Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

9.00.00 Douanewaarde

11 Aangifte van gegevens inzake de douanewaarde (aangifte D.V.1) en handelsbescheiden

11.1 Aangeven van gegevens inzake de douanewaarde

In artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie is bepaald dat in een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen gegevens inzake de douanewaarde moeten worden opgenomen.

Op grond van artikel 2, lid 2, GVo.DWU gelden voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, de in bijlage B van deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke gegevensvereisten, waaronder begrepen gegevens inzake de douanewaarde.

Wanneer deze gegevens worden verstrekt met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken, moet dit gebeuren aan de hand van het formulier zoals dat is opgenomen in bijlage 8 van verordening 2016/341, de aangifte van gegevens inzake de douanewaarde D.V.1.

Het formulier is ingericht voor de vermelding van gegevens voor de douanewaarde van één transactie. Als een aangifte voor het brengen in het vrije verkeer wordt gedaan voor goederen die op basis van verschillende transacties zijn geleverd, moet voor elke transactie een aangifte D.V.1 worden ingeleverd.

De gegevens van één transactie kunnen tot maximaal 3 GN-posten op de aangifte D.V.1 worden vermeld.

Naar boven

11.2 Invulling aangifte D.V.1

De aangever moet het aangifteformulier D.V.1 volledig invullen. Op het formulier en in bijlage 4 zijn aanwijzingen over de wijze van invullen opgenomen.

De gegevens die in de aangifte D.V.1 worden vermeld, hebben betrekking op de transactie die voor het vaststellen van de douanewaarde wordt gebruikt. Als er sprake is van opeenvolgende transacties en de douanewaarde wordt aangegeven op basis van een bepaalde verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, moeten de gegevens van die verkoop in de aangifte D.V.1 worden vermeld.

Voorbeeld

Een aangever doet voor importeur C voor goederen die zich in een douane-entrepot bevinden en in het vrije verkeer worden gebracht een aangifte D.V.1. De aangever beschikt over alle gegevens van de transactie van A aan B (die heeft plaatsgevonden voor het binnenbrengen) en van de transactie van B aan C (die heeft plaatsgevonden tijdens opslag in het douane-entrepot). De douanewaarde wordt gebaseerd op de transactie tussen A en B. Ook al is in dat geval importeur C als "geadresseerde" op de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer vermeld, in de aangifte D.V.1 moeten A en B als verkoper respectievelijk koper worden vermeld. De andere gegevens van de aangifte D.V.1 moeten ook betrekking hebben op de transactie tussen A en B.

Naar boven

11.3 Facturen en dergelijke

De aangever moet bij de aangifte D.V.1 of de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer in bezit zijn van een exemplaar van de handelsfactuur als de douanewaarde van de goederen op grond van deze factuur is aangegeven. De factuur van de ingevoerde goederen is een bewijsstuk en moet ter beschikking van de douaneautoriteiten staan op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt ingediend.
(artikel 163, lid 1, DWU en artikel 145 UVo.DWU)

Een factuur kan worden omschreven als een lijst waarin onder andere de volgende elementen zijn vermeld:

  • de naam en het adres van de leverancier (verkoper) en van de afnemer (koper);

  • een omschrijving van de goederen (soort en hoeveelheid);

  • de prijzen (eenheid en totaal);

  • de plaats en datum van de levering;

  • de wijze van vervoer;

  • de betalingsconditie;

  • een eventuele ondertekening.

  • een eventuele ondertekening.

Factuur van koper, pro-formafactuur, waardeverklaring

De verkoper maakt meestal een factuur op. Een bescheid dat in het handelsverkeer een vergelijkbare functie kan vervullen is het bescheid waarin de koper verklaart de goederen te hebben ontvangen. In dat geval vermeldt de koper ook de prijs van de goederen. Het feit dat de koper dit bescheid heeft opgemaakt in plaats van de verkoper, kan voor u geen reden zijn om een dergelijk bescheid te weigeren. Van geval tot geval onderzoekt u of u het bescheid voor het beoordelen van de douanewaarde kunt aanvaarden. Daarbij houdt u rekening met de controlemogelijkheden van de daarin opgenomen gegevens, de betrouwbaarheid van de koper en de nadere gegevens van het verkoopcontract.

In sommige gevallen is er voor de goederen waarvan u de douanewaarde moet vaststellen (nog) geen factuur opgemaakt en wordt in de plaats daarvan de gegevens van een pro-formafactuur, factuur “for customs purpose only”, voorlopige factuur of een waardeverklaring bij de aangifte voor het vrije verkeer opgenomen.

Voor het gebruik van de transactiewaarde-methode van de ingevoerde goederen kunt u een douanewaarde die is aangegeven op grond van een pro-forma- of voorlopige factuur alleen aanvaarden als is vastgesteld dat de daarin vermelde gegevens juist zijn. Als dit niet kan worden vastgesteld, kunt u deze facturen alleen aanvaarden als staving van een voorlopige aanduiding van de douanewaarde in een vereenvoudigde aangifte voor het vrije verkeer. De vereenvoudigde aangifte zal dan moeten worden aangevuld met een aanvullende aangifte, waarin de juiste gegevens van de transactie zijn opgenomen, al dan niet gebaseerd op de factuur.
(artikel 166 DWU en artikel 167 DWU)

Een zogenaamde waardeverklaring, die de aangever of de importeur meestal heeft opgemaakt, kan nooit een factuur vervangen. Bij de overlegging van zo'n verklaring bij de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer zal er meestal geen sprake zijn van een verkoop en zult u de transactiewaarde-methode van de ingevoerde goederen niet kunnen toepassen.

Naar boven

11.4 Andere handelsbescheiden

Om de douanewaarde vast te stellen, zult u meestal niet kunnen volstaan met een factuur. In die gevallen zijn ook andere handelsbescheiden vereist. De vraag welke andere handelsbescheiden u voor een beoordeling van de douanewaarde moet raadplegen, wordt in belangrijke mate bepaald door de aard van de handelstransactie, de handelsgebruiken van de branche en dergelijke. In elk afzonderlijk geval zult u daarom moeten beoordelen welke handelsbescheiden noodzakelijk zijn.

In een bepaald geval kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn dat u behalve de factuur en het verkoopcontract ook de bescheiden beoordeelt die te maken hebben met:

  • de verbondenheid van personen;

  • het betrokkenheid van tussenpersonen;

  • de financiële aspecten en betalingsaspecten;

  • de royalty-verplichtingen;

  • het vervoer en/of de verzekering.

In andere gevallen kunnen ook van belang zijn de bescheiden in verband met de kosten van:

  • verpakkingsmiddelen en het verpakken van de ingevoerde goederen;

  • de goederen en diensten die de koper gratis of tegen een verminderd bedrag heeft geleverd;

  • de ver- of bewerking;

  • de handelingen in verband met het vervoer;

  • de gebruikelijke behandelingen in (douane-)entrepots of behandelingen in ruimten voor tijdelijke opslag.

Naar boven

11.5 Andere personen dan aangever aangifte D.V.1

Niet alleen de persoon die de aangifte D.V.1 heeft ingediend, is verplicht de vereiste gegevens en handelsbescheiden te overleggen voor het bepalen van de douanewaarde. Ook degenen die direct of indirect betrokken zijn bij het brengen in het vrije verkeer van de goederen, kunnen verplicht worden de noodzakelijke informatie te verstrekken.
(artikel 15, lid 1, DWU)

Dat kunnen bijvoorbeeld zijn: de fabrikant, de leverancier, de agent, de koper, de importeur, de houder van een bepaald recht, de vervoerder, de bank van de importeur.

Naar boven

11.6 Bevoegdheid verwerpen transactiewaarde

Wanneer u gegronde twijfels heeft of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag zoals bedoeld in artikel 70, lid 1, van het wetboek, kunt u de aangever om aanvullende informatie vragen.

De aangever van de aangifte D.V.1 en elk ander persoon die direct of indirect bij de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer van de goederen is betrokken, zijn verplicht om de gegevens en handelsbescheiden te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de douanewaarde.

In geval van gegronde twijfel over de juistheid, volledigheid en echtheid van de verstrekte gegevens en handelsbescheiden kan de douanewaarde niet worden vastgesteld met de transactiewaarde-methode van de ingevoerde goederen (artikel 140 UVo.DWU). Dit is het geval als niet geheel duidelijk is dat de douanewaarde in overeenstemming is met de transactiewaarde dat wil zeggen met de werkelijk betaalde of te betalen (totale) prijs en eventueel de verhogingen van deze prijs (zie hoofdstuk 2 en 3).

Zie jurisprudentie zaak C-291/15. De aangegeven transactiewaarde is aan te merken als abnormaal laag ten opzichte van de statistisch gemiddelde aankoopprijs die bij het importeren van soortgelijke goederen wordt gehanteerd. De douane betwist de echtheid van de overgelegde factuur en stortingsbewijs ten bewijze van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde prijs niet, maar twijfelt over de juistheid van de aangegeven douanewaarde van de ingevoerde goederen. De importeur heeft in reactie op het verzoek van de douane geen nader bewijs of nadere informatie ter bepaling van de juistheid van de aangegeven transactiewaarde van die goederen geleverd. De douane heeft daarop de douanewaarde vastgesteld met de transactiewaarde van soortgelijke goederen als bedoeld in artikel 30 CDW 1) . Artikel 181bis TVo.CDW 2) moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de handelwijze van de douane.

  • Artikel 74, leden 1) en 2) DWU

  • Artikel 140 UVo.DWU

Zie jurisprudentie gevoegde zaken C-29/13 en C-30/13. Artikel 181bis, lid 2, TVo.CDW 1) dient aldus te worden uitgelegd dat een krachtens dit artikel vastgesteld besluit als een definitieve beslissing moet worden beschouwd waartegen rechtstreeks beroep bij een onafhankelijke rechtelijke instantie kan worden ingesteld, zelfs indien bij de vaststelling van dit besluit het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om opmerkingen te maken, niet in acht is genomen.

Artikel 140, lid 2, UVo.DWU

Naar boven

11.7 Geen aangifte gegevens inzake de douanewaarde (D.V.1)

In elk van de volgende gevallen verlenen de douaneautoriteiten ontheffing van de verplichting om de gegevens inzake de douanewaarde te verstrekken, behalve wanneer dit onontbeerlijk is voor de juiste vaststelling van de douanewaarde:

  1. wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen per zending niet hoger is dan 20 000 EUR, voor zover de zending geen deel uitmaakt van gesplitste of meervoudige zendingen van dezelfde afzender aan dezelfde geadresseerde,

  2. b)wanneer de transactie die ten grondslag ligt aan het in het vrije verkeer brengen van de goederen, geen handelskarakter heeft,

  3. wanneer de gegevens in kwestie niet hoeven te worden ingediend voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief,

  4. wanneer de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief niet verschuldigd worden.

(artikel 6, lid 5, Verordening 2016/341)

De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde kan achterwege blijven indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen wordt vastgesteld op een andere wijze dan met toepassing van artikel 70 DWU (transactiewaarde-methode).

(artikel 6, lid 4, Verordening 2016/341 en artikel 1:21, lid 1, Algemene douaneregeling).

In het geval van regelmatig goederenverkeer van dezelfde verkoper naar dezelfde koper onder dezelfde handelsvoorwaarden kunnen de douaneautoriteiten ontheffing verlenen van het vaste vereiste om de D.V.1 gegevens te verstrekken.

(artikel 6, lid 6, Verordening 2016/341 en artikel 1:3, lid 7, Algemene douanewet)

Naar boven

11.8 Afronding van douanewaarde en invoerrechten

Op grond van artikel 7:9 Algemene Douanewet zijn er, bij regeling van Onze Minister van Financiën regels gesteld met betrekking tot de afronding van bedragen die dienen als grondslag voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies. Ook de afronding van het bedrag aan rechten wordt in dit artikel geregeld.

Artikel 8:3, lid 1 Algemene Douaneregeling geeft aan dat de douanewaarde rekenkundig moet worden afgerond op centen. Ook het bedrag aan invoerrechten wordt rekenkundig afgerond op centen (artikel 8:5, lid 1 Algemene Douaneregeling).

Naar boven

11.9 Documentverplichting

Voor de onderbouwing van de gehanteerde verrekenprijzen tussen verbonden multinationale ondernemingen geldt sinds 1 januari 2016 een gestandaardiseerde documentatieverplichting in Nederland en veel OESO-landen. Deze documentatieverplichting vindt zijn basis in action 13 van het Base Erosion Profit Shifting (BEPS) project, gericht op het verschaffen van meer transparantie door de multinationals.

De regelgeving omtrent de documentatieverplichting is primair van belang van de onderbouwing van de verrekenprijzen. Het bevat echter ook informatie die voor andere onderdelen van de douanewaarde (zoals de toeleveringen en de royalty’s) zeer van belang kan zijn.

Omdat vennootschappen met meer dan 50 miljoen en 750 miljoen aan omzet verplicht zijn om het groeps- en lokaal dossier respectievelijk landenrapport op te stellen, kunnen deze gegevens in verband met de vervulling van de douaneformaliteiten of douanecontroles worden opgevraagd door de behandelde ambtenaar van de Douane op grond van artikel 15 DWU juncto artikel 163 DWU.

Voor het opvragen van de onderstaande files en rapport dient de behandelende ambtenaar van de Douane een verzoek in te dienen bij het Kenniscentrum Verrekenprijzen, Landelijk Waarde Team van de Douane.

De documentatieverplichting bestaat uit drie lagen:

  1. Een master file (groepsdossier);

  2. Een local file (lokaal dossier) en

  3. Country-by-Country Report (landenrapport of CbCR).
    (Zie bijlage 5 Master file, Local file en Country-by-Country Report)

Ad 1 en 2. Het groeps- en lokale dossier gelden voor vennootschappen die groeps-geconsolideerd een omzet van 50 miljoen euro behalen. Niet alle landen hebben het verplicht houden van een groepsdossier en een lokaal dossier in hun wetgeving opgenomen. Nederland heeft dat wel gedaan door het toevoegen van een hoofdstuk aan de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (artikelen 29b tot en met 29h). De wet geldt voor boekjaren die op of na 1 januari 2016 aanvangen.

Ad 3. Het landenrapport geldt voor ondernemingen met geconsolideerde groepsopbrengsten van tenminste 750 miljoen euro en bevat informatie over:

  • Omzet van gelieerde- en niet gelieerde transacties

  • Winsten, die in de verschillende belastingjurisdicties zijn behaald

  • Betaalde belasting en verschuldigde belastingen

  • Aantal medewerkers

  • Overzicht van de voornaamste activiteiten van al haar wereldwijde groepsentiteiten

Het landenrapport is een minimumstandaard, met andere woorden: de OESO-landen moeten deze verplichting in hun wetgeving opnemen. Dit rapport wordt verstrekt aan de belastingdienst van het land waar de rapporterende entiteit fiscaal inwoner is. Het landenrapport wordt vervolgens automatisch uitgewisseld tussen de belastingdiensten van de verschillende landen.

Voor het groeps- en lokaal dossier respectievelijk landenrapport zijn nadere regels gesteld voor de vorm en inhoud. Deze zijn neergelegd in Regeling aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen van 30 december 2015.

Naar boven