Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

23.00.00 Uitklaring

2 Formaliteiten voor goederen die het douanegebied van de EU verlaten

2.1 Algemeen

Goederen die het douanegebied van de EU verlaten, zijn onderworpen aan douanetoezicht en kunnen aan douanecontroles worden onderworpen. In het kader van het douanetoezicht moeten de goederen, voordat zij mogen uitgaan, worden aangebracht bij het kantoor van uitgang. De nationale douaneautoriteiten kunnen voorschrijven dat de goederen vanaf het kantoor van uitgang langs bepaalde routes en op een bepaalde wijze het douanegebied moeten verlaten.
(artikel 183 CDW, artikel 793 lid 1 TVo.CDW)

Dit hoofdstuk gaat in op de formaliteiten die gelden voor goederen die uitgaan.

Naar boven

2.2 ‘Fictie van uitgaan’

De Algemene douanewet bevat een bepaling die aangeeft dat van goederen die zich in een bepaalde situatie bevinden, wordt aangenomen dat zij het douanegebied van de EU verlaten. Door deze fictiebepaling wordt ook van goederen die zich in een dergelijke situatie bevinden maar die niet bestemd zijn om uit te gaan, aangenomen dat zij het douanegebied gaan verlaten.
De ‘fictie van uitgaan’ geldt voor:

  1. Goederen die zijn geladen in schepen die op weg zijn naar zee of aanstonds naar zee vertrekken en goederen die op het punt staan om in die schepen te worden geladen.

  2. Goederen die zijn geladen in luchtvaartuigen die aanstonds gaan opstijgen en goederen die op het punt staan om in die luchtvaartuigen te worden geladen.

(artikel 5:1 van de Algemene douanewet)

Let op!

De fictie van uitgaan geldt alleen voor de zich aan boord bevindende goederen en niet voor het actieve vervoermiddel (schip en luchtvaartuig) zelf.

Doordat voor de genoemde goederen wordt aangenomen dat zij het douanegebied van de EU gaan verlaten, moeten daarvoor formaliteiten worden verricht, zoals het doen van een douaneaangifte, aanbrengen bij het kantoor van uitgang en het doen van een aangifte ten uitklaring. Aan beide leden van artikel 5:1 van de Algemene douanewet is het zinsdeel ”tenzij blijkt dat de goederen bestemd zijn voor een plaats in het douanegebied van de EU en het vervoer zal geschieden zonder dat het schip (luchtvaartuig) het douanegebied van de EU uitgaat” toegevoegd. Dit omdat het niet de bedoeling is dat al deze formaliteiten ook worden verricht voor goederen die in een binnenlandse supermarkt zijn gekocht en die aan boord van een pleziervaartuig over zee van de ene naar de andere Nederlandse haven worden vervoerd.Voor goederen die aanwezig zijn op een pleziervaartuig mag worden aangenomen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. De goederen worden niet aangemerkt als goederen die over zee het douanegebied van de EU zullen uitgaan. Zij hoeven niet ten uitvoer te worden aangegeven, hoeven niet te worden aangebracht bij het kantoor van uitgang en een aangifte ten uitklaring blijft achterwege. Er hoeft evenmin een summiere aangifte te worden gedaan omdat hier geen sprake is van goederen die het douanegebied van de EU verlaten.

Hetzelfde geldt voor goederen uit het vrije verkeer die als lading door de beroepsvaart worden vervoerd (bijvoorbeeld een partij hout die over zee van Rotterdam naar Amsterdam wordt vervoerd). Als het schip tijdens het vervoer binnen de 12 mijlszone blijft, valt de partij hout niet onder de fictie van uitgaan en hoeven hiervoor geen douaneformaliteiten bij uitgaan (aangeven, aanbrengen, uitklaren) te worden verricht.

Goederen die aanwezig zijn op een jacht waarvan bekend is dat het een wereldreis gaat maken, vallen niet onder de uitzondering op de fictie van uitgaan en dat betekent dat hiervoor de normale formaliteiten bij uitgaan moeten worden vervuld.
Hetzelfde geldt voor goederen die door de beroepsvaart als lading worden vervoerd (bijvoorbeeld in containers die in Rotterdam aan boord van een containerschip zijn geladen). De geladen goederen worden aangemerkt als goederen die over zee het douanegebied van de EU zullen uitgaan en moeten ten uitvoer (of wederuitvoer) worden aangegeven. Ook de overige formaliteiten bij uitgaan (aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang en aangifte ten uitklaring) moeten worden vervuld.

Naar boven

2.3 Douaneaangifte

In beginsel moet, als goederen het douanegebied verlaten, een douaneaangifte worden gedaan. Als een douaneaangifte niet is vereist, moet een summiere aangifte worden gedaan.

In de volgende gevallen moet voor het verlaten van het douanegebied van de EU een douaneaangifte worden gedaan:

  1. bij uitvoer van communautaire goederen. Zie voor de bepalingen bij plaatsing van goederen onder de douaneregeling uitvoer onderdeel 20.00.00 van dit Handboek.
    (artikel 59 CDW)

  2. bij wederuitvoer van niet-communautaire goederen die tijdens hun verblijf in het douanegebied van de EU onder een economische douaneregeling waren geplaatst. Zie voor de bepalingen over het geven van de douanebestemming wederuitvoer onderdeel 20.00.00.
    (artikel 182 lid 3 CDW)

De douaneaangiften moeten de in bijlage 30bis TVo.CDW genoemde gegevens voor een summiere aangifte bij uitgang bevatten.
(artikel 182ter lid 3 CDW; artikel 216 TVo.CDW)

(weder)uitvoer gevolgd door vervoer
De ten uitvoer of wederuitvoer aangegeven goederen kunnen onder een vervoersregeling (bijvoorbeeld intern of extern douanevervoer, TIR of CIM) worden overgebracht naar het kantoor van uitgang of naar een kantoor van bestemming dat buiten het douanegebied van de EU is gelegen.

Voorbeeld

Een ten uitvoer aangegeven zending wordt onder de regeling Gemeenschappelijk douanevervoer (T2) naar een EVA-land vervoerd. Op het moment dat de aangifte voor douanevervoer geldig wordt gemaakt, wordt de regeling uitvoer beëindigd en wordt het toezicht en de controle op het daadwerkelijk uitgaan overgenomen door de aangifte voor douanevervoer.

In de aangifte ten uitvoer wordt als kantoor van uitgang opgegeven het kantoor van vertrek voor vervoer en wordt met een bescheidscode verwezen naar de opvolgende vervoersregeling. Zie voor de bescheidscodes het Codeboek Douane, onderdeel Uitvoer, tabel T03 – Bescheidcode. In vak 40 van de aangifte voor douanevervoer moet worden verwezen naar de aangifte ten uitvoer onder vermelding van het aangiftenummer (MRN).
De koppeling NCTS-ECS zorgt dat de aangever van de aangifte ten uitvoer een bevestiging van uitgaan krijgt zodra de aankomst bij het kantoor van uitgang (kantoor van vertrek) is gemeld. Dit kan:

  1. een automatische aankomstmelding uit DSU/AGS zijn (als het kantoor waar de aangifte ten uitvoer wordt ingediend gelijk is aan het kantoor van vertrek van de vervoersaangifte)

  2. een aankomstmelding door een trader at exit zijn (als de aangifte ten uitvoer niet direct wordt opgevolgd door een vervoersaangifte, maar bijvoorbeeld pas op een aanbrenglocatie binnen het in de aangifte ten uitvoer opgegeven voorziene kantoor van uitgang)

  3. een aankomstmelding door de Douane zijn (bijvoorbeeld bij een aangifte voor douanevervoer met een carnet TIR)

Let op!

In de onder b. genoemde situatie is aanbrengen uitsluitend mogelijk op een aanbrenglocatie die is opgenomen in het Codeboek Douane, onderdeel ECS Uitgaan, tabel Z01 – Aanbrenglocaties.


Als de ten uitvoer of wederuitvoer aangegeven goederen over zee of via de lucht naar het kantoor van uitgang worden overgebracht, kan het vervoer vereenvoudigd plaatsvinden onder dekking van een aangifte voor douanevervoer bestaande uit een enkel manifest. De ten uitvoer aangegeven goederen moeten in het manifest worden geïdentificeerd met een “X”; de voor wederuitvoer aangegeven goederen moeten in het manifest worden geïdentificeerd met “T1”, overeenkomstig de artikelen 445 lid 3 onder e) respectievelijk a) en 448 lid 3 onder e) respectievelijk a) TVo.CDW.
In het vervoersdocument of manifest wordt een verwijzing naar de aangifte ten (weder)uitvoer opgenomen, en omgekeerd. Het kantoor van vertrek bevestigt direct aan de aangever/exporteur dat de goederen zijn uitgegaan.
(artikel 793ter leden 1 en 2 TVo.CDW)

Naar boven

2.4 Summiere aangifte

Als voor het verlaten van het douanegebied van de EU geen douaneaangifte is voorgeschreven, moet bij het kantoor van uitgang een summiere aangifte bij uitgang worden ingediend voordat de goederen buiten het douanegebied worden gebracht.

Als een ingediende aangifte ten (weder)uitvoer niet de in bijlage 30bis TVo.CDW opgenomen veiligheidsgegevens bevat, moet bij uitgang alsnog een summiere aangifte worden ingediend.

Een voorbeeld van een situatie waarin geen douaneaangifte is vereist, is het uitgaan van goederen vanuit een ruimte voor tijdelijke opslag (RTO). Als goederen vanuit een RTO rechtsreeks het douanegebied van de EU verlaten, moet een summiere aangifte bij uitgang worden ingediend.
De Douane kan toestaan dat de summiere aangifte bij een ander douanekantoor wordt ingediend of wordt vervangen door een kennisgeving.
(artikel 182quater CDW; artikel 842bis lid 1 TVo.CDW)

De gegevens in de summiere aangifte bij uitgang worden hoofdzakelijk gevraagd om redenen van veiligheid en beveiliging. De gegevens zijn nodig voor een risicoanalyse en de juiste toepassing van douanecontroles.
(artikel 182quinquies lid 1 CDW)

De summiere aangifte bij uitgang moet worden ingediend door de vervoerder, maar met diens instemming mag de aangifte ook worden ingediend door de houder van een faciliteit voor tijdelijke opslag (RTO) of een andere gemachtigde persoon.
(artikel 182quinquies lid 3 CDW; artikel 842bis lid 5 TVo.CDW)

De summiere aangifte bij uitgang moet elektronisch worden ingediend en moet de in bijlage 30bis TVo.CDW genoemde gegevens bevatten.
(artikel 182quinquies lid 2 CDW en artikel 842ter lid 1 TVo.CDW)

  • De indiener van de summiere aangifte bij uitgang mag deze wijzigen zolang de Douane:

  • nog niet te kennen heeft gegeven de goederen te willen onderzoeken

  • nog niet heeft geconstateerd dat de betrokken gegevens onjuist zijn of

  • nog geen toestemming heeft gegeven om de goederen weg te voeren

(artikel 182quinquies lid 4 CDW)

Ontheffing van summiere aangifte bij uitgang

In artikel 842bis leden 3 en 4 TVo.CDW wordt een groot aantal situaties opgesomd waarin een summiere aangifte bij uitgang niet is vereist. Er hoeft geen summiere aangifte te worden ingediend bij het uitgaan van:

  • goederen die bij het kantoor van uitgang worden aangebracht met een aangifte voor douanevervoer die de gegevens van de summiere aangifte bevat. Hier worden bedoeld de zendingen die vergezeld gaan van een begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid (TSAD)

  • elektrische energie

  • goederen die door middel van een pijpleiding uitgaan

  • brieven, drukwerk en goederen die volgens de voorwaarden van het Wereldpostverdrag worden vervoerd

  • goederen waarvoor een mondelinge aangifte of een aangifte door enige handeling mag worden gedaan

  • reizigersbagage

  • goederen die worden vervoerd onder dekking van carnets ATA of CPD of een formulier 302

  • goederen vervoerd met schepen of luchtvaartuigen die een lijndienst onderhouden

  • goederen die rechtstreeks naar boor- of productieplatforms of windturbines worden gebracht

  • zendingen met een intrinsieke waarde kleiner dan €22

  • diplomatieke goederen

  • scheeps- en luchtvaartuigonderdelen en -toebehoren, motorbrandstof, smeermiddelen e.d.

  • goederen die van de ene naar de andere haven of luchthaven in de EU worden vervoerd, ook als daarbij een haven of luchthaven buiten het douanegebied van de EU wordt aangedaan

  • goederen die aan boord zijn gebleven van het vervoermiddel waarmee ze zijn binnengebracht

  • goederen die binnen 14 dagen na binnenkomst worden overgeladen en in afwachting van het laden in het vertrekkende vervoermiddel in tijdelijke opslag verblijven

Let op!

De hiervoor gegeven opsomming is niet uitputtend. Voor de exacte voorwaarden waaronder de summiere aangifte achterwege kan blijven, wordt verwezen naar de artikelen 592bis en 842bis leden 3 en 4 TVo.CDW.

Let op!

Voor goederen, rechtstreeks vervoerd naar de volgende landen hoeft op basis van een internationale overeenkomsten geen summiere aangifte bij uitgang te worden gedaan. Deze landen behoren tot het veiligheidsgebied van de EU:

  • Noorwegen

  • Zwitserland (inclusief Liechtenstein)

  • Andorra

Naar boven

2.4.1 Kennisgeving

In Nederland is geen uitvoering gegeven aan de in artikel 182quater lid 3 CDW opgenomen mogelijkheid om de summiere aangifte bij uitgang te vervangen door een kennisgeving en het verlenen van toegang tot de gegevens van de summiere aangifte in het geautomatiseerde systeem van de marktdeelnemer.

Naar boven

2.5 Douanetoezicht

Artikel 183 CDW bepaalt dat goederen die het douanegebied van de EUverlaten, onderworpen zijn aan douanetoezicht. Toezicht door de douaneautoriteiten is in artikel 4, lid 13, CDW omschreven als ”de activiteiten die door deze autoriteiten in het algemeen worden ontplooid ten einde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de bijzondere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn”.

Alle formaliteiten en verplichtingen die op basis van de communautaire en nationale wetgeving bij uitgaan moeten worden vervuld, zoals de verplichting om langs een bepaalde route het grondgebied van de EU te verlaten of om de goederen aan te brengen bij het kantoor van uitgang, vallen onder de noemer van douanetoezicht.
Bij het toezicht wordt onder andere gebruik gemaakt van het Export Control System (ECS). Hiermee kan snel worden vastgesteld of ten (weder)uitvoer aangegeven goederen de EU hebben verlaten. ECS voorziet in een elektronische uitwisseling van informatie tussen kantoren van uitvoer en kantoren van uitgang. Deze informatie omvat:

  • de gegevens van uitvoerzendingen

  • de resultaten van controles

  • de bevestiging dat de goederen de EU hebben verlaten

Het douanetoezicht eindigt als het kantoor van uitgang bevestigt dat de goederen het grondgebied van de EU hebben verlaten. Het douanetoezicht eindigt ook als de aangifte ten uitvoer of wederuitvoer ongeldig wordt verklaard of de summiere aangifte bij uitgang wordt geacht niet te zijn ingediend omdat na 150 dagen na vrijgave van de goederen voor uitvoer of na het indienen van de summiere aangifte bij uitgang niet is gebleken dat de goederen het douanegebied van de EU hebben verlaten.
(artikelen 796sexies en 842septies TVo.CDW)

Naar boven

2.6 Kantoor van Uitgang

Het kantoor van uitgang is in artikel 4 lid 4quinquies CDW gedefinieerd als “het door de douaneautoriteiten overeenkomstig de douanewetgeving aangewezen douanekantoor waar goederen moeten worden aangebracht voordat zij het douanegebied van de EU verlaten en waar zij onderworpen zijn aan douanecontroles welke verband houden met de uitgangsformaliteiten en aan passende, op een risicoanalyse gebaseerde controles”.

Het douanekantoor van uitgang wordt ook omschreven als het laatste douanekantoor voordat de goederen het douanegebied van de EU verlaten. Wanneer goederen het douanegebied over zee of door de lucht zullen verlaten, is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het schip of luchtvaartuig worden geladen waarmee zij naar een bestemming buiten het douanegebied van de EU zullen worden vervoerd.
(artikelen 793 lid 2 en 842bis lid 2 TVo.CDW)

De douanekantoren die als kantoor van uitgang zijn aangewezen voor goederen die over zee het douanegebied van de EU verlaten, zijn opgenomen in bijlage III bij de Algemene douaneregeling.
(artikel 6:1 lid 1 Algemene douaneregeling)

De douanekantoren die als kantoor van uitgang zijn aangewezen voor goederen die door de lucht het douanegebied van de EU verlaten, zijn opgenomen in bijlage IV bij de Algemene douaneregeling.
(artikel 6:1 lid 2 Algemene douaneregeling)

De bijlagen noemen de plaatsen (plaatsnamen) waar kantoren van uitgang zijn gevestigd voor het aanbrengen en aangeven van goederen die zullen uitgaan. Bij dit kantoor kunnen alle goederen worden aangebracht die binnen het ambtsgebied van dit kantoor arriveren. De ambtsgebieden van de kantoren van uitgang zijn opgenomen in de kantorenlijst die u kunt vinden op www.douane.nl.

Enige voorbeelden ter verduidelijking. In Rotterdam is het kantoor van uitgang gevestigd voor schepen en goederen die via de havens van Heijplaat, Hoek van Holland, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Vlaardingen en Zwijndrecht uitgaan en in Duiven is het kantoor van uitgang gevestigd voor luchtvaartuigen en goederen die via de internationale luchthavens van Hilversum, Lelystad Airport en Teuge uitgaan.

Het kantoor van uitgang moet overeenstemmingscontroles verrichten en er op toezien dat de goederen het douanegebied van de EU daadwerkelijk verlaten. Zie hiervoor paragraaf 2.8.
(artikel 793bis lid 1 TVo.CDW)

Naar boven

2.7 Aanbrengen bij het kantoor van uitgang

Aanbrengen bij de douane is in artikel 4 lid 19 CDW gedefinieerd als ”mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats”.

Op de exporteur (in het geval van uitvoer) of de aangever (in het geval van wederuitvoer) rusten de bijzondere verplichtingen die uit de aanvaarding van de douaneaangifte voortvloeien. Eén van die verplichtingen is dat de goederen moeten worden aangebracht bij het kantoor van uitgang. De verplichting om aan te brengen, rust dus op de exporteur of de aangever. Hij kan de goederen ook namens hem laten aanbrengen door een andere persoon (in vertegenwoordiging). De persoon die de aankomst aan de Douane meldt, wordt aangeduid met ‘trader at exit’.
(artikel 64 lid 2 CDW; artikelen 793 lid 1 en 841 TVo.CDW)

De aankomstmelding moet op elektronische wijze plaatsvinden. Voor (weder)uitvoer aangegeven goederen vindt dit plaats door een elektronisch bericht in het Export Control System (ECS).
(artikel 796quater TVo.CDW; artikel 6:1a Algemene douaneregeling)

De aankomstmelding bevat onder andere de volgende informatie:

  • het Movement Reference Number (MRN)

  • het kantoor van uitgang waar de aankomst wordt gemeld

  • de datum en het tijdstip waarop de goederen zijn aangekomen

  • de plaats waar de goederen zich bevinden

De volledige lijst van functionele gegevenselementen die in het elektronische bericht moeten worden opgenomen, is opgenomen in bijlage IXa, Titel I, bij de Algemene douaneregeling.

Als bij het kantoor van uitgang goederen worden aangebracht die niet door een douaneaangifte worden gedekt terwijl er wel een douaneaangifte is voorgeschreven of als de douaneaangifte niet alle gegevens bevat die voor een summiere aangifte bij uitgang zijn vereist, moet de vervoerder die de goederen buiten het douanegebied wil brengen onmiddellijk alsnog een douaneaangifte indienen die wel voldoet of de douaneaangifte aanvullen met een summiere aangifte bij uitgang.
(artikel 592septies TVo.CDW)

Naar boven

2.7.1 Vergunning Elektronisch berichtenverkeer uitgaan

Voor het versturen van een elektronische aankomstmelding is een "Vergunning elektronisch berichtenverkeer uitgaan" vereist. Het aanvraagformulier is te vinden op www.douane.nl. In de vergunning staan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan.
(artikel 1:11 Algemene douaneregeling)

Naar boven

2.7.2 Ontheffing van de aanbrengplicht

Oorlogsschepen en militaire luchtvaartuigen, pleziervaartuigen, vissersschepen die zijn voorzien van een aanduiding waaruit de haven waar zij thuishoren blijkt, sleepboten, vaartuigen voor het verrichten van loodsdiensten, reddingsboten, schepen en luchtvaartuigen van de Nederlandse Kustwacht en schepen die over zee van een in Nederland gelegen haven naar een andere in Nederland gelegen haven gaan, hoeven niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang.
(artikel 6:4 lid 1 Algemene douaneregeling)

De ontheffing geldt niet als ter zake van de uitvoer of wederuitvoer of met het oog op het verkrijgen van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer bij het kantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.
(artikel 6:4 lid 2 Algemene douaneregeling)

Zie ook de specifieke bepalingen voor schepen (hoofdstuk 3) en luchtvaartuigen (hoofdstuk 4).

Naar boven

2.7.3 Uitwijk

In de praktijk komt het voor dat zendingen die uitgaan bij een ander kantoor van uitgang worden aangebracht dan het in de aangifte ten (weder)uitvoer opgegeven voorziene kantoor van uitgang. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als het uitgaande vervoermiddel de voorziene (lucht)haven niet aandoet. De goederen worden dan, in beginsel onder geleide van het UGD, vervoerd naar de (lucht)haven waar het vervoermiddel wel aankomt. Dit kan in een andere lidstaat zijn. De goederen moeten bij het feitelijke kantoor van uitgang worden aangebracht.

Naar boven

2.8 Overeenstemmingscontroles bij uitgaan

Het kantoor van uitgang moet op risicoanalyse gebaseerde controles verrichten voordat de goederen het douanegebied van de EU verlaten. Bij deze controles wordt vooral nagegaan of de aangebrachte goederen overeenstemmen met de aangegeven goederen. Deze controles worden aangeduid met overeenstemmingscontroles. Zie hiervoor ook par 2.5.2. van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek.
(artikel 793bis lid 1 TVo.CDW)

Als de aangifte ten uitvoer of voor wederuitvoer bij een ander kantoor dan het kantoor van uitgang is ingediend, stuurt het kantoor van uitvoer, met behulp van het ‘voorafgaande bericht van uitgang’, een aantal aangiftegegevens naar het in de aangifte opgenomen voorziene kantoor van uitgang. Deze zogenaamde ‘vooraanmelding’ is een elektronisch bericht (in ECS). Op basis van de gegevens in de vooraanmelding bepaalt het kantoor van uitgang of de zending zal worden gecontroleerd. Zodra het bericht wordt ontvangen dat de goederen bij het kantoor van uitgang (of bij een erkende aanbrenglocatie) zijn aangekomen, volgt een responsbericht aan de trader at exit. In dit bericht wordt tevens aangegeven of de zending voor controle is geselecteerd (‘mededeling controle’). De controle vindt plaats in overleg met en, desgewenst, in aanwezigheid van de trader at exit, exporteur of aangever.
(artikelen 796ter en 796quinquies lid 1 TVo.CDW)

Controlebevindingen

Bij de overeenstemmingscontrole kunnen:

  1. meer goederen worden bevonden dan aangegeven

  2. minder goederen worden bevonden dan aangegeven

  3. andere goederen worden bevonden dan aangegeven

Ad 1. De in de aangifte vermelde hoeveelheid mogen het douanegebied van de EU verlaten. De meer bevonden goederen mogen het douanegebied van de EU pas verlaten nadat daarvoor alsnog de uitvoerformaliteiten (douaneaangifte) zijn vervuld.
Ad 2. Het bevonden tekort wordt door het kantoor van uitgang aangetekend op de aangifte en gemeld aan het kantoor van uitvoer. De aanwezig bevonden goederen mogen uitgaan.
Ad 3. De bevonden goederen mogen het douanegebied van de Gemeenschap pas verlaten nadat daarvoor de uitvoerformaliteiten (douaneaangifte) zijn vervuld. Het kantoor van uitvoer wordt hiervan in kennis gesteld. De oorspronkelijke aangifte wordt gestopt en kan niet meer dienen voor het uitgaan van de goederen.
(artikel 793bis lid 5 TCDW)

Naar boven

2.9 Aangifte ten uitklaring

Voor alle goederen die aan boord van een schip of luchtvaartuig worden geladen om het douanegebied van de EU te verlaten, moet een aangifte ten uitklaring worden gedaan.
(artikel 6:2 lid 2 Algemene douaneregeling)

Let op!

In deze paragraaf wordt uitsluitend ingegaan op de aangifte ten uitklaring voor de goederen die het douanegebied van de EU zullen verlaten. De uitklaringsbepalingen voor een schip zijn opgenomen in hoofdstuk 3 en de uitklaringsbepalingen voor een luchtvaartuig zijn opgenomen in hoofdstuk 4.

De aangifte ten uitklaring moet worden gedaan door het op elektronische wijze inzenden van het douanemanifest bij uitgang.
(artikel 6:2 lid 4 Algemene douaneregeling)
De aangifte ten uitklaring voor de goederen wordt in Nederland gedaan door het op elektronische wijze inzenden van het ‘Bericht van lading’ in het douanesysteem Douanemanifest (DMF). De lijst van functionele gegevens in het ‘Bericht van lading’ zijn opgenomen in Titel II van bijlage IXa bij de Algemene douaneregeling.


Bij ieder gegevenselement in de lijst wordt toegelicht op welke wijze en/of vorm dit moet worden verstrekt. In veel gevallen wordt daarbij verwezen naar het Codeboek Douane, onderdeel ECS Uitgaan. De communicatie tussen indiener en douanekantoor vindt plaats door middel van standaardberichten via het systeem DMF. Deze standaardberichten zijn genummerd met de letters NLEC (Nederland Export Control) en een tweecijferig volgnummer. Een overzicht van alle NLEC-codes is opgenomen Codeboek Douane onderdeel uitgaan tabel N08.

De indiener van de aangifte ten uitklaring voor de goederen moet in het bezit zijn van een EORI-nummer (Economic Operators Registration and Identification Number). Voor meer informatie over het EORI-nummer zie onderdeel 1.00.00.

Naar boven

2.9.1 Termijn van indiening van de aangifte ten uitklaring

De aangifte ten uitklaring moet binnen 3 kalenderdagen na vertrek van het schip of luchtvaartuig worden gedaan.
(artikel 6:2 lid 5 Algemene douaneregeling)

De termijn is gebaseerd op kalenderdagen; weekenddagen tellen dus gewoon mee.
In de Memorie van Toelichting wordt voorts nog opgemerkt dat de termijn begint te lopen op de dag na het vertrek van het schip of luchtvaartuig.

Voorbeeld: Als een schip of luchtvaartuig op woensdag vertrekt, moet de aangifte ten uitklaring uiterlijk zaterdag worden gedaan. Het feit dat zaterdag een weekenddag is, doet niet ter zake omdat het om kalenderdagen gaat. Zaterdag is dus de laatste dag om de aangifte ten uitklaring te doen.

Op grond van artikel 6:2 lid 6 Algemene douaneregeling kan de inspecteur in uitzonderingsgevallen van de termijn van 3 kalenderdagen afwijken.
De termijn van 3 kalenderdagen wordt verlengd als de laatste dag van deze termijn op een nationale feestdag valt. In dat geval mag de aangifte ten uitklaring worden gedaan op de daarop volgende kalenderdag, niet zijnde een nationale feestdag.

Voorbeeld: Als een schip of luchtvaartuig op woensdag vertrekt, moet de aangifte ten uitklaring uiterlijk zaterdag worden gedaan. Als deze zaterdag een nationale feestdag is, mag de aangifte ten uitklaring op de eerstvolgende kalenderdag (zondag) worden gedaan. Als deze zondag ook een nationale feestdag is (bijvoorbeeld 2e kerstdag), wordt maandag de laatste dag waarop de aangifte ten uitklaring moet zijn gedaan.

Als zich in de termijn van 3 kalenderdagen een (of meerdere) nationale feestdagen bevinden, geldt de algemene regel dat de aangifte ten uitklaring uiterlijk op de derde kalenderdag na vertrek moet worden gedaan.

Voorbeeld: Als een schip of luchtvaartuig op woensdag vertrekt, moet de aangifte ten uitklaring uiterlijk zaterdag worden gedaan. Dit verandert niet als donderdag en vrijdag 1e en 2e kerstdag zijn.

In uitzonderlijke gevallen kan de inspecteur, op verzoek van een belanghebbende, van de termijn van 3 kalenderdagen afwijken. De inspecteur neemt dan een beslissing voor dit specifieke geval.
Het is niet toegestaan om artikel 6:2 lid 6 Algemene douaneregeling te gebruiken om de bepaling uit het vijfde lid op te rekken.

Naar boven

2.10 Toestemming tot vertrek (afgifte aangifte ten uitklaring)

De wettelijke bepalingen bevatten geen bepaling dat de bij het kantoor van uitgang aangebrachte goederen niet mogen worden weggevoerd zonder toestemming van de Douane. Een dergelijke bepaling is niet nodig omdat het vertrek van de goederen is gekoppeld aan het vertrek van het vervoermiddel waarin zij het douanegebied gaan verlaten.
De bij het kantoor van uitgang aangebrachte goederen mogen worden weggevoerd nadat de Douane toestemming tot vertrek heeft gegeven aan de gezagvoerder van het schip of luchtvaartuig waarmee de goederen het douanegebied van de EU zullen verlaten. De toestemming tot vertrek blijkt uit de acceptatie van de aangifte ten uitklaring die voor het schip of luchtvaartuig is gedaan. Deze ontvangt de indiener in de vorm van een elektronisch bericht (NLEC09). Zie ook onder de hoofdstukken 3 en 4.
(artikel 6:5 Algemene douaneregeling)

Naar boven

2.11 Goederen die uitgaan via pijpleiding of elektriciteitskabel

Voor goederen die uitgaan via een pijpleiding (bijvoorbeeld gas) of een elektriciteitskabel (elektriciteit) geldt een afwijkende definitie van kantoor van uitgang. Voor deze goederen is het kantoor van uitgang niet het laatste douanekantoor voordat de goederen het douanegebied van de EU verlaten maar het douanekantoor dat is aangewezen door de lidstaat waar de exporteur is gevestigd.
(artikel 793 lid 2 letter a TVo.CDW)

Naar boven

2.12 Goederen die uitgaan in het kader van een enkele vervoersovereenkomst

Voor goederen die uitgaan in het kader van een enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de EU geldt een afwijkend kantoor van uitgang.
De volgende partijen kunnen goederen in het kader van een enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de EU ten laste nemen:

  • een spoorwegmaatschappij

  • de posterijen

  • een scheepvaartmaatschappij

  • een luchtvaartmaatschappij

Als:

  • de goederen het douanegebied van de EU per spoor, per post, door de lucht of over zee verlaten, en

  • de aangever of zijn vertegenwoordiger het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het kader van de enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de EU ten laste worden genomen, vraagt om het uitgaan te bevestigen,
    is het kantoor van uitgang niet het laatste douanekantoor voordat de goederen het douanegebied van de EU verlaten maar het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het kader van de enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de EU ten laste worden genomen.
    (artikel 793 lid 2 letter b TVo.CDW)

Voorbeeld

Een spoorwegmaatschappij neemt in Utrecht goederen in vervoer in het kader van een enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de EU. De goederen gaan uit per spoor én de aangever of zijn vertegenwoordiger heeft de Douane van kantoor Utrecht verzocht om het uitgaan te bevestigen. Het kantoor van uitgang is dan Utrecht.

Om toezicht mogelijk te maken op de plaats waar de goederen feitelijk het douanegebied van de EU verlaten, kan het douanekantoor waaronder deze plaats ressorteert de vervoerder vragen om:

  • het MRN van de aangifte ten (weder)uitvoer (als dit beschikbaar is), of

  • een exemplaar van de enkele overeenkomst voor vervoer of de aangifte ten (weder)uitvoer, of

  • het unieke referentienummer van de zending of het referentienummer van het vervoersdocument, het aantal colli en, voor vervoer per container, het containernummer, of

  • informatie over de enkelvoudige overeenkomst voor vervoer of het vervoer van de goederen uit het douanegebied van de EU die zich bevindt in het gegevensverwerkingssysteem van de persoon die de goederen ten laste neemt of in een ander commercieel gegevensverwerkingssysteem.
    (artikel 793 lid 3 TVo.CDW)

Naar boven

2.13 Ambtelijke werkzaamheden na uitgaan

De aangifte ten uitklaring voor de goederen moet elektronisch worden ingediend binnen 3 kalenderdagen na vertrek van het schip of luchtvaartuig.
(artikel 6:2 lid 5 Algemene douaneregeling)

De elektronische gegevensset die in DMF wordt ingediend bevat het MRN van de aangifte ten (weder)uitvoer. Hiemee het kantoor van uitgang kan controleren of de gegevens in het douanemanifest bij uitgang en de ontvangen aankomstmeldingen overeenstemmen. Als dat het geval is, bevestigt het kantoor van uitgang, uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen het douanegebied van de EU hebben verlaten, het uitgaan aan het kantoor van uitvoer met het bericht ‘resultaten bij uitgaan’.
(artikel 796quinquies lid 2 TVo.CDW)

Omdat in Nederland de aangifte ten uitklaring tot 3 kalenderdagen na vertrek van het schip of luchtvaartuig mag worden ingediend, wordt het bericht ‘resultaten bij uitgaan’ uiterlijk de vierde dag na vertrek van het schip of luchtvaartuig naar het kantoor van uitgang gezonden.

Op basis van het bericht ‘resultaten bij uitgaan’ bevestigt het kantoor van uitvoer aan de exporteur of aangever dat de goederen zijn uitgegaan.
(artikel 796sexies lid 1 TVo.CDW)

Naar boven

2.14 Noodprocedure

Als het niet mogelijk is om langs elektronische weg met de douane te communiceren, moet de noodprocedure worden gebruikt. In de noodprocedure kan gebruik worden gemaakt van aangiften op papier. Zie hiervoor op www.douane.nl

Naar boven

2.15 Afzien van uitvoer of wederuitvoer

Zijnde ten (weder)uitvoer aangegeven goederen of goederen waarvoor een summiere aangifte bij uitgang is ingediend niet meer bestemd om het douanegebied van de EU te verlaten? Dan moet de exporteur of aangever dit onmiddellijk aan het kantoor van uitgang mededelen. De persoon die de goederen van de aanbrenglocatie binnen het kantoor van uitgang weghaalt, moet de houder van de goederen (de locatiebeheerder) het MRN en het aantal colli verstrekken. De houder van de goederen kan dan registreren dat de zending niet zal uitgaan.
(artikelen 842bis lid 6, 792bis en 796quinquies lid 4 TVo.CDW)

Naar boven