen) Zie voor een overzicht van deze landen bijlage 1;

  12. de economische partnerschapovereenkomst met de Cariforum-landen Zie voor een overzicht van deze landen bijlage 1;

  13. de tussentijdse overeenkomst met de Stille Oceaanstaten. (Paoea-Nieuw-Guinea);

  14. de autonome regeling voor de Landen en Gebieden Overzee (LGO): Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de associatie van de Landen en Gebieden Overzee met de Europese Unie;

  15. de autonome regeling voor de ontwikkelingslanden in het kader van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS);

  16. de autonome regeling voor Kosovo en Moldavië;

  17. de overeenkomst met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook;

  18. de overeenkomst met Turkije voor bepaalde kolen- en staalproducten;

  19. de overeenkomst met Turkije met betrekking tot bepaalde landbouwproducten;

  20. de overeenkomst met Mexico;

  21. de overeenkomst met Zuid-Afrika;

  22. de overeenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;

  23. de overeenkomst met Kroatië;

  24. de interimovereenkomst met Servië;

  25. de interimovereenkomst met Albanië;

  26. de interimovereenkomst met Bosnië-Herzegovina;

  27. de overeenkomst met Chili;

  28. de overeenkomst met Zuid-Korea.

Naar boven

2.3 Oorsprongsregels

Artikel 27 van het CDW verwijst voor de preferentiële oorsprongsregels naar de desbetreffende vrijhandelsovereenkomsten en autonome regelingen. In de artikelen 67 tot en met 97 van de TVo. CDW zijn de oorsprongsregels neergelegd die van toepassing zijn op de begunstigde landen in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem(APS) terwijl in de artikelen 98 tot en met 123 van de TVo. CDW de oorsprongsregels zijn neergelegd die van toepassing zijn voor Kosovo en Moldavië. De oorsprongsregels die betrekking hebben op de Landen en Gebieden Overzee (LGO) en de oorsprongsregels die zijn gebaseerd op de vrijhandelsovereenkomsten zijn opgenomen in zogenaamde oorsprongsprotocollen bij de betreffende overeenkomsten.

Die oorsprongsregels omvatten onder meer de definitie van het begrip oorsprong, de regels voor de bewijsvoering en de procedure rond de administratieve samenwerking. Daarnaast zijn in Nederland de Algemene douanewet, het Algemeen douanebesluit en de Algemene douaneregeling van toepassing.
De oorsprongsprotocollen bij de verschillende vrijhandelsovereenkomsten zijn opgenomen in het onderdeel communautaire wetgeving (oorsprong) van boekwerk Wetgeving Douane (boekwerk WD).

Naar boven

2.3.1 Hoofdlijnen preferentiële oorsprongsregels

Het begrip oorsprong is in alle preferentiële regelingen gedefinieerd. De definities zijn in alle regelingen gelijk. Als hoofdlijn geldt dat goederen van oorsprong zijn uit een bepaald land als zij:

  • geheel en al in dat land werden verkregen, of

  • niet geheel en al in dat land werden verkregen, maar aldaar wel toereikend werden be- of verwerkt.

Naar boven

2.3.2 Geheel en al verkregen goederen

Als geheel en al verkregen in de Europese Unie of in het betrokken derde land worden, afgezien van geringe verschillen in de formulering in de verschillende regelingen, beschouwd:

  1. uit hun bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;

  2. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;

  3. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;

  4. producten afkomstig van levende dieren, die aldaar worden gefokt;

  5. producten afkomstig van aldaar geboren en gefokte geslachte dieren;

  6. voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

  7. producten van de zeevisserij en andere door hun schepen uit de zee gewonnen producten;

  8. producten, uitsluitend uit de onder f bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;

  9. aldaar verzamelde, gebruikte artikelen, die slechts kunnen dienen voor het terugwinnen van grondstoffen;

  10. afval van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen;

  11. goederen die aldaar zijn vervaardigd uitsluitend uit de onder a tot en met i bedoelde producten.

Uit deze definitie volgt dat goederen slechts als geheel en al verkregen kunnen worden beschouwd als bij de totstandkoming ervan geen enkel bestanddeel uit een derde land is gebruikt. Zelfs het gebruik van bestanddelen die al als van oorsprong uit de Europese Unie kunnen worden aangemerkt, maar waarin bestanddelen uit derde landen zijn verwerkt, leidt tot het niet voldoen aan de kwalificatie geheel en al verkregen.

Voorbeeld

Boter, vervaardigd uit melk van koeien die in de Europese Unie zijn gehouden, kan in principe als geheel en al verkregen worden beschouwd. Wordt echter bij de vervaardiging een kleurstof gebruikt die wel van oorsprong uit de Europese Unie is, maar waarin bij de vervaardiging bestanddelen uit derde landen zijn gebruikt, dan is er geen sprake meer van een geheel en al in de Europese Unie verkregen product.

Gelet op het karakter van het criterium geheel en al verkregen zal dit in de praktijk vaak betrekking hebben op producten van de landbouw, de tuinbouw, de veeteelt, de bosbouw, de visserij en de mijnbouw; bij industrieel vervaardigde producten zal het zelden voorkomen dat kan worden gesproken van geheel en al verkregen goederen.

Geheel en al verkregen visserijproducten

Voor visserijproducten (letters e. en f. in de lijst hiervoor) leidt de definitie tot de volgende afbakening:

  1. Alle binnen het grondgebied - door wie dan ook - gevangen vis wordt als van oorsprong beschouwd. Het is van belang te weten dat voor dit specifieke doel onder grondgebied eveneens de territoriale wateren worden begrepen. Deze reiken tot maximaal 12 zeemijlen uit de kust (artikel 3 van de United Nations Law of the Sea; Montego Bay Conventie, 1982, gepubliceerd in Pb. EG L 179 van 23 juni 1998)

    Soms hebben landen andere criteria voor de afbakening van de territoriale wateren. Voor de toepassing van de oorsprongsregels zijn zulke afwijkende criteria niet relevant. Zelfs als een land een zogenaamde 200-mijls EEZ (Exclusive Economic Zone) heeft ingesteld moet voor de oorsprongsregels toch de 12-mijls zone worden gehanteerd.

  2. Alle buiten het grondgebied - dus buiten de 12-mijlszone - gevangen vis wordt uitsluitend als van oorsprong beschouwd als de vis gevangen is met schepen, die voldoen aan de criteria om te kunnen worden beschouwd als hun schepen. In alle preferentiële regelingen is van het begrip hun schepen een nadere definitie gegeven. In die definitie, geformuleerd in een aantal cumulatieve criteria, spelen behalve de gevoerde vlag en het land van registratie van een schip ook de eigendomsverhoudingen van de rederij, de nationaliteit van de bedrijfsleiding en - meestal ook - de nationaliteit van de gezagvoerder, de officieren en de verdere bemanning een rol. Zie bijvoorbeeld artikel 4 van Protocol nr. 4 bij de EER Overeenkomst.

Naar boven

2.3.3 Toereikende be- of verwerking; algemeen

Afgezien van de in alle preferentiële regelingen voorkomende cumulatiebepalingen (raadpleeg daarvoor de paragrafen 2.3.12 en volgende) krijgen goederen die niet geheel en al verkregen zijn, alleen de preferentiële oorsprong van het betreffende land als ze in dat land een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan. Het begrip toereikende be- of verwerking is in iedere preferentiële regeling nader gedefinieerd.

Er kan afhankelijk van het eindproduct onder andere sprake zijn van een toereikende be- of verwerking wanneer bij de vervaardiging van het product:

  • niet meer dan een bepaald percentage aan derde landen materiaal is gebruikt of

  • gebruik is gemaakt van specifieke derde landen materialen of

  • gebruik is gemaakt van derde landen materialen die onder een andere post dan die van het eindproduct vallen (tariefpostverspringing).

In een aantal gevallen zijn er in het geheel geen beperkingen gesteld aan het gebruik van niet van oorsprong zijnde materialen. In deze gevallen kan bij de vervaardiging van een product dus onbeperkt gebruik worden gemaakt van niet-oorsprongsmateriaal (vervaardiging uit materialen van om het even welke post).

Naar boven

2.3.4 Toereikende be- of verwerkingen; presentatie regels

Indien bij de vervaardiging van een product gebruik wordt gemaakt van niet-oorsprongsmateriaal zijn in een bijlage bij het betreffende protocol (zie bijvoorbeeld bijlage II van Protocol nr. 4 bij de EER Overeenkomst) en in bijlage 13bis TVo. CDW (deze bijlage heeft betrekking op de autonome regeling voor de begunstigde landen in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS) de be- of verwerkingen vermeld die niet van oorsprong zijnde materialen moeten ondergaan om aan het uiteindelijke product (het product waarvan de oorsprong moet worden bepaald) het karakter van product van oorsprong te verlenen in de zin van de desbetreffende autonome regeling of overeenkomst.

De betreffende bijlagen zijn opgebouwd uit 3 of 4 kolommen.

In kolom 1 van de lijst zijn de GS posten (op 4-cijferniveau) opgenomen. Het gaat daarbij niet altijd om volledige GS posten, maar in een aantal gevallen ook om zogenaamde ex-posten. Vervolgens wordt in kolom 2 de bij de GS post (of ex-post) behorende goederenomschrijving gegeven.

In kolom 3 wordt aangegeven welke be- of verwerking(en) van niet-oorsprongsmaterialen is vereist om aan het product het karakter van product van oorsprong in de zin van de desbetreffende preferentiële regeling te verlenen.

Binnen het APS (in bijlage 13 bis TVo. CDW) wordt gebruik gemaakt van een kolom 3a en 3b. In kolom 3a zijn de be- of verwerkingen vermeld die van toepassing zijn voor de minst ontwikkelde landen (MOL’s) terwijl in kolom 3b de oorsprongsregels zijn vermeld voor de andere ontwikkelingslanden.

In een aantal gevallen is nog een kolom 4 opgenomen. In deze kolom is voor bepaalde producten een zogenaamd alternatief waardecriterium neergelegd. De exporteur van de goederen (de aanvrager/opstelller van het oorsprongsbewijs) kan dan zelf een keuze maken tussen de toepassing van de criteria van de derde kolom of die van de vierde kolom.

Formulering

De oorsprongscriteria in de betreffende kolommen kunnen op verschillende wijze zijn geformuleerd:

  1. Het vereiste is dat het product of bepaalde elementen daaruit, geheel en al verkregen zijn.

    Voorbeeld

    "Vervaardiging uit dieren bedoeld bij hoofdstuk 1" alle gebruikte materialen bedoeld bij hoofdstuk 3 moeten geheel en al verkregen zijn".

    Deze criteria vinden we in een aantal gevallen voor producten van hoofdstuk 16 (Bereidingen van vlees, van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren).

    Dit betekent dat onder hoofdstuk 16 vallende visconserven - vis valt immers onder hoofdstuk 3 - van oorsprong zijn in de zin van de betreffende regeling als de vis die wordt verwerkt reeds geheel en al verkregen is. De verwerking van niet-oorsprongsvis tot conserven is dus niet oorsprongsverlenend. Verder kan uit deze regel worden afgeleid dat de oorsprong van de gebruikte kruiden, olie en/of saus in dit geval geen rol speelt.

    Daarentegen hoeven in het geval van vleesconserven de dieren van hoofdstuk 1 niet reeds van oorsprong te zijn, maar moet wel het slachten en de verdere be- of verwerkingen in het betreffende land of gebied hebben plaatsgevonden. Ook in dit geval speelt de oorsprong van gebruikte kruiden, olie en/of saus geen rol.

  2. Door aan te geven dat geen tariefpostverspringing noodzakelijk is, zonder daar een ander criterium voor in de plaats te stellen.

    Voorbeeld

    "Vervaardiging uit materialen van om het even welke post".

    Dit houdt in dat elke bewerking van niet-oorsprongsmaterialen leidt tot oorsprong, zolang die be- of verwerking tenminste uitgaat boven de in elke regeling neergelegde altijd "onvoldoende" be- of verwerkingen (zie paragraaf 2.3.8).

  3. Door aan te geven dat postverspringing uitsluitend ten aanzien van bepaalde materialen vereist is; voor de overige materialen geldt dan hetgeen hiervoor onder 1 is weergegeven.

    Voorbeeld

    "Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen van post ....".

  4. Door het aangeven van bepaalde niet-oorsprongsmaterialen waarvan het be- of verwerken tot het onder de in de kolommen 1 en 2 bedoelde producten tot oorsprong leidt.

    Voorbeeld

    "Vervaardiging uit garens".

    In het geval van bijvoorbeeld kleding van hoofdstuk 62 houdt dit in dat niet-oorsprongsgaren mag worden gebruikt, maar dat alle verdere be- of verwerkingen, zoals weven, snijden, confectioneren, in het betreffende land of gebied moeten hebben plaatsgevonden (afgezien van cumulatie, zie paragraaf 2.3.12).
    Koopt een producent weefsel in dat al van oorsprong is uit het desbetreffende land of gebied dan is er feitelijk al aan de oorsprongsregels voor het eindproduct voldaan.

  5. Door het aangeven van een maximum (waarde)-percentage (van de af fabriek prijs van het product) van niet-oorsprongsmaterialen.

    Voorbeeld

    "Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet meer bedraagt dan ...% van de prijs af fabriek van het product".

  6. Vervaardiging uit materialen die onder een andere post worden ingedeeld dan die van het eindproduct (tariefpostverspringing). Van tariefpostverspringing is sprake als de indeling in het Gecombineerde Nomenclatuur bezien op de eerste vier cijfers van de goederencode (de GS-post) van het product waarvan de oorsprong moet worden bepaald, verschilt van de indeling van alle bij de vervaardiging van het product gebruikte derde landen materialen.

    Voorbeeld

    Uit derde landen worden goud en diamanten ingevoerd. Hiermee worden gouden ringen met diamanten vervaardigd. De indeling van het eindproduct verschilt van de indeling van de gebruikte niet-oorsprongsmaterialen:

    Soort goederen

    GS-post

       

    Goud

    71.08

    Diamanten

    71.02

    Gouden ringen met diamanten

    71.13

    Er is dus sprake van tariefpostverspringing.

  7. Door een combinatie van de verschillende mogelijkheden.

Naar boven

2.3.5 Alternatief waardecriterium

Zoals onder paragraaf 2.3.4 al aangegeven, komt in de lijsten bij de preferentiële regelingen een vierde kolom voor met oorsprongscriteria. Voor een aantal producten is in de vierde kolom een zgn. waardecriterium (zie paragraaf 2.3.4 onder 5) vermeld. In die gevallen kan de exporteur zelf kiezen tussen de toepassing van de in kolom 3 neergelegde oorsprongsregel en het alternatieve criterium in kolom 4.

Naar boven

2.3.6 Waardetolerantieregel

In vrijwel alle preferentiële regelingen is bij de definitie van de toereikende be- of verwerkingen een zogenaamde waardetolerantieregel opgenomen. Een dergelijke regel houdt in dat niet-oorsprongsmaterialen die volgens de lijsten van toereikende be- of verwerkingen eigenlijk niet mogen worden gebruikt, onder bepaalde voorwaarden het verkrijgen van de betreffende preferentiële oorsprong toch niet in de weg hoeven te staan.
De hoogte van de tolerantie verschilt per preferentiële regeling (10% of 15%) en is niet altijd op alle productsectoren van toepassing.

Binnen de tijdelijke regeling voor de andere ACS-landen (Verordening (EG) nr. 1528/2007), Protocol nr. 1 bij de Overeenkomst met de Cariforum-landen, Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst met de Stille Oceaanstaten en in bijlage III bij het LGO-besluit geldt een waardetolerantie voor het gehele goederenpakket terwijl in alle andere preferentiële regelingen de producten van de hoofdstukken 50 tot en met 63 van de Gecombineerde Nomenclatuur van de toepassing van de waardetolerantie zijn uitgezonderd. (Zie bijvoorbeeld artikel 5, lid 2 van Protocol nr. 4 bij de EER Overeenkomst).

Voorbeeld:

Uitvoer van groentebereidingen (hoofdstuk 20 van de Gecombineerde Nomenclatuur) uit de Europese Unie naar Zwitserland. Het gaat om een mengsel van 3 groenten, waarvan er 2 in de Europese Unie gekweekt en geoogst zijn, en één uit Zuid-Afrika werd ingevoerd. De prijs af fabriek van het eindproduct is € 100, de waarde bij invoer van de groente uit Zuid-Afrika is € 10.

Het oorsprongscriterium volgens de lijst bij het desbetreffende Protocol luidt: "vervaardiging waarbij alle gebruikte groenten geheel en al verkregen moeten zijn". Toepassing daarvan leidt tot de conclusie dat aan die eis in dit geval niet voldaan wordt, tenzij de tolerantieregel van artikel 6, lid 2, van het betreffende oorsprongsprotocol kan worden toegepast. Die regel laat toe dat niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de lijst niet mogen worden gebruikt, toch mogen worden gebruikt wanneer de waarde daarvan niet hoger is dan 10% van de prijs af fabriek van het product. In dit voorbeeld is die waarde niet hoger dan 10%, zodat aan het uit te voeren product toch nog de preferentiële oorsprong Europese Unie kan worden toegekend.

Overigens mogen in de lijsten vermelde percentages voor de maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen door deze tolerantie niet worden overschreden. Dat betekent dat de tolerantieregel feitelijk geen praktische betekenis heeft in gevallen waarin het oorsprongscriterium uitsluitend is weergegeven in een percentage voor de maximumwaarde (ten opzichte van de prijs af fabriek) van niet van oorsprong zijnde materialen.
Verder moet er wel sprake zijn van een be- of verwerking: voor een partij van 1.000 kg verse vis, geheel en al verkregen in de zin van de oorsprongsregels, die met vis uit derde landen wordt aangevuld tot 1.100 kg, kan geen beroep op deze tolerantieregel worden gedaan om voor 1.100 kg de betreffende preferentiële oorsprong te claimen.

Naar boven

2.3.7 Gewichtstolerantieregel

Binnen het APS is naast een waardetolerantie een gewichtstolerantie opgenomen. Deze tolerantie bedraagt maximaal 15% van het gewicht van het eindproduct. De gewichtstolerantie geldt uitsluitend voor goederen die vallen onder de hoofdstukken 2 en 4 tot en met 24 van het Geharmoniseerd Systeem, andere dan visserijproducten van Hoofdstuk 16.

Dit percentage mag er evenwel niet toe leiden dat de bijlage 13bis TVo. CDW vermelde percentages voor het de maximumgewicht van niet van oorsprong zijnde materialen door deze tolerantie worden overschreden.
(artikel 79 TVo. CDW)

Naar boven

2.3.8 Be- of verwerkingen die altijd ontoereikend zijn

  1. Bepaalde be- en verwerkingen verlenen aan producten nooit de oorsprong, zelfs niet als er aan de oorsprongscriteria is voldaan. In alle preferentiële regelingen vindt u een lijst van deze - ook wel als ontoereikende of minimale aangeduide - be- of verwerkingen. Deze lijst is in alle regelingen min of meer hetzelfde. Raadpleeg in voorkomend geval de betreffende regeling. Hierna vindt u - bijvoorbeeld - de minimale bewerkingen die worden gehanteerd binnen het APS:

    1. conserverende behandelingen om de producten tijdens het vervoer en opslag in goede staat te bewaren;

    2. het splitsen en samenvoegen van colli;

    3. het wassen, schoonmaken, het stof vrijmaken, het verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;

    4. het strijken of persen van textiel(artikelen);

    5. het eenvoudig schilderen of polijsten;

    6. het ontvliezen of doppen en het geheel of gedeeltelijk slijpen van rijst, het polijsten of glanzen van granen en rijst;

    7. het kleuren of aromatiseren van suiker of het vormen van suikerklontjes, geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;

    8. het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;

    9. het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;

    10. het zeven sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets of assortimenten van artikelen);

    11. het eenvoudig bottelen, het verpakken in blikken, flesjes, flacons, zakken, dozen of andere omhulsels, het bevestigen op kaarten en platen, en alle eenvoudige handelingen in verband met opmaak;

    12. het aanbrengen of opdrukken op de producten zelf of hun verpakking van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke tekens;

    13. het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten, het mengen van suiker met om het even ieder ander product;

    14. het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen;

    15. het eenvoudig toevoegen van water of het verdunnen, drogen of denatureren van poducten;

    16. twee of meer van de onder 1 tot en met 15 vermelde handelingen tezamen;

    17. het slachten van dieren.

    Minimale bewerkingen worden als "eenvoudig" beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden nodig zijn of speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, apparaten of gereedschappen. (artikel 78 TVo. CDW)

  2. Een be- of verwerking die niet op grond van het onder 1. gestelde als een ontoereikende kan worden aangemerkt, is daarmee uiteraard nog geen toereikende be- of verwerking zoals bedoeld bij paragraaf 2.3.3. Om een be- of verwerking als toereikend in de zin van de oorsprongsregels te kunnen beschouwen moet immers voldaan worden aan de daarvoor geldende specifieke criteria. Bij de toepassing van deze bepalingen is dus niet ontoereikend niet hetzelfde als toereikend!

  3. In Bijlage III bij het LGO-Besluit is voor mengen als ontoereikende be- of verwerking een enigszins afwijkende formulering gebruikt. Zie voor de exacte formulering artikel 5, letter m van Bijlage III.

  4. Oorsprongsregels hebben betrekking op de be- of verwerking van materialen die op zich niet van oorsprong (in de zin van de regeling die van toepassing is) zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat in het geval van eenvoudig samenvoegen (zie hiervoor) van oorsprongs- en niet-oorsprongsmaterialen er geen sprake is van een ontoereikende bewerking. Zodra één van de samen te voegen delen al van oorsprong is, gaat de regel van ontoereikende be- of verwerking niet meer op.

    Dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat aan het uiteindelijke product de oorsprong kan worden toegekend. Die vraag moet u beantwoorden aan de hand van de oorsprongsregel die voor dat product geldt.

    Overigens speelt het begrip ontoereikende be- of verwerking soms ook een rol bij de toepassing van de bilaterale en met name de diagonale cumulatiebepalingen, om vast te stellen aan welk van de betrokken landen de oorsprong kan worden toegewezen (de zgn. allocatie van de oorsprong). In dergelijke gevallen moeten ook de reeds van oorsprong zijnde materialen aan dit criterium worden getoetst. Zie paragraaf 2.3.12 en volgende.

Naar boven

2.3.9 Verklarende aantekeningen

Alle oorsprongsprotocollen bevatten een bijlage waarin verklarende aantekeningen voor het gebruik van de bijlage met oorsprongscriteria worden gegeven. Naar sommige van die aantekeningen wordt in voetnoten in de bijlage met oorsprongscriteria uitdrukkelijk verwezen. Voor wat betreft de autonome regelingen die in de TVo. CDW zijn opgenomen zijn de aantekeningen neergelegd in bijlage 13bis voor zover het de APS-landen betreft en in bijlage 14 voor zover het Kosovo en Moldavië betreft.

Naar boven

2.3.10 Beslisschema

Volgend beslisschema vat de bepaling van de preferentiële oorsprong van goederen nog eens samen

 

Naar boven

2.3.11 Derogatiemogelijkheden

Binnen de LGO, het APS, en de verschillende economische partnerschapsovereenkomsten met de voormalige koloniën in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan is voorzien in een zogenaamde derogatieprocedure. Deze houdt in dat op verzoek van een land om economische redenen een tijdelijke afwijking van de bestaande oorsprongsregels voor een bepaalde product kan worden toegestaan (zie bijvoorbeeld artikel 89 TVo. CDW). Dergelijke afwijkingen worden niet in de betreffende oorsprongsregeling verwerkt. Aangezien ze tijdelijk zijn worden ze als afzonderlijk besluit gepubliceerd.
Aangezien de derogaties aan bepaalde hoeveelheden producten zijn gebonden, vindt het beheer plaats door de Europese Commissie. Dit geschiedt op dezelfde wijze als dat met het contingentenbeheer het geval is. (artikel 308bis tot en met 308quater TVo. CDW)
De derogaties worden gepubliceerd in het boekwerk WD, onderdeel Oorsprong, 200.90.02 en verder.

Naar boven

2.3.12 Cumulatie

In alle oorsprongsregelingen is in een vorm van cumulatie voorzien. Het begrip cumulatie houdt in dat voor de vaststelling van de oorsprong in bepaalde gevallen be- of verwerkingen in een of meer andere landen dan het land van uitvoer in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of een product de oorsprong heeft verkregen.

Cumulatie in de oorsprongsregelingen komt in principe in twee hoofdvormen voor:

  1. bilaterale cumulatie (daaronder begrepen de zogenaamde diagonale cumulatie);

  2. volledige cumulatie.

Naast deze hoofdvormen kent het het APS een tweetal bijzondere vormen van cumulatie namelijk regionale cumulatie en uitgebreide cumulatie.

De verschillende cumulatievormen zijn niet altijd op dezelfde wijze gerealiseerd in de diverse teksten van de preferentiële regelingen. In voorkomend geval zult u daarom altijd de desbetreffende tekst moeten raadplegen.

Naar boven

2.3.13 Bilaterale cumulatie

De meest voorkomende vorm van cumulatie is bilaterale cumulatie. Dit houdt in dat bij de bepaling van de oorsprong van een product in het ene partnerland, de producten van oorsprong uit het andere partnerland die bij de vervaardiging daarvan gebruikt zijn, geen toereikende be- of verwerking hoeven te hebben ondergaan. (Zie bijvoorbeeld artikel 3 van Protocol nr. 1 bij de overeenkomst tussen Zuid-Afrika en de Europese Unie) In veel gevallen (altijd de betreffende oorsprongsregeling raadplegen!) moet die be- of verwerking dan wel meer zijn dan een zogenaamde ontoereikende of minimale be- of verwerking (zie paragraaf 2.3.8).

Producten van oorsprong uit het ene partnerland die in het andere partnerland op grond van onvoldoende be- of verwerkingen niet de oorsprong van dat land verkrijgen, behouden in beginsel de oorsprong van het eerste land.

Voorbeeld
In de Europese Unie worden industriële boormachines (post 84.59) vervaardigd, waarin elektromotoren uit Mexico worden ingebouwd. Daarnaast worden ook materialen afkomstig uit de Verenigde Staten en Taiwan verwerkt. Het eindproduct wordt naar Mexico uitgevoerd.
Voor dit product geldt in het oorsprongsprotocol dat bij de overeenkomst tussen Mexico en de Europese Unie hoort, de oorsprongseis dat de waarde van de gebruikte niet-oorsprongsmaterialen maximaal 40% van de prijs af-fabriek mag bedragen. Zie bijlage III bij Besluit nr. 2/2000 van de gezamenlijke Raad Europese Unie-Mexico. Toepassing van de bilaterale cumulatie leidt ertoe dat bij de calculatie van dit percentage de waarde van de elektromotoren (uiteraard mits ze van oorsprong uit Mexico in de zin van de overeenkomst waren) niet aan de waarde van de niet-oorsprongsmaterialen hoeft te worden toegerekend.
Bilaterale cumulatie is voorzien in alle preferentiële regelingen.

Terwijl bij de bilaterale cumulatie maximaal 2 landen betrokken zijn, zijn bij diagonale cumulatie tenminste 3 landen betrokken. Feitelijk is diagonale cumulatie een uitbreiding van de bilaterale cumulatie tussen de Europese Unie en het betreffende partnerland tot andere landen die elk op hun beurt ook weer een bilaterale overeenkomst met de Europese Unie hebben afgesloten. Voorwaarde voor de toepassing van diagonale cumulatie is dat de desbetreffende landen ook onderling overeenkomsten hebben afgesloten waarbij in het onderlinge handelsverkeer dezelfde oorsprongsregels worden gehanteerd als die welke vastliggen in de bilaterale overeenkomsten met de Europese Unie. Dit is met name het geval binnen de Pan-Euro-Mediterrane cumulatie zone en binnen de Balkancumulatie zone. Diagonale cumulatie houdt in dat goederen die reeds van oorsprong zijn uit een of meer van de betrokken landen geen toereikende be- of verwerking hoeven te hebben ondergaan om de oorsprong van het deelnemende land te verkrijgen waar de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden. Wel moet die be- of verwerking altijd meer zijn dan een ontoereikende of zogenaamde minimale be- of verwerking (zie paragraaf 2.3.8).

Naar boven

2.3.14 Pan-Euro-Mediterrane cumulatie

De in paragraaf 2.3.13 aangehaalde diagonale cumulatie houdt in feite de uitbreiding van de bilaterale cumulatie tot meerdere landen (Zwitserland, Liechtenstein, Noorwegen, IJsland, Marokko, Tunesië, Algerije, Egypte, Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië, Libanon, Syrië, Turkije, de Faeröer en de EER) in. Een dergelijk systeem kan alleen werken als alle betreffende landen zowel met de Europese Unie als onderling gelijksoortige bilaterale overeenkomsten hebben afgesloten waarin identieke oorsprongsregels zijn vastgelegd. Zie hiervoor de publicaties in Publicatieblad C van de Europese Unie. Ten behoeve van de Douane zijn deze publicaties opgenomen in de rubriek "Nieuws" van het LTO Oorsprong dat u kunt vinden op DouaneNet/Start/Landelijke Teams Douane. Van deze situatie is in ieder geval sprake in de overeenkomsten tussen de Europese Unie en Zwitserland, Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en in de EER-overeenkomst. Zie voor de juiste tekst bijv. de artikelen 3 en 4 van Protocol nr. 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de Europese Unie en Israël.

Ook Turkije participeert in de Pan-Euro-Mediterrane cumulatie. De deelname van Turkije is in zoverre bijzonder, dat Turkije wel met alle genoemde landen de vereiste overeenkomst heeft afgesloten, maar met de Europese Unie voor wat betreft de industriële producten een douane-unie is overeengekomen waarbinnen uiteraard in het geheel geen oorsprongsregels zijn vastgesteld.
De Pan-Euro-Mediterrane cumulatie houdt in dat goederen die reeds van oorsprong zijn uit een of meer van de hiervoor genoemde deelnemende landen bij een verdere be- of verwerking in een ander deelnemend land geen toereikende be- of verwerking hoeven te ondergaan om de oorsprong van dat land te verkrijgen.

Voorbeeld

Materialen van oorsprong uit de Europese Unie (in de zin van de overeenkomst met Israël) en materialen van oorsprong uit Zwitserland (in de zin van de overeenkomst Israël-Zwitserland) worden in Israël verwerkt in een eindproduct en vervolgens naar Zwitserland uitgevoerd. Onder voorwaarde dat de verwerking in Israël uitgaat boven de ontoereikende of minimale be- of verwerkingen (zie paragraaf 2.3.8), verkrijgt het eindproduct de oorsprong Israël in de zin van de overeenkomst Israël-Zwitserland.

Zoals in het voorbeeld reeds aangegeven moet, om in een dergelijk geval de oorsprong van het laatste land van be- of verwerking toe te kunnen kennen, die laatste be- of verwerking uitgaan boven de ontoereikende of minimale be- of verwerkingen (zie paragraaf 2.3.8). Wordt daar niet aan voldaan, dan zijn er twee mogelijkheden:

  1. de toegevoegde waarde in het laatste land van be- of verwerking is hoger dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere in de Pan-Euro-Mediterrane cumulatie deelnemende landen: de oorsprong wordt dan toch toegekend aan het laatste land van be- of verwerking;

  2. de toegevoegde waarde in het laatste land van be- of verwerking is niet hoger dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere in de Pan-Euro-Mediterrane cumulatie deelnemende landen: de oorsprong wordt toegekend aan het land waar de meeste waarde werd toegevoegd aan de bij de bij de be- of verwerking in het laatste land gebruikte materialen van oorsprong.

In dit verband moet onder toegevoegde waarde worden verstaan: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van alle gebruikte materialen van oorsprong uit de andere in de artikelen 3 en 4 genoemde landen of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste verifieerbare prijs die in het laatste land van be- of verwerking kon worden vastgesteld.

Naar boven

2.3.15 Balkancumulatie

De in paragraaf 2.3.13 genoemde diagonale cumulatie voor de landen op de Westelijke Balkan (Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Bosnië-Herzegovina, Servië en Kroatië) houdt in dat goederen die reeds van oorsprong zijn uit een of meer van de hiervoor genoemde deelnemende landen bij een verdere be- of verwerking in een ander deelnemend land de oorsprong verkrijgen van dit laatste land. De goederen behoeven geen toereikende be- of verwerking te ondergaan om de oorsprong van dat land te verkrijgen. De bewerking moet evenwel meer omvatten dan de zogenaamde minimale bewerkingen.

Ook Turkije neemt deel aan de Balkancumulatie zij het met uitsluiting van landbouwgoederen. Turkije heeft evenwel nog geen bilaterale overeenkomsten gesloten met Bosnië-Herzegovina en Kroatië gebaseerd op dezelfde oorsprongsregels.

Het sluiten van bilaterale overeenkomsten zal worden bekend gemaakt in Publicatieblad C van de Europese Unie. Ten behoeve van de Douane zal dit bekend worden gemaakt in de rubriek "Nieuws" van het LTO Oorsprong dat u kunt vinden op DouaneNet/Start/Landelijke Teams Douane.

Naar boven

2.3.16 Volledige cumulatie

De meest vergaande vorm van cumulatie is de zogenaamde volledige cumulatie. Volledige cumulatie houdt in dat be- of verwerkingen die in de afzonderlijke landen van het desbetreffende preferentiële gebied op zich genomen onvoldoende toch tot oorsprong kunnen leiden zijn indien ze te samen in aanmerking worden genomen. De reden hiervoor is dat de be- of verwerkingen samengeteld (gecumuleerd) mogen worden voor ze aan de oorsprongscriteria worden getoetst. Het komt er eigenlijk op neer dat voor de toepassing van de volledige cumulatie de grondgebieden van de overeenkomstsluitende partijen als één enkel grondgebied mogen worden beschouwd.

Voorbeeld

Voor overhemden van GS post 62.05 geldt in het kader van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Marokko als oorsprongsregel vervaardiging uit garens. Dat houdt in principe in dat, te beginnen met het weven van de stof, alle verdere bewerkingen in Marokko moeten hebben plaatsgevonden. De overeenkomst voorziet echter in volledige cumulatie. Dat betekent dat bijvoorbeeld het weven van de stof uit garens uit derde landen in de Europese Unie kan plaatsvinden, waarna de stof (die dan nog niet kan worden aangemerkt als van oorsprong uit de Europese Unie) in Marokko tot overhemden kan worden verwerkt. Aan de eis vervaardiging uit garens wordt door de volledige cumulatie voldaan, omdat dan het weven van de stof in de Europese Unie wordt geacht in Marokko te hebben plaatsgevonden.
Feitelijk is ook binnen de Europese Unie sprake van volledige cumulatie. De Europese Unie moet immers - ook voor de toepassing van de oorsprongsregels - als één gebied worden gezien.

Voorbeeld

Voor overhemden van post 62.05 geldt in het kader van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Israël als oorsprongsregel vervaardiging uit garens. Dat houdt in principe in dat, beginnend bij het weven van de stof, alle verdere bewerkingen in Israël moeten hebben plaatsgevonden. Met toepassing van volledige cumulatie binnen de Europese Unie kan bijvoorbeeld het weven in Nederland plaatsvinden, het op maat snijden van de stof in Duitsland en de verdere confectie in Polen, terwijl aan het geheel bij uitvoer naar Israël uiteindelijk de oorsprong Europese Unie kan worden toegekend.

Volledige cumulatie is voorzien bij de volgende preferentiële regelingen:

  • de overeenkomst betreffende de EER (Europese Economische Ruimte);

  • de overeenkomsten met Marokko, Algerije en Tunesië;

  • de regeling voor het handelsverkeer met Ceuta en Melilla;

  • de overeenkomst met de Cariforum;

  • de overeenkomst met de Stille Oceaanstaten;

  • de regeling voor de andere ACS-landen (Verordening (EG) nr. 1528/2007);

  • het LGO-besluit.

Voor cumulatiedoeleinden worden de Landen en Gebieden Overzee, de landen van Cariforum, de Stille Oceaanstaten en de andere ACS-landen gezamenlijk met de landen van de Europese Unie als een enkel grondgebied beschouwd.

Land van oorsprong binnen volledige cumulatie

Binnen de EER is het land van oorsprong niet meer van belang; aan de goederen wordt de EER-oorsprong toegekend. Binnen het LGO-besluit, de verschillende economische partnerschapsovereenkomsten met de voormalige koloniën in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, de overeenkomst met Marokko, Algerije en Tunesië en de regeling voor Ceuta en Melilla is het land van oorsprong, het land waar de goederen de laatste be- of verwerking hebben ondergaan. Die laatste be- of verwerking moet dan wel meer zijn dan een altijd onvoldoende of minimale bewerking (zie paragraaf 2.3.8).
Bij de volledige cumulatie in het kader van de verschillende economische partnerschapsovereenkomsten met de voormalige koloniën in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en/of het LGO-besluit geldt dat:

  • goederen die geheel en al in de Europese Unie, in de LGO, de Cariforum of in de ACS zijn verkregen en die daarna in de LGO, de Cariforum of ACS be- of verwerkingen ondergaan, geacht worden geheel en al verkregen te zijn in de ACS, de Cariforum of in de LGO;

  • be- of verwerkingen in de Europese Unie, in de LGO, de Cariforum of in de ACS geacht worden te hebben plaatsgevonden in de Cariforum, de ACS of in de LGO, als daar vervolgens verdere bewerkingen hebben plaatsgevonden.

Deze bepaling vindt u in artikel 6 van bijlage II bij de regeling voor de andere ACS-landen (Verordening (EG) nr. 1528/2007), in artikel 4 van Protocol nr. 1 bij de overeenkomst met de Cariforum en voor de LGO in artikel 6 van bijlage II bij het LGO-Besluit. In gevallen waarin verschillende ACS, Cariforum, respectievelijk LGO-landen betrokken zijn bij de vervaardiging van een product geeft artikel 2 van Protocol nr.1 bij de overeenkomst met de Cariforum, artikel 2 van bijlage II bij de regeling voor de andere ACS-landen en artikel 2 van bijlage II bij het LGO-Besluit de kaders om het land van oorsprong vast te stellen. Dit artikel stelt dat in deze gevallen het land van oorsprong het laatste land van be- of verwerking is, als die verwerking tenminste meer inhoudt dan een onvoldoende of minimale bewerking. Hierna worden twee voorbeelden gegeven:

Voorbeeld 1

Rijst, van oorsprong uit een ACS-land in de zin van de regeling voor de andere ACS-landen, ondergaat in een LGO een bewerking. Deze bewerking is meer dan een ontoereikende (zie paragraaf 2.3.8) bewerking. Bij uitvoer uit een LGO naar de Europese Unie kan die rijst worden beschouwd als van oorsprong uit de betreffende LGO in de zin van het LGO-besluit.

Voorbeeld 2

Goederen die geheel en al in de Europese Unie zijn verkregen worden uitgevoerd naar een LGO en ondergaan daar een bewerking die niet is opgenomen in de lijst van onvoldoende bewerkingen (zie paragraaf 2.3.8). Bij uitvoer naar de Europese Unie kunnen de goederen worden beschouwd als van oorsprong uit de betreffende LGO in de zin van het LGO-besluit.

Cumulatie van de oorsprong van landbouwgoederen in het kader van het LGO-besluit

In het LGO-besluit is een beperking aangebracht in de mogelijkheden van cumulatie. In artikel 6, lid 4 van bijlage II bij het LGO-besluit is bepaald dat in de LGO geen cumulatie kan plaatsvinden voor landbouwproducten die zijn vervaardigd uit materialen die van oorsprong zijn uit de Europese Unie en die onder het stelsel van restitutie vallen. Deze beperking geldt niet indien wordt aangetoond dat voor de gebruikte materialen bij uitvoer uit de Europese Unie geen restitutie is ontvangen. Hiertoe dient door de exporteur in vak 7 van het certificaat EUR.1 de volgende vermelding te worden geplaatst: "geen uitvoerrestitutie betaald".

Naar boven

2.3.17 Regionale cumulatie

Alleen binnen het APS is - naast de bilaterale cumulatie met de Europese Unie - cumulatie mogelijk binnen bepaalde groepen van regionale associaties. (artikel 86 TVo. CDW).
De regionale associaties zijn ondergebracht in 4 groepen. Deze zijn:

  • Groep I: ASEAN (Indonesië, Maleisië, Filippijnen, Brunei Darussalam, Singapore, Vietnam, Thailand, Laos en Cambodja);

  • Groep II: ANDES (Bolivia, Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela) en CACM (Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Panama en Nicaragua);

  • Groep III: SAARC (Bangladesh, Bhutan, India, Malediven, Nepal, Pakistan en Sri Lanka);

  • Groep IV: MERCOSUR (Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay).

Alle genoemde associaties hebben voldaan aan de voorwaarden van artikel 86 van de TVo. CDW.

Het begrip "regionale cumulatie"
  1. Bij regionale cumulatie is dus sprake van een groep van een aantal landen in een bepaalde regio. Regionale cumulatie houdt in dat goederen die van oorsprong zijn uit een van de landen van een bepaalde groep en die in een ander land van dezelfde groep worden gebruikt bij de vervaardiging van producten, geacht worden van oorsprong te zijn uit dat laatste land.

    Artikel 86 TVo. CDWgeeft een verdere invulling van dit principe. Die invulling is bedoeld om vast te kunnen stellen welk land binnen een groep als land van oorsprong van het eindproduct kan worden beschouwd. Dit is van belang met het oog op de preferentiële behandeling van goederen. Die kan voor de landen van de regionale associatie verschillend zijn. Volgens het vierde lid van dit artikel kan een product dat op grond van artikel 72 als van oorsprong moet worden aangemerkt, in principe geacht worden van oorsprong te zijn uit het land binnen de groep waarin de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden mits de aldaar uitgevoerde bewerkingen verder gaan dan de zgn. minimale bewerkingen of - indien het textielproducten betreft - verder gaan dan de in bijlage 16 TVo. CDW vermelde behandelingen.

    Als de goederen niet aan deze voorwaarden voldoen, krijgen ze de oorsprong van het land van de groep waaruit de materialen van oorsprong zijn die het grootste deel uitmaken van de douanewaarde van de gebruikte materialen die van oorsprong zijn uit de andere landen van dezelfde groep.

    De goederen opgenomen in bijlage 13ter TVo. CDW zijn van regionale cumulatie zijn uitgesloten wanneer:

    • de preferentiele tarieven die door de Europese Unie wordt gehanteerd niet hetzelfde zijn voor alle bij de cumulatie betrokken landen; en

    • de materialen door de cumulatie voor een gunstiger preferentiële behandeling in aanmerking zouden komen dan wanneer zij rechtstreeks naar de EU zouden zijn uitgevoerd.

  2. Singapore maakt zoals uit het voorgaande blijkt deel uit van de ASEAN groep. Het land is echter geen begunstigd land in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS) van de Europese Unie. Dat betekent dat op binnen de ASEAN-cumulatie verkregen goederen waaraan uiteindelijk de oorsprong Singapore moet worden toegekend, geen preferentie kan verleend.
    Goederen van oorsprong uit Singapore worden echter in het kader van de bedoelde cumulatie binnen de ASEAN-groep nog wel als goederen van oorsprong beschouwd, zodat dergelijke goederen uiteindelijk wel kunnen bijdragen aan het verkrijgen van de oorsprong van een van de andere, wel begunstigde landen van de ASEAN-groep. Overigens is met betrekking tot Singapore een regeling getroffen die inhoudt dat de bevoegde autoriteiten aldaar (zie bijlage II), ondanks dat het land niet langer begunstigd is in het kader van het APS, nog wel certificaten van oorsprong FORM. A mogen afgeven voor producten van oorsprong uit de andere ASEAN-landen.

Cumulatie tussen de groepen I en III

Op verzoek van de bevoegde autoriteiten van een land uit Groep I of uit Groep IV kan door de Europese Commissie regionale cumulatie worden toegestaan tussen de landen van de groepen I en II mits een aan een aantal voorwaarden is voldaan. De voorwaarden zijn genoemd in artikel 86, lid 5 TVo. CDW. Indien de Europese Commissie deze vorm van cumulatie heeft toegestaan zal hiervan kennis worden gegeven in een het officiële Publicatieblad van de Europese Unie (serie C).

Naar boven

2.3.18 Uitgebreide cumulatie

Uitgebreide cumulatie kan worden toegepast tussen een APS-land een een land waarmee de EU een vrijhandelsovereenkomst heeft gesloten. Om van deze vorm van cumulatie gebruik te kunnen maken moeten de autoriteiten van het APS-land een verzoek doen aan de Europese Commissie en moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. De voorwaarden zijn genoemd in artikel 86, lid 7 TVo. CDW. Indien de Europese Commissie uitgebreide cumulatie heeft toegestaan zal hiervan kennis worden gegeven in het officiële Publicatieblad van de Europese Unie (serie C).

Landbouwgoederen zijn overigens uitgesloten van uitgebreide cumulatie.

Naar boven

2.3.19 Oorsprongsregels: nadere bepalingen

Naast de hoofdlijnen van de oorsprongsregels die in paragraaf 2.3 zijn behandeld, kennen alle regelingen nog aanvullende bepalingen. Deze worden in dit onderdeel behandeld. Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, gelden deze bepalingen voor alle preferentiële regelingen. Het gaat om de volgende nadere bepalingen:

  • determinerende eenheid;

  • deelzendingen (paragraaf 2.3.20);

  • neutrale elementen (paragraaf 2.3.21);

  • accessoires, reservedelen en gereedschappen (paragraaf 2.3.22);

  • begrippen waarde en prijs af fabriek (paragraaf 2.3.23).

Naar boven

2.3.20 Determinerende eenheid; deelzendingen; stellen en assortimenten

Determinerende eenheid

De oorsprongsregels moeten worden toegepast op het product dat bij vaststelling van de tariefindeling op basis de indelingsregels van het Geharmoniseerd Systeem als basiseenheid geldt. Dit betekent dat wanneer als een product, dat bestaat uit een groep of verzameling van artikelen, volgens de indelingsregels van het Geharmoniseerd Systeem onder één enkele GS-post wordt ingedeeld, het geheel de eenheid vormt op basis waarvan de oorsprongsregels moet worden toegepast.

Wanneer een zending bestaat een aantal identieke producten die onder dezelfde GS post worden ingedeeld zijn de oorsprongsregels van toepassing op elk van deze producten. Dit betekent dus dat bij de beoordeling of is voldaan aan de oorsprongsregels niet kan worden uitgegaan van de totale zending van identieke producten.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het Geharmoniseerd Systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong van het product (met andere woorden: de verpakking wordt op dezelfde wijze behandeld als de overige bestanddelen die in het product verwerkt zijn

Voor de toepassing van het preferentiële tarief bij invoer is de daadwerkelijke situatie bij de invoer beslissend. De situatie bij de uitvoer van de goederen en/of op het tijdstip van de afgifte van het oorsprongsbewijs is voor die beoordeling niet van belang.

Voorbeeld

Bij uitvoer uit Chili is een oorsprongsbewijs afgegeven voor een product dat uit verschillende losse componenten bestaat, en dat op het tijdstip van de uitvoer op basis van de indelingsregels (op 4 cijfer niveau) als een eenheid wordt aangemerkt en ook als zodanig wordt uitgevoerd. Die eenheid voldoet aan de oorsprongscriteria, maar bepaalde componenten voldoen daar afzonderlijk bezien niet aan. Als nu bij invoer in de Europese Unie het product in een andere samenstelling wordt aangegeven (bijvoorbeeld omdat bepaalde componenten op een ander tijdstip afzonderlijk zullen worden ingevoerd) kan in feite de oorsprong van het aangegeven product niet met dat oorsprongsbewijs worden aangetoond. (artikel 9 van Bijlage III bij Besluit nr. 2002/979/EG van de Raad betreffende de voorlopige toepassing van enkele bepalingen van de Overeenkomst tot oprichting van een associatie tussen de Europese Unie en Chili)

Deelzendingen

Met betrekking tot de eenheid waarop de oorsprongsregels moeten worden toegepast vestigen we ook de aandacht op de zogenaamde regeling voor deelzendingen die in alle preferentiële regelingen voorkomt. Deze regeling houdt in dat als goederen in deelzendingen (bijvoorbeeld machines in gedemonteerde staat) worden ingevoerd, deze goederen geacht worden één enkel artikel te vormen. Het gaat dan in principe over goederen van de GS posten 73.08 en 94.06 en de afdelingen XVI en XVII van het Geharmoniseerd Systeem. Bij de invoer van de eerste deelzending kan dan al het oorsprongsbewijs voor het volledige product worden overgelegd. (Zie bijvoorbeeld artikel 26 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland)

Stellen en assortimenten

Voor stellen of assortimenten - in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het Geharmoniseerd Systeem - geldt in principe dat zij van oorsprong zijn als alle artikelen waaruit zij zijn samengesteld van oorsprong zijn. Als niet alle artikelen van oorsprong zijn, maar de waarde van de artikelen die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15% bedraagt van de prijs af fabriek van het stel of assortiment, kan dat stel of assortiment eveneens als van oorsprong worden aangemerkt.

Indien een stel of assortiment niet als zodanig kan worden aangemerkt volgens algemene regel 3, moet voor elk afzonderlijk product de oorsprongsregel worden toegepast die geldt voor dat specifieke product. (Zie bijvoorbeeld artikel 10 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland)

Naar boven

2.3.21 Neutrale elementen

Bepaalde elementen in de vervaardiging van goederen spelen geen rol bij de bepaling van de oorsprong van het uiteindelijke product. (Zie bijvoorbeeld artikel 11 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland)

Die elementen zijn:

  1. elektriciteit, brandstof, de fabriek met uitrusting, machines en gereedschappen;

  2. materialen en producten die bij de vervaardiging zijn gebruikt, maar die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet meer voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen (bijvoorbeeld katalysatoren die worden bijgemengd om een bepaalde chemische reactie op te wekken, maar die als zodanig niet meer in het eindproduct terug te vinden zijn).

Naar boven

2.3.22 Accessoires, reservedelen en gereedschappen

Van accessoires, reserveonderdelen en gereedschappen die samen met een product worden geleverd en van de normale uitrusting daarvan deel uitmaken, hoeft niet afzonderlijk de oorsprong te worden vastgesteld. Voorwaarde is dat ze in de prijs zijn begrepen van het product waarbij ze worden geleverd, of dat ze niet afzonderlijk in rekening worden gebracht. De oorsprong van die accessoires wordt wel meegenomen in de beoordeling van de oorsprong van het uiteindelijke product. (Zie bijvoorbeeld artikel 9 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland)

Voorbeeld

Het meeleveren van een gereedschapsset en een krik van Japanse oorsprong met een auto die in de Bondsrepubliek Duitsland is vervaardigd, doet niets af aan de oorsprong Europese Unie van de auto (inclusief de gereedschapsset en de krik), zolang maar aan de oorsprongscriteria die voor die auto gelden is voldaan.

Naar boven

2.3.23 Begrippen "waarde" en "prijs af fabriek"

Waarde

In de oorsprongsregels komt u regelmatig het begrip waarde tegen. Daarmee wordt bedoeld de douanewaarde bij invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn. Als de douanewaarde niet bekend is, en ook niet kan worden vastgesteld, moet de eerste controleerbare prijs worden genomen die voor die materialen in de Europese Unie of het betrokken land is betaald. In de alle preferentiële regelingen wordt voor het begrip douanewaarde verwezen naar de Overeenkomst inzake de douanewaarde van de WTO.

Prijs af fabriek

Ook het begrip prijs af fabriek komt in alle preferentiële regelingen terug. Daarmee wordt bedoeld de prijs die is betaald aan de fabrikant in wiens onderneming de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden (dan moet wel de waarde van alle bewerkte of verwerkte materialen daarin zijn begrepen). Hiervan worden alle binnenlandse belastingen die worden - of kunnen worden - terugbetaald bij de uitvoer van het verkregen product, afgetrokken. Gelet op het karakter van de prijs af fabriek zullen ook eventuele in de betaalde prijs verwerkte vracht- verzekerings- en andere kosten die op het traject na het verlaten van de onderneming betrekking hebben, in aftrek moeten worden gebracht. Voor alle duidelijkheid: ook elementen als overheadkosten en winst maken dus deel uit van de prijs af fabriek. Dat betekent onder meer dat in gevallen waarin in de oorsprongsregel het gebruik van derde landen materiaal aan een maximumpercentage is gebonden (zie paragraaf 2.3.4), producten de oorsprong kunnen verkrijgen of verliezen door bijvoorbeeld wijzigingen in de winst die kan worden gerealiseerd.

In situaties waarin de afzet op de markt niet door de daadwerkelijke fabrikant plaats vindt maar door een afzonderlijke verkoopmaatschappij, of waarin de fabrikant bijvoorbeeld uitsluitend in opdracht van de moedermaatschappij tegen een fabricagevergoeding fabriceert en de prijs aan de daadwerkelijke afnemer niet door de fabrikant, maar door die moedermaatschappij of een afzonderlijke verkooporganisatie aan de afnemer in rekening wordt gebracht, kunnen problemen ontstaan. Dat zal zich met name voordoen wanneer de toepassing van de oorsprongsregels op de prijs die de daadwerkelijke fabrikant van de moedermaatschappij of de verkooporganisatie ontvangt niet leidt tot het verkrijgen van de gewenste preferentiële oorsprong, terwijl toepassing op de prijs die de daadwerkelijke afnemer betaalt aan de moedermaatschappij of de verkooporganisatie wèl tot de oorsprong leidt. Aangezien echter in dergelijke gevallen de prijs die uiteindelijk aan de afnemer in rekening wordt gebracht toch alle elementen (zoals algemene kosten, verkoopkosten en winst) omvat die bij een rechtstreekse verkoop van fabrikant aan afnemer ook in de prijs af-fabriek verwerkt zouden zijn, kan die prijs worden geaccepteerd als prijs af fabriek voor het toetsen van de oorsprongsregels wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • er moet sprake zijn van gelieerdheid tussen fabrikant en de andere partij; met andere woorden: het moet gaan om levering via een moedermaatschappij of een aan die maatschappij gelieerde verkooporganisatie;

  • die gelieerde andere partij moet eveneens in de Europese Unie zijn gevestigd;

  • er moet uitsluitend sprake zijn van (verplichte) levering aan die moedermaatschappij of verkooporganisatie. Dat betekent dat wanneer er daarnaast rechtstreekse leveringen aan anderen dan de desbetreffende gelieerde partij plaatsvinden, er niet meer kan worden gesteld dat de prijs die de gelieerde partij in rekening brengt overeenkomt met een reële prijs af fabriek.

Naar boven

2.3.24 (gereserveerd)

Naar boven

2.3.25 Territorialiteitsbeginsel

In alle oorsprongsregelingen vindt u het zogenaamde territorialiteitsbeginsel. Dit houdt in dat de be- of verwerking in principe zonder onderbreking op het grondgebied van de bij de betreffende overeenkomst of autonome regeling betrokken partijen moet plaatsvinden. Indien de goederen dat grondgebied tussentijds verlaten hebben om elders be- of verwerkt te worden, vervalt in principe de oorsprong tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als die welke eerder werden uitgevoerd; en

  • de goederen tijdens hun verblijf in het andere land geen be- of verwerkingen hebben ondergaan andere dan die ter behoud van de goede staat.

Voorbeeld

Voor overhemden van hoofdstuk 62 van het Geharmoniseerd Systeem geldt in alle preferentiële regelingen de oorsprongseis: vervaardiging uit garens. Dat houdt in dat ook niet-oorsprongsgarens gebruikt mogen worden, maar dat alle verdere bewerkingen (weven, snijden, opmaken enzovoort) op het grondgebied van het betreffende land moeten worden uitgevoerd. Stel nu dat in Chili garens uit India worden ingevoerd. In Chili wordt vervolgens de stof geweven, op maat gesneden en aan elkaar gezet. Op dat moment heeft het product de oorsprong Chili in de zin van de overeenkomst met de Europese Unie. Wordt dat product nu vervolgens in Mexico van knopen en versieringen voorzien, en vervolgens weer naar Chili geretourneerd, dan kunnen bij een daaropvolgende uitvoer naar de Europese Unie de overhemden niet meer als van oorsprong worden beschouwd in de zin van de overeenkomst tussen Chili en de Europese Unieomdat zij een andere bewerking hebben ondergaan dan die ter behoud van de goede staat. Overigens zijn de overhemden in dit voorbeeld op grond van de niet-preferentiële oorsprongsregels wel van niet-preferentiële oorsprong uit Chili (zie dit Handboek, onderdeel 7.00.00).

Naar boven

2.3.26 Versoepeling territorialiteitsbeginsel

Op dit territorialiteitsbeginsel is in een aantal preferentiële regelingen een verruiming aangebracht (zie bijvoorbeeld artikel 12 van Protocol nr. 4 bij de EER-overeenkomst).

In deze regelingen is bepaald dat be- of verwerkingen - andere dan die ter behoud van de goede staat - van materialen buiten het gebied van de betrokken partijen, het verkrijgen van de oorsprong niet beïnvloedt. Hiervoor gelden echter vier voorwaarden:

  1. de tijdelijk uitgevoerde materialen moeten reeds van oorsprong zijn; en bij wederinvoer moet aan de douaneautoriteiten worden aangetoond dat:

  2. de wederingevoerde goederen het resultaat zijn van een be- of verwerking van de uitgevoerde materialen;

  3. de totale toegevoegde waarde die buiten het betreffende gebied door de toepassing van deze versoepelingsbepaling is verkregen, niet meer bedraagt dan 10% van de prijs af fabriek van het eindproduct dat als product van oorsprong wordt aangeboden;

  4. de be- of verwerkingen buiten het gebied van de betrokken partijen plaats vonden in het kader van de regeling passieve veredeling of een soortgelijke regeling.

Oorsprongscriteria

In een dergelijke situatie zijn de oorsprongscriteria natuurlijk niet van toepassing op be- of verwerkingen die buiten het betreffende gebied zijn verricht. Als in de lijsten met oorsprongscriteria bij de verschillende oorsprongsregelingen een maximumpercentage voor niet-oorsprongsmaterialen is genoemd, mag de totale waarde van de niet-oorsprongsmaterialen die in het gebied zijn gebruikt en de totale toegevoegde waarde die buiten het gebied is verkregen, samen niet meer zijn dan dat maximumpercentage.
Dus:

Totale waarde =

niet-oorsprongsmaterialen + totale toegevoegde waarde, verkregen buiten het gebied Maximumpercentage

Totale toegevoegde waarde

Onder totale toegevoegde waarde wordt hier verstaan: alle kosten die buiten het gebied zijn gemaakt, met inbegrip van de totale waarde van de materialen die daar zijn toegevoegd.

Geen versoepeling voor bepaalde goederen

De verruiming van het territorialiteitsbeginsel is niet van toepassing op:

  • producten die in de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het Geharmoniseerd Systeem worden ingedeeld;

  • producten die in principe niet aan de voorwaarden van de lijsten met oorsprongscriteria bij de verschillende oorsprongsregelingen voldoen maar die ten gevolge van de toepassing van de waardetolerantieregel (zie paragraaf 2.3.6) toch als voldoende be- of verwerkt kunnen worden beschouwd.

Naar boven

2.3.27 Wederinvoer in de Europese Unie

Voor goederen van oorsprong uit de Europese Unie die definitief naar een derde land werden uitgevoerd en door onvoorziene omstandigheden worden wederingevoerd, geldt in principe dat door die uitvoer de communautaire status van die goederen verloren is gegaan. In voorkomend geval moet gebruik worden gemaakt van de regeling terugkerende goederen (zie onderdeel 25.00.00 van dit Handboek).

De oorsprong Europese Unie die voor destijds de uitvoer werd verkregen kan bij wederuitvoer naar een andere bestemming alleen in aanmerking worden genomen als de goederen aan de volgende drie voorwaarden voldoen:

  1. de terugkerende goederen zijn dezelfde als de eerder uitgevoerde goederen;

  2. de goederen hebben de periode dat ze waren uitgevoerd geen andere behandeling ondergaan dan die nodig waren om ze in goede staat te houden;

  3. de goederen op grond van de preferentële regeling die van toepassing is voor het land van bestemming voldoen aan de oorsprongsregels. Voorbeeld Goederen van oorsprong uit de Europese Unie worden uitgevoerd naar Israël, met een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. Na verloop van tijd worden de goederen weer ingevoerd in de Europese Unie, waarna ze naar Kroatië worden uitgevoerd. Bij uitvoer naar Kroatië kunnen deze goederen uitsluitend als van oorsprong uit de Europese Unie worden beschouwd als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    • de goederen zijn ook in de zin van de overeenkomst met Kroatië van oorsprong uit de Europese Unie, en

    • vast staat dat de uit Israël teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de destijds naar Israël uitgevoerde goederen, en

    • de goederen hebben gedurende hun verblijf in Israël geen andere behandelingen ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.

Naar boven

2.3.28 Tarifaire behandeling bij wederinvoer

De preferentiële oorsprong Europese Unie geeft in beginsel nooit recht op de toepassing van een preferentieel tarief bij (weder) invoer in de Europese Unie. De overeenkomsten en alle autonome regelingen voorzien uitsluitend in een preferentiële behandeling bij invoer in de Europese Unie van goederen die van oorsprong zijn uit het desbetreffende partnerland.
In de volgende twee gevallen leidt de oorsprong Europese Unie bij invoer wel tot toepassing van een preferentieel tarief:

  1. Industriële en bepaalde landbouwgoederen waarvan de oorsprong wordt aangetoond met een oorsprongsbewijs op basis van bilaterale overeenkomst met Zwitserland. Bij invoer van deze goederen kan het tarief worden toegepast dat voor die goederen zou gelden als ze van oorsprong uit Zwitserland (CH) zouden zijn. Deze uitzondering is gebaseerd op de Overeenkomst met Zwitserland.

  2. Goederen van oorsprong uit de Europese Unie waarvan de oorsprong wordt aangetoond met een oorsprongbewijs op basis van de EER-overeenkomst. Bij invoer wordt het EER tarief toegepast indien ten bewijze daarvan een oorsprongsbewijs met oorsprong EER wordt overgelegd.

Wanneer de oorsprong Europese Unie wordt geclaimd op grond van het feit dat product ooit in de Europese Unie is vervaardigd (bijvoorbeeld bij wederinvoer van een klassieke MG sportwagen vanuit de Verenigde Staten) is er geen recht op preferentie. Het achterwege laten van de heffing van de douanerechten bij invoer kan dan - voor zover aan de voorwaarden wordt voldaan - uitsluitend plaatsvinden op basis van de regeling terugkerende goederen (zie verder onderdeel 25.00.00 van dit Handboek).

Naar boven

2.3.29 Fysieke en administratieve scheiding

Bij het toepassen van oorsprongsregels moet de douane uitgaan van het principe van fysieke scheiding. In een beperkt aantal gevallen is administratieve scheiding mogelijk.

Naar boven

2.3.30 Fysieke scheiding

Het principe van fysieke scheiding geldt niet alleen voor oorsprongs- en niet-oorsprongsbestanddelen die in een product verwerkt zijn. Het geldt ook voor de producten zelf. Fysieke scheiding houdt in dat:

  • bij een be- of verwerking van bestanddelen die al van oorsprong zijn tot een product van oorsprong, de identiteit van die bestanddelen vastgehouden moet kunnen worden;

  • producten die qua samenstelling volkomen identiek zijn, niet met elkaar verwisseld mogen worden. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat het ene product door het gebruik van oorsprongmaterialen aan de oorsprongscriteria voldoet, terwijl het andere product door het gebruik van (verder identieke) materialen uit derde landen niet aan die criteria voldoet.

Fysieke scheiding van bestanddelen is niet noodzakelijk in de volgende gevallen:

  1. Voor het betreffende eindproduct geldt uitsluitend het criterium van postverspringing, en door het productieproces wordt aan dat criterium voldaan.

  2. Voor het betreffende eindproduct geldt een percentageregel, en alle bestanddelen die niet van oorsprong zijn kunnen nooit de gestelde limiet overschrijden.

Naar boven

2.3.31 Administratieve scheiding

Op basis van een aantal oorsprongsprotocollen kan onder bepaalde voorwaarden een vorm van administratieve scheiding worden toegestaan. (Zie bijvoorbeeld artikel 21 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland). Administratieve scheiding van goederen van oorsprong en niet van oorsprong kan uitsluitend worden toegestaan aan producenten.
Administratieve scheiding houdt in dat materialen administratief worden toegerekend aan eindproducten. Daarbij is de identiteit van de feitelijk gebruikte materialen niet van belang, zolang in een bepaalde referentieperiode (bijv. een boekjaar) niet meer eindproducten als product van oorsprong worden aangemerkt dan het geval zou zijn geweest bij de toepassing van fysieke scheiding. In gevallen waar geen fysieke scheiding is vereist hoeft uiteraard ook geen administratieve scheiding te worden toegepast.
Voor de toepassing van administratieve scheiding is een afzonderlijke toestemming vereist. Voor wat betreft de oorsprongsbewijzen die de Douane afgeeft, kan deze toestemming worden verleend door de betreffende Kamer van Koophandel. Voor wat betreft de oorsprongsbewijzen die de exporteurs zelf afgeven in het kader van een vergunning Toegelaten Exporteur, is de inspecteur bevoegd. Nadere aanwijzingen over dit onderwerp vindt u in hoofdstuk 7.

Naar boven

2.3.32 Rechtstreeks vervoer

In alle oorsprongsregelingen is - naast de voorwaarde dat de producten als van oorsprong kunnen worden beschouwd - voor het bij invoer kunnen toepassen van de preferentie de eis gesteld dat onomstotelijk komt vast te staan dat de goederen zoals zij werden uitgevoerd (volgens de goederenomschrijving op het oorsprongsbewijs) dezelfde zijn dan de goederen die met aanspraak op een preferentiële tartiefbehandeling in het vrije verkeer worden gebracht. De goederen mogen voordat zij in het vrije verkeer zijn gebracht op geen enkele wijze zijn gewijzigd en ook geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en laden en die welke noodzakelijk waren ter behoud van de goede staat. De goederen mogen zijn opgeslagen wanneer dit onder de verantwoordelijkheid van de exporteur plaatsvindt en de goederen in een land van doorvoer onder toezicht van de plaatselijke douaneautoriteiten zijn gebleven.

De Douane kan op ieder moment toetsen of aan deze voorwaarden is voldaan en van de aangever/importeur eisen te bewijzen dat aan de voorwaarden is voldaan. Ieder bewijs kan worden geaccepteerd mits maar om onomstotelijk komt vast te staan dat aan de voorwaarden is voldaan. Voorbeelden van bewijsstukken zijn bills of lading, cognossementen, certificaten van non manipulatie afgegeven door de douaneautoriteiten van het transitland, merken en nummers van de colli, verzegelingen, transit documenten etc.

Vanwege de bijzondere situatie is met betrekking tot het vervoer van Chinese goederen via Hongkong naar de Europese Unie door de Europese Commissie informeel een afwijkende regeling getroffen. Zie daarvoor paragraaf 6.3.7.

Naar boven

2.3.33 "Drawback"; afzien van vrijstelling

In een aantal oorsprongsregelingen is er in voorzien dat bij uitvoer naar de betreffende landen de afgifte of het opstellen van een oorsprongsbewijs tot gevolg heeft dat moet worden afgezien van de vrijstelling die bij invoer is genoten voor de uit derde landen geïmporteerde materialen.

De protocollen waarin een dergelijke bepaling is opgenomen behoren bij:

  1. de EER-overeenkomst;

  2. de EVA-overeenkomsten;

  3. de Overeenkomst met de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook;

  4. de Overeenkomst met Israël;

  5. de Overeenkomst met Montenegro;

  6. de Overeenkomst met Albanië;

  7. de Overeenkomst met Mexico;

  8. de Overeenkomst met de Faeröer eilanden;

  9. de Overeenkomst met Libanon (vanaf 1-1-2013);

  10. de Overeenkomst met Chili (vanaf 1-1-2007);

  11. de Overeenkomst met Jordanië (vanaf 1-1-2007);

  12. de Overeenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;

  13. de Overeenkomst met Kroatië;

  14. de Overeenkomst met Bosnië-Herzegovina

  15. de Overeenkomst met Servië;

  16. de Overeenkomst met Andorra;

  17. de Overeenkomst met Turkije (bepaalde ijzer-en staalproducten);

  18. de Overeenkomst met Turkije (bepaalde landbouwgoederen);

  19. de Overeenkomst met Algerije.

Inhoud regeling

Deze ook als no-drawback-clausule bekende regel houdt in dat er geen vrijstelling of teruggaaf van douanerechten bij invoer kan worden verleend voor de derde landen materialen die werden gebruikt voor de vervaardiging van producten, waarvoor bij de uitvoer naar de desbetreffende landen een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 werd afgegeven of een preferentiële oorsprongsverklaring op de factuur werd gesteld (factuurverklaring). (Zie bijvoorbeeld artikel 15 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland)

Bij uitvoer naar een van de landen van de Pan-Euro-Mediterrane zone met gebruikmaking van een certificaat EUR-MED of een oorsprongsverklaring EUR-MED geldt de no-drawback-clausule. Alleen bij export naar Libanon met een certificaat EUR-MED of een oorsprongsverklaring EUR-MED hoeft tot en met 31 december 2012 niet te worden afgezien van de vrijstelling en blijft terugbetaling mogelijk.

Wel afgifte oorsprongsbewijs mogelijk

Deze regeling houdt niet in dat er geen oorsprongsbewijs zou mogen worden afgegeven of opgesteld als er bijvoorbeeld een vergunning actieve veredeling is afgegeven voor de in het uit te voeren product verwerkte materialen. Wel houdt de regeling in dat de afgifte van certificaat of het opstellen van een oorsprongsverklaring tot gevolg moet hebben dat van de vrijstelling wordt afgezien of dat de teruggaaf niet wordt verleend. Overigens ontstaat op grond van artikel 216 CDW een douaneschuld door het afgeven van een preferentieel oorsprongsbewijs voor goederen die onder actieve veredeling zijn verkregen.
Zie voor de uitwerking met betrekking tot actieve veredeling onderdeel 16.00.00 van dit Handboek. (zie paragraaf 2.3, 12.3.1, 12.3.2 en 7.2.17)

Regeling niet op alle goederen van toepassing

De regeling geldt uitsluitend voor zover de met vrijstelling ingevoerde goederen onder de reikwijdte van de desbetreffende overeenkomst vallen.
Als de met vrijstelling ingevoerde goederen niet onder de betreffende preferentiële regeling vallen hoeft bij de uitvoer met een oorsprongsbewijs van de producten waarin ze zijn verwerkt, niet van de vrijstelling te worden afgezien.

De regeling geldt uiteraard evenmin voor met vrijstelling ingevoerde goederen die reeds van oorsprong waren uit het desbetreffende land of - al naar gelang het geval - groep van landen. Echter zullen in die situatie de goederen veelal op grond van de preferentiële regeling, zonder betaling van douanerechten bij invoer zijn ingevoerd, zonder gebruikmaking van vrijstellingsregelingen.

Wanneer een beroep op deze uitzondering wordt gedaan kan de preferentiële oorsprong - voor dit doel - blijken uit het invoerdocument. Is dat niet mogelijk, dan kan de exporteur alsnog een van de van toepassing zijnde oorsprongsbewijzen overleggen, c.q. kopieën daarvan. Dergelijke kopieën moeten door de Douane of door de Kamer van Koophandel zijn gewaarmerkt.

Samenloop preferentiële oorsprong en niet-preferentiële oorsprong

In vrijwel alle gevallen (behalve bij cumulatie) zijn de voorwaarden waaronder een product de preferentiële oorsprong verkrijgt strikter dan die de om de niet-preferentiële oorsprong te verkrijgen. Dat heeft tot gevolg dat een product dat van oorsprong is in de zin van een preferentiële regeling, dat automatisch ook is op basis van de niet-preferentiële oorsprongsregels. Andersom is dit niet het geval en is de niet-preferentiële oorsprong van een product onvoldoende om in aanmerking te komen voor een preferentiële behandeling bij invoer.

Voorbeeld

Een kledingstuk wordt in Indonesië vervaardigd door het aan elkaar naaien en afwerken van uit India ingevoerde, al op maat gesneden stukken weefsel. Als vervolgens het kledingstuk naar de Europese Unie wordt uitgevoerd zal geen aanspraak gemaakt kunnen worden op de oorsprong Indonesië in de zin van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Daarvoor geldt immers als oorsprongseis: breien en confectioneren (met inbegrip van snijden) met andere woorden: zowel het breien, het confectioneren en het snijden moeten in Indonesië hebben plaatsgevonden.

Daarentegen geeft de TVo. CDW aan dat de bewerking wel voldoende is voor de oorsprong Indonesië in niet-preferentiële zin. Voor niet-preferentiële doeleinden (bijvoorbeeld ten behoeve van de handelsstatistiek of voor de toepassing van de antidumpingmaatregelen) moeten de goederen dan als van oorsprong uit Indonesië worden aangegeven. Er kan echter geen beroep op een tariefpreferentie worden gedaan.

Naar boven