Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

8.00.00 Preferentiele oorsprong en herkomst

6 Procedures en ambtelijke werkzaamheden

6.1 Algemeen

In dit hoofdstuk worden aanwijzingen gegeven voor de behandeling van de in het preferentiële handelsverkeer gebruikte herkomst- en oorsprongsbewijzen die recht kunnen geven op een preferentiële behandeling bij invoer.

De begrippen herkomstbewijzen en oorsprongsbewijzen zijn in de volgende paragrafen strikt gescheiden gehouden. De regels over de oorsprongsbewijzen vindt u in de paragrafen 6.2 tot en met 6.8.
Over oorsprongsbewijzen treft u de volgende onderwerpen aan:

  • afgifte van oorsprongsbewijzen (paragraaf 6.2);

  • aanvaarding van oorsprongsbewijzen (paragraaf 6.3);

  • vervanging van oorsprongsbewijzen (paragraaf 6.4);

  • bijzonderheden bij oorsprongsbewijzen met betrekking tot opslag onder douanetoezicht (paragraaf 6.5);

  • oorsprongsbewijzen bij postzendingen en reizigersbagage/kleine zendingen (paragraaf 6.6);

  • administratieve samenwerking oorsprongsbewijzen (paragraaf 6.7);

  • relatie tussen het toepassen van de preferentie en het tijdstip van invoer en het overleggen van het oorsprongsbewijs (paragraaf 6.8).

Soortgelijke bepalingen over herkomstbewijzen vindt u in paragraaf 6.9 "Herkomst Turkije en LGO". Deze paragraaf behandelt de op de douane-unie gebaseerde regeling met Turkije en het deel van het LGO-Besluit dat gaat over goederen van herkomst uit het vrije verkeer van de Landen en Gebieden Overzee (LGO).

Naar boven

6.2 De afgifte van oorsprongsbewijzen bij uitvoer

6.2.1 Afgifte van certificaten FORM. A, certificaten EUR.1 en certificaten EUR-MED

  1. Afgifte van het certificaat van oorsprong FORM. A
    Het certificaat van oorsprong FORM. A - waarvan het model is opgenomen in bijlage 17 bij de TVo. CDW - dient alleen als oorsprongsbewijs in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Aangezien een verlaagd of een nulrecht in het kader van het APS eenzijdig (autonoom) door de Europese Unie wordt verleend, worden certificaten FORM. A - afgezien van vervanging (paragraaf 6.4.3) - niet bij uitvoer uit de Europese Unie afgegeven. U geeft dus uitsluitend een certificaat FORM. A af in de in paragraaf 6.4.3 omschreven gevallen.

  2. Afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
    De formele aspecten van de afgifteprocedure van een certificaat EUR.1 in Nederland, zijn beschreven in paragraaf 4.2.1. De praktische procedure bij afgifte verloopt wat de rol van de Douane betreft als volgt:

    1. De exporteur of zijn gemachtigde overhandigt u een formulier EUR.1 in tweevoud. U neemt geen formulieren in enkelvoud in behandeling.

    2. Er volgen nu enkele ambtelijke werkzaamheden:

      1. Ga na:

        • of het formulier is ingevuld en opgemaakt overeenkomstig de op de achterzijde van het eerste exemplaar gegeven aanwijzingen;

        • of op de achterzijde van het tweede exemplaar is aangegeven op welke gronden de te exporteren goederen aan de oorsprongscriteria voldoen en welk daar aan ten grondslag liggend bewijsmateriaal bij de Kamer van Koophandel werd overgelegd;

        • of op het formulier geen bijschrijvingen, wijzigingen of doorhalingen zijn aangebracht die niet door de Kamer van Koophandel (op het tweede exemplaar) zijn geautoriseerd.

        Als aan een of meer van bovenstaande criteria niet is voldaan, geeft u het formulier onbehandeld en onder opgaaf van redenen aan de exporteur of zijn gemachtigde terug.

        Als - in afwijking van de aanwijzingen op de achterzijde van het eerste exemplaar - in het vak omschrijving van de goederen, de goederen summier worden omschreven en als daarbij wordt verwezen naar een aan het formulier gehechte (kopie)factuur, neemt u het formulier toch in behandeling.

        Als u twijfelt aan de bevindingen van de Kamer van Koophandel of als u nader onderzoek nodig vindt geeft u het certificaat niet af maar neemt u contact op met de Kamer van Koophandel die het certificaat van haar bevinding voorzag.

        Als de achterzijde van het tweede exemplaar niet voorzien is van de bevinding van de Kamer van Koophandel, neemt u het certificaat niet in behandeling.

        De adressen en telefoonnummers van de Kamers van Koophandel kunt u vinden op de website van de Kamers (www.kvk.nl).

      2. Als aan de in a genoemde criteria is voldaan, geeft u het certificaat af. Het afgeven van het certificaat wordt "viseren" genoemd. Viseer alleen het eerste exemplaar. U vult in vak 11 (Visum van de douane) op de daarvoor bestemde plaatsen in:

        • het soort en het nummer van de aangifte ten uitvoer dat bij het certificaat hoort;

        • de datum van afgifte van die aangifte;

        • de naam van uw douanekantoor;

        • het land of gebied van afgifte van het certificaat (dus "Nederland");

        • de plaats van afgifte van het certificaat;

        • de datum van afgifte van het certificaat;

        • uw handtekening, met daaronder uw naam in blokletters. Plaats een afdruk van het metalen dienststempel in het rechtergedeelte van vak 11.

      3. Ingeval er op het certificaat doorhalingen of wijzigingen zijn aangebracht en deze zijn door de Kamer van Koophandel geautoriseerd (op het 2 e exemplaar) plaatst u op certificaat EUR. 1 bij de betreffende wijzigingen of doorhalingen een afdruk van het metalen dienststempel.

      4. Teken op de aangifte ten uitvoer de afgifte van het certificaat EUR. 1 aan. Plaats daartoe de tekst "EUR.1 nr. ...... afgegeven d.d. ...." in vak B van de aangifte ten uitvoer. Daarbij voorziet u die tekst van uw handtekening en naam in blokletters. Tot slot plaatst u een afdruk van het metalen dienststempel bij uw handtekening.

      5. Vermeld op het tweede exemplaar van het certificaat:

        • de soort van de bij het certificaat overgelegde aangifte ten uitvoer;

        • de datum van afgifte van die aangifte ten uitvoer.

        Plaats bij die vermeldingen een afdruk van het metalen dienststempel.

      6. Geef het geviseerde eerste exemplaar van het certificaat EUR.1 terug aan de exporteur of diens gemachtigde.

      7. Houd het tweede exemplaar van het certificaat EUR.1 achter. Om een eventuele controle à posteriori vanuit het buitenland mogelijk te maken dient het tweede exemplaar tenminste drie jaar op uw eenheid te worden bewaard.

  3. Afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED
    De formele aspecten van de afgifteprocedure van een certificaat EUR-MED in Nederland, zijn beschreven in paragraaf 4.2.3 De praktische procedure bij afgifte verloopt wat de rol van de Douane betreft als volgt:

    1. De exporteur of zijn gemachtigde overhandigt u een formulier EUR-MED in tweevoud. U neemt geen formulieren in enkelvoud in behandeling.

    2. Er volgen nu enkele ambtelijke werkzaamheden:

      1. Ga na:

        • of het formulier is ingevuld en opgemaakt overeenkomstig de op de achterzijde van het eerste exemplaar gegeven aanwijzingen;

        • of op de achterzijde van het tweede exemplaar is aangegeven op welke gronden de te exporteren goederen aan de oorsprongscriteria voldoen en welk daar aan ten grondslag liggend bewijsmateriaal bij de Kamer van Koophandel werd overgelegd;

        • of op het formulier geen bijschrijvingen, wijzigingen of doorhalingen zijn aangebracht die niet door de Kamer van Koophandel (op het tweede exemplaar) zijn geautoriseerd.

        Als aan een of meer van bovenstaande criteria niet is voldaan, geeft u het formulier onbehandeld en onder opgaaf van redenen aan de exporteur of zijn gemachtigde terug.

        Als -in afwijking van de aanwijzingen op de achterzijde van het eerste exemplaar- in het vak omschrijving van de goederen, de goederen summier worden omschreven en als daarbij wordt verwezen naar een aan het formulier gehechte (kopie)factuur, neemt u het formulier toch in behandeling.

        Als u twijfelt aan de bevindingen van de Kamer van Koophandel of als u nader onderzoek nodig vindt geeft u het certificaat niet af maar neemt u contact op met de Kamer van Koophandel die het certificaat van haar bevinding voorzag.

        Als de achterzijde van het tweede exemplaar niet voorzien is van de bevinding van de Kamer van Koophandel, neemt u het certificaat niet in behandeling.

        De adressen en telefoonnummers van de Kamers van Koophandel kunt u vinden op de website van de Kamers (www.kvk.nl).

      2. Als aan de in a genoemde criteria is voldaan, geeft u het certificaat af. Het afgeven van het certificaat wordt "viseren" genoemd. Viseer alleen het eerste exemplaar. U vult in vak 11 (Visum van de douane) op de daarvoor bestemde plaatsen in:

        • het soort en het nummer van de aangifte dat bij het certificaat hoort;

        • de datum van afgifte van die aangifte;

        • de naam van uw douanekantoor;

        • het land of gebied van afgifte van het certificaat (dus "Nederland");

        • de plaats van afgifte van het certificaat;

        • de datum van afgifte van het certificaat;

        • uw handtekening, met daaronder uw naam in blokletters. Plaats een afdruk van het metalen dienststempel in het rechtergedeelte van vak 11.

      3. Ingeval er op het certificaat doorhalingen of wijzigingen zijn aangebracht en deze zijn door de Kamer van Koophandel geautoriseerd (op het 2 e exemplaar) plaatst u op certificaat EUR-MED bij de betreffende wijzigingen of doorhalingen een afdruk van het metalen dienststempel.

      4. Teken op de aangifte ten uitvoer de afgifte van het certificaat EUR-MED aan. Plaats daartoe de tekst "EUR-MED nr. ...... afgegeven d.d. ...." in vak B van de aangifte ten uitvoer. Daarbij voorziet u die tekst van uw handtekening en naam in blokletters. Tot slot plaatst u een afdruk van het metalen dienststempel bij uw handtekening.

      5. Vermeld op het tweede exemplaar van het certificaat:

        • de soort van de bij het certificaat overgelegde aangifte ten uitvoer;

        • de datum van afgifte van die aangifte ten uitvoer. Plaats bij die vermeldingen een afdruk van het metalen dienststempel.

      6. Geef het geviseerde eerste exemplaar van het certificaat EUR-MED terug aan de exporteur of diens gemachtigde.

      7. Houd het tweede exemplaar van het certificaat EUR-MED achter. Om een eventuele controle à posteriori vanuit het buitenland mogelijk te maken moet het tweede exemplaar tenminste drie jaar op uw eenheid worden bewaard.

Naar boven

6.2.2 Uitvoer van veredelingsgoederen

Bij uitvoer naar een land waarvoor de zogenaamde no drawback clausule geldt (zie paragraaf 2.3.33), geeft u in beginsel alleen een certificaat EUR.1 af als de exporteur of diens gemachtigde daarbij een aangifte ten invoer overlegt. Dit heeft te maken met het feit dat - wanneer bijvoorbeeld goederen in actieve veredeling verkregen zijn - het afgeven van het certificaat moet leiden tot de betaling van de douanerechten bij invoer over de onder het stelsel van actieve veredeling ingevoerde goederen. Volgens artikel 216 CDW ontstaat in deze situatie een douaneschuld. Indien naast de douanerechten anti-dumpingrechten of compenserende rechten verschuldigd zijn, zijn deze eveneens verschuldigd.

Het principe is dus dat de producten waarvoor een certificaat EUR. 1 wordt afgegeven niet alleen van oorsprong maar ook van herkomst moeten zijn uit het vrije verkeer van de Europese Unie.

Bij uitvoer naar een van de landen van de Pan-Euro-Mediterrane zone met gebruikmaking van een certificaat EUR-MED geldt hetzelfde en ontstaat op grond van artikel 216 CDW in alle gevallen een douaneschuld voor de met vrijstelling ingevoerde en bij de vervaardiging gebruikte materialen.

Bij export van veredelingsgoederen naar een bestemming waarvoor de no draw back clausule niet geldt kunt u zonder beperkingen een certificaat EUR.1 afgeven. De exporteur of diens gemachtigde overlegt dan een aangifte ten uitvoer waarop hij zelf het bestaan van recht op vrijstelling of teruggaaf moet aangeven door onder de omschrijving van de goederensoort te vermelden "Met aanspraak op vrijstelling/teruggaaf EUR.1".

Naar boven

6.2.3 Weigering tot afgifte van een certificaat

Het kan voorkomen dat u van mening bent dat u de afgifte van een certificaat EUR.1 of een certificaat EUR-MED moet weigeren. Dit moet u in ieder geval doen wanneer u:

  • constateert dat de goederen die genoemd staan op de aangifte(n) ten uitvoer en het certificaat niet dezelfde zijn als de goederen die bij fysieke controle zijn bevonden;

  • constateert dat de goederen op het certificaat zodanig summier zijn omschreven dat identificatie aan de hand van die omschrijving onmogelijk is;

  • vaststelt dat de vermelde oorsprong van de goederen niet juist kan zijn.

In deze gevallen - maar ook in andere gevallen waarin u van mening bent dat u afgifte van het certificaat moet weigeren - deelt u dit onder opgaaf van redenen mee aan de inspecteur. U zendt het formulier (nog steeds in tweevoud) en een begeleidend schrijven waarin u aangeeft waarom u afgifte van het certificaat weigert, aan de inspecteur van de regio waaronder uw eenheid ressorteert. Uiteraard stelt u ook de exporteur of diens gemachtigde op de hoogte van het feit dat u de afgifte van het certificaat weigert. U kunt volstaan met een telefonische mededeling, maar het staat u vrij de mededeling op andere wijze te doen. Vermeld daarbij dat u het formulier naar de inspecteur heeft gezonden ter uiteindelijke beslissing.

Als ook de inspecteur van mening is dat afgifte van het certificaat moet worden geweigerd, beslist hij bij een met redenen omklede beschikking.

Tegen een dergelijke beschikking is bezwaar mogelijk. De procedure van bezwaar en beroep is beschreven in onderdeel 32.00.00 van dit Handboek (Bezwaar en beroep).
(artikel 243 CDW, juncto artikel 8:2 Algemene douanewet, juncto artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht)

De inspecteur zendt de beschikking aan degene die de aanvraag tot afgifte van het certificaat heeft gedaan.Een afschrift van de beschikking wordt gezonden aan de desbetreffende Kamer van Koophandel.

Naar boven

6.2.4 Afgifte achteraf van een certificaat

In dit onderdeel treft u naast de algemene regels die gelden voor het achteraf afgeven van certificaten ook regels aan die gelden voor het achteraf afgeven van certificaten ten behoeve van tentoonstellingsgoederen.

Algemeen

In alle preferentiële regelingen is geregeld dat na de uitvoer van de goederen alsnog een certificaat kan worden afgegeven. Deze procedure beperkt zich echter tot uitzonderingsgevallen. Alleen als ten gevolge van een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden het certificaat niet bij de uitvoer is geviseerd kunt u alsnog achteraf een certificaat afgeven. Het is dus niet de bedoeling dat de exporteur of diens gemachtigde die om afgifte achteraf verzoekt van de uitzondering een "normale" werkwijze maakt.

Voordat u tot afgifte achteraf van het certificaat kunt overgaan, moet een verzoek daartoe zijn ingediend bij de inspecteur in wiens ambtsgebied de aangifte ten uitvoer is gedaan. De inspecteur heeft deze werkzaamheden veelal gedelegeerd aan de eenheid waar de aangifte ten uitvoer is gedaan. Uiteraard moet de exporteur of diens gemachtigde zijn verzoek dan aan deze eenheid zenden.

Om een spoedige behandeling van het verzoek te bevorderen, doet de exporteur of zijn gemachtigde er goed aan:

  1. op het verzoek de woorden te vermelden "certificaten na de uitvoer";

  2. opgave te doen van:

    • het douanekantoor waar de uitvoeraangifte(n) is/zijn behandeld;

    • de naam van de exporteur van de goederen;

    • het vervoermiddel (bijvoorbeeld de naam van het schip, het kenteken van het voertuig) waarmee de goederen zijn uitgegaan;

    • soort en nummer van de aangifte(n) ten uitvoer;

    • datum van aangifte(n) ten uitvoer;

    • datum waarop en het douanekantoor waar de goederen daadwerkelijk zijn uitgegaan;

    • de omstandigheden waaraan het te wijten is dat om afgifte achteraf wordt verzocht.

  3. bij te voegen:

    • het door de Kamer van Koophandel van een advies voorziene certificaat in tweevoud;

    • een kopie van de verkoopfactuur;

    • een kopie van het vervoersbewijs (cognossement, vrachtbrief, en dergelijke);

    • exemplaar 3 van de aangifte(n) ten uitvoer.

  4. Voordat u het certificaat viseert gaat u na:

    1. of de goederen zich bij het doen van de aangifte ten uitvoer bevonden in het ambtsgebied van uw eenheid en of de goederen daadwerkelijk uit de Europese Unie zijn uitgevoerd. Als de goederen bijvoorbeeld per schip de Europese Unie hebben verlaten kunt u dit nagaan door het zogenaamde uitgaande manifest te controleren;

    2. of er sprake is van een vergissing, een onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden;

    3. of het certificaat is ondertekend door de exporteur of zijn gemachtigde. Als het certificaat is ondertekend door een gemachtigde, aanvaardt u dat alleen als een machtiging daartoe van de exporteur wordt overlegt.

Als u tot afgifte achteraf besluit, verricht u de volgende ambtelijke werkzaamheden:

  1. Plaats in vak 7 (opmerkingen) de woorden "Issued retrospectively";

  2. Vermeld in vak 11 visum van de douane de gevraagde gegevens. (zie hiervoor paragraaf 6.2.1 letter B);

  3. Vermeld het soort en het nummer van het certificaat op het door u gecontroleerde uitgaande manifest en op de aangifte(n) ten uitvoer (indien bijgevoegd). Plaats die vermelding in ieder geval op het derde exemplaar van de aangifte(n) ten uitvoer;

  4. Geef het eerste exemplaar van het certificaat en de overige door hem overgelegde bescheiden aan de exporteur of zijn gemachtigde terug;

  5. Houd het tweede exemplaar van het certificaat achter en bewaar dat tenminste drie jaar. Voeg het verzoek van de exporteur of zijn gemachtigde hierbij.

Afgifte certificaat voor tentoonstellingsgoederen

Vrijwel alle preferentiële regelingen voorzien in de mogelijkheid om een certificaat af te geven voor goederen die al werden uitgevoerd naar een tentoonstelling in een derde land en die daarna zijn doorgezonden naar een land waarmee een vrijhandelsovereenkomst is gesloten.

Aan de afgifte van een certificaat moet een verzoek als onder "Algemeen" ten grondslag liggen. Naast de gebruikelijke gegevens (zie boven) moet de exporteur of zijn gemachtigde in het verzoek de naam en het adres van de tentoonstelling vermelden.

Voordat u tot visering van het certificaat overgaat moet de exporteur of zijn gemachtigde hebben aangetoond dat:

  • de goederen zich bij verzending vanaf de tentoonstelling naar het uiteindelijke land van bestemming in dezelfde staat bevonden als bij uitvoer naar die tentoonstelling;

  • de goederen vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond;

  • de tentoonstelling geen voor particuliere doeleinden georganiseerde manifestatie is. Denk daarbij aan tentoonstellingen in winkels waarbij het doel is de verkoop van buitenlandse goederen. Het moet een tentoonstelling zijn waarbij goederen onder douanetoezicht zijn gebleven.

Als aan bovenstaande criteria is voldaan viseert u het certificaat. Zie voor de ambtelijke handelingen het eerste deel van deze paragraaf.

Naar boven

6.2.5 Afgifte van duplicaten

De procedure voor de afgifte van duplicaten van certificaten kent twee varianten. Enerzijds bestaat de mogelijkheid dat u duplicaten afgeeft van een eerder op uw eenheid afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED.
Anderzijds bestaat de mogelijkheid dat u duplicaten afgeeft van eerder op uw eenheid afgegeven vervangingscertificaten (zowel certificaten van oorsprong FORM. A, certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED als certificaten inzake goederenverkeer EUR.1). Beide varianten zijn in deze paragraaf uitgewerkt.

A.

Voor de afgifte van een duplicaat van een eerder op uw eenheid afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED geldt het volgende:

Als een certificaat verloren is gegaan, kunt u een duplicaat afgeven zonder tussenkomst van de Kamer van Koophandel. U geeft alleen een duplicaat af op schriftelijk verzoek van de exporteur of diens gemachtigde. Uiteraard geeft u dat duplicaat pas af nadat u heeft vastgesteld dat het certificaat dat teloor is gegaan eerder op uw eenheid is afgegeven.

Kunt u dat laatste niet vaststellen of blijkt dat het certificaat dat teloor is gegaan op een andere eenheid is afgegeven, dan geeft u geen duplicaat af of verwijst u de exporteur of diens gemachtigde naar die andere eenheid.

Bij het verzoek moet men een volledig ingevuld eerste exemplaar van het certificaat overleggen. U vergelijkt dat exemplaar met het op uw eenheid gearchiveerde tweede exemplaar van het oorspronkelijke certificaat.
Komt u tot de conclusie dat de vakken van het eerste exemplaar van het duplicaatcertificaat volledig gelijkluidend zijn aan de vakken van het in uw bezit zijnde tweede exemplaar, dan viseert u het eerste exemplaar.
Daarbij verricht u nog de volgende werkzaamheden:

  1. Stel in vak 7 (opmerkingen) van het eerste exemplaar de aantekening "DUPLICATE", alsmede de clausule "origineel certificaat nr...... geviseerd d.d. ..... te ...........(land en plaats van afgifte);

  2. Voorzie die aantekening van een afdruk van het metalen dienststempel en van een paraaf;

  3. Teken op het tweede exemplaar van het oorspronkelijke certificaat de afgifte van het duplicaat aan.

  4. Bewaar het verzoek van de exporteur of zijn gemachtigde bij het tweede exemplaar van het oorspronkelijke certificaat.

B.

Voor de afgifte van duplicaten van op uw eenheid afgegeven vervangingscertificaten FORM.A, vervangingscertificaten EUR.1 c.q. EUR-MED geldt het volgende:

Op dezelfde wijze als is aangegeven onder letter A van deze paragraaf kan er een duplicaat afgegeven worden van een eerder op uw eenheid afgegeven vervangingscertificaat.
Dat houdt in dat u ook in dergelijke gevallen op schriftelijk verzoek van de exporteur of diens gemachtigde een duplicaat kunt afgeven zonder tussenkomst van de Kamer van Koophandel, voor zover u tenminste kunt vaststellen dat het oorspronkelijke teloor gegane certificaat inderdaad op uw eenheid werd afgegeven ter vervanging van een eerder afgegeven certificaat en aan de verdere voorwaarden is voldaan.

Kunt u dat laatste niet vaststellen of blijkt dat het vervangingscertificaat dat teloor is gegaan op een ander douanekantoor werd afgegeven dan geeft u geen duplicaat af maar verwijst u de exporteur of diens gemachtigde naar de betreffende douanekantoor

Afgifte van duplicaten van vervangingscertificaten EUR.1 en EUR-MED:

Bij een verzoek om afgifte van een duplicaat van een vervangingscertificaat van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED moet de exporteur of diens gemachtigde een volledig ingevuld nieuw eerste exemplaar van het nieuw af te geven duplicaat-vervangingscertificaat overleggen (zie voor de invulling van vervangingscertificaten EUR.1 en EUR-MED paragraaf 6.4.8).

U vergelijkt dat exemplaar met het op uw eenheid afgegeven tweede exemplaar van het oorspronkelijke vervangingscertificaat. Komt u tot de conclusie dat de vakken van het eerste exemplaar van het duplicaat-vervangingscertificaat volledig gelijkluidend zijn aan de vakken van het in uw bezit zijnde tweede exemplaar van het oorspronkelijke vervangingscertificaat, dan kunt u dat duplicaat vervangingscertificaat viseren. Daarbij verricht u de volgende handelingen:

  1. Stel in vak opmerkingen van het eerste exemplaar van het duplicaat-vervangingscertificaat de aantekening "DUPLICATE", alsmede de clausule "origineel vervangingscertificaat nr. ...... geviseerd d.d. ....... te ......(land en plaats van afgifte):

  2. Voorzie de aantekening van een afdruk van het metalen dienststempel en van een paraaf;

  3. Teken op het tweede exemplaar van het oorspronkelijke vervangingscertificaat de afgifte van het duplicaat aan;

  4. Bewaar het verzoek van de exporteur of zijn gemachtigde bij het tweede exemplaar van het oorspronkelijke certificaat.

Afgifte van duplicaten van vervangingscertificaten FORM. A:

Bij een verzoek om afgifte van een duplicaat van een vervangingscertificaat van een certificaat van oorsprong FORM. A moet de exporteur of diens gemachtigde een volledig ingevuld nieuw exemplaar van het nieuw af te geven duplicaat vervangingscertificaat overleggen (zie voor de invulling van vervangingscertificaten FORM. A paragraaf 6.4.9).

U vergelijkt dat exemplaar met het op uw eenheid gearchiveerde zogenaamde moedercertificaat (het originele certificaat van oorsprong FORM.A waarop de vervanging door het nu teloor gegane certificaat is aangetekend. Mogelijk heeft de exporteur of diens gemachtigde ook nog een kopie van het teloor gegane vervangingscertificaat. Ook daarmee kunt u dan vergelijken. Komt u tot de conclusie dat de vakken van het duplicaat vervangingscertificaat volledig gelijkluidend zijn aan de vakken van het eerder op uw eenheid afgegeven vervangingscertificaat, dan kunt u dat duplicaat vervangingscertificaat viseren. Daarbij verricht u de volgende handelingen:

  1. Stel in vak 4 (For official use) van het duplicaat-vervangingscertificaat de aantekening "DUPLICATE", alsmede de clausule "origineel vervangingscertificaat nr. ...... geviseerd d.d. ....... te ......(land en plaats van afgifte);

  2. Voorzie de aantekening van een afdruk van het metalen dienststempel en van een paraaf;

  3. Teken op het "moedercertificaat" de afgifte van het duplicaat aan;

  4. Bewaar het verzoek van de belanghebbende bij het "moedercertificaat".

Aanvaarding duplicaat-vervangingscertificaten in het land van invoer

In de verschillende oorsprongsregelingen zijn geen formele voorzieningen getroffen voor het afgeven van duplicaten van vervangingscertificaten. Het feit dat de Nederlandse Douane dergelijke duplicaten afgeeft, biedt dus geen garantie voor de aanvaarding van een dergelijk duplicaat door de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Naar boven

6.2.6 Afgifte certificaat voor deelzendingen

Alle oorsprongsregelingen hebben een voorziening voor het gebruik van een certificaat voor producten die in deelzendingen worden geïmporteerd (zie paragraaf 2.3.20). Bij export van goederen waarvoor deze regeling zal worden toegepast, kunt u bij uitvoer van de eerste deelzending al overgaan tot afgifte van een certificaat voor het complete product.

Naar boven

6.2.7 Afgifte van certificaten EUR.1 bij niet-wederkerige preferentiële regelingen

In alle preferentiële regelingen staat dat certificaten EUR.1 alleen kunnen worden afgegeven als zij kunnen dienen in het kader van de betreffende regeling. Bij de autonome regelingen (alleen de Europese Unie verleent preferentie, de andere partij niet) zou u dus bij uitvoer geen certificaat EUR.1 kunnen afgeven. Immers, het certificaat dat u zou afgeven dient in het land van bestemming niet voor het verkrijgen van preferentie omdat dit land geen preferentie kent voor goederen van oorsprong uit de Europese Unie. Autonome regelingen zijn het Algemeen Preferentieel Systeeem (APS), de regeling Kosovo en Moldavië en de regeling voor de landen en gebieden overzee (LGO). Ook de tijdelijke regeling voor de voormalige koloniën in Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Zuidzee (de ACS-landen genoemd in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 1528/2007) voorziet niet in het verlenen van preferentie aan producten van oorsprong uit de Europese Unie.

Een certificaat EUR.1 kan echter wel worden afgegeven - in het kader van de bilaterale cumulatie - wanneer materialen van oorsprong uit de Europese Unie worden uitgevoerd naar een LGO, Kosovo en Moldavië een ACS- of een APS land om verder te worden bewerkt en bestemd zijn om als eindproduct terug te worden ingevoerd in de Europese Unie. In deze gevallen is de afgifte van een certificaat EUR.1 mogelijk mits de materialen voldoen aan de in de betreffende regeling geldende oorsprongscriteria.

Bij uitvoer naar een APS land moet in voorkomend in vak 2 van het certificaat EUR.1 de volgende vermelding te worden gesteld:"GSP beneficiary countries EU"of "Pays bénéficiaires de SPG UE".
(artikel 97tervices, lid 2 Tvo. CDW)

In de praktijk is gebleken dat sommige landen toch een bijzondere behandeling toekennen aan goederen waarvoor een certificaat EUR.1 wordt overgelegd. Ook komt het voor dat bankinstellingen een certificaat EUR.1 eisen in een letter of credit.

Als een exporteur om een van deze redenen om afgifte van een certificaat EUR.1 verzoekt terwijl er geen sprake is van bilaterale cumulatie bestaat er geen bezwaar tegen dat u het certificaat toch afgeeft. Vanzelfsprekend moeten de goederen natuurlijk wel aan de voor het betreffende land geldende oorsprongscriteria voldoen. Uiteraard gaat u na of aan alle andere eisen voor de afgifte van het certificaat is voldaan. Zie paragraaf 6.2.1, letter B.

Naar boven

6.2.8 Afgifte van inlichtingenbladen INF 4

Het inlichtingenblad INF 4 is een ambtelijke bevestiging van de juistheid van een door een leverancier afgegeven leveranciersverklaringen. Het model van de INF 4 is o.a opgenomen als bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1207/2001. Een inlichtingenblad INF 4 kan onder meer van een exporteur worden geëist door een douaneautoriteit elders in de Europese Unie ter staving van in Nederland opgestelde leveranciersverklaringen die als bewijsstukken worden overlegd bij de aanvraag tot afgifte van een certificaat EUR.1 of EUR-MED dan wel bij een controle à posteriori van een certificaat EUR.1, een certificaat EUR-MED of een oorsprongsverklaring.

De exporteur zal de in Nederland gevestigde leverancier van de goederen vervolgens verzoeken zorg te dragen voor de INF 4.
De leverancier verzoekt de inspecteur op zijn beurt om de afgifte van een inlichtingenblad INF 4. (Als de inspecteur die werkzaamheden heeft gedelegeerd aan de eenheden, ontvangt u het verzoek). De leverancier doet dit verzoek middels het volledig ingevulde exemplaar Aanvraag tot afgifte van een inlichtingenblad INF 4 (vak 2).

Voordat u tot visering overgaat verricht u de volgende werkzaamheden:

  1. Ga na of de leverancier is gevestigd in het ambtsgebied van uw eenheid. Is dit niet het geval, dan geeft u het verzoek onbehandeld terug;

  2. Ga na of de Kamer van Koophandel haar advies heeft gesteld op het exemplaar voor de Douane. Is dit niet het geval, dan geeft u het verzoek onbehandeld terug;

  3. Ga na of de vakken 1 tot en met 6 volledig en juist zijn ingevuld en door de leverancier in vak 8 is ondertekend. Is dit niet het geval, dan geeft u het verzoek onbehandeld terug;

  4. Als aan de in 1 tot en met 3 gestelde eisen is voldaan viseert u het inlichtingenblad in vak 7. De visering wijkt niet af van hetgeen in paragraaf 6.2.1, letter B. staat omtrent vak 11 van het certificaat EUR.1.

  5. Geef na visering het eerste exemplaar terug aan de leverancier ter doorzending aan de exporteur;

  6. Archiveer het douane-exemplaar.

Let op:
een inlichtingenblad INF 4 kan ook worden geëist indien zowel de exporteur als de leverancier in Nederland zijn gevestigd. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing.

Naar boven

6.3 Aanvaarding van oorsprongsbewijzen bij invoer

6.3.1 Algemeen

U kunt slechts een preferentiële regeling toepassen als:

  1. de aangever daarom verzoekt; (artikel 20, lid 4, CDW)

  2. de goederen van oorsprong zijn in de zin van die regeling;

  3. de goederen rechtstreeks werden vervoerd;

  4. de voorgeschreven bewijsmiddelen worden overgelegd;

  5. de bewijsmiddelen als geldig kunnen worden aanvaard.

Verzoek om toepassing preferentie

Een aangever verzoekt feitelijk om toepassing van een preferentiële regeling als hij de code voor de gewenste preferentie in de vakken 36 en 39 van de aangifte voor in het vrije verkeer brengen vermeldt. Zie voor de te gebruiken code het Codeboek Douane, onderdeel Algemeen.

Wanneer de aangever verzoekt om toepassing van de preferentiële regeling moet hij op het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen doet in het bezit zijn van het vereiste oorsprongsbewijs. Andere bewijsstukken of kopieën van bewijsstukken zijn niet toegestaan. Op de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen vermeldt de aangever de bescheidcode en het nummer van het vereiste oorsprongsbewijs. Uitgangspunt is dat het oorsprongsbewijs wordt overgelegd bij het doen van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer (artikel 62, lid 2 CDW juncto artikel 218, lid 2 TVo CDW). De Douane kan dus van de aangever eisen het oorsprongbewijs te overleggen alvorens de preferentie wordt toegekend.

Het overleggen van een oorsprongsbewijs moet u in ieder geval eisen indien de aangever gebruik wenst te maken van een preferentiële behandeling in het kader van een tariefcontingent. Pas op het moment dat het oorsprongsbewijs door de aangever is overgelegd kunt u een contingent aanvragen.

Indien er geen gebruik wordt gemaakt van een tariefcontingent kan de Douane de preferentie toekennen zonder dat de aangever is gevraagd het oorsprongsbewijs te overleggen. In voorkomend geval moet het oorsprongsbewijs op grond van artikel 77, lid 2 CDW door de aangever ter beschikking worden gehouden van de Douane. Het ter beschikking van de Douane houden door de aangever houdt in dat de aangever het oorsprongsbewijs op zodanige wijze archiveert dat het op een ieder door de Douane gewenst moment kan worden gecontroleerd.

De goederen moeten van oorsprong zijn.

Tot het tegendeel is bewezen worden goederen waarvoor een geldig certificaat is afgegeven of een oorsprongsverklaring is opgesteld geacht van oorsprong te zijn volgens de criteria die zijn gesteld in de betreffende preferentiële regeling. Indien u twijfelt aan de juistheid van de oorsprong van de goederen moet u het oorsprongsbewijs ter controle inzenden aan het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken (zie paragraaf 6.7).

Voorwaarde van rechtstreeks vervoer

De bepalingen over rechtstreeks vervoer vindt u in paragraaf 2.3.32 en paragraaf 6.3.7.

Bewijs van oorsprong

Met uitzondering van de oorsprongsregeling met Zuid-Korea waarbij uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van oorsprongsverklaringen, kan de oorsprong van de goederen veelal worden aangetoond door middel van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en de oorsprongsverklaring. Binnen het kader van de Pan-Euro-Mediterrane zone kan daarnaast ook gebruik worden gemaakt van het certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED en de oorsprongsverklaring EUR-MED. De oorsprongsbewijzen die in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS) worden gebruikt zijn het certificaat van oorsprong FORM. A en de oorsprongsverklaring.

Geldigheid oorsprongsbewijs

De bepalingen over de geldigheid van de bewijsmiddelen vindt u in paragraaf 6.3.3.

Oorsprongsbewijzen waarmee de oorsprong Europese Unie wordt aangetoond leiden niet tot het toepassen van een preferentieel tarief. Voor nadere bijzonderheden en voor de uitzonderingen op dit beginsel wordt u verwezen naar paragraaf 2.3.28.

Naar boven

6.3.2 Onvolledige aangifte / Overlegging achteraf / Zekerheidstelling

Het komt regelmatig voor dat een aangever aanspraak maakt op een preferentieel tarief, maar dat hij het oorsprongsbewijs nog niet kan overleggen bij het doen van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer.

Om van deze mogelijkheid gebruik te maken geeft de aangever door het gebruik van de onvolledigheidscode 11 (tabel A17) aan dat er een onvolledige aangifte wordt gedaan omdat het oorsprongsbewijs nog ontbreekt. De aangever heeft dan maximaal 1 maand om het vereiste oorsprongsbewijs te overleggen. Indien men van een langere periode gebruik wenst te maken moet de aangever dit kenbaar maken door vermelding van onvolledigheidscode 9007 (tabel A12) aangevuld met 2, 3 of 4 afhankelijk van het aantal maanden waarvan men gebruik wenst te maken.

Let op:

De termijn die u kunt toestaan is maximaal 4 maanden te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte. Deze termijn kan niet worden verlengd (artikel 256, lid 1, TVo. CDW). De aangever moet aan u voldoende aannemelijk maken dat het oorsprongsbewijs binnen de gevraagde termijn zal worden overgelegd. Per specifieke situatie zult u de termijn moeten vaststellen. Als er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat de goederen, waarop de onvolledige aangifte betrekking heeft, daadwerkelijk voor een preferentieel tarief in aanmerking komen en u bent van mening dat de gevraagde termijn redelijk is gezien de omstandigheden, dan kunt u de gevraagde termijn toestaan uiteraard voor zover de termijn van 4 maanden niet wordt overschreden. Als u van mening bent dat een kortere termijn dan de gevraagde termijn redelijk is gezien de omstandigheden, dan stelt u de naar uw mening redelijke termijn vast en deelt deze mede aan de aangever (artikel 76 CDW jo. artikel 255 tot en met artikel 259 TVo. CDW).
Ambtelijke werkzaamheden:

  • Sta een dergelijk verzoek toe tenzij u vaststelt dat op dat moment het preferentiële tarief al is beëindigd. In dat laatste geval maakt u daarvan een aantekening op de aangifte en deelt u de aangever uw beslissing telefonisch mee.

    Als u het verzoek toestaat, houdt u de verificatie van het document aan tot op het moment dat de aangever het vereiste oorsprongsbewijs overlegt. Door middel van het aanhouden van de verificatie (reden ) zonder nadere mededeling, staat u het verzoek feitelijk toe.

  • Bij een onvolledige aangifte heft u direct het bedrag dat verschuldigd zou zijn indien het oorsprongsbewijs ook daadwerkelijk zou zijn overgelegd. Voor het verschil tussen dit bedrag en de douaneschuld bij niet-overlegging van het oorsprongsbewijs moet incidentele zekerheid worden gesteld tenzij u vast stelt dat er een doorlopende aanvullende gestelde zekerheid is. Voor de daarbij te volgen handelwijze moet u dit Handboek, onderdeel 13.00.00, paragraaf 6.2.6 raadplegen.
    Zie voor het onderwerp zekerheidstelling in het algemeen ook het dit Handboek, onderdeel 27.00.00.

Als de door u gestelde termijn is verstreken zonder dat een oorsprongsbewijs is overgelegd of als het niet aannemelijk is dat er binnen de gestelde termijn nog een oorsprongsbewijs zal worden overgelegd gaat u over tot afhandeling van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer. U deelt de aangever mee dat u de aangifte gaat afhandelen. Bij de afhandeling van de aangifte past u uiteraard het preferentiële tarief niet toe, maar heft u de douanerechten bij invoer waarvoor de aangever zekerheid heeft gesteld (zie hieronder).

Als de aangever na het verstrijken van de termijn alsnog een oorsprongsbewijs bij u overlegt of als de aangever geen gebruik heeft gemaakt van de in deze pararaaf geboden mogelijkheid en alsnog een oorsprongsbewijs bij u overlegt, wijst u hem op de mogelijkheid een verzoek om terugbetaling in te dienen bij de inspecteur.
Hij moet dat verzoek indienen bij de inspecteur in wiens ambtsgebied de aangifte voor het brengen in vrije verkeer werd gedaan. De aangever moet het betreffende oorsprongsbewijs overleggen bij het verzoek om terugbetaling.

De bepalingen omtrent het belang van het daadwerkelijke tijdstip van overlegging van het oorprongsbewijs vindt u in paragraaf 6.8.

Naar boven

6.3.3 Geldigheid certificaten en oorsprongsverklaringen

In paragraaf 6.3.1 zijn de voorwaarden opgenomen die in acht moeten worden genomen om bij invoer gebruik te kunnen maken van een preferentiële regeling. In deze paragraaf treft u bepalingen aan omtrent de geldigheid van certificaten en oorsprongsverklaringen. Deze paragraaf behandelt de volgende onderwerpen:

  1. algemeen;

  2. bijzondere aspecten certificaten van oorsprong FORM. A;

  3. bijzondere aspecten oorsprongsverklaringen;

  4. talen.

A. Algemeen.

U kunt een preferentieel oorsprongsbewijs aanvaarden als:

  1. het overeenkomt met het model dat is vastgesteld in de betreffende preferentiële regelingen. U raadpleegt daarvoor het bij de betreffende overeenkomst behorende protocol of de betreffende autonome regeling;

  2. het is opgemaakt en wordt gebruikt overeenkomstig het vastgestelde model en de daarop gestelde aanwijzingen;

  3. het met de goederen binnen de geldigheidsduur bij u wordt aangeboden. Voor de geldigheidsduur raadpleegt u paragraaf 6.3.4;

  4. u niet twijfelt aan de echtheid en juistheid van het bescheid;

  5. vaststaat dat het is afgegeven voor de goederen waarvoor het wordt overgelegd;

  6. het is geviseerd door de daartoe bevoegde instantie in het land of gebied van uitvoer (zie paragraaf 6.3.5).

De onder 1 tot en met 5 vermelde eisen gelden zowel voor certificaten als oorsprongsverklaringen. De onder 6. geformuleerde eis geldt uiteraard niet oorsprongsverklaringen.

Als u heeft vastgesteld dat het overgelegde oorsprongsbewijs aan de genoemde eisen voldoet, kunt u het als geldig aanvaarden.

B. Bijzondere aspecten certificaten van oorsprong FORM, A.

Certificaten van oorsprong FORM. A worden uitsluitend gebruikt in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Als zo'n certificaat wordt overgelegd, aanvaardt u dat slechts als het aan de in A. genoemde eisen voldoet. Daarnaast zijn specifiek voor deze certificaten nog enkele bijzonderheden van belang:

  1. In vak 8 van het certificaat moet de vermelding "P" of "W" voorkomen. Uit de toelichting op de achterzijde van het certificaat blijkt dat de "P" betrekking heeft op geheel en al verkregen goederen en dat de "W" betrekking heeft op goederen die de oorsprong hebben verkregen door een voldoende be- of verwerking van materialen uit derde landen.

    Als er een "W" staat, moet daarbij ook altijd een GS-post zijn vermeld. Indien u bij controle een andere GS post bevindt, moet u aan de hand van bijlage 13bis bij de TVo. CDW nagaan of aan de oorsprongscriteria van de door u bevonden GS-post is voldaan. Het certificaat is immers afgegeven volgens de oorsprongsregels van de op het certificaat genoemde post!

    Als de oorsprongscriteria voor beide GS-posten (de post op het certificaat en de door u bevonden post) identiek zijn dan kunt u het verschil tussen die posten accepteren. Indien de oorsprongsregels voor de bevonden GS-post en de op het certificaat vermelde GS-post verschillen of wanneer u anderszins twijfel heeft over de juiste toepassing van de oorsprongsregels dan gaat u via de administratieve samenwerkingsprocedure (zie paragraaf 6.7) na of aan de oorsprongscriteria van de door u bevonden GS post is voldaan.

    Certificaten van oorsprong FORM.A zonder een vermelding in vak 8 of met andere vermeldingen dan P of W in vak 8 kunt u direct weigeren. Andere vermeldingen houden in dat het certificaat is afgegeven op basis van andere oorsprongsregels dan die de Europese Unie voor het APS hanteert. (Ook landen als de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Canada en Australië passen voor ontwikkelingslanden het APS toe, zij het met totaal afwijkende oorsprongscriteria).

    Als er een andere vermelding in dat vak staat, aanvaardt u dat certificaat niet als bewijsmiddel voor de preferentiële oorsprong tenzij uit vak 12 blijkt dat het certificaat werd opgemaakt met bestemming de Europese Unie. In voorkomend geval moet het certificaat ter controle worden ingezonden naar het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken (zie paragraaf 6.7).

  2. In vak 12 van het certificaat moet de vermelding Europese Unie of één van de lidstaten zijn gesteld. Vak 2 van het certificaat behoeft niet te zijn ingevuld. (artikel 97terdecies, lid 6 TVo. CDW).

Stroomschema

Hierna is een stroomschema aangegeven wanneer u een certificaat FORM. A wel of niet kunt aanvaarden.

 

  1. 3. In bepaalde gevallen kan worden toegestaan dat één certificaat FORM. A worden overlegd voor meerdere zendingen. Dat kan alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan (artikel 97sexdecies, lid 2, TVo. CDW):

    1. de goederen worden ingevoerd in het kader van regelmatige en voortdurende transacties die een aanzienlijke handelswaarde vertegenwoordigen;

    2. de goederen vallen onder hetzelfde koopcontract tussen in het land van uitvoer en in de Europese Unie gevestigde partijen;

    3. de goederen vallen onder dezelfde code (8-cijferniveau) van de Gecombineerde Nomencatuur;

    4. de goederen zijn afkomstig van dezelfde exporteur en bestemd voor dezelfde importeur;

    5. de goederen worden op hetzelfde douanekantoor ten invoer aangegeven;

    6. de invoer plaats vindt binnen een door de Douane vastgestelde termijn.

C. Bijzondere aspecten oorsprongsverklaringen

Oorsprongsverklaringen moeten uiteraard aan de in A. genoemde eisen voldoen. Voor oorsprongsverklaringen gelden daarnaast nog enkele bijzonderheden:

  1. In de meeste gevallen zal de aangever een factuur overleggen voorzien van een verklaring omtrent de oorsprong van de daarop vermelde goederen: de oorsprongsverklaring (factuurverklaring). Als de aangever echter een vrachtbrief, afleveringsbon of een ander handelsdocument dan de factuur overlegt met een oorsprongsverklaring, dan aanvaardt u dat handelsdocument mits het voldoende bijzonderheden omtrent de ten invoer aangegeven goederen bevat. U moet de goederen kunnen identificeren aan de hand van de productomschrijving op het handelsdocument.

  2. Er zijn twee soorten oorsprongsverklaringen:

    1. de oorsprongsverklaring die wordt gebruikt ongeacht de waarde van de zending in het kader van een vergunning Toegelaten Exporteur (zelfafgifte oorsprongsbewijzen);

    2. oorsprongsverklaring die kan worden opgesteld door iedere exporteur (zonder vergunning) voor zover de waarde goederen van oorsprong per zending niet meer bedraagt dan € 6.000. Het begrip zending is in alle oorsprongsregelingen nader gedefinieerd. Het gaat dan om producten die gelijktijdig naar een geadresseerde worden gezonden of die vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt of - indien er geen vervoersdocument is - vergezeld gaan van één enkele factuur.

    Bij de beoordeling of de maximum waarde grens per zending is gerespecteerd neemt u alleen op de daarin aanwezige producten van oorsprong in aanmerking. Onder de waarde verstaat u de factuurprijs af fabriek. Indien er geen factuurprijs bestaat - bijv. omdat het een gratis levering is - wordt de douanewaarde bij invoer als basis voor het bepalen van de waardegrens aangehouden.

  3. Voorts geldt met betrekking tot de aanvaarding van oorsprongsverklaringen het volgende:

    • de verklaring mag zijn gesteld op een afzonderlijk blad bij de factuur. Dat blad moet dan deel uitmaken van die factuur. De twee bescheiden moeten dus duidelijk naar elkaar verwijzen;

    • de verklaring mag op de achterzijde van de factuur staan;

    • de verklaring mag zijn voorgedrukt;

    • de verklaring mag zijn gesteld op een op de factuur geplakt etiket of iets dergelijks. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat de verklaring deel uitmaakt van de factuur. Dat laatste blijkt uit een stempel dat gedeeltelijk op de factuur en gedeeltelijk op het etiket staat of uit een op die manier geplaatste handtekening;

    • u weigert de oorsprongsverklaring niet als:

      1. er geringe afwijkingen op de factuur staan (typefouten);

      2. de plaats en/of de datum in de verklaring ontbreken en deze wel uit de factuur blijken.

  4. Oosprongsverklaringen opgesteld door Toegelaten Exporteurs zijn meestal niet voorzien van een handtekening. Het is namelijk mogelijk dat de exporteur toestemming heeft om zijn handtekening achterwege te laten. Zo'n toestemming blijkt niet uit de oorsprongsverklaring.
    Bij het ontbreken van de handtekening weigert u de oorsprongsverklaring niet en gaat u er in beginsel van uit dat de exporteur bovenbedoelde toestemming heeft gekregen. Alleen als u redenen heeft om te twijfelen aan het feit dat de handtekening mag ontbreken zendt u de oorsprongsverklaring ter nacontrole aan het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken (zie paragraaf 6.7).

    Oorsprongsverklaringen die zijn opgesteld voor zendingen oorsprongsgoederen met een waarde van niet meer dan € 6.000 moeten altijd zijn voorzien van een originele, handgeschreven handtekening van de exporteur. Is de handtekening niet origineel, niet handgeschreven of ontbreekt hij geheel, dan weigert u de factuurverklaring als oorsprongsverklaring.

  5. Oorsprongsverklaringen die zijn opgesteld door Toegelaten Exporteurs moeten een verwijzing naar de aan de exporteur verleende vergunning hebben. De teksten van de oorsprongsverklaringen in de verschillende vertalingen staan in bijlage 4.

D. Talen

Voor de talen waarin een certificaat moet zijn gesteld gelden de volgende voorwaarden:

  • Certificaten van oorsprong FORM. A, alsmede in het kader van het APS afgegeven oorsprongsverklaringen, mogen uitsluitend in het Engels of Frans zijn gesteld;

  • Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en oorsprongsverklaringen mogen in een van de officiële talen van de Europese Unie of in de taal van het land van afgifte zijn gesteld;

  • Certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED en oorsprongsverklaringen EUR-MED mogen in een van de officiële talen van de Europese Unie of in de taal van het land van afgifte zijn gesteld.

In alle gevallen kan de Douane van de aangever een vertaling in het Nederlands eisen. Dit zal met name nodig zijn indien een oorsprongsbewijs is opgesteld in een andere taal dan het Frans, Duits of Engels.

Naar boven

6.3.4 Geldigheidsduur

In alle preferentiële regelingen is het uitgangspunt opgenomen dat een oorsprongsbewijs binnen de geldigheidsduur bij de douaneautoriteiten van het land van invoer moet zijn aangeboden. (Zie bijvoorbeeld artikel 21, lid 1 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland) U kunt echter ook een oorsprongsbewijs aanvaarden waarvan de geldigheidsduur is verstreken op het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer wordt gedaan. Dit laatste doet u echter alleen als de overschrijding van de geldigheidstermijn is te wijten aan overmacht of bijzondere omstandigheden. Van overmacht is bijvoorbeeld sprake ingeval van een langdurige staking door derden waardoor goederen tijdens het transport naar de Europese Unie zijn opgehouden in een buitenlandse haven.

Van bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het oorsprongsbewijs is zoekgeraakt buiten de schuld van de aangever/importeur. Er is in ieder geval geen sprake van bijzondere omstandigheden ingeval van ziekte, drukte of vakantie van of bij de aangever of de importeur.

In andere gevallen dan hiervoor genoemd, kunt u een oorsprongbewijs waarvan de geldigheidsduur is verstreken aanvaarden bij het doen van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen mits de goederen werden aangebracht op een tijdstip dat de geldigheidstermijn van het oorsprongsbewijs nog niet was verstreken. (Zie bijvoorbeeld artikel 21, lid 2 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Zwitserland)

In alle preferentiële regelingen is de voorwaarde opgenomen dat het oorsprongsbewijs geldig moet zijn op het moment dat het bij de douane wordt ingediend. In het kader van de behandeling van verzoeken om terugbetaling (c.q. bezwaarschriften) is dit één van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om tot terugbetaling te kunnen over gaan (artikel 890, letter c, TVo. CDW). Het oorsprongsbewijs moet derhalve nog geldig zijn op het moment waarop het verzoek om terugbetaling (of bezwaarschrift) wordt ingediend.

Oorsprongsbewijzen waarvan de geldigheidstermijn is “bevroren” worden wel geaccepteerd na het verstrijken van de geldigheidsduur. Ook wanneer de geldigheidstermijn niet is “bevroren”, maar de belanghebbende aan de hand van zijn administratie kan aantonen dat hij de goederen binnen de geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs bij de douane heeft aangebracht in het kader van aangiften tot plaatsing onder schorsingsregelingen van artikel 84 CDW of in het kader van opschortende formaliteiten en bestemmingen zoals ruimten voor tijdelijke opslag, vrij entrepots en vrije zones, mag een oorsprongsbewijs waarvan de geldigheidsduur is verstreken nog wél worden geaccepteerd. Belanghebbende moet uiteraard ook aan alle overige voorwaarden voldoen. Zo moet hij ondermeer aannemelijk maken dat het certificaat bij de goederen hoort.”

De geldigheidsduur kan per regeling verschillen. Het certificaat EUR-MED en de oorsprongsverklaring EUR-MED zijn 4 maanden geldig. Voor wat betreft het certificaat FORM.A, het certificaat EUR.1 en de oorsprongsverklaring is de situatie als volgt:

Regeling

Bewijsmiddel

Geldigheidsduur

EER, Zwitserland

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Algerije, Tunesië en Marokko

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Jordanië, Egypte en Libanon

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Syrië

EUR. 1

EUR. 2

5 maanden

5 maanden

Israël

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Ceuta en Melilla

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Faröer-eilanden

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Andorra

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Cariforum en de andere ACS-landen

EUR.1 Oorsprongsverklaring

10 maanden

10 maanden

LGO

EUR.1 Oorsprongsverklaring

10 maanden

10 maanden

APS

Formulier A Oorsprongsverklaring

10 maanden

10 maanden

Turkije (ijzer- en staalproducten)

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Turkije (landbouwgoederen)

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Albanië, Macedonië, Bosnië-Herzegovina, Servië, Montenegro en Kroatië

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Gazastrook, Westelijke Jordaanoever,

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Mexico

EUR.1 Oorsprongsverklaring

10 maanden

10 maanden

Zuid-Afrika

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Moldavië en Kosovo

EUR.1 Oorsprongsverklaring

4 maanden

4 maanden

Chili

EUR.1 Oorsprongsverklaring

10 maanden

10 maanden

Zuid-Korea

Oorsprongsverklaring

12 maanden

Naar boven

6.3.5 Instanties van afgifte en stempels; informatiemogelijkheid Helpdesk

Een belangrijke eis waaraan een certificaat moet voldoen is dat het werd afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer. In het geval van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn dat vrijwel altijd de douaneautoriteiten van het betreffende land. In de volgende landen worden certificaten EUR.1 niet afgegeven door de Douane maar door de Belastingdienst of een andere overheidsdienst:

  • Bosnië-Herzegovina (BA) Indirect Taxation Agency (ITA);

  • Chili (CL): Direccion General de Realciones Economias Internacionales;

  • Mexico (MX): Secretaria de Comercio y Fomenta Industrial (SECOFI);

  • Zuid-Afrika: South African Revenu Service (SARS).

Certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED worden altijd afgegeven door de douaneautoriteiten.

Wanneer het certificaten van oorsprong FORM. A betreft (in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem), moet afgifte hebben plaatsgevonden door de in bijlage 2 bij dit onderdeel van dit Handboek voor het betreffende begunstigde land van uitvoer vermelde instantie. In deze bijlage komt u ook enkele landen tegen waarbij geen instantie is vermeld; dat betekent dat het land niet aan de verplichting tot aanwijzing van een instantie heeft voldaan (artikel 97vicies TVo. CDW), waardoor een in het betreffende land afgegeven certificaat van oorsprong FORM. A absoluut niet mag worden aanvaard (artikel 97duodecies, lid 3 TVo CDW).
Certificaten die niet door de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer werden afgegeven moet u weigeren.
Indien een land inmiddels wèl een instantie heeft aangewezen, of dat een wijziging in de aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt dit via DouaneNet Portaal bekend gemaakt en zo spoedig mogelijk verwerkt in bijlage 2.

Helpdesk

Indien u twijfel heeft met betrekking tot de bevoegde instantie van afgifte van een certificaat of andere specifieke vragen heeft op het gebied van de oorsprong en de daarbij gebruikte oorsprongsbewijzen kunt u telefonisch contact opnemen met de Helpdesk van het Landelijk Team Oorsprongszaken via het doorkiesnummer (024) 381 37 01 of via e-mail adres helpdesk.oorsprongszaken@belastingdienst.nl. De Helpdesk is ook per fax bereikbaar. Het faxnummer is (024) 381 37 00.

De Helpdesk beschikt steeds over een actueel overzicht van de door de bevoegde douane- en andere autoriteiten in de landen van uitvoer voor het afgeven van certificaten gebruikte stempels. Wanneer u de juistheid van een gebruikte stempelafdruk wilt controleren kunt u per fax of via e-mail het bij u aangeboden certificaat naar de Helpdesk zenden ter controle van de gebruikte stempels.

Het kan ook voorkomen dat een aangever of importeur, voorafgaand aan de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen, u vraagt of een certificaat door de juiste instantie is afgegeven en/of het stempel het juiste is. U kunt de aangever of importeur er dan op wijzen dat hij het certificaat per fax of via e-mail aan de Helpdesk kan zenden met het verzoek die juistheid te controleren.

Naar boven

6.3.6 Redenen voor controle van het oorsprongsbewijs in het land van afgifte / weigering van het oorsprongsbewijs

De belangrijkste reden voor een nacontrole (controle á posteriori) van een in het land van oorsprong afgegeven certificaat of opgestelde oorsprongsverklaring vormt het begrip gegronde twijfel. Van gegronde twijfel is in ieder geval sprake indien door de Europese Commissie een waarschuwing is uit gegaan aan de importeurs en de overheidsdiensten in de lidstaten met betrekking tot de preferentiële invoer van bepaalde producten uit bepaalde landen. De voornaamste gevallen waarin gegronde twijfel kan ontstaan zijn neergelegd in Mededeling van de Commissie nr. 2000C348/03. Indien er sprake is van een concrete waarschuwing met betrekking tot de invoer van een bepaald product uit een bepaald land wordt dit via DouaneNet Portaal bekend gemaakt.
Daarnaast is het mogelijk dat u zelf aanleiding heeft om aan de werkelijke oorsprong van de goederen of aan de echtheid of juistheid van een oorsprongsbewijs te twijfelen.
De onderstaande opsomming geeft gevallen weer waarin u in ieder geval aanleiding tot twijfel kunt hebben:

  • U heeft het vermoeden dat het oorsprongsbewijs op onregelmatige wijze is verkregen.

  • U heeft het vermoeden dat het oorsprongsbewijs na de afgifte is gewijzigd of aangevuld. U kunt dit bijvoorbeeld zien als er tipex is gebruikt of als er verschillende lettertypes zijn gebruikt.

  • U constateert dat de merken en nummers die op het oorsprongsbewijs staan, afwijken van de merken en nummers op de goederen.

  • U constateert aan de hand van de vracht- en/of koopbescheiden dat de goederen mogelijk afkomstig zijn uit een ander land.

  • U constateert of u heeft het vermoeden dat de agrarische en/of industriële omstandigheden van het vermelde land van oorsprong het onwaarschijnlijk maken dat de goederen daar geheel en al werden verkregen of aldaar in een voldoende mate werden be- of verwerkt.

  • U constateert dat de goederen staan vermeld in het nieuwsbulletin van de landelijke teams of in één van de publicaties van het Douane Informatiecentrum, c.q. het onderwerp zijn van een op de oorsprong betrekking hebbend profiel.

  • U constateert bij fysieke controle dat op de goederen of verpakkingsmiddelen aanduidingen voorkomen die wijzen op een andere oorsprong dan die het certificaat aangeeft (bijvoorbeeld "made in Taiwan", terwijl het certificaat als oorsprongsland China aangeeft).

De opsomming is niet uitputtend. Er kunnen dus nog andere aanleidingen tot twijfel zijn.
Als bij u aan de hand van de bescheiden en de bij u bekende feiten en omstandigheden werkelijk twijfel bestaat over de daadwerkelijke oorsprong van de goederen, moet u zo veel mogelijk gegevens verzamelen. Hoe meer gegevens u verzamelt, des te gerichter het verzoek tot instellen van een onderzoek kan worden gedaan.
Uw twijfel leidt er niet zonder meer toe dat u het certificaat weigert. Het is echter wel aanleiding om een onderzoek te laten instellen in het land van afgifte. De handelwijze die u daarbij volgt, vindt u in paragraaf 6.7.
Naast de hierboven genoemde gevallen, kunt u ook steekproefsgewijs oorsprongsbewijzen ter controle laten inzenden naar het land van afgifte. De afzonderlijke regelingen voorzien uitdrukkelijk in deze mogelijkheid. Om de trefkans te verhogen moet u selectief te werk gaan bij het steekproefsgewijs inzenden. Daarbij maakt u onder andere gebruik van de volgende criteria:

  • de soort van de goederen;

  • de waarde van de goederen;

  • het verschil tussen het algemene en het preferentiële recht bij invoer;

  • het land of gebied van oorsprong van de goederen;

  • de voor de goederen geldende oorsprongsregels;

  • resultaten van eerdere controles met betrekking tot de goederen uit het betreffende land van uitvoer.

De handelwijze die u bij inzending volgt, vindt u in paragraaf 6.7. Er zijn ook situaties waarin u het certificaat direct moet weigeren.
Die situaties zijn:

  1. De geldigheidsduur is verstreken (zie paragraaf 6.3.4); Zie echter paragraaf 6.5 voor certificaten waarvan de goederen onder douaneverband zijn opgeslagen.

  2. Het staat vast dat de in de oorsprongsbewijzen omschreven goederen niet kunnen worden aangemerkt als producten van oorsprong (dit zal in veel gevallen pas blijken er een controle a posteriori in het land van afgifte heeft plaats gevonden).

  3. Het staat vast dat het oorsprongsbewijs geen betrekking heeft op de daarbij aangeboden goederen.

  4. Het gebruikte formulier wijkt duidelijk af van het vastgestelde model.

  5. Het staat vast dat het certificaat een vervalsing is (hierbij kan de hulp van de regionale falsificatie-expert worden ingeroepen).

  6. Het gebruikte formulier is niet op de voorgeschreven wijze ingevuld.

  7. Het gebruikte formulier is niet door de bevoegde autoriteiten geviseerd.

  8. Het gebruikte formulier is niet geviseerd.

  9. Het staat vast dat de goederen zijn vervoerd via een land dat geen partij is bij de overeenkomst (in beginsel is daardoor niet voldaan aan de eis van rechtstreeks vervoer) en de aangever of importeur is niet in staat u het bewijsmateriaal te overleggen waaruit blijkt dat toch aan de voorwaarden voor rechtstreeks vervoer werd voldaan (zie paragraaf 6.3.7).

  10. Het oorsprongsbewijs wordt achteraf voorgelegd voor goederen die aanvankelijk op frauduleuze wijze werden ingevoerd.

Indien de verificatie nog niet is beëindigd en er geen vermoeden van fraude is (bijvoorbeeld in de hiervoor genoemde situatie 5) kan geen preferentie worden verleend en kan het oorsprongsbewijs aan de aangever worden teruggegeven. U stelt in vak 7 (opmerkingen) de clausule "GEWEIGERD/REFUSED", gevolgd door de reden van weigering met daarbij van uw handtekening, uw naam en een afdruk van het metalen dienststempel.

Indien u bij een controle na de invoer vaststelt dat bij invoer een oorsprongsbewijs werd gebruikt dat niet voldoet aan gestelde eisen, moet u tot boeking achteraf overgaan van de bij invoer ten onrechte niet betaalde douanerechten. Het oorsprongsbewijs moet door u worden ingenomen en kan niet eerder worden terug gegeven aan de aangever/importeur dan nadat de douanerechten zijn betaald. Nadat de douanerechten zijn voldaan en indien de aangever/importeur daarom verzoekt kunt u het oorsprongsbewijs teruggeven. U stelt in vak 7 (opmerkingen) de clausule "GEWEIGERD/REFUSED", gevolgd door de reden van weigering. Voorts voorziet u deze vermelding van uw handtekening, uw naam en een afdruk van het metalen dienststempel.

Naar boven

6.3.7 Rechtstreeks vervoer

Een van de eisen waaraan moet zijn voldaan voordat u een preferentie toe kunt passen, is dat de in de oorsprongsbewijzen genoemde goederen rechtstreeks moeten zijn vervoerd (zie paragraaf 6.3.3). Deze voorwaarde is in het leven geroepen om te voorkomen dat goederen - tijdens het vervoer van het land of het gebied van uitvoer naar de Europese Unie - een bewerking ondergaan of worden verwisseld.

In het algemeen kunt u er van uit gaan dat aan de eis van rechtstreeks vervoer is voldaan:

  1. als het vervoer van de goederen plaats vindt zonder gebruikmaking van het grondgebied van een land dat geen partij is in de betreffende preferentiële regeling;

  2. er geen twijfel over de identiteit van goederen zoals zij werden uitgevoerd uit het land of gebied van oorsprong en de ten invoer aangegeven goederen;

  3. de goederen tijdens het vervoer op geen enkele wijze zijn gewijzigd of andere handelingen hebben ondergaan dan dan lossen en laden en die welke noodzakelijk waren voor het behoud van de goede staat van de goederen;

  4. de goederen tijdens het verblijf op het grondgebied van een derde land onder toezicht van de plaatselijke douane zijn gebleven.

Voor de toepassing van het begrip rechtstreeks vervoer, vormen de volgende landen één gebied:

  • de Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein (EER);

  • de landen die deel uitmaken van de Pan-Euro-Mediterrane zone;

  • de landen die deel uitmaken van de Balkan zone;

  • de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1528/2007 genoemde landen van het ACS;

  • de landen van de Cariforum;

  • de landen in de Stille Zuidzee;

  • de landen en gebieden van de LGO;

  • Marokko, Tunesië en Algerije (MAGHREB);

  • Ceuta en Melilla.

Bewijs van rechtstreeks vervoer

De Douane kan de aangever of importeur vragen het bewijs te leveren dat de goederen aan de eis van rechtstreeks vervoer voldoen. Hier geldt het principe van de vrije bewijsvoering. Ieder bewijs kan dus worden gebruikt mits daarmee ter beoordeling van de Douane onomstotelijk wordt aangetoond dat de ten invoer aangegeven goederen tijdens het transport niet zijn verwisseld en geen be- of verwerkingen hebben ondergaan.

Voorbeelden van bewijsstukken zijn:

  1. hetzij een enkel vervoersdocument dat in het land of gebied van uitvoer is afgegeven ter dekking van het vervoer door het land van doorvoer;

  2. hetzij een door de douane van het land van doorvoer afgegeven certificaat (het zogenaamde certificaat van non-manipulatie) waarin:

    • de goederen nauwkeurig worden omschreven;

    • de data worden vermeld waarop de goederen gelost en opnieuw geladen zijn, onder opgave van de schepen of de andere vervoermiddelen waarvan gebruik werd gemaakt;

    • zij verklaart onder welke voorwaarden de goederen in het land van doorvoer verbleven;

  3. hetzij, als de onder a en b genoemde stukken niet te leveren zijn, enig ander bewijsstuk waaruit blijkt dat aan de eis van rechtstreeks vervoer is voldaan.

Bijzondere situatie China/Hongkong

Met het oog op de doorvoer via de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van APS-goederen uit China, heeft de Europese Commissie met China en Hongkong het volgende afgesproken:

Voor APS-goederen van oorsprong uit China, die via Hongkong naar de Europese Unie worden vervoerd, moet het rechtstreeks vervoer desgevraagd worden aangetoond met:

  1. een afgegeven Bill of Lading die ook het vervoer door Hong Kong dekt, of

  2. een door de "China Inspection Company Limited." (CICL) afgeven non-manipulatie-certificaat of

  3. een stempel dat in vak 4 van het certificaat FORM. A) is geplaatst van de "China Inspection Company Limited." (CICL), met daarin de tekst: This is to certify that the goods stated in this certificate had not been subjected to any processing during their stay/transhipment in Hong Kong. Deze tekst moet zijn voorzien van een datum en handtekening.

Wat betreft de onder a genoemde Bill of Lading geldt dat het géén vereiste is dat het vervoer van China via Hong Kong naar de Europese Unie met één en hetzelfde vervoermiddel plaatsvindt. Het gaat erom dat die ene Bill of Lading het gehele vervoer vanuit China via Hong Kong naar de Europese Unie moet dekken.

In het vorenstaande is géén wijziging gekomen door de overdracht van Hongkong aan China per 1 juli 1997. Ook het vervallen van de APS-behandeling van Hong Kong per 1 mei 1998 heeft in deze regeling geen verandering gebracht.

Bijzondere situatie China/Macau

(Gereserveerd)

Naar boven

6.3.8 Verwijzingen naar aan het certificaat gehechte facturen

De goederen moeten in het certificaat met hun gebruikelijke handelsbenaming worden omschreven. Daarbij moeten de bijzonderheden die nodig zijn voor de vaststelling van hun identiteit ook worden vermeld.

Een certificaat waarin de goederen summier zijn omschreven en waarin voor de overige gegevens wordt verwezen naar een factuur kunt u aanvaarden. De factuur moet dan wel aan het certificaat zijn gehecht en onlosmakelijk daarvan deel uit maken. U komt dit soort certificaten voornamelijk tegen als het een grote hoeveelheid verschillende goederen betreft, die in een enkele zending worden aangeboden.

Als op de bij het certificaat overgelegde factuur naast oorsprongsgoederen tevens producten staan die niet van oorsprong zijn, aanvaardt u dat certificaat alleen als u uit de factuur en het certificaat duidelijk kunt opmaken voor welke goederen het certificaat is afgegeven.

Naar boven

6.3.9 Invoer na tentoonstelling in een derde land

Als goederen vanaf een tentoonstelling in een derde land naar de Europese Unie worden verzonden, kan bij invoer de oorsprong van de goederen aantonen door middel van een achteraf in het land van oorsprong afgegeven certificaat.

U aanvaardt zo'n certificaat als dat aan u wordt overgelegd voor goederen die voldoen aan het begrip producten van oorsprong in de zin van de betreffende preferentiële regeling. Het certificaat moet zijn afgegeven onder de voorwaarden die staan genoemd in paragraaf 6.2.4.

Naar boven

6.3.10 Bewaren van oorsprongsbewijzen door de aangever

Op grond van artikel 77, lid 2, van het CDW kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat indien de (aanvullende) aangifte elektronisch wordt gedaan, de daarbij behorende bescheiden niet worden overgelegd bij het doen van de aangifte. Dit is uitgewerkt in artikel 1:11 van de Algemene douaneregeling. In de vergunning elektronisch aangeven kan worden bepaald dat de oorsprongsbewijzen ter beschikking van de douaneautoriteiten worden gehouden. De inspecteur kan nadere bepalingen vaststellen voor de wijze van toezending of de wijze van archivering. Op grond van artikel 1:32 van de Algemene douanewet, juncto artikel 10, lid 3, Boek 2 Burgerlijk Wetboek is de aangever dan verplicht de bescheiden die belang zijn voor de heffing van de rechten bij invoer ten minste 7 jaar te bewaren en zijn administratie zodanig in te richten dat deze binnen een redelijke termijn is te controleren.

De controle van de door de aangever gearchiveerde oorsprongsbewijzen (COF) omvat de volgende elementen:

  1. Controleer of het voorgeschreven oorsprongsbewijs aanwezig is.

  2. Controleer of er overeenstemming bestaat tussen het gearchiveerde oorsprongsbewijs en ingevoerde goederen.

  3. Controleer of oorsprongsbewijs voldoet aan het daarvoor vastgestelde model.

  4. Controleer of het certificaat is afgegeven door een daartoe bevoegde instantie.

  5. Controleer of gebruik is gemaakt van het juiste stempel.

  6. Controleer de geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs.

  7. Indien gebruik is gemaakt van een oorsprongsverklaring: controleer of dit terecht is gedaan.

Bij de controle kunt u gebruik maken van de Syllabus controle preferentiële oorsprongsbewijzen. De syllabus kunt u vinden op het intranetportaal douane in de rubriek Start>Landelijke Teams Douane>LTO Oorsprong>rubriek>syllabus.

Naar boven

6.4 Vervangen van oorsprongsbewijzen

In de paragrafen 6.4.1 tot en met 6.4.9 worden de volgende onderwerpen behandeld:

  • de mogelijkheden tot vervangen (6.4.1);

  • vervangen achteraf (6.4.2);

  • vervangen bij zeilende partijen (6.4.3);

  • vervangen EUR.1 door FORM.A (6.4.4);

  • vervangen bij ompakken (6.4.5);

  • vervangen bij mengen (6.4.6);

  • geen vervangen indien goederen in het vrije verkeer (6.4.7);

  • vervangen van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 (6.4.8);

  • vervangen van certificaten van oorsprong FORM. A (6.4.9);

  • vervangen van oorsprongsverklaringen (6.4.10).

Naar boven

6.4.1 Mogelijkheden tot vervangen

Alle preferentiële regelingen bevatten een bepaling die het mogelijk maakt om een elders afgegeven of opgesteld oorsprongsbewijs (certificaat of oorsprongdverklaring) te vervangen door één certificaat of meer certificaten. Deze wijze van formulering sluit het vervangen van een elders opgestelde oorsprongsverklaring door een of meer nieuwe oorsprongsverklaringen uit. Dit is dus niet toegestaan behalve oorsprongsverklaringen die zijn opgemaakt in het kader van de preferentiële regeling met Zuid-Korea. Deze oorsprongsverklaringen mogen door belanghebbende zelf worden vervangen door een of meer nieuwe oorsprongsverklaringen.

Indien er tot vervanging wordt overgegaan moet dit plaatsvinden binnen de kaders van de betreffende preferentiële regeling. Dit is van groot belang omdat producten die van oorsprong zijn in het kader van een bepaalde oorsprongsregeling dat niet automatisch ook zijn in het kader van een andere oorsprongsregeling. Dit wordt veroorzaakt door verschillen in de oorsprongsregels en - met name - door de verschillende vormen van cumulatie (zie paragraaf 2.3.12).

De preferentiële regelingen leggen de bevoegdheid tot het vervangen van oorsprongsbewijzen bij het douanekantoor dat toezicht houdt op de goederen. Naar Nederlandse maatstaven betekent dit dat inspecteur in wiens ambtsgebied de goederen zich bevinden primair is bevoegd. De inspecteur heeft deze bevoegdheid veelal gedelegeerd aan het douanekantoor.

De bevoegdheid van het douanekantoor beperkt zich noodzakelijkerwijs niet alleen tot de feitelijke vervanging maar heeft eveneens betrekking op de controle in de gevallen dat de vervanging plaats vindt in het kader van een aan een houder van een entrepot type E verstrekte vergunning "vooraf viseren van vervangingscertificaten" (zie paragraaf 7.4.4).
Hierna volgen de algemene voorwaarden die zijn verbonden aan het vervangen van een oorsprongsbewijs.

  1. Alleen geldige oorsprongbewijzen kunnen worden vervangen. Dit betekent dat een oorsprongsbewijs uitsluitend kan worden vervangen indien het aan de gestelde eisen voldoet (zie voor deze eisen paragraaf 6.3 e.v.).

  2. De goederen zijn nog onder douanetoezicht en bevinden zich in het ambtsgebied van het bevoegde douanekantoor.

  3. Het nieuwe certificaat (vervangingscertificaat) wordt afgegeven in het kader van dezelfde preferentiële regeling. Dit houdt bijvoorbeeld in dat een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 niet kan worden vervangen door een certificaat van oorsprong FORM. A of andersom. Evenmin kan bijvoorbeeld een certificaat EUR.1 afgegeven in het kader van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Israël worden vervangen door een certificaat EUR.1 in het kader van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Chili.

  4. Het vervangingscertificaat bevat dezelfde gegevens als oorspronkelijke certificaat;

  5. De goederen mogen tijdens hun verblijf in Nederland geen be- of verwerkingen hebben ondergaan andere dan lossen en laden en die ter behoud van de goede staat.

Naar boven

6.4.2 Vervanging achteraf

In afwijking van paragraaf 6.4.1 letter b kan de Douane een oorsprongsbewijs vervangen als de goederen zich inmiddels niet meer bevinden in het ambtsgebied van het bevoegde douanekantoor omdat ze reeds zijn geëxporteerd. De exporteur of diens gemachtigde moet zich in voorkomend geval met een schriftelijk verzoek wenden tot het bevoegde douanekantoor dat tot vervanging kan overgaan indien men kan aantonen dat:

  • de goederen zich binnen het ambtsgebied van het bevoegde douanekantoor hebben bevonden en

  • de goederen vanuit het ambtsgebied van het bevoegde douanekantoor zijn verzonden naar een andere bestemming in de Europese Unie of (in geval van een certificaat FORM. A) zijn doorgevoerd naar Noorwegen of Zwitserland en

  • er sprake is van een vergissing, een onopzettelijk verzuim of van bijzondere omstandigheden.

Let op

Het achteraf vervangen van oorsprongsbewijzen kan uitsluitend indien de goederen in het land van bestemming nog niet in het vrije verkeer zijn gebracht en blijft beperkt tot uitzonderingsgevallen. Het mag nooit regel worden.

Het schriftelijke verzoek van de exporteur of diens gemachtigde moet de volgende gegevens bevatten:

  • het douanekantoor waar de goederen zich hebben bevonden;

  • de naam van exporteur van de goederen;

  • de identiteit van het vervoermiddel waarmee de goederen verder zijn vervoerd of doorgevoerd (bijvoorbeeld naam van het schip of het kenteken van het vervoermiddel);

  • de bestemming die de goederen hebben gevolgd;

  • soort, nummer en datum van afgifte van de aangifte waarmee de goederen verder zijn vervoerd of doorgevoerd;

  • de omstandigheden waaraan te wijten is dat de vervanging achteraf wordt gevraagd.

De exporteur of diens gemachtigde moet de volgende bescheiden bij het verzoek voegen:

  • een kopie van de verkoopfactuur;

  • een kopie van het vervoersdocument (cognossement, vrachtbrief, etc.);

  • een kopie van de douaneaangifte.

Als aan bovenstaande criteria is voldaan, willigt u het verzoek in. De ambtelijke werkzaamheden die u moet verrichten vindt in paragraaf 6.4.8 (EUR.1/EUR-MED) en paragraaf 6.4.9 (FORM. A).

Let op

Aan de in deze paragraaf gegeven mogelijk tot vervanging achteraf liggen geen wettelijke bepalingen ten grondslag. Omdat de douaneautoriteiten in het land van bestemming een dergelijk certificaat zouden kunnen weigeren, kan de exporteur aan deze procedure generlei rechten ontlenen.

Naar boven

6.4.3 Vervangen bij zeilende partijen

In afwijking van het gestelde in paragaaf 6.4.1 letter b kan de Douane oorsprongbewijzen vervangen voor bepaalde goederen indien de goederen zich nimmer in het ambtsgebied van het douanekantoor hebben bevonden.

Het gaat hierbij uitsluitend om de volgende producten:

  • koffie, koffie-extracten of koffie-essences;

  • cacao en cacaobereidingen.

Bij de aanvraag van het vervangingscertificaat moet de exporteur of diens gemachtigde het bewijs leveren dat de goederen rechtstreeks worden vervoerd van het land van afgifte van het oorspronkelijke oorsprongsbewijs naar het land van bestemming. Aan dit bewijs van rechtstreeks vervoer zijn speciale eisen gesteld (zie paragraaf 6.3.7).

Bij het vervangen verricht u de volgende extra werkzaamheden:

Op het vervangingscertificaat plaatst u in vak 7 van het certificaat EUR.1 dan wel in het vak 4 van het certificaat FORM. A: de aantekening "voldaan aan de voorwaarde van rechtstreeks vervoer".

U voorziet deze aantekening van een afdruk van het metalen dienststempel, alsmede van uw handtekening en uw naam in blokletters.

Let op

Aan de in deze paragraaf gegeven mogelijk tot vervanging liggen geen wettelijke bepalingen ten grondslag. De regeling is gebaseerd op onderlinge afspraken tussen de lidstaten van de Europese Unie.

Naar boven

6.4.4 Vervangen EUR.1 door FORM.A

In afwijking van paragaaf 6.4.1 letter D, kan de Douane in één specifiek geval een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 vervangen door een certificaat van oorsprong FORM.A. Deze speciale regeling is uitsluitend van toepassing op koffie van oorsprong uit de Cariforum, de Stille Zuidzee-staten of de andere ACS- landen die wordt doorgevoerd naar Zwitserland.
Bij het vervangen verricht u de volgende extra werkzaamheden:

Op het vervangingscertificaat FORM. A plaatst u in het vak 4:

  • naam van de instantie die het oorspronkelijke certificaat EUR.1 heeft afgegeven;

  • de aantekening "Not valid in the EU" en

  • de vervangingsclausule (zie paragraaf 6.4.3).

U voorziet deze aantekening van een afdruk van het metalen dienststempel, alsmede van uw handtekening en naam in blokletters.

Let op
De regeling is tot stand gekomen op verzoek van Zwitserland en kan uitsluitend worden toegepast bij doorvoer via de havens van Rotterdam en Amsterdam.

Naar boven

6.4.5 Vervangen bij ompakken

In afwijking van het gestelde in paragaaf 6.4.1 letter e kan de Douane toegestaan dat de verpakking van de goederen wordt gewijzigd in het kader van de gebruikelijke behandelingen (artikel 531 TVo. CDW en bijlage 72 TVo. CDW). In een dergelijk geval wordt door de exporteur of diens gemachtigde op het vervangingscertificaat zowel de nieuwe verpakkingsvorm als de oorspronkelijk verpakkingvorm vermeld.

Voorbeeld

Vruchtensapconcentraat, aangevoerd in 100 drums, wordt in bulk verder vervoerd. Bij de goederenomschrijving kan dan als verpakkingsvorm "in bulk" worden vermeld, aangevuld met " (ex 100 drums)".

In gevallen waarin een ander verpakkingsvorm leidt tot het van toepassing zijn van een andere oorsprongsregel staat u een dergelijke vervanging niet toe.

Let op

Door het wijzigen van de verpakking is er niet voldaan aan de voorwaarde van rechtstreeks vervoer. Dit kan, indien de goederen worden doorgevoerd naar Noorwegen en Zwitserland, leiden tot het weigeren van de preferentie bij invoer in deze landen.

Naar boven

6.4.6 Vervangen bij mengen

Het mengen van deelpartijen identieke bulkgoederen van oorsprong uit hetzelfde land ter zake waarvan meerdere oorsprongsbewijzen werden afgegeven staat de afgifte van één enkel vervangingscertificaat voor de totale partij niet in de weg.

Geen vervanging kan plaatsvinden wanneer het mengen (of bijvoorbeeld het toevoegen van water) plaats vindt met het oog op het verkrijgen van een goederenspecificatie die anders is dan de specificatie zoals vermeld op het voorafgaand (te vervangen) certificaat.

Naar boven

6.4.7 Geen vervanging indien goederen in vrije verkeer

Wanneer de goederen reeds in het vrije verkeer zijn gebracht kunt u géén vervangingscertificaat meer afgeven. Als u een daartoe strekkend verzoek ontvangt kunt u de exporteur of diens gemachtigde mededelen dat in een dergelijk geval er sprake is van de gebruikelijke procedure voor de afgifte van een (nieuw) certificaat bij uitvoer (zie paragraaf 6.2.1).

Naar boven

6.4.8 Vervanging van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en EUR-MED

Het principe bij het vervangen van certificaten is, dat de vervangingscertificaten dezelfde gegevens bevatten als het voorafgaand (te vervangen) certificaat.

Er zijn uitzonderingen op dit principe. De uitzonderingen vindt u hieronder.
Bij de vervanging van certificaten EUR.1 en certificaten EUR-MED neemt u de volgende regels in acht:

  1. Bij het invullen van vak 1 en 3 mag de exporteur of diens gemachtigde kiezen uit twee mogelijkheden:

    • men neemt de gegevens van het oorspronkelijke certificaat over of

    • men vult de gegevens van de nieuwe exporteur en geadresseerde in. Men mag vak 3 ook oningevuld laten.

  2. Bij het invullen van de vakken 2, 4 en 5 moet men alle vermeldingen van het oorspronkelijke certificaat overnemen.

  3. Als in vak 6 in het oorspronkelijke certificaat gegevens zijn opgenomen, moeten deze in het nieuwe certificaat worden overgenomen. Was het vak leeg, dan blijft het ook in het nieuwe certificaat leeg.

  4. In vak 7 moet de volgende aantekening worden gesteld: "replacement certificate (original EUR 1 of EUR-MED no. ....., afgegeven d.d. ....)"
    Als er op het te vervangen certificaat in dat vak staat: afgegeven à posteriori en/of duplicaat", neemt de exporteur of diens gemachtigde dit niet over op het nieuwe certificaat.

  5. In de vakken 8 en 9 neemt de de exporteur of diens gemachtigde alle vermeldingen over die op het oorspronkelijke certificaat in die vakken voorkomen. Uiteraard geldt dit niet voor de hoeveelheden, als deze afwijken van de hoeveelheden die op het oorspronkelijke certificaat staan. Er mag echter nooit een grotere hoeveelheid op het nieuwe certificaat staan, dan dat er op het te vervangen certificaat staat. Zie voor wijzigingen in verpakkingen en dergelijke, paragraaf 6.4.5.

  6. Bij het invullen van vak 10 mag men kiezen uit drie mogelijkheden:

    • men neemt de gegevens van het oorspronkelijke certificaat over, of

    • men vermeldt de gegevens van de nieuwe factuur, of

    • laat het vak oningevuld.

  7. Vak 11 vult u zelf in. Zie voor de gegevens het onderwerp "ambtelijke werkzaamheden" hierna.

  8. Bij de invulling van vak 12 kan men kiezen uit twee mogelijkheden:

    • men neemt de gegevens van het oorspronkelijke certificaat over, of

    • men vermeldt de naam, het adres en de handtekening van de nieuwe exporteur.

Ambtelijke werkzaamheden

Als aan bovenstaande criteria is voldaan, viseert u het nieuwe certificaat. U verricht daarbij de volgende ambtelijke werkzaamheden:

  1. Ga na of het nieuw af te geven certificaat EUR.1 of certificaat EUR-MED in tweevoud is ingediend. U neemt geen formulieren in enkelvoud in behandeling. Overigens is een vervangingscertificaat aan de achterzijde van het tweede exemplaar niet voorzien van de bevindingen van de Kamer van Koophandel.

  2. Vermeld in vak 11, afhankelijk van de situatie:

    1. in geval van vervoer of doorvoer:

      • na Uitvoerdocument, de soort, het nummer, de datum en het kantoor van afgifte van het vervoer- of doorvoerdocument dat de goederen gaat begeleiden.

    2. in geval van invoer:

      • na Uitvoerdocument, het woord "INVOER" in rode inkt.

    3. in geval van voortzetting van de opslag:

      • na Uitvoerdocument, de soort, het nummer, de datum en het kantoor van afgifte waarop de inslag plaatsvond.

    Vermeld verder in dat vak op de daarvoor bestemde plaatsen:

    • de naam van het douanekantoor;

    • het land of gebied van afgifte (Nederland);

    • de plaats van afgifte van het certificaat;

    • de datum van afgifte van het certificaat;

    • uw handgeschreven handtekening met daaronder uw naam in blokletters.

    Plaats tot slot een afdruk van het metalen dienststempel in het rechtergedeelte van vak 11.

  3. Teken op het voorafgaande certificaat per nieuw certificaat aan:

    • het nummer;

    • de datum van afgifte;

    • het aantal colli;

    • het gewicht.

    Als een certificaat geheel (in eenmaal) wordt vervangen door één nieuw certificaat, volstaat u met de vermelding: "conform vervangen door certificaat EUR.1 (of EUR-MED) nr.....".

    Plaats bij die aantekening(en) een afdruk van het metalen dienststempel, uw handgeschreven handtekening en uw naam in blokletters.

  4. Geef het geviseerde eerste exemplaar van het certificaat terug aan de belanghebbende.

  5. Geef het inmiddels vervangen certificaat terug aan belanghebbende ter archivering.

  6. Houd het tweede exemplaar van het nieuwe certificaat achter en bewaar dat tenminste drie jaar. Dit met het oog op eventuele controleverzoeken vanuit het buitenland.

Vervanging van vervangingscertificaten

Het is mogelijk dat men u verzoekt een vervangingscertificaat opnieuw te vervangen. In zo'n geval gelden de bovenstaande criteria ook. Er is echter één uitzondering en één aanvulling.

De uitzondering

In de clausule die hiervoor staat genoemd in letter d (vak 7: "replacement certificate (original EUR 1 of EUR-MED no. ....., afgegeven d.d. ....)" moet de belanghebbende de gegevens van het oorspronkelijke certificaat vermelden. Het is dus onjuist als men de gegevens van het vervangingscertificaat overneemt.

De aanvulling

In de rechterbovenhoek, in het witte gedeelte, vermeldt u de aantekening:
"ex .... (letter en nummer van het voorafgaande certificaat)", zonder verdere toevoeging.

Naar boven

6.4.9 Vervanging van certificaten van oorsprong FORM. A

Het principe bij het vervangen van certificaten is, dat de vervangingscertificaten dezelfde gegevens bevatten als de voorafgaande (te vervangen) certificaten. Er zijn uitzonderingen op dit principe. De uitzonderingen vindt u hierna.

Bij de vervanging van certificaten van oorsprong FORM. A controleert u of de volgende regels in acht zijn genomen:

  1. In het ongenummerde vak, rechtsboven, moet "Nederland" zijn vermeld als land van afgifte.

  2. In vak 1 moet de naam zijn vermeld van degene die de goederen weer uitvoert.

  3. Bij het invullen van vak 2 mag men kiezen uit drie mogelijkheden:

    • men neemt de gegevens van het oorspronkelijke certificaat over, of

    • men vermeldt de gegevens van de nieuwe geadresseerde, of

    • men laat het vak oningevuld. In dat geval streept u dit vak door.

  4. Als in vak 3 in het oorspronkelijke certificaat gegevens zijn opgenomen, moeten die in het nieuwe certificaat zijn overgenomen. Was het vak leeg, dan blijft het ook in het nieuwe certificaat leeg.

  5. In vak 4 moeten de volgende vermeldingen zijn geplaatst:

    • de aantekening: "certificat de remplacement" of "replacement certificate";

    • de datum van afgifte van het oorspronkelijke certificaat;

    • het serienummer van het oorspronkelijke certificaat.

    Bovendien moet en alle gegevens zijn vermeld die ook op het oorspronkelijke certificaat voorkomen. (Zoals bijvoorbeeld de clausule met betrekking tot rechtstreeks vervoer (China via Hong Kong).

  6. In de vakken 5 tot en met 9 moeten alle vermeldingen zijn overgenomen die op het oorspronkelijke certificaat voorkomen in die vakken. Uiteraard geldt dit niet voor de hoeveelheden, als deze afwijken van de hoeveelheden die op het oorspronkelijke certificaat staan. Er mag echter nooit een grotere hoeveelheid op het nieuwe certificaat staan, dan dat er op het te vervangen certificaat staan.
    Zie voor wijzigingen in de verpakkingen en dergelijke, paragraaf 5.4.1, letter c.

  7. In vak 10 moet het nummer van de nieuwe factuur die voor de wederuitgevoerde goederen is opgesteld worden vermeld.

  8. Vak 11 vult u zelf in. Zie voor de gegevens het onderwerp "ambtelijke werkzaamheden" hierna.

  9. In vak 12 moet het land van oorsprong en het land van bestemming zijn vermeld, zoals aangegeven op het oorspronkelijke certificaat. Men mag die gegevens onder geen voorwaarde wijzigen. Als men dat toch doet, vervangt u het certificaat niet.

De exporteur of diens gemachtigde die de goederen weer uitvoert ondertekent het certificaat in vak 12.

Ambtelijke werkzaamheden

Als aan bovenstaande criteria is voldaan, viseert u het nieuwe certificaat. U verricht daarbij de volgende werkzaamheden:

  1. Vermeld in vak 11, afhankelijk van de situatie:

    1. in geval van vervoer of doorvoer:

      • soort, nummer, datum en kantoor van afgifte van het nadere vervoer- of doorvoerdocument.

    2. in geval van invoer:

      • het woord "invoer" in rode inkt.

    3. in geval van voortzetting van de opslag:

      • soort, nummer, datum en kantoor van afgifte van het document waarop de inslag heeft plaatsgevonden.

    Viseer daarna het certificaat door middel van een afdruk van het metalen dienststempel, uw handgeschreven handtekening en uw naam in blokletters.

  2. Teken op het voorafgaande certificaat per nieuw certificaat aan:

    • het nummer;

    • de datum van afgifte;

    • het aantal colli;

    • het gewicht.

    Als het certificaat geheel (in eenmaal) wordt vervangen door één nieuw certificaat, volstaat u met de vermelding "conform vervangen door certificaat van oorsprong FORM.A nr. ...."

    Bij die aantekening(en) plaatst u een afdruk van het metalen dienststempel, uw handgeschreven handtekening en uw naam in blokletters.

  3. Geef het geviseerde exemplaar aan de belanghebbende terug.

  4. Geef het inmiddels vervangen certificaat terug aan belanghebbende ter archivering.

  5. Houd een kopie van het nieuwe certificaat achter en bewaar dat tenminste drie jaar. Dit met het oog op eventuele controleverzoeken vanuit het buitenland.

Vervanging van vervangingscertificaten

Het is mogelijk dat men u verzoekt een vervangingscertificaat opnieuw te vervangen. In zo'n geval gelden de bovenstaande criteria ook. Er is echter één uitzondering en één aanvulling.

De uitzondering

Bij de aantekeningen in vak 4 (for official use) moeten de gegevens van het oorspronkelijke certificaal zijn vermeld. Het is dus onjuist als men de gegevens van het vervangingscertificaat overneemt.

De aanvulling

In de rechterbovenhoek van het certificaat, in het witte gedeelte, vermeldt u de aantekening:
"ex .... (letter en nummer van het voorafgaande certificaat)", zonder verdere toevoeging.

Vervanging van certificaten van oorsprong FORM. A waarop in vak 12 een ander land dan een lidstaat of de Europese Unie is vermeld

Zoals in paragraaf 6.4.1 al is vermeld, kunnen oorsprongsbewijzen uitsluitend worden vervangen als u ze ook bij een aangifte ten invoer voor de toepassing van het preferentiële tarief zou kunnen aanvaarden.

Dat houdt bijvoorbeeld in dat een certificaat van oorsprong FORM. A dat door een andere dan de bevoegde instantie (zie bijlage 2) werd afgegeven, niet mag worden vervangen.
Met betrekking tot de certificaten van oorsprong FORM. A (dus niet voor de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED) kunnen er uitzonderingen op het genoemde beginsel worden toegestaan, en wel in de volgende gevallen:

  • certificaten afgegeven in niet door de Europese Unie begunstigde landen (bijvoorbeeld Taiwan) en bestemd voor een land buiten de Europese Unie;

  • certificaten afgegeven in begunstigde landen met als land van bestemming een land buiten de Europese Unie, ongeacht de afgevende instantie.

Controleer bij het vervangen van die certificaten of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • Het land van bestemming dat in vak 12 op het te vervangen certificaat is vermeld moet zijn overgenomen op het vervangingscertificaat.

  • In vak 4 moet de aantekening "NOT VALID IN THE EU" zijn gesteld. Het doel van deze aantekening is te voorkomen dat het vervangingscertificaat abusievelijk toch elders in de Europese Unie zou worden aanvaard.

  • U wijst de exporteur of zijn gemachtigde op het feit dat de Nederlandse Douane geen verantwoordelijkheid aanvaardt voor het af te geven vervangingscertificaat; de douaneautoriteiten van het (derde) land van invoer beoordelen of er een preferentieel tarief kan worden toegepast.

  • U stelt vast dat aan de overige criteria als genoemd in deze paragraaf is voldaan.

Naar boven

6.4.10 Vervanging van oorsprongsverklaringen

Onder dezelfde voorwaarden als hiervoor aangegeven en voor zover de te vervangen oorsprongsverklaringen alle voor het af te geven vervangende certificaat vereiste informatie bevatten, kunnen oorsprongsverklaringen worden vervangen door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, oorsprongsverklaringen EUR-MED door een certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED en - als gaat om een oorsprongsverklaring in het kader van het APS - door een certificaat van oorsprong FORM. A. In vak 7 van het vervangende certificaat EUR.1 of EUR-MED of in vak 4 van het certificaat FORM. A moet de volgende aantekening worden gesteld: "replacement certificate ("original invoice declaration (of "invoice declaration EUR-MED") no…………… afgegeven d.d……………).

Let op:
Oorsprongsverklaringen afgegeven in de Zuid-Korea kunnen uitsluitend worden vervangen door oorsprongsverklaringen.

Naar boven

6.5 Bijzonderheden met betrekking tot opslag onder douanetoezicht

6.5.1 Algemeen

Goederen die met een oorsprongsbewijs zijn aangevoerd, kunnen onder douanetoezicht worden opgeslagen zonder dat het oorsprongskarakter van die goederen verloren gaat.
De belanghebbende moet wel bedenken dat het voor kan komen dat een op zich geldig oorsprongsbewijs geen recht meer geeft op de toepassing van een preferentieel tarief. Dat is bijvoorbeeld het geval als de preferentie tijdens de opslag van de goederen inmiddels beëindigd is.

In deze paragraaf vindt u bepalingen omtrent:

  • identiteit (paragraaf 6.5.2);

  • gezamenlijke opslag (6.5.3);

  • vervanging van oorsprongsbewijzen bij uitslag (paragraaf 6.5.4);

  • voorkoming van het verstrijken van de geldigheidsduur tijdens opslag (paragraaf 6.5.5);

  • preferentie en gebruikelijke behandelingen (paragraaf 6.5.8);

  • vervanging van oorsprongsbewijzen voor verder vervoer of doorvoer (paragraaf 6.5.6;

  • geen vervanging van oorsprongsbewijzen bij uitslag met bestemming invoer (paragraaf 6.5.7);

  • preferentie en behandelingen onder douanetoezicht (paragraaf 6.5.9);

  • preferentie voor meerbevonden bulkgoederen (paragraaf 6.5.10).

Naar boven

6.5.2 Identiteit van de goederen

De oorsprong van de goederen is onlosmakelijk verbonden met het specifieke product waarvoor een oorsprongsbewijs is afgegeven. Bij opslag onder douanetoezicht moet de identiteit van de goederen dus gehandhaafd blijven. Gebeurt dat niet, dan kunt u bij overlegging van het oorsprongsbewijs niet vaststellen of dat oorsprongsbewijs voor die goederen is afgegeven en kunt u het bewijs niet aanvaarden of moet u het in bepaalde gevallen zelfs weigeren (zie paragraaf 6.3.6).

Als de goederen voorzien zijn van merken en/of nummers, zijn die gegevens ook op het oorsprongsbewijs vermeld. In dat geval biedt het oorsprongsbewijs voldoende waarborgen ten aanzien van de identiteit van de goederen.

Als de goederen niet voorzien zijn van merken en/of nummers, is het noodzakelijk dat u maatregelen neemt om de goederen bij uitslag te kunnen identificeren. U kunt bijvoorbeeld de volgende handelingen verrichten:

  • Laat merken en nummers of andere onderscheidingstekens aanbrengen op de goederen. Teken dergelijke aanvullende gegevens vervolgens aan op het oorsprongsbewijs.

  • Adviseer belanghebbende - dat hij het oorsprongsbewijs al bij inslag aan u overlegt. U kunt dan het soort en nummer van het document waarmee de goederen werden ingeslagen op het certificaat vermelden.

  • Als de belanghebbende het certificaat pas in een later stadium dan bovengenoemd aan u overlegt, stel dan ter vaststelling van de identiteit van de goederen een nader onderzoek in. Fysieke opneming van de goederen is dan noodzaak.

Naar boven

6.5.3 Gezamenlijke tankopslag

Gezamenlijke tankopslag is de opslag onder douanetoezicht van identieke goederen van verschillende oorsprong.

In beginsel moeten daarbij de oorsprongs- en niet-oorsprongsgoederen gescheiden blijven (het principe van de fysieke scheiding, zie paragraaf 2.3.30). Toegestaan kan worden dat in het geval van tankopslag van dit beginsel wordt afgeweken. In dat geval is immers een fysieke scheiding niet mogelijk bij het efficiënt benutten van de tankruimte. De goederen houden in dat geval hun oorsprong.

Als de goederen worden uitgeslagen kent u daaraan de desbetreffende oorsprong toe tot de hoeveelheid die met het oorsprongsbewijs werd opgeslagen.

Onder "identieke goederen" verstaat u goederen die naar soort, hoedanigheid, technische en fysieke kenmerken volkomen gelijk zijn.

Naar boven

6.5.4 Samenvoeging van niet-identieke goederen van dezelfde oorsprong die onder douanetoezicht zijn opgeslagen

Indien niet-identieke goederen van dezelfde oorsprong worden samengevoegd ontstaat een nieuw product. U kunt dan geen vervangingscertificaat afgeven. U heeft immers geen voorafgaand certificaat voor het product dat na samenvoeging is ontstaan.

Uitzondering

Er is op deze regel een uitzondering. Als het gaat om certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 afgegeven in de landen van Cariforum, de Stille Zuidzee-staten, de andere ACS-landen of in de landen van het LGO waarop rum is omschreven en die rum wordt hier te lande in een entrepot geblend (= samenvoeging van rum van verschillende eigenschappen tot rum met een specifiek karakter), dan kunt u die certificaten EUR.1 onder de navolgende voorwaarden vervangen:

  1. Bij het blenden mag, behalve van water, slechts gebruik worden gemaakt van rum van oorsprong uit de landen van Cariforum, het ACS of van de LGO. De entrepothouder moet u daarvoor dus geldige certificaten EUR.1 overleggen.

  2. Iedere uitslag uit het entrepot, ook die waarvoor geen nieuw certificaat is afgegeven, schrijft u af op de oorspronkelijke certificaten die behoren bij de rum die bij het blenden is gebruikt.

  3. In vak 7 van het af te geven certificaat stelt u de aantekening "Vervangingscertificaat".

U verricht overigens dezelfde ambtelijke werkzaamheden als genoemd in paragraaf 6.4.6.

Ten overvloede:
U staat het bovenbedoelde blenden pas toe als de entrepothouder over de toestemming als bedoeld in artikel 109, lid 3 CDW beschikt.

Naar boven

6.5.5 Voorkoming van het verstrijken van de geldigheidsduur tijdens opslag

Om te voorkomen dat de geldigheidstermijn van een oorsprongsbewijs (zie paragraaf 6.3.4) verstrijkt tijdens opslag onder douanetoezicht, overlegt de houder van het oorsprongsbewijs het aan u bij de inslag van de goederen. Het komt ook voor dat de houder het oorsprongsbewijs pas na de inslag aan u overlegt. In beide gevallen handelt u - mits de oorsprongsbewijzen binnen de geldigheidstermijn aan u zijn overgelegd - als volgt.

Nadat u heeft geconstateerd dat de goederen daadwerkelijk zijn ingeslagen, voorziet u het oorsprongsbewijs van de volgende vermelding "certificaat (oorsprongsverklaring) aangeboden d.d. .....".

Deze vermelding plaats u in vak 7 van het certificaat EUR.1 (of EUR-MED) dan wel in vak 4 van het certificaat FORM.A of - indien het een oorsprongsverklaring betreft - op het betreffende handelsdocument. Waarmerk deze vermelding door een afdruk van het metalen dienststempel, uw handtekening en uw naam in blokletters.

Als bij de inslag geen fysiek douanetoezicht is voorgeschreven, stelt de houder van het oorsprongsbewijs zelf de volgende vermelding op het oorsprongsbewijs:
"goederen ingeslagen met document .... (soort), kantoor van afgifte ......, nr. .... (van het document) d.d. .... (van inslag).
De houder voorziet deze vermelding van zijn handtekening.

Oorsprongsbewijzen die aan u worden overgelegd terwijl de geldigheidsduur reeds is verstreken kunt u in het kader van deze paragraaf aanvaarden indien de houder als nog aantoont dat de geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs niet was verstreken op het moment dat de goederen onder douanetoezicht werden opgeslagen.

Voorzie de oorsprongsbewijzen in dat geval in de eerder genoemde vakken van de volgende vermeldingen:

  • "certificaat (oorsprongsverklaring) aangeboden d.d....." en

  • "goederen aangeboden d.d......".

Waarmerk deze vermeldingen met een afdruk van het metalen dienststempel, uw handtekening en uw naam in blokletters.

Als de goederen en het oorsprongsbewijs worden aangeboden terwijl de geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs al is verstreken kunt u het oorsprongsbewijs bij wijze van uitzondering aanvaarden mits de houder van het oorsprongsbewijs kan aantonen dat de niet-inachtneming van de termijn is te wijten aan overmacht of buitengewone omstandigheden.

Naar boven

6.5.6 Vervanging van oorsprongsbewijzen voor verder vervoer of doorvoer

Zendingen goederen die onder douanetoezicht liggen opgeslagen, worden vaak in gedeelten uitgeslagen. In die gevallen moeten de deelpartijen die worden uitgeslagen worden afgeschreven van het oorspronkelijke certificaat.

Indien de goederen bestemd zijn om onder douanetoezicht te worden vervoerd naar een bestemming elders in de Europese Unie of - indien het een certificaat FORM A betreft - om te worden doorgevoerd naar Noorwegen en Zwitserland moet het in het buitenland afgegeven certificaat in één keer worden vervangen door een of meerdere nieuwe certificaten. Bij de eerste uitslag vervangt u het in het buitenland afgegeven dus:

  • door een certificaat voor de eerste uitslag en

  • een certificaat voor de resterende partij in opslag.

Het oorspronkelijke, in het buitenland afgegeven certificaat kunt u ter controle inzenden naar het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken. In andere gevallen wordt het certificaat ter archivering geretourneerd aan de houder van het certificaat.

Let op:

Een oorsprongsverklaringen mag niet worden vervangen door een of meerdere oorsprongsverklaringen, tenzij de oorsprongsverklaring is afgegeven in Zuid-Korea. In dat geval is vervanging van een oorsprongsverklaring door een oorsprongsverklaring wel mogelijk.

Bij de volgende uitslagen schrijft u de hoeveelheden die uitgeslagen geworden af van het bij de eerste uitslag geviseerde vervangingscertificaat. U hecht daartoe een allonge achter het vervangingscertificaat. Op het allonge plaatst u de volgende vermeldingen:

  • de datum waarop u het nieuwe vervangingscertificaat viseert;

  • het nummer van het nieuwe vervangingscertificaat;

  • de hoeveelheid goederen die op het certificaat zijn vermeld en die dus worden uitgeslagen;

  • een afdruk van het metalen dienststempel, uw handtekening en uw naam in blokletters.

Zolang het bij de eerste uitslag geviseerde vervangingscertificaat niet volledig is vervangen door nieuwe certificaten geeft u het terug aan de houder van het certificaat. Ook na de laatste afschrijving geeft u het terug aan de houder.
Het vervangingscertificaat alsmede de allonge moeten door de houder van het certificaat gedurende 7 jaar voor controledoeleinden ter beschikking van de Douane gehouden. Indien de Douane daarom verzoekt moet de houder steeds bereid zijn het certificaat voor een nacontrole in te zenden.

Naar boven

6.5.7 Geen vervanging van oorsprongsbewijzen bij uitslag met bestemming invoer

In afwijking van het gestelde in paragraaf 6.5.4 kan het worden toegestaan dat in geval een zending goederen in gedeelten wordt uitgeslagen met bestemming invoer de houder van het certificaat het in het buitenland afgegeven certificaat zelf afschrijft voor de ten invoer uitgeslagen goederen. Een vergunning van de inspecteur is hiervoor niet nodig. De houder hecht daartoe een allonge achter het certificaat. Op het allonge moeten de volgende vermeldingen worden gesteld:

  • de datum waarop de goederen zijn uitgeslagen met bestemming ten invoer;

  • het nummer van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen;

  • hoeveelheid van de uitgeslagen en ten invoer aangegeven goederen.

Men mag nooit meer dan de op het in het buitenland afgegeven certificaat vermelde hoeveelheid afschrijven. Het certificaat alsmede de allonge moeten door de houder gedurende 7 jaar worden bewaard. Indien de Douane daarom verzoekt moet de houder steeds bereid zijn het certificaat voor een controle in te zenden.

Het voorgaande geldt eveneens voor oorsprongsverklaringen . Een oorsprongsverklaringen kan nooit worden vervangen door een of meerdere nieuwe oorsprongsverklaringen (zie ook paragraaf 6.4.8).

Naar boven

6.5.8 Preferentie en gebruikelijke behandelingen

Goederen die zich bevinden onder de douaneregeling douane-entrepot kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan. De gebruikelijke behandelingen zijn beschreven in artikel 109 CDW, juncto artikel 531 en bijlage 72 TVo. CDW.

Op welke manieren met het berekenen van de rechten bij invoer voor goederen die onderworpen zijn geweest aan de gebruikelijke behandelingen moet worden omgegaan is aangegeven in artikel 112 CDW. Op basis van artikel 112, tweede lid CDW heeft belanghebbende een keuze voor het berekenen van de rechten bij invoer. Hierbij kan worden gekozen voor de heffingsgrondslagen die van toepassing zijn op de onbehandelde of die van de behandelde goederen.

Indien de behandelde goederen in het vrije verkeer worden gebracht met toepassing van de heffingsgrondslagen die gelden voor de onbehandelde goederen kan preferentie worden genoten voorzover een geldig preferentieel oorsprongsbewijs van de onbehandelde goederen wordt overgelegd.

Indien de behandelde goederen in het vrije verkeer worden gebracht met toepassing van de heffingsgrondslagen voor de behandelde goederen kan ook preferentie worden genoten. Hieraan is evenwel de voorwaarde gebonden dat de behandelde goederen niet onder een andere GS post worden ingedeeld dan die van de goederen toen zij nog niet waren behandeld en een geldig preferentieel oorsprongsbewijs van de onbehandelde goederen wordt overgelegd.

Naar boven

6.5.9 Preferentie en behandelingen onder douanetoezicht

Indien invoergoederen onder de regeling behandeling onder douanetoezicht zijn gebracht en zij voldeden op het moment dat zij onder de regeling werden gebracht aan de voorwaarden om voor een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking te komen dan kan preferentie worden verleend voor de behandelde goederen. In dat geval moet worden voldaan aan drie voorwaarden:

  1. De invoergoederen voldeden op het moment van plaatsing onder douanetoezicht aan de voorwaarden om voor het preferentiële tarief in aanmerking te komen;

  2. Hetzelfde preferentiële regime (bijvoorbeeld APS) geldt ook voor producten die identiek zijn aan de behandelde goederen

  3. De behandelde goederen worden in het vrije verkeer gebracht.

Wanneer aan deze drie voorwaarden is voldaan komen de behandelde goederen voor preferentiële tariefbehandeling in aanmerking zonder dat voor deze goederen een preferentieel oorsprongsbewijs is overgelegd. Het oorsprongsbewijs dat voor de invoergoederen is afgegeven moet echter wel aan de Douane worden overgelegd om te bewijzen dat is voldaan aan de hierboven vermelde eerste voorwaarde: de invoergoederen voldeden op het moment van plaatsing onder de regeling behandeling onder douanetoezicht aan de voorwaarden om voor het preferentiële tarief in aanmerking te komen.
(artikel 136 CDW)

Naar boven

6.5.10 Preferentie voor meerbevonden bulkgoederen

Indien bij invoer van bulkgoederen aanspraak wordt gemaakt op preferentie en aan alle gebruikelijke voorwaarden ter verkrijging van preferentie is voldaan (zie paragraaf 6.3.1) kan onder voorwaarden en bij wijze van uitzondering preferentie worden verleend voor geringe hoeveelheden meerbevonden goederen.
De voorwaarden zijn de volgende:

  • het moet onomstotelijk vaststaan dat de meer bevonden goederen integraal onderdeel vormen van dezelfde zending als waarvoor een beroep wordt gedaan op preferentie. Van dezelfde zending is sprake als is voldaan aan de definitie van zending opgenomen in de begripsbepalingen bij de verschillende oorsprongsregelingen. (zie bijvoorbeeld artikel 67, letter s van de TVo. CDW);

  • de goederen moeten rechtstreeks zijn vervoerd van het land of gebied van uitvoer naar de Europese Unie. Zie voor de voorwaarde van rechtstreeks vervoer paragraaf 6.9.7.

Van geringe hoeveelheden waarvoor preferentie kan worden genoten is sprake als de meerbevonden goederen het effect zijn van natuurlijke omstandigheden die inherent zijn aan het product zoals temperatuurverschillen, het vochtgehalte, het gehalte vervuilende stoffen etc.
Facturen, contracten en verkoopovereenkomsten kunnen bij de beoordeling of sprake is van een gering verschil een aanknopingspunt vormen.
Bij twijfel of een verschil als gering is aan te merken moet het oorsprongsbewijs ter nacontrole worden ingezonden naar het Landelijk Team Oorsprongszaken. (zie paragraaf 6.7.6.)

Naar boven

6.6 Postzendingen / Reizigersbagage en kleine zendingen

6.6.1 Postzendingen

Ook voor per post verzonden zendingen waarvoor de toepassing van een preferentiële regeling wordt gevraagd moet de oorsprong worden aangetoond door het overleggen van één van de voorgeschreven oorsprongsbewijzen. Al naar gelang de regeling en de waarde van de goederen kan dat een certificaat EUR.1, een certificaat EUR-MED, een certificaat FORM. A of een oorsprongsverklaring zijn.
Het kan natuurlijk voorkomen dat een postzending is te beschouwen als een aan een particulier gerichte kleine zending waarvoor onder bepaalde voorwaarden geen oorsprongsbewijs hoeft te worden overgelegd om gebruik te kunnen maken van tariefpreferentiële behandeling. U vindt de toelichting op deze regeling in paragraaf 6.6.2.

Naar boven

6.6.2 Reizigersbagage en kleine zendingen

In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunt u goederen beschouwen als van oorsprong, zonder dat een oorsprongsbewijs behoeft te worden overgelegd.
De gevallen zijn:

  • goederen in de persoonlijke bagage van reizigers;

  • aan particulieren gerichte kleine zendingen.

De voorwaarden zijn:

  • Men moet de goederen aangeven als van oorsprong volgens de criteria van de desbetreffende preferentiële regeling.

  • U moet geen twijfel hebben aan die oorsprong. Heeft u toch twijfel aan de oorsprong, dan kunt u alsnog een oorsprongsbewijs eisen. Als het nodig is past u het gestelde in paragraaf 6.3.2 toe.

  • De invoer moet een incidenteel karakter hebben en

  • De goederen moeten bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de reiziger, dan wel door zijn gezin en

  • De aard, noch de hoeveelheid van de goederen mogen op commerciële bedoelingen wijzen en

  • De totale waarde van de zending mag niet hoger zijn dan € 1.200 indien het reigersbagage betreft en € 500 indien het gaat om kleine zendingen.

Let op:

Indien de goederen niet werden aangegeven (smokkel) kan geen gebruik worden gemaakt van deze regeling en moet -indien men als nog gebruik kan en wil maken van preferentie - een geldig oorsprongsbewijs worden overgelegd.

Naar boven

6.7 Administratieve samenwerking

6.7.1 Algemeen

Ter verzekering van de juiste toepassing van de preferentiële regelingen zijn in alle preferentiële regelingen voorzieningen getroffen op het gebied van de administratieve samenwerking die de begunstigde landen moeten verlenen of die de partnerlanden elkaar moeten verlenen. De administratieve samenwerking heeft betrekking op de echtheid en juistheid van de afgegeven certificaten of de opgestelde oorsprongsverklaringen en de oorsprong van de daarop betrekking hebbende goederen.

In Nederland is het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken (LTO) belast met de administratieve samenwerking en aangewezen als centrale instantie via welke alle Nederland binnenkomende en uitgaande verzoeken om nacontrole worden verzonden.

Als dergelijke verzoeken per abuis rechtstreeks vanuit het buitenland aan uw eenheid zijn gezonden, neemt u die dus niet in behandeling. U draagt ze over aan het LTO.

In dit onderdeel vindt u bepalingen over de volgende onderwerpen:

  • verzoeken vanuit het buitenland inzake van hier te lande afgegeven oorsprongsbewijzen (paragraaf 6.7.2);

  • verzoeken vanuit het buitenland inzake hier te lande afgegeven

  • vervangingscertificaten (paragraaf 6.7.3);

  • verzoeken vanuit Nederland betreffende bij invoer overgelegde oorsprongsbewijzen (paragraaf 6.7.4);

  • resultaten van de nacontrole (paragraaf 6.7.5);

  • geen antwoord uit het buitenland (paragraaf 6.7.6).

Naar boven

6.7.2 Verzoeken vanuit het buitenland inzake in Nederland afgegeven oorsprongsbewijs

Indien een verzoek om nacontrole van een oorsprongsbewijs uit het buitenland is ontvangen wordt het verzoek door het LTO ter behandeling toegezonden aan de oorsprongsspecialisten in de douaneregio waar de exporteur is gevestigd.

Deze specialisten voeren een controle uit bij de exporteur waar met name zal worden nagegaan of aan alle formele eisen is voldaan en de exporteur in het bezit is van de directe of indirecte bewijstukken die de juistheid van een afgegeven certificaat EUR.1 of EUR-MED of een door de exporteur opgestelde oorsprongsverklaring kunnen staven. Indien de no draw back bepaling van toepassing is wordt gecontroleerd of de geëxporteerde goederen zich in het vrije verkeer bevonden (zie paragraaf 2.3.33).

Indien wordt vastgesteld dat de geëxporteerde producten niet voldeden aan de oorsprongscriteria - en dus niet van oorsprong zijn - of indien wordt vastgesteld dat de onderliggende bewijsstukken niet voorhanden zijn - de oorsprong van de goederen kan niet worden gecontroleerd - of de no draw backbepaling niet is nageleefd kan het onderzoek worden uitgebreid naar alle eerdere exportzendingen.

Van de uitgevoerde controle wordt door de oorsprongsspecialist een controlerapport opgemaakt. Het rapport wordt gezonden aan het LTO. Indien uit de rapportage blijkt dat oorsprongsbewijzen ten onrechte werden afgegeven of opgesteld wordt door het LTO aan de exporteur een voor bezwaar vatbare Beschikking gezonden met een afschrift van het controlerapport. In de Beschikking wordt melding gemaak van het resultaat van de controle en van het voornemen om de buitenlandse autoriteiten te informeren omtrent het resultaat van de controle. Nadat alle formele procedures zijn beëindigd wordt de buitenlandse instantie geïnformeerd.

Naar boven

6.7.3 Verzoeken vanuit het buitenland inzake hier te lande afgegeven vervangingscertificaten

Verzoeken om nacontrole van in Nederland afgegeven vervangingscertificaten zenden de buitenlandse douaneautoriteiten aan het LTO.

Als dergelijke verzoeken rechtstreeks vanuit het buitenland aan uw eenheid zijn gezonden, neemt u die dus niet in behandeling. U draagt ze over aan het LTO.

Het LTO zendt het te controleren certificaat naar de eenheid waar het werd afgegeven of - indien het een vergunninghouder "vooraf viseren vervangingscertificaten" betreft - naar de ter zake bevoegde eenheid.

Daarbij zal u worden verzocht:

  • de juistheid van de in het vervangingscertificaat vermelde gegevens na te gaan;

  • het origineel of een kopie van het oorspronkelijke certificaat bij te voegen.

U zendt de gevraagde bescheiden en gegevens zo spoedig mogelijk - doch uiterlijk binnen vier weken - aan het LTO.

Naar boven

6.7.4 Verzoeken vanuit Nederland betreffende bij invoer overgelegde oorsprongsbewijzen

Als u bij de controle van een aangever of importeur twijfelt aan de echtheid en de juistheid van een in begunstigde land of partnerland afgegeven oorsprongsbewijs en/of de oorsprong van de daarop vermelde goederen, kunt u het oorsprongsbewijs laten controleren. De controle wordt uitgevoerd door het LTO.
U maakt daarvoor gebruik van het in bijlage 6 opgenomen formulier (opgenomen in het modellenboek)

Zend het formulier aan:

Douane Nijmegen
Landelijk Team Oorsprongszaken
Postbus 1537
6501 BM NIJMEGEN

In het formulier vermeldt u de reden(en) waarom u een nacontrole wilt en u voegt bij:

  • een kopie van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen (DSI-afdruk van de aangiftegegevens)

  • een kopie van de factuur en - indien van toepassing:

  • een kopie van het FYCO-formulier.

U houdt voor uw eigen administratie een kopie achter van alle bescheiden die u aan het LTO.

Let op:
vul het vak aan de achterzijde van een certificaat EUR.1 of EUR-MED (vak 13 "verzoek om controle") niet in.

Na ontvangst van het door u ingezonden verzoek om controle ontvangt u een ontvangstbevestiging met het referentienummer waaronder uw verzoek om nacontrole bij het LTO is geregistreerd.

Het LTO beoordeelt het van u ontvangen verzoek en wint zonodig nadere informatie bij u in. Het LTO toetst het door u ingezonden oorsprongsbewijs op de formele juistheid (o.m. de geldigheidsduur, het gebruik voorgeschreven model, de instantie van afgifte en de gebruikte stempels) en de materiële juistheid (zijn de goederen inderdaad van oorsprong) op basis van de beschikbare ervaringsgegevens zoals lopende of recent afgesloten onderzoeken voor dezelfde goederen of dezelfde exporteur uit hetzelfde land.
In daarvoor in aanmerking komende gevallen wordt een echtheidscontrole ingesteld door de falsificatenexperts.

Indien er twijfel bestaat omtrent de juistheid van het oorsprongsbewijs en - met name - als er getwijfeld wordt aan de oorsprong van de goederen zendt het LTO het oorsprongsbewijs voor nacontrole (ook wel postverificatie of controle ä posteriori genoemd) aan het land van afgifte.

Inlichten van de aangever

Wanneer u tijdens een controle besluit het oorsprongsbewijs voor nacontrole in te zenden, moet u de aangever inlichten. U licht de aangever uitsluitend in omtrent het feit dat u een oorsprongsbewijs voor controle inzendt en niet omtrent de redenen die u daarvoor heeft. Indien u na beëindiging van de controle direct de verificatie beëindigd vermeldt u in de rubriek "Mededelingen" (DSI) "Certificaat ter nacontrole ingezonden naar het Landelijk Team Oorsprongszaken. Kan financiële gevolgen hebben"

Indien bij het doen van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen geen controle (wit geselecteerde aangiften) heeft plaatsgevonden of in geval bij verificatie van de aangifte geen controle van het oorsprongsbewijs heeft plaats gevonden, moet u de aangever inlichten door middel van een ontvangstbevestiging waarin is vermeld dat het betreffende oorsprongsbewijs voor nacontrole is ingezonden naar het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken.

In sommige gevallen kunt u worden gevraagd om oorsprongsbewijzen voor bepaalde goederen en/of bepaalde landen voor nacontrole naar het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken in te zenden. Dit kan door middel van een oranje of rood profiel of een specifieke controleopdracht. Het gaat hierbij met name om gevallen waarbij sprake is van geconstateerde of vermoedelijke onregelmatigheden of fraude waarbij oorsprongsbewijzen in het geding zijn.

Naar boven

6.7.5 Resultaten van de nacontrole

Uitslag van de nacontrole: conform

Indien bij de toetsing door het LTO, het oorsprongsbewijs aan de gestelde formele eisen voldoet en er verder geen redenen zijn om aan de juistheid van de oorsprong van de goederen te twijfelen ontvangt u hiervan bericht. Het door u ingezonden oorsprongsbewijs ontvangt u retour of wordt door het LTO rechtstreeks terug gezonden aan de aangever.

Indien het oorsprongsbewijs voor nacontrole naar het buitenland is gezonden, beoordeelt het LTO de daarop ontvangen onderzoeksresultaten. Zij trekt daaruit de conclusies met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de betreffende oorsprongsbewijzen. Als het nodig is stelt het LTO aanvullende vragen aan de onderzoeksinstantie. Indien uit het onderzoek - en de antwoorden op de eventueel gestelde aanvullende vragen - blijkt dat de oorsprongsbewijzen terecht werden afgegeven, ontvangt u hiervan eventueel bericht onder terugzending van de bijbehorende oorsprongsbewijzen. Indien de oorsprongsbewijzen niet zijn bijgevoegd zijn zij door het LTO rechtstreeks aan de aangever terug gezonden.

Uitslag van de nacontrole: niet conform

Indien het oorsprongsbewijs niet in orde wordt bevonden en de preferentie moet worden geweigerd gaat het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Team Oorsprongszaken over tot boeking achteraf van de als nog verschuldigde rechten bij invoer. U ontvangt van de verzonden Uitnodiging tot Betaling een kopie.

De - eventueel - uit de boeking achteraf voortvloeiende bezwaar- en beroepsprocedures en eventuele verzoeken om teruggaaf worden eveneens door het douanekantoor Nijmegen behandeld.

Ingeval de verificatie van de aangifte tot het in het vrije verkeer door u is aangehouden moet u de verificatie beëindigen en zelf tot boeking van de rechten over gaan. In dit geval ontvangt u naast het bericht tevens een kopie van het uit het buitenland ontvangen antwoord.

Naar boven

6.7.6 Geen antwoord uit het buitenland

Ondanks dat in iedere preferentiële regelingen voorzieningen zijn getroffen voor de administratieve samenwerking komt het voor dat - ondanks rappelleren - uit het buitenland geen antwoord wordt ontvangen.

Indien deze situatie zich voordoet en de nacontrole is bij wijze van steekproef ingesteld zal het LTO u hiervan zo spoedig mogelijk - doch uiterlijk na 10 maanden - van op de hoogte stellen. Deze termijn start op het moment dat door het LTO een verzoek om nacontrole aan het buitenland is gedaan.

Ingeval geen antwoord wordt ontvangen en de nacontrole is gebaseerd op gegronde twijfel aan de juistheid van het oorsprongsbewijs wordt de preferentie na 10 maanden geweigerd. Deze termijn start op het moment dat door het LTO een verzoek om nacontrole aan het buitenland is gedaan.

Het LTO gaat dan over tot boeking achteraf van de als nog verschuldigde rechten bij invoer. U ontvangt van de verzonden Uitnodiging tot Betaling een kopie.
De - eventueel - uit de boeking achteraf voortvloeiende bezwaar- en beroepsprocedures en eventuele verzoeken om teruggaaf worden eveneens door het LTO behandeld.

Ingeval de verificatie van de aangifte tot het in het vrije verkeer door u is aangehouden ontvangt u een bericht van het LTO. U moet u dan verificatie beëindigen en zelf tot boeking van de rechten over gaan. De oorsprongsbewijzen ontvangt u retour.

Naar boven

6.8 Relatie tussen het toepassen van de preferentie en het tijdstip van invoer / overleggen bewijs

U past het preferentiële tarief toe op het tijdstip dat de aangever door de vereiste vermeldingen in de aangifte ten invoer aangeeft over het vereiste oorsprongsbewijs te beschikken of - indien u daarom heeft verzocht - aan u overlegt. Zolang de aangever het oorsprongsbewijs niet in zijn bezit heeft kan het preferentiële tarief niet worden toegepast en vraagt u, in voorkomend geval, ook geen tariefcontingent aan.

Bovenstaande geldt ongeacht de reden van het latere overleggen en ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 6.3.2 (onvolledige aangifte).

Als het preferentiële tarief op het tijdstip dat het oorsprongsbewijs aan u wordt overgelegd niet meer van kracht is, is dat niet altijd een belemmering voor de toepassing van het preferentiële tarief. Alleen in die gevallen waarin intussen het normale recht bij invoer binnen het kader van een tariefplafond inmiddels is weder ingesteld, of waarin een tariefcontingent inmiddels is uitgeput, mag u het preferentiële recht niet meer toepassen.

Is echter een preferentieel recht bijvoorbeeld gedurende een heel kalenderjaar van toepassing geweest en is de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen ook in dat jaar aanvaard, dan mag u wel het preferentiële tarief alsnog toepassen (artikel 256 TVo. CDW).

Bijzonderheden bij Vergunning vereenvoudigde aangifte in het vrije verkeer brengen

Als de importeur in het bezit is van een vergunning vereenvoudigde aangifte in het vrije verkeer brengen, past u de preferentie pas toe:

  • als de relatie tussen het oorsprongsbewijs en de goederen in de administratie van de importeur vastligt;

  • als de datum waarop de goederen de bestemming invoer volgen, in de administratie vastligt;

  • als u de naleving van de rechtstreeks vervoerbepalingen in de administratie kunt controleren.

Let op

Bij de domiciliëringsprocedure invoer is de datum waarop de in administratie worden ingeschreven, de datum dat de goederen hun bestemming op het kantoor van binnenkomst of bestemming volgen. Bij deze regeling ligt de bestemming invoer op dat tijdstip immers al vast. In dat geval is de datum van uitslag uit het bedrijf niet relevant.

Elektronische periodieke aangiften ten invoer

Indien de periodieke aangifte op elektronische wijze wordt gedaan (GPA) behoeven de oorsprongsbewijzen in beginsel niet te worden overlegd op het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen wordt gedaan (zie paragraaf 6.3.10). Het preferentiële tarief wordt dan toegepast op basis van de vermelding op de aangifte van de bescheidcode en het identificatievolgnummer van het oorsprongsbewijs (certificaatnummer of - ingeval van een oorsprongsverklaring - het factuurnummer). Vanzelfsprekend kunt u altijd de daadwerkelijke overlegging van het oorsprongsbewijs eisen.

Naar boven

6.9 Herkomst Turkije en LGO

6.9.1 Algemeen

Deze paragraaf behandelt de praktische aanwijzingen die betrekking hebben op:

  • het goederenverkeer in het kader van de douane-unie tussen de Europese Unie en Turkije (paragraaf 6.9.2);

  • bijlage IV bij het LGO-Besluit dat gaat over goederen van herkomst uit het vrije verkeer van de Landen en Gebieden Overzee (paragraaf 6.9.3).

Naar boven

6.9.2 Herkomst uit het vrije verkeer van Turkije

De Europese Unie en Turkije vormen te samen een douane-unie. Een van de kenmerken van een douane-unie is dat er geen douanerechten in het onderlinge handelsverkeer worden geheven indien goederen zich in de douane-unie in het vrije verkeer bevinden. Dit betekent dat goederen die zich in het vrije verkeer van Turkije bevinden zonder betaling van douanerechten kunnen worden ingevoerd in de Europese Unie en goederen die zich in het vrije verkeer van de Europese Unie bevinden in Turkije kunnen worden ingevoerd zonder betaling van douanerechten. De douanebepalingen die hierbij in acht moeten worden genomen zijn opgenomen in Besluit nr.1/2006 van het Comité Douanesamenwerking Europese Unie-Turkije.

Bij invoer moet de aangever de herkomst uit het vrije verkeer aantonen met een certificaat inzake goederenverkeer A.TR.

Let op

De douane-unie heeft geen betrekking op ijzer- en staalproducten en op bepaalde landbouwproducten. (Zie hiervoor Bijlage 3 van dit onderdeel) De douane-unie heeft evenmin betrekking op bij invoer eventueel verschuldigde anti-dumpingrechten indien de goederen een bepaalde oorsprong hebben.

Afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer A.TR.

Certificaten inzake goederenverkeer A.TR worden afgegeven door de douane.

Certificaten A.TR kunnen onder bepaalde voorwaarden ook door de exporteurs zelf worden afgegeven.

De exporteur dient daartoe te beschikken over een vergunning Toegelaten Exporteur (zelf afgifte certificaten A.TR). Deze procedure is beschreven in hoofdstuk 7.

Dit onderdeel beperkt zich tot de afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer A.TR door de Douane. Voordat u een certificaat A.TR afgeeft, gaat u na of de te exporteren goederen zich in het vrije verkeer bevinden.

Goederen bevinden zich in het vrije verkeer van de Europese Unie indien zij:

  1. volledig in de Europese Unie zijn voortgebracht;

  2. in de Europese Unie geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd met gebruikmaking van materialen uit derde landen die zich in de Europese Unie in het vrije verkeer bevinden;

  3. zijn ingevoerd uit derde landen en zich in de Europese Unie in het vrije verkeer bevinden;

Goederen uit derde landen bevinden zich in het vrije verkeer van de Europese Unie als de invoerformaliteiten in de Europese Unie zijn vervuld en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan. Bovendien mag er geen gehele of gedeeltelijke teruggave van de douanerechten of heffingen zijn verleend.

De procedure bij afgifte van certificaten A.TR voor goederen als bedoeld bij de letters a tot en met c verloopt als volgt:

  1. De exporteur of diens gemachtigde overhandigt u een formulier A.TR in enkelvoud.

  2. Er volgen nu enkele ambtelijke werkzaamheden:

    1. Ga na of de goederen van herkomst zijn uit het vrije verkeer. Is dat niet het geval, dan viseert u het formulier niet maar geeft het onbehandeld terug.

    2. Ga na of het formulier is ingevuld en opgemaakt overeenkomstig de op de achterzijde van het formulier gegeven aanwijzingen. Als het formulier hieraan niet voldoet, geeft u het, onder opgaaf van redenen, onbehandeld terug.

    3. Beoordeel of de goederen zodanig op het formulier zijn omschreven dat u ze aan de hand van die omschrijving kunt identificeren. Als u de goederen aan de hand van de omschrijving niet kunt identificeren, geeft u het formulier, onder opgaaf van redenen, onbehandeld terug.

    4. Trek een horizontale lijn in het vak goederenomschrijving onmiddellijk na de laatste vermelding.

    5. Op de met betrekking tot de uitvoer ingeleverde aangifte (EX A) moet de exporteur of diens gemachtigde de aantekening "A.TR -certificaat" (linksboven in letters van ongeveer 1 cm hoogte) en het nummer van het af te geven certificaat, hebben aangebracht. Is dat niet het geval, stel dan de exporteur of diens gemachtigde in de gelegenheid dit alsnog te verzorgen.

    6. Als aan de in a, b, c, d en e omschreven criteria is voldaan, viseert u het formulier. Door deze handeling maakt u het formulier tot certificaat. Het viseren houdt het volgende in: Vul in vak 12 op de daarvoor bestemde plaatsen in:

      • het soort en het nummer van de aangifte ten uitvoer bij het certificaat hoort;

      • de datum van afgifte van de aangifte ten uitvoer;

      • de naam van uw douanekantoor;

      • de naam van het land van afgifte van het certificaat (dus "Nederland");

      • de plaats van afgifte van het certificaat;

      • de datum van afgifte van het certificaat;

      • uw handtekening met daaronder uw naam in blokletters.

    7. Plaats tot slot een afdruk van het metalen dienststempel in het rechtergedeelte van vak 12.

  3. Geef het geviseerde certificaat terug aan de exporteur of diens gemachtigde.

Afgifte na de uitvoer

In principe viseert u een certificaat A.TR op het moment van uitvoer. Onder bepaalde voorwaarden kunt u echter ook certificaten A.TR na de uitvoer viseren.

Deze zogenaamde afgifte achteraf beperkt zich echter tot uitzonderingsgevallen; alleen als ten gevolge van een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden het certificaat niet bij de uitvoer is geviseerd, geeft u alsnog een certificaat af. Het is dus niet de bedoeling dat u van de uitzondering een "normale" werkwijze maakt.

Voordat u tot afgifte achteraf kunt overgaan, moet de exporteur of diens gemachtigde een verzoek daartoe hebben ingediend bij de inspecteur in wiens ambtsgebied de aangifte ten uitvoer is gedaan.
Het is mogelijk dat de inspecteur deze werkzaamheden heeft gedelegeerd aan de eenheid waar de aangifte ten uitvoer is gedaan. Uiteraard moet de exporteur of diens gemachtigde zijn verzoek dan aan deze eenheid zenden.

Om een spoedige behandeling van het verzoek te bevorderen, doet de exporteur of diens gemachtigde er goed aan:

  1. op het verzoek de woorden te vermelden "certificaten na de uitvoer";

  2. opgave te doen van:

    • het douanekantoor waar de uitvoeraangifte(n) is/zijn behandeld;

    • de naam van de exporteur van de goederen;

    • het vervoermiddel (bijvoorbeeld de naam van het schip, het kenteken van het voertuig) waarmee de goederen zijn uitgegaan;

    • soort van de aangifte(n) ten uitvoer;

    • datum van aangifte(n) ten uitvoer;

    • datum waarop en het douanekantoor waar de goederen daadwerkelijk zijn uitgegaan;

    • de omstandigheden waaraan het te wijten is dat de visering achteraf wordt gevraagd.

Voordat u het certificaat viseert stelt u vast:

  1. dat de goederen in het gebied van uw eenheid aanwezig zijn geweest. Als de goederen de Europese Unie per schip hebben verlaten kunt u dit nagaan door het zogenaamde "uitgaande manifest" te controleren;

  2. dat er sprake is van een vergissing, een onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden;

  3. dat het certificaat is ondertekend door de exporteur. Als het certificaat is ondertekend door een gemachtigde, aanvaardt u dat alleen als de gemachtigde daarbij een machtiging van de exporteur overlegt;

  4. dat de goederen daadwerkelijk zijn uitgevoerd.

Bij visering verricht u de eerder de eerder onder 2.a vermelde handelingen. Het enige afwijkende ten opzichte van die werkzaamheden is, dat u op achteraf af te geven certificaten in het vak "opmerkingen" de vermelding "Afgegeven á posteriori" plaatst.

Duplicaten

U geeft alleen een duplicaat af op schriftelijk verzoek van de exporteur of diens gemachtigde. Uiteraard geeft u dat duplicaat pas af nadat u heeft vastgesteld dat het teloorgegane certificaat op uw eenheid is afgegeven.
Kunt u dat laatste niet vaststellen of blijkt dat het teloorgegane certificaat op een ander douanekantoor is afgegeven, dan geeft u geen duplicaat af en verwijst u de exporteur of diens gemachtigde naar de andere eenheid.
Bij het verzoek moet de exporteur of diens gemachtigde een volledig ingevuld exemplaar van het certificaat overleggen. Voorts moet men aannemelijk maken dat al eerder een certificaat werd geviseerd.

U verricht de volgende werkzaamheden:

  1. Stel in vak 8 de aantekening "DUPLICATE", alsmede de clausule "origineel certificaat nr...... geviseerd d.d. ..... te ...........(land en plaats van afgifte).

  2. Voorzie die aantekening van een afdruk van het metalen dienststempel en van een paraaf.

  3. Stel vast dat de verklaring van de exporteur hetzelfde gedateerd is als de verklaring op het originele certificaat.

  4. Viseer het certificaat.

Splitsing/vervanging

Certificaten A.TR kunnen worden gesplitst. De procedure is gelijk aan de vervangingsprocedure bij certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en EUR-MED (zie paragraaf 6.4.8).
In vak 8 van het vervangende certificaat A.TR moet de volgende aantekening worden gesteld: "replacement certificate (original A.TR no. ………. Afgegeven op ……….)"
U bewaart het oorspronkelijke certificaat en kopieën van de afgegeven vervangingscertificaten gedurende drie jaar op uw eenheid.
De geldigheidsduur van de vervangingscertificaten is gelijk aan die van het oorspronkelijke certificaat.

Aanvaarden bij invoer

Ten bewijze dat goederen uit Turkije zich aldaar in het vrije verkeer hebben bevonden, moet bij invoer worden geleverd door een certificaat inzake goederenverkeer A.TR. Het model van het certificaat A.TR is opgenomen als bijlage I bij Besluit nr. 1/2006. Hierna volgen een aantal aanwijzingen.

Rechtstreeks vervoer

Ook voor het goederenverkeer in het kader van de douane-unie met Turkije geldt de eis dat de goederen rechtstreeks moeten zijn vervoerd.
Producten die één enkele zending vormen, mogen echter wel via een ander grondgebied dan dat van de Europese Unie of Turkije word en vervoerd -eventueel met overslag of tijdelijke opslag- voor zover zij op dat andere grondgebied onder toezicht van de douane zijn gebleven en geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om die producten in goede staat te bewaren. Ook mogen producten per pijplijn over een ander grondgebied zijn vervoerd.
Wanneer het vervoer inderdaad via een ander grondgebied plaatsvond, kan de aangever/importeur het bewijs van rechtstreeks vervoer leveren door het overleggen van:

  1. één enkel vervoerdocument dat het vervoer dekt vanuit het land van uitvoer door het land van doorvoer, of

  2. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat van non manipulatie, waarin:

    • de producten nauwkeurig zijn omschreven,

    • de data zijn vermeld waarop de producten zijn gelost en opnieuw zijn geladen, in voorkomend geval met opgave van de naam van gebruikte schepen of met opgave van de andere gebruikte vervoermiddelen; in dat certificaat moet een verklaring zijn opgenomen betreffende voorwaarden waaronder de producten in het land van doorvoer verbleven, of

    • bij ontbreken van hiervoor genoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

(artikel 6 Besluit 1/2006)

Geldigheidsduur

Een certificaat A.TR heeft een geldigheidsduur van vier maanden na afgifte in Turkije en moet dus binnen deze termijn worden gebruikt bij doen van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen. Certificaten waarvan de geldigheidsduur is verstreken kunnen vanzelfsprekend niet meer worden gebruikt tenzij bij het doen van de aangifte voor het in het vrije verkeer:

  1. door de aangever wordt aangetoond dat de overschrijding van de termijn te wijten is aan overmacht of buitengewone omstandigheden. De aangever moet u dan schriftelijk verzoeken om het certificaat nog te aanvaarden. Als u het alsnog aanvaardt, stelt u op het certificaat de aantekening:

    "aangeboden d.d....... Alsnog aanvaard op grond van paragraaf 6.9.2 Handboek Douane (8.00.00)".

    Bij die aantekening plaatst u een afdruk van het metalen dienststempel, uw handtekening en uw naam in blokletters;

  2. de aangever aantoont dat het certificaat of de daarop vermelde goederen voor het verstrijken van de termijn bij de Douane zijn aangebracht. Dit komt voor bij goederen die eerder onder schorsingsregeling werden gebracht of onder douanetoezicht werden opgeslagen (artikel 8 Besluit 1/2006).

Taal

Het certificaat moet zijn gesteld in een van de officiële talen van de Europese Unie of in het Turks. In het laatste geval moet er ook een vertaling in een van de talen op het certificaat staan. Overigens kan de Douane altijd een vertaling van de inhoud van het certificaat in het Nederlands, Frans, Duits of Engels eisen artikel 9 Besluit 1/2006).

Postverkeer met Turkije

Postzendingen (met inbegrip van postpakketten) in het onderlinge verkeer tussen de Europese Unie en Turkije worden geacht in het vrije verkeer te zijn, tenzij er op de verpakking of de begeleidende documenten een rechthoekig geel etiket (49 x 23 mm) is aangebracht waaruit blijkt dat de goederen niet in het vrije verkeer zijn. In het etiket is de tekst "Goederen die niet in het vrije verkeer zijn in de douane-unie tussen de EU en Turkije" opgenomen (artikel 19 Besluit 1/2006).

Reizigersverkeer

Door reizigers vanuit Turkije meegebrachte goederen worden geacht herkomstig te zijn uit het vrije verkeer als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de goederen moeten niet zijn bestemd voor handelsdoeleinden;

  • de reiziger moet de goederen aangeven als zijnde herkomstig uit het vrije verkeer en u heeft geen twijfels aan die aangifte (artikel 18 Besluit 1/2006).

Aan particulieren gerichte kleine zendingen

Voor aan particulieren gerichte kleine zendingen (andere dan de hiervoor behandelde postzendingen) moet aangever/importeur de herkomst uit het vrije verkeer op de gebruikelijke wijze aantonen door middel van een certificaat A.TR.

Administratieve samenwerking

De bepalingen die in paragraaf 5.7 staan zijn ook op certificaten A.TR van toepassing.

Naar boven

6.9.3 Herkomst uit het vrije verkeer LGO

Besluit nr. 2001/822/EG van Raad (LGO-Besluit) kent naast bepalingen die betrekking hebben op de oorsprong van goederen, bepalingen (Bijlage IV bij het LGO-Besluit) die betrekking hebben op goederen die niet van oorsprong zijn uit een LGO maar die na in een LGO in het vrije verkeer te zijn gebracht worden ingevoerd in de Europese Unie. Deze paragraaf gaat uitsluitend over goederen van oorsprong uit derde landen maar van herkomst uit het vrije verkeer van een LGO.

Uitvoercertificaat EXP

Voor bepaalde goederen van herkomst uit het vrije verkeer van een LGO verleent de Europese Unie preferentie bij invoer. Het is onmogelijk die bepaalde goederen te noemen, maar de regeling geldt in ieder geval niet voor:

  • landbouwproducten (bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en bepaalde verwerkte landbouwproducten;

  • producten waarvoor bij invoer in de Europese Unie kwantitatieve beperkingen en invoerverboden gelden;

  • producten waarvoor bij invoer in de Europese Unie anti-dumpingmaatregelen gelden. Voor deze categorieën goederen kan bij invoer alleen preferentie worden genoten als de oorsprong daarvan wordt aangetoond door middel van een geldig oorsprongsbewiijs en de goederen rechtstreeks naar de Europese Unie zijn vervoerd.

De aangever moet de herkomst uit het vrije verkeer aantonen met een uitvoercertificaat EXP (artikel 2 Bijlage IV bij het LGO-Besluit).

Als de aangever een uitvoercertificaat EXP aan u overlegt, gaat u er vanuit dat het certificaat is afgegeven voor de goederen waarvoor de preferentiële regeling geldt en dat de goederen van herkomst zijn uit het vrije verkeer van de LGO. Het bewijs is dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd van de LGO naar de Europese Unie moet worden geleverd door de aangever (zie voor de voorwaarde van rechtstreeks vervoer, paragraaf 6.3.7).

Let op

Uitvoercertificaten EXP mogen uitsluitend worden afgegeven door de douaneautoriteiten van een LGO. U mag dus geen uitvoercertificaten EXP afgeven. Het vervangen van uitvoercertificaten EXP is evenmin mogelijk.

Duplicaten

De regeling voorziet ook in de afgifte van duplicaten van uitvoercertificaten EXP. U mag echter nooit een duplicaat afgeven. Dat recht is alleen voorbehouden aan de douaneautoriteiten van een LGO.
Als de aangever/importeur een duplicaat aan u overlegt, dan blijkt dat uit een vermelding in vak 7:
"duplicado";
"duplikat";
"Griekse tekst";
"duplicate";
"duplicata";
"duplicato";
"duplicaat";
"segunda via".

Geldigheid van uitvoercertificaten EXP

Een uitvoercertificaat EXP heeft een geldigheidsduur van 10 maanden. Deze termijn begint op de datum van afgifte door de douaneautoriteiten van een LGO. Het uitvoercertificaat moet binnen deze termijn worden gebruikt bij invoer in de Europese Unie . Uitvoercertificaten EXP die na het verstrijken van de geldigheidsduur worden gebruikt, zijn vanzelfsprekend niet geldig tenzij bij het doen van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen:

  1. door de aangever wordt aangetoond dat de overschrijding van de termijn te wijten is aan overmacht of buitengewone omstandigheden. De aangever moet u schriftelijk verzoeken om het certificaat nog te aanvaarden. Als u het alsnog aanvaardt, stelt u op het certificaat de aantekening:

    "aangeboden d.d....... Alsnog aanvaard op grond van paragraaf 6.9.3.

    Bij die aantekening plaatst u een afdruk van het metalen dienststempel, uw handgeschreven handtekening en uw naam in blokletters.

  2. de aangever aantoont dat het certificaat of de daarop vermelde goederen voor het verstrijken van de termijn bij u zijn aangeboden. Dit komt vaak voor bij goederen die eerder onder een schorsingsregeling werden gebracht of onder douanetoezicht werden opgeslagen.

Taal

Het uitvoercertificaat EXP moet zijn ingevuld in een van de officiële talen van de Europese Unie. De Douane kan te allen tijde een vertaling eisen in het Nederlands, Frans, Duits of Engels.

Administratieve samenwerking

De bepalingen die in paragraaf 6.7 staan, zijn ook op uitvoercertificaten EXP van toepassing.

Naar boven

6.9.4 Uitvoer van tabak naar Andorra

Op 29 november 2001 is voor tabaksproducten van de GS posten 2402 en 2403 die zijn vervaardigd uit ruwe tabak die zich in de Europese Unie in het vrije verkeer bevindt een speciale regeling tot stand gekomen. Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 12, lid 2, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Andorra en voorziet in een preferentiële behandeling bij invoer van deze producten in Andorra.

Certificaat

Als bewijs dat de goederen aan deze eisen voldoen dient een speciaal vastgesteld certificaat dat wordt afgegeven bij uitvoer uit de Europese Unie. Het model van dit certificaat is opgenomen als bijlage bij Verordening (EG) nr. 2302/2001. Omdat naar verwachting geen groot gebruik van deze regeling zal worden gemaakt is er van af te zien dit certificaat in Nederland in druk te nemen. Exporteurs die van deze regeling gebruik willen maken dienen het certificaat zelf vervaardigen.

Afgifte certificaat

Het certificaat wordt op verzoek van de exporteur of diens gemachtigde afgegeven door de Douane indien de producten de vereiste bewerkingen in de Europese Unie hebben ondergaan en zijn vervaardigd uit ruwe tabak van herkomst uit het vrije verkeer van de Europese Unie. De afgifte geschiedt zonder tussenkomst van de Kamer van Koophandel op het moment dat de aangifte ten uitvoer wordt gedaan. In uitzonderingsgevallen mag de afgifte achteraf (tot maximaal 3 maanden na de uitvoer) plaatsvinden.

Geldigheidsduur van het certificaat

Het certificaat is 4 maanden geldig en moet binnen deze termijn bij de Andorrese Douane worden ingediend. Onder speciale voorwaarden is aanvaarding na deze termijn mogelijk.

Verbod op teruggaaf of vrijstelling van douanerechten

Voor de ruwe tabak die is gebruikt bij de vervaardiging van de tabaksproducten en waarvoor bij uitvoer een certificaat is afgegeven kan geen teruggaaf of vrijstelling van douanerechten plaatsvinden. De bepalingen die in paragraaf 2.3.33 staan zijn hier van toepassing.

Bewaarplicht certificaten en bewijsstukken

De exporteur die om afgifte van een certificaat heeft verzocht dient alle bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de tabaksproducten de vereiste bewerkingen hebben ondergaan en communautaire goederen zijn, ten minste 7 jaar te bewaren.

Administratieve samenwerking

De bepalingen die in paragraaf 6.7 staan zijn ook op deze certificaten van toepassing.

Naar boven