Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen

3 Controle van de aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie

3.1 Algemeen

In dit hoofdstuk worden de taken van de verifiërend ambtenaar beschreven, en enkele begrippen toegelicht.

In de volgende tabel staan de verordeningen waarin de regels van de Europese Commissie zijn vastgelegd.

Verordening

Inhoud

Verordening (EG) nr.
1276/2008

Deze verordening bevat regels voor de fysieke controles, controles van verzegelingen en substitutiecontroles 1) die de Douane moet uitvoeren bij de aangifte ten uitvoer van landbouwgoederen met aanspraak op restitutie. Daarnaast bevat deze verordening richtlijnen voor het opstellen van een landelijke risicoanalyse voor landbouwgoederen, die worden uitgevoerd met aanspraak op restitutie.

Verordening (EG) nr. 1308/2013

Deze Integrale GMO-verordening bevat de ordening van de landbouwmarkt en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten.

  1. Een substitutiecontrole is een visuele overeenstemmingscontrole tussen de producten en het vervoersdocument. De controle vindt plaats als het kantoor van uitvoer en het kantoor van uitgang niet hetzelfde zijn.

Let op!

Verordening (EG) nr. 1276/2008 is niet van toepassing op de volgende situaties:


(artikel 6, lid 5 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

  • de uitvoer van communautaire voedselhulp als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2298/2001 (hier is een apart controlestelsel voor opgesteld);

  • het bereiken van de bestemmingen die volgens de artikelen 33 en 41 van Verordening (EG) nr. 612/2009 gelijkgesteld zijn aan uitvoer, te weten:

    • proviandering van zeeschepen en luchtvaartuigen;

    • leveranties aan internationale organisaties en strijdkrachten;

    • leveranties van boordproviand aan boor- en productieplatforms en marineschepen.

Douanekantoor

Dit is elk kantoor dat bevoegd is de formaliteiten bij uitvoer van de betrokken producten te vervullen. Aan de Europese Commissie is meegedeeld dat het begrip "douanekantoor" nationaal wordt geïnterpreteerd als "Douaneregio".

(artikel 2, onder c Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Controleverplichtingen

Wanneer de Commissie vaststelt dat Nederland niet aan zijn controleverplichtingen heeft voldaan, kort zij de gedeclareerde restituties naar evenredigheid van de geconstateerde onjuistheid. Dit betekent dat Nederland dan zelf een deel van de betaalde restituties uit haar eigen nationale budget moet financieren. Een juiste uitvoering van de genoemde controles heeft daarom hoge prioriteit. Het systeem van interne controle moet hierop zijn ingesteld.

Naar boven

3.2 Fysieke controle

Voor de toepassing van fysieke controles bij de uitvoer van landbouwgoederen met aanspraak op restitutie is het begrip "fysieke controle" in artikel 2, onder f van Verordening (EG) nr. 1276/2008. .

In de in bijlage I van Verordening (EG) nr.
1276/2008 bedoelde gevallen worden de daarin aangegeven methoden toegepast. Het douanekantoor van uitvoer ziet er op toe dat artikel 28 van Verordening (EG) nr.
612/2009 (bepalingen omtrent de gezonde handelskwaliteit van de goederen) in acht wordt genomen."

Dit houdt in dat voor restitutiegoederen de fysieke controle minimaal moet bestaan uit een onderzoek naar de juistheid van de aangifte ten uitvoer voor de hoeveelheid, de soort en samenstelling van de goederen.

Tijdstip van de fysieke controle

De fysieke controle moet plaatsvinden tussen het moment van de indiening van de aangifte ten uitvoer en de toestemming tot uitvoer van de goederen.

Artikel 3, letter a van Verordening (EG) nr. 1276/2008.

De controle moet frequent en niet aangekondigd steekproefsgewijs worden uitgevoerd (
artikel 4, lid 1 en 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008).

Een fysieke controle waarvoor de exporteur van tevoren uitdrukkelijk of stilzwijgend is gewaarschuwd, kan voor deze verordening niet als een fysieke controle worden beschouwd.

Variatie tijdstip aanvang fysieke controle

De lidstaten zorgen ervoor dat het begin van de fysieke controle varieert in vergelijking met het opgegeven tijdstip van begin van beladen zoals aangegeven door de exporteur.
(artikel 4, lid 3 Verordening (EG) nr.
1276/2008

Een voorspelbaar patroon in de fysieke controles kan als een niet geoorloofde, stilzwijgende waarschuwing worden beschouwd.

Let op!

De eis van onverwachtheid staat op gespannen voet met artikel 238 Uvo DWU.. In dat artikel staat dat de Douane de aangever moet inlichten wanneer ze de goederen zal onderwerpen aan een fysieke controle. De specifieke bepaling van de controleverordening gaat echter vóór op deze algemene regel. U kunt aan beide bepalingen voldoen door de aangever pas in kennis te stellen van een fysieke controle als het voor hem onmogelijk is om de goederen nog te verwisselen. De Aangever wordt in de gelegenheid gesteld om bij de controle aanwezig te zijn, ziet hij hiervan af dan heeft de fysieke controle dezelfde rechtskracht als wanneer hij wel aanwezig of vertegenwoordigd was (zie ook onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek, van dit Handboek).

Naar boven

3.3 Plaats van de fysieke controle

Kenmerken van de goederen en de opslaglocatie

Om vervanging door andere goederen (substitutie) tegen te gaan, moet de aangever in de aangifte ten uitvoer:

  • de op de verpakking van de uit te voeren partijen vermelde merken en nummers volledig in de rubriek "Goederenomschrijving" opgeven (vak 31 van de schriftelijke aangifte);

  • de plaats waar de te laden goederen zich bevinden nauwkeurig in de rubriek "Plaats van de goederen" vermelden (vak 30 van de schriftelijke aangifte).

Op die manier kunt u de ten uitvoer aangegeven partijen zelfstandig identificeren en aansluitend onderwerpen aan een fysieke controle.

Minimumpercentage uit te voeren fysieke controles

Bij minimaal 5% van de uitvoeraangiften waarin restitutie wordt gevraagd, moet een fysieke controle worden uitgevoerd. Het percentage van 5% geldt per productsector, per kalenderjaar en per douanekantoor.
(
artikel 6 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Aangiften ten uitvoer voor communautaire voedselhulp (zie
Verordening (EEG) nr. 2298/2001) en aan met uitvoer gelijkgestelde bestemmingen als bedoeld in de
artikelen 33en
41 van Verordening (EG) nr. 612/2009, vallen niet onder deze vereiste.

Let op!


Voor het bepalen van het minimumpercentage fysieke controles zoals genoemd in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1276/2008 wordt, als een aangifte ten uitvoer betrekking heeft op verschillende GN- of restitutiecodes, elke code als een afzonderlijke aangifte aangemerkt. Elk artikel van de aangifte ten uitvoer is dus een afzonderlijke aangifte.

Voor de berekening van het minimumpercentage fysieke controles dat moet worden verricht, hoeft geen rekening te worden gehouden met de uitvoeraangiften die betrekking hebben op hoogstens:


(artikel 6, lid 6 onder a Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Er moeten wel maatregelen getroffen zijn om fraude en misbruik ten aanzien van deze uitvoeraangiften te voorkomen. In Nederland wordt een kleine steekproef fysiek gecontroleerd.

  • Voor het minimumpercentage van 5% voor alle sectoren samen wordt de sector "Industriële landbouwproducten" (ook wel Non Annex I, NA I of ILP genoemd) niet meegeteld. Voor deze sector geldt een minimumpercentage van 0,5% wanneer hierop gerichte controles op basis van risicoanalyse worden toegepast. (artikel 6, lid 4 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

  • Als een douanekantoor per jaar en per sector minder dan twintig aangiften ten uitvoer aanvaardt, moet per sector ten minste een uitvoeraangifte aan een fysieke controle worden onderworpen.

  • Deze verplichting is niet van toepassing wanneer het douanekantoor van uitvoer op grond van de in artikel 6, lid 2 onder a van Verordening (EG) nr. 1276/2008 bedoelde risicoanalyse de eerste twee uitvoeraangiften niet gecontroleerd heeft en daarna in die sector geen uitvoer meer heeft plaatsgevonden. (artikel 6, lid 3 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

  • 25.000 kg voor granen- of rijst;

  • 5.000 kg in de sector industriële landbouwproducten;

  • 2.500 kg voor overige producten. of

  • een restitutiebedrag van minder dan € 1.000 hebben.

Registratie van het aantal aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie en het aantal fysieke controles

De registratie van het aantal aangiften en fysieke controles wordt vastgelegd in het aangiftebehandelsysteem. De informatie die nodig is voor het vullen van de Bestuurlijke Informatie wordt aan dit systeem ontleend.

Verslaglegging van de fysieke controle in een controledossier

Van elke fysieke controle moet een controledossier worden samengesteld. Hieraan worden eisen gesteld.


artikel 14, lid 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008

De controledossiers zijn een voorgeschreven bron bij administratieve controles volgens
Verordening (EEG) nr. 1306/2013, en ze dienen voor de toetsing van de kwaliteit van de controle.

Een dossier dat voldoet aan de eisen van de Europese Commissie, moet minimaal de volgende informatie bevatten (zo mogelijk gedigitaliseerd):

  • een overzicht van iedere fase van de dossiervorming;

  • een verwijzing naar het nummer van de Plato opdracht

  • de controleopdracht;

  • de behandelde aangifte EXA;

  • de aanvraag monsteronderzoek (indien van toepassing);

  • de uitslag van het monsteronderzoek (indien van toepassing);

  • de mededeling uitslag monsteronderzoek aan de aangever (indien van toepassing);

  • een kopie van het formulier beëindigde verificatie (indien van toepassing);

  • indien van toepassing een kopie van het behandelde vierde exemplaar van het TI of een kopie van een andere behandelde aangifte voor extern douanevervoer (bijvoorbeeld TIR);

  • de factuur;

  • het behandelde controle-exemplaar T5;

  • overige bescheiden (gespecificeerd), zoals een aanvraag om heronderzoek en de daarop ontvangen laboratoriumuitslag.

Elk in het dossier opgenomen bescheid moet worden opgenomen in het eerstgenoemde overzicht. Als een dossier nog niet is afgesloten, moet dit uit het dossier blijken.

Daarnaast moet van de eventueel uitgevoerde interne controle een controlespoor in het dossier zijn opgenomen, waarbij de datum van de uitgevoerde interne controle, de naam van de ambtenaar met zijn “paraaf” (digitale identificatie), de eventuele opmerkingen en zijn eindoordeel worden vermeld.

De (kopieën van de) documenten die in het dossier zijn opgenomen, moeten zijn voorzien van alle vereiste ambtelijke aftekeningen. Het is essentieel dat de aftekeningen van deze aangiften, documenten en landbouwformulieren met elkaar in samenhang zijn.

Het dossier moet gedurende drie jaar na het jaar van uitvoer ter inzage liggen in het douanekantoor dat de fysieke controle heeft uitgevoerd of op één plaats in de lidstaat. De gedigitaliseerde stukken moeten drie jaar opvraagbaar blijven.

(artikel 14 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Vermeldingen in het controledossier

In het dossier moeten daarnaast minimaal de volgende gegevens zijn opgenomen:

  • plaats, datum, tijdstip van aankomst, tijdstip van beëindiging van de controle en de toestand van het te beladen vervoermiddel bij aankomst (leeg, geladen ed.)

  • naam en handtekening van de bevoegde ambtenaar;

  • datum en tijdstip van ontvangst van de vooraanmelding, de opgegeven tijd voor het begin van de belading en voor het beëindigen van het laden van de producten in het vervoermiddel.
    (artikel 14, lid 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Naar boven

3.4 Procedures en ambtelijke werkzaamheden

Bij de export van landbouwgoederen zijn meestal nog specifieke aanvullende eisen gesteld waaraan moet worden voldaan. In het DTV (Douane Tarief Voorziening) is bij elke goederencode aangegeven welke bepalingen, criteria en gegevens van belang zijn voor de vaststelling van het restitutiebedrag.

Naar boven

3.4.1 Diepgang van controle

Verificatie aan de hand van bescheiden

De volgende vakken zijn voor de berekening van de restitutie van belang:

  • vak 34a (land van oorsprong);

  • vak 17a (land van bestemming (bij gedifferentieerde restituties));

  • vak 31 (omschrijving van de goederen);

  • vak 33 (geïntegreerde goederencode);

  • vak 38 (nettogewicht);

  • vak 41 (aantal stuks (indien van toepassing));

  • vak 44 (bijzondere vermelding (inclusief aanvraag restitutie ja/nee).

Fysieke controle

Zie voor de omschrijving van wat een fysieke controle van landbouwgoederen omvat, de vorige paragraaf. Dit houdt in dat de ambtenaar moet onderzoeken of de hoeveelheid, de soort en samenstelling van de goederen overeenkomen met de aangifte ten uitvoer en de daarbij horende bescheiden. Concreet houdt dit in dat u bij een fysieke controle (code 3) zoals bedoeld in
Verordening (EG) nr. 1276/2008, ten minste de volgende vakken fysiek moet controleren:

  • vak 34a (land van oorsprong);

  • vak 31 (omschrijving van de goederen);

  • vak 38 (nettogewicht) of (als niet het nettogewicht bepalend is voor de hoogte van de restitutie, maar het aantal stuks, bijvoorbeeld bij eendagskuikens) vak 41 (aantal stuks).

Op grond van de risicoanalyse voor of tijdens de fysieke controle kan blijken dat er nog andere elementen van belang zijn voor de berekening van de restitutie. De fysieke controle moet dan worden uitgebreid met ten minste de andere elementen die ook nog van belang zijn.

Naar boven

3.4.2 Land van oorsprong bepalen

De herkomst en de oorsprong uit de Unie van goederen is bepalend voor het recht op restitutie en of de hoogte van de restitutie. Er zijn drie verschillende mogelijkheden voor de berekening van de hoogte van de restitutie, namelijk:

  • soms heeft een eerdere invoer van de goederen geen invloed op de hoogte van de restitutie.

  • vaak wordt de restitutie beperkt tot ten hoogste de bij invoer betaalde rechten. Deze rechten liggen, gelet op de vele preferentiële regelingen die van toepassing zijn, vaak (veel) lager dan de vastgestelde restitutiebedragen voor goederen die van oorsprong uit de Unie zijn.

  • soms bestaat er geen recht meer op restitutie.

Naar boven

3.4.3 Aard en samenstelling van de goederen vaststellen

U stelt de aard en samenstelling van goederen vast door:

  1. uw eigen bevindingen;

  2. bevindingen van een deskundige;

  3. een laboratoriumanalyse;

  4. gebruikmaking van verklaringen van andere diensten.

Ad a
Als u door uw eigen deskundigheid de aard en samenstelling ter plaatse kunt vaststellen, dan legt u uw bevindingen vast in het controledossier.

Ad b
Als u de aard en samenstelling niet door uw eigen deskundigheid ter plaatse kunt vaststellen, maar dit kan wel door een geconsulteerde externe deskundige, dan moet deze deskundige een schriftelijke verklaring opmaken. Deze verklaring voegt u toe aan het controledossier. In de schriftelijke verklaring vermeldt de deskundige minimaal de volgende gegevens:

  • zijn naam;

  • zijn functie;

  • de datum van opmaak van de verklaring;

  • de plaats waar de verklaring is opgemaakt;

  • zijn handtekening;

  • een verklaring dat hij de goederen heeft onderzocht naar aard en samenstelling en zijn bevindingen hierover. Voor deze schriftelijke verklaring is geen model vastgesteld.

Ad c
Wanneer de aard en samenstelling van het product uitsluitend kan worden vastgesteld door een laboratoriumanalyse of wanneer de hoogte van de restitutie afhankelijk is van een bepaald gehalte, dan moet u een monster nemen van de zending en dit voor onderzoek toezenden aan het douanelaboratorium.
(
artikel 5, lid 1 en lid 2 Verordening (EEG) nr. 1276/2008)

Zie voor de juiste procedures rond de monsterneming, het vervoer en de afwerking van het onderzoek
onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek, van dit Handboek.

Ad d
Bij het vaststellen van de aard en samenstelling van goederen kunt u gebruik maken van verklaringen van andere overheidsdiensten. Het aanvaarden van die verklaringen (en daarmee de daarin vermelde gegevens zoals aard en samenstelling van de goederen en het nettogewicht) is echter volgens
Verordening (EG) nr. 1276/2008 geen reden om de betreffende goederen als fysiek gecontroleerd te beschouwen.

Het ELGF is van mening dat de Nederlandse Douane onafhankelijk van anderen fysieke controles moet uitvoeren op goederen die ten uitvoer worden aangegeven met aanspraak op restitutie.

Kwaliteitseisen aan de goederen

De goederen moeten van gezonde handelskwaliteit zijn. Goederen zijn van gezonde handelskwaliteit als ze:

  • in normale omstandigheden;

  • onder de op de restitutieaanvraag vermelde omschrijving;

  • op het grondgebied van de Unie;

  • in de handel kunnen worden gebracht.

Als u de gezonde handelskwaliteit controleert, moet u er met name op toezien dat de goederen niet zijn bedorven. Als de goederen bestemd zijn voor menselijke consumptie, moet u erop toezien dat ze hier nog geschikt voor zijn. In het algemeen is het voldoende als u op organoleptische wijze (dat wil zeggen met gebruikmaking van al uw zintuigen) vaststelt of de goederen voldoen aan de voorwaarden van gezonde handelskwaliteit.

Daarnaast geldt als extra voorwaarde dat de uiterste datum waarop het product mag worden verkocht aan de eindverbruiker (de uiterste verkoopdatum) niet te dicht bij de datum van uitvoer mag liggen.

Of de producten al dan niet aan de bovengenoemde eisen voldoen, wordt onderzocht aan de hand van in de Unie geldende normen en gebruiken.

Wanneer u een monster voor analyse inzendt naar het douanelaboratorium, kunt u ook de medewerkers van het laboratorium de gezonde handelskwaliteit laten vaststellen.

Als u concrete vermoedens heeft dat de goederen niet voldoen aan de eis van een gezonde handelskwaliteit, dan laat u een onderzoek bij het douanelaboratorium instellen. Vermeld duidelijk op aanvraagformulier monsteronderzoek dat u een diepgaander onderzoek naar de gezonde handelskwaliteit wilt instellen. Op basis van de uitslag van het monsteronderzoek zal het douanelaboratorium u een advies geven.

Als uit het monsteronderzoek blijkt dat de goederen niet aan de eis van een gezonde handelskwaliteit voldoen, dan gaat u als volgt te werk:

  1. Vermeld in het aangiftesysteem dat de goederen niet voldoen aan de gezonde handelskwaliteit. Vermeld de elementen die tot uw conclusie hebben geleid. In onderdeel 20.00.00 van dit Handboek is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

  2. Archiveer alle relevante bewijsstukken die betrekking hebben op deze controle in het controledossier.

  1. Vermeld in het aangiftesysteem dat u een onderzoek heeft ingesteld naar de gezonde handelskwaliteit en dat de uitslag daarvan conform is. In onderdeel 20.00.00 van dit Handboek is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

  2. Archiveer alle relevante bewijsstukken die betrekking hebben op deze controle in het controledossier.

Als uit het monsteronderzoek blijkt dat de goederen wel aan de eis van een gezonde handelskwaliteit voldoen, dan gaat u als volgt te werk:

Op basis van uw bevindingen beslist de RVO.nl of er wel of geen betaling van de restitutie kan plaatsvinden.

Naar boven

3.4.4 Nettogewicht vaststellen

Als uitgangspunt geldt dat u bij een fysieke controle in het kader van
Verordening (EG) nr. 1276/2008 het gewicht altijd moet controleren.

Wordt de restitutie berekend over het aantal (bijvoorbeeld eendagskuikens), dan moet altijd het aantal gecontroleerd worden in plaats van het nettogewicht.

Het nettogewicht stelt u vast door het wegen van de hele aangeboden partij. U gebruikt daarvoor een deugdelijke en geijkte weegschaal. Als het wegen van de hele partij niet mogelijk of doelmatig is, dan kunt u een gedeelte van de partij wegen en de resultaten van de weging omslaan over de hele partij. Zie hiervoor ook
onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek van dit Handboek.

Let op!

In bijlage I van Verordening (EG) nr. 1276/2008 vindt u de gedetailleerd voorgeschreven weegmethoden voor de verschillende verpakkingsvormen van kleinhandelsverpakking tot bulkverpakkingen.

Naar boven

3.4.5 Nettogewicht vaststellen bij grote verpakkingseenheden

Voor restitutiegoederen verpakt in grote verpakkingseenheden zoals bijvoorbeeld dozen, zakken, vaten, bigbags en contabins is het mogelijk gemaakt dat een bedrijf vooraf de gewichten van de grote verpakkingseenheden die worden gebruikt (hierna te noemen referentiemateriaal) aan de Douane bekend maakt. Wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt moeten de afspraken daarover schriftelijk worden vastgelegd in een Tarradossier en, indien van toepassing, in een controleprogramma worden opgenomen danwel zijn opgenomen in het betreffende controledossier. Verordening (EG) nr. 1276/2008.

Werkzaamheden verlenen toestemming gebruik referentiemateriaal:
  1. Stel vast welke grote verpakkingseenheden het bedrijf gebruikt voor de goederen die met aanspraak op restitutie worden uitgevoerd;

  2. Beschrijf die verpakkingssoorten in relatie met mogelijk gebruikte interne verpakkingscodes;

  3. Stel van elk type verpakkingsmiddel het nettogewicht vast met behulp van een geijkte weeginstallatie;

  4. Maak hiervan een verslag. Het verslag moet worden geactualiseerd als er een wijziging optreedt in de gebruikte verpakkingsmaterialen.

Hierna kan het referentiemateriaal dienen als basis voor de controle van het nettogewicht, Verordening (EG) nr. 1276/2008.

Wanneer voorbeeldverpakkingen worden bijgeleverd om te dienen als referentiemateriaal bij de controle van het nettogewicht moet worden vastgesteld dat de bijgeleverde lege verpakkingen identiek zijn aan de gebruikte verpakkingen.

Voor de hoeveelheden te wegen lege en volle verpakkingen kan de tabel als opgenomen onder paragraaf 6.2.6 onderdeel 12.00.00 worden gebruikt.

Werkzaamheden tijdens fysieke controle met toepassing van een Tarradossier

  1. Stel vast of het bedrijf terecht een beroep doet op de mogelijkheid om het gewicht van de grote verpakkingseenheid vast te stellen aan de hand van referentiemateriaal.

  2. Het gebruikte referentiemateriaal moet duidelijk in het fycoformulier worden omschreven.

Wanneer er afwijkingen in het gewicht van de verpakking worden geconstateerd wordt overgegaan tot de algemene methode van gewichtvaststelling.

Ook met het toepassen van deze referentiemethode blijft de mogelijkheid bestaan om steekproefsgewijs, verpakkingen te legen om daarmee deze controlemogelijkheid aanvullend te toetsen.

Naar boven

3.5 Nadere bepalingen

In bijlage I van Verordening (EG) nr. 1276/2008 worden de verschillende controlemethoden voorgeschreven. In bijlage 2 bij dit onderdeel zijn stroomschema's opgenomen van de verschillende stappen die hierbij moeten worden genomen.

Naar boven

3.5.1 Controle aard en samenstelling in bijzondere gevallen

Voor producten van varkensvlees van de posten 1601 0091, 1601 0099, 1602 4110, 1602 4210 en 1602 4919 gelden op grond van Verordening (EG) nr. 903/2008 aanvullende eisen om voor restitutie in aanmerking te komen. In vak 44 moet staan: „goederen voldoen aan Verordening (EG) nr. 903/2008” .U moet altijd monsters nemen welke u naar het laboratorium stuurt voor analyse.

Monsterneming is ook noodzakelijk bij de fysieke controle van voor uitvoer bestemde industriële landbouwproducten, waarop de regeling genoemd in artikel47 van Verordening (EU) nr. 578/2010van toepassing is. Dit houdt in dat voor goederen die genoemd zijn in bijlage IV van deze verordening en waarvan de samenstelling aan de belanghebbende niet bekend is, restitutie kan worden verleend. De restitutie wordt in dit geval berekend op basis van de gegevens die door het douanelaboratorium worden vastgesteld. De aangever moet hiervoor een verzoek indienen door in vak 44 te vermelden:

"Artikel 47 van Verordening (EU) nr. 578/2010 "

De aangever draagt in dit geval de kosten van het monsteronderzoek. Deze worden door het douanelaboratorium aan hem in rekening gebracht.

Naar boven

3.5.2 Controle aard en samenstelling van goederen bij mengsels

Controle op de samenstelling van mengsels is in het algemeen alleen mogelijk door een monsteronderzoek.

De aangever moet de samenstelling van een mengsel en de onderlinge verhouding van de diverse bestanddelen in de aangifte ten uitvoer met aanvraag restitutuie vermelden. Dit geldt ook voor het (eventueel) overgelegde uitvoercertificaat (zie hiervoor paragraaf 2.3.1 van onderdeel 20.03.00, van dit Handboek). Zie voor de berekening van de te verlenen restitutie voor mengsels van de hoofdstukken 2, 10 en 11 van het geharmoniseerd systeem paragraaf 3.10 van onderdeel 20.01.00.van dit Handboek).

Let op!

Vermeld in het aangifte systeem de feiten die u heeft vastgesteld bij de verificatie. Maak een verwijzing naar artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009. Bij correctie van de goederencode of bij het bevinden van een andere samenstelling dan is aangegeven kan hetuitvoercertificaat niet meer dienen bij deze zending. U retourneert daarom het uitvoercertificaat onbehandeld aan de aangever.

Voor de vrijgave van de goederen die niet meer het juiste uitvoercertificaat hebben, gaat u als volgt te werk:

Controleer of de goederen voor uitvoer kunnen worden vrijgegeven op grond van artikel 194 DWU. Dit is afhankelijk van het feit of er voor de goederen zonder een uitvoercertificaat een uitvoerverbod geldt of niet. Er zijn twee mogelijkheden:

  • Als er voor de goederen uitvoerverbod geldt kunt u deze goederen niet vrijgeven voor uitvoer. U kunt de goederen pas vrijgeven voor uitvoer als u een uitvoercertificaat heeft ontvangen dat wel kan dienen voor deze goederen

  • Als er voor de goederen geen uitvoerverbod geldt, dan kunt u de goederen vrijgeven voor uitvoer.

Naar boven

3.5.3 Controle aard en samenstelling van goederen bij vereenvoudigde aangifte ten uitvoer van industriële landbouwproducten

De RVO.nl kan aan exporteurs toestemming verlenen om bij de export van industriële landbouwproducten een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer en een aanvraag om restitutie in te dienen. In deze aangifte moet de aangever het toestemmingsnummer en de datum waarop de toestemming is verleend vermelden. De NVWA controleert of de opgegeven samenstelling van de goederen juist is. De Douane blijft echter verantwoordelijk voor de juiste indeling van de goederen bij de aangifte ten uitvoer. Wanneer de uitslag van een ingesteld monsteronderzoek aanleiding geeft tot het toepassen van een andere GN-code dan aangegeven, moet u op het formulier voor beëindiging van de verificatie dat bestemd is voor de RVO.nl, de volledige bevinding van het douanelaboratorium vermelden. Deze gegevens worden door de NVWA gebruikt bij de controle van de receptuur.

Naar boven

3.5.4 Controle aard en samenstelling bij gerst en tarwe

Voor gerst en tarwe die vreemde bestanddelen (verontreinigingen, andere zaden en dergelijke) bevatten, gelden nadere criteria:

  • Bij minder dan 2% vreemde bestanddelen vindt er een volledige toekenning van de restitutie plaats.

  • Als het percentage vreemde bestanddelen tussen de 2% en 5% ligt, wordt geen restitutie verleend over dat aandeel.

  • Als het percentage vreemde bestanddelen meer dan 5% bedraagt, wordt voor de totale partij geen restitutie verleend.

Om het percentage vreemde bestanddelen te bepalen, neemt u een monster dat u door het douanelaboratorium op vreemde bestanddelen laat onderzoeken. Als het percentage vreemde bestanddelen boven de 2% uitkomt, vermeld dan in de aangifte het bevonden percentage vreemde bestanddelen. U voert geen correctie van het aangegeven nettogewicht uit.

Naar boven

3.5.5 Controle nettogewicht bij gebruik van gesloten weeginrichtingen

Als de exporteur voor het laden van onverpakte goederen gebruik maakt van geijkte, gesloten, automatische laad- en weeginstallaties, dan gaat u bij het vaststellen van het nettogewicht als volgt te werk:

  1. Neem de uitkomst van de betreffende laad- en weeginstallatie als resultaat van de controle over.

  2. Neem de bewijzen van die weging in het controledossier op (zie ook paragraaf 3.1.3, onder "Verslaglegging van de fysieke controle in een controledossier").

De genoemde laad- en weeginrichtingen worden steekproefsgewijs door de Douane gecontroleerd. De resultaten van deze controle legt u vast in het klantdossier.

Naar boven

3.5.6 Controle nettogewicht bij gebruik van e-teken

Bij kleinhandelsverpakkingen die conform de e-norm zijn afgevuld en voorzien zijn van het e-teken of van een vervangend teken hoeft u bij de fysieke controle geen gewichtscontrole uit te voeren. U voert wel aan de hand van de aangifte een telling van de goederen uit. Zie ook punt 3 van bijlage 1 van Verordening (EG) nr. 1276/2008.

Let op!

Dit geldt niet als er restitutie wordt aangevraagd voor een hoger gewicht dan is vermeld volgens het e-teken of vervangend e-teken. Dan moet u op de gebruikelijke wijze een gewichtscontrole uitvoeren. Zie voor de wijze van monstername ook onderdeel 12.10.00, paragraaf 2.3.3 van dit Handboek.

De regeling E-gewichten wordt steekproefsgewijs bij de betreffende bedrijven door de Douane gecontroleerd. Leg de resultaten van deze controle vast in het klantdossier. De steekproefsgewijze controle gebeurt onafhankelijk van concrete aangiften en naast de controle door andere controlediensten (zoals het Nederlands Meet Instituut en de NVWA). In bijlage 4 van onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek, van dit Handboek, zijn de bedrijven opgenomen die het e-teken of vervangend e-teken op de verpakking mogen voeren.

Naar boven

3.5.7 Controle van levende runderen

Bij de controle van de aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie voor levende runderen, heeft u ook met andere controlerende diensten te maken. Het recht op restitutie hangt ook samen met de regels voor dierenwelzijn. Hierna worden de volgende situaties beschreven:

  • controles door de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA);

  • controle door de Douane op het kantoor van uitvoer.

Controles door de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)

Vóór export van levende runderen moet een ambtenaar van de NVWA de dieren keuren. Als de dieren voldoen aan de gezondheidseisen van het land van bestemming, geeft de ambtenaar van de NVWA een gezondheidscertificaat in tweevoud af. Zonder gezondheidscertificaat geldt er een uitvoerverbod en mogen de dieren niet worden geëxporteerd.

Voor en tijdens het laden van het uitgaande vervoermiddel controleert de ambtenaar van de NVWA of de runderen reiswaardig zijn. Alleen voor de dieren die reisvaardig zijn, maakt de ambtenaar van de NVWA een welzijnscertificaat op. Zonder welzijnscertificaat mogen de dieren niet worden vervoerd. Het vervoermiddel wordt door de ambtenaar van de NVWA verzegeld.

Controle door de Douane op het kantoor van uitvoer

Bij de controle van de aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie moet de Douane de elementen controleren die van belang zijn voor de verstrekking van de restitutie (zie ook paragraaf 3.2.1).

Dit zijn:

  • gezonde handelskwaliteit;

  • restitutiecode;

  • nettogewicht.

Als voor de te exporteren dieren een gezondheidscertificaat is afgegeven, zijn ze van gezonde handelskwaliteit.

U controleert of de oormerken van de dieren overeenkomen met de oormerklijst van de dieren waarvoor het gezondheidscertificaat is afgegeven. Deze oormerklijst is aan het gezondheidscertificaat gehecht.

U controleert of de ten uitvoer aangeboden dieren overeenkomen met de opgegeven restitutiecode door vast te stellen:

  1. of het dier de juiste leeftijd heeft;

  2. of het dier wel of geen vaars is;

  3. of het dier wel of geen fokdier van zuiver ras is;

  4. of het dier het vermelde individuele nettogewicht heeft;

Ad a
Controleer met behulp van het exportcertificaat de leeftijd van het rund. Op het exportcertificaat staat de geboortedatum van het rund vermeld.

Ad b
Wanneer het rund staat aangegeven als vaars (een rund dat nog geen kalf heeft geworpen), gaat u bij de controle als volgt te werk.Op het exportcertificaat staan de data van de inseminaties (de kunstmatige bevruchtingen) vermeld. Een rund heeft een draagtijd van ongeveer negen maanden. Staan er meerdere inseminatiedata op het exportcertificaat of is de inseminatiedatum langer dan negen maanden geleden, dan is het aannemelijk dat het rund al heeft gekalfd. De exporteur moet nu bewijs leveren dat het rund niet heeft gekalfd . Wanneer de exporteur geen bewijs levert, dan kunt u aannemen dat het rund geen vaars meer is.

Ad c
De raszuiverheid van het rund blijkt uit het stamboekcertificaat. Zonder stamboekcertificaat geen exportcertificaat. Het oormerknummer dat op het exportcertificaat is vermeld en het oormerk van het dier moeten overeen komen. Bij verificatie aan de hand van bescheiden vergelijkt u het oormerknummer dat op het exportcertificaat staat met het oormerknummer op het gezondheidscertificaat.

Ad d
Voor bepaalde restitutiecodes is voorgeschreven dat alle dieren individueel zwaarder (of lichter) moeten zijn dan een bepaalde gewichtsgrens.

Wanneer u moet vaststellen of alle ten uitvoer aangeboden dieren individueel voldoen aan het voor de aangegeven restitutiecode geldende gewichtscriterium, dan kunt u dit doen op een van de volgende manieren:

  • Laat alle dieren individueel wegen op een geschikte weegschaal; de weegbescheiden voegt u in het fycodossier.

  • Beoordeel of de dieren individueel voldoen aan de gestelde gewichtsgrenzen als u zelf ter zake kundig bent om dit te kunnen beoordelen.

  • Raadpleeg een externe deskundige als u niet zelf ter zake (voldoende) deskundig bent om dit te kunnen beoordelen. De externe deskundige geeft een verklaring af waarop staat welke dieren voldoen aan de individuele gewichtscriteria (zie voor de voorwaarden die hiervoor gelden paragraaf 3.2.3).

Let op!

Het individueel wegen is niet verplicht vanwege de praktische problemen die dit op kan leveren. Er is bijvoorbeeld geen weegschaal aanwezig waarop de dieren individueel kunnen worden gewogen, de dieren ondervinden onnodig stress en dergelijke. Beoordeelt u het op eigen deskundigheid, dan neemt u dit in een verklaring op. U verklaart dat u op basis van uw eigen deskundigheid heeft vastgesteld dat alle dieren individueel voldoen aan de gestelde gewichtsgrenzen.

Wanneer u belast bent met de controle van het nettogewicht van runderen die ten uitvoer worden aangeboden gaat u als volgt te werk:

  1. Controleer of de exporteur in de aangifte ten uitvoer in de rubriek "Goederenomschrijving" de volgende gegevens heeft vermeld:

    • de oormerknummers van de te exporteren runderen;

    • de locatie waar de runderen zijn gestald.

Let op!

Wanneer deze rubriek hier onvoldoende ruimte voor biedt, dan mag de exporteur dit ook op een andere manier bij de Douane aangeven (bijvoorbeeld per fax). In de werkafspraken die horen bij de vergunning Elektronische domiciliëringsprocedure (Uitvoer), schrijft u voor op welke manier deze gegevens aan de Douane moeten worden verstrekt.

  1. Ga voor het inladen van de dieren naar de laadlocatie van de dieren. Laat het vervoermiddel waarin de dieren zullen worden geladen onder uw toezicht wegen (tarragewicht);

  2. Controleer met de opgegeven oormerknummers of de ten uitvoer aangegeven dieren inderdaad in het uitgaande vervoermiddel worden geladen.

  3. Laat het vervoermiddel samen met de geladen runderen onder uw toezicht wegen (brutogewicht).

  4. Stel het nettogewicht van de runderen vast door het tarragewicht van het brutogewicht af te trekken.

Let op!

  • U moet continue ambtelijk toezicht uitoefenen op het vervoermiddel tussen de weeg momenten om te voorkomen dat tussen deze twee momenten stro, brandstof, water of iets dergelijks uit het vervoermiddel wordt uitgeladen. Als dit zou gebeuren zonder dat u dit merkt, dan wordt het tarragewicht lager waardoor het nettogewicht van de runderen hoger wordt. Hierover zou dan ten onrechte ook restitutie worden verleend.

  • Wanneer de exporteur voor de indiening van de aangifte ten uitvoer niet exact het gewicht weet van de dieren die zullen worden geladen voor uitvoer, dan kan hij gebruik maken van de procedure van de geschatte gewichten. Zie voor meer informatie over de regeling geschatte gewichten paragraaf 3.7.1, onderdeel 20.01.00, Restituties, van dit Handboek.

Naar boven

3.5.8 Controle EEG keurmerk

Algemeen

Bij uitvoer van landbouwproducten naar derde landen, wordt alleen restitutie verleend als deze producten van gezonde handelskwaliteit zijn. Deze algemene voorwaarde is opgenomen in artikel 28 Verordening (EG) nr.
612/2009.

Speciale voorwaarden voor bepaalde producten

Voor bepaalde landbouwproducten heeft de Europese Commissie bepaald dat deze goederen, naast de algemene voorwaarde, ook moeten voldoen aan zeer specifieke gezondheids- en kwaliteitseisen. Deze eisen zijn vastgesteld in diverse Verordeningen en richtlijnen van de EU.

Voor de volgende landbouwproducten gelden aanvullende eisen om voor restitutie in aanmerking te komen:

  • De melk en zuivelproducten die zijn genoemd in Verordening (EU) nr. 1308/2013 (de IGMO-verordening).

Deze producten moeten bij uitvoer voldoen aan de eisen van de Verordeningen (EG) nrs. 852/2004 en 853/2004 met betrekking tot de bereiding in een erkende inrichting en identificatiemerken. (artikel 3 Verordening (EG) nr. 1187/2009)

Producten van GN-code:

  • 0403 10 51 tot en met 0403 10 99 (bepaalde soorten yoghurt),

  • 0403 90 71 tot en met 0403 90 99 (karnemelk, room, kefir e.d.),

  • 0405 20 10 en 0405 20 30 (bepaalde zuivelpasta’s),

  • 2105 00 99 (bepaalde soorten consumptie-ijs),

  • 3502 11 90 en 3502 19 90 (bepaalde soorten albuminen).

  • 0408 11 80, 0408 19 81, 0408 19 89, 0408 91 80 en 0408 99 80 (bepaalde soorten eigeel voor menselijke consumptie).

moeten bij uitvoer voldoen aan de eisen van de Verordening (EG) nr. 852/2004 en Verordening (EG) nr. 853/2004 met betrekking tot de bereiding in een erkende inrichting. (artikel 48, lid 4 Verordening (EU) nr. 578/2010)

Voor producten van GN-code:

  • 0207 12 10 tot en met 0207 12 90 (bevroren vlees van hanen en kippen) gelden identificatiemerken. (Verordening (EG) nr. 342/2010)

Eisen EEG-keurmerk

De eisen voor het EEG-keurmerk staan in bijlage II, sectie 1 vanVerordening (EG) nr. 853/2004.

Taak van de ambtenaar

Bij een fysieke controle van een aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie voor de hiervoor genoemde producten, moet u controleren of het keurmerk op de juiste wijze op het uit te voeren product is aangebracht.

Wanneer u bij een fysieke controle vaststelt dat het keurmerk niet, of niet juist is aangebracht op het uit te voeren product, dan moet u deze bevinding (naast de gebruikelijke aantekeningen) duidelijk beschrijven bij de verificatiebevindingen van de aangifte ten uitvoer en het controleformulier T5.

Let op!

U moet u deze vaststelling goed documenteren in het dossier dat u opmaakt naar aanleiding van de uitgevoerde fysieke controle.

Naar boven

3.5.9 Restitutie over het nettogewicht van kaas

Bij Verordening (EEG) nr. 558/2005 is bepaald dat melkvreemde bestanddelen (zoals bijvoorbeeld folie, was of paraffine, kruiden, noten of stukjes vleeswaren) geen deel uitmaken van het nettogewicht en dus niet in aanmerking komen voor restitutie.

In de aangifte moet het nettogewicht van de kaas exclusief het nettogewicht van de toegevoegde melkvreemde bestanddelen worden vermeld.

De aangever kan in de aangifte verzoeken om de restitutie te verlagen met een forfaitaire aftrek (hierna te noemen restitutiekorting).

De aangever moet in de aangifte aangeven om welke melkvreemde bestanddelen het gaat en of deze al dan niet in het opgegeven nettogewicht zijn begrepen. Hij doet dit door gebruik te maken van codes.

Dit zijn:

Code-nummer

Systeemomschrijving

Verklaring/

Wettelijke omschrijving

95002

Geen toegev. st/mvs/w/wp/l/c/ca/p/3504

Geen toegevoegde:

  • stoffen ≤ 0,5% (GN 0401)

  • melkvreemde stoffen ≤ 0,5% (GN 0402 / 0403 / 0404)

  • wei en/of van wei afgeleide producten en/of lactose en/of caseïne en /of caseïnaten en/of permeaat en/of producten van GN 3504 (GN 0403 / 0404 / 0406)

95003

Geen andere toev. dan in vak omschreven

Geen andere toevoegingen dan in vak omschrijving (zie ook codenummer 95002)

95024

Niet in nettogewicht begrepen

De bij GN 0406 als verpakking gebruikte plastic coating/folie, paraffine as en was, is niet in het nettogewicht opgegeven.

95025

Incl. plastic coating/folie

Nettogewicht inclusief plastic coating/folie, restitutiekorting 0,5% (GN 0406)

95026

Incl. paraffine en/of as

Nettogewicht inclusief paraffine en/of as, restitutiekorting 2,0% (GN 0406)

95027

Incl. kruiden of specerijen

Nettogewicht inclusief kruiden of specerijen zoals mosterd, basilicum, knoflook of oregano, restitutiekorting 1,0% (GN 0406)

95028

Incl. andere melkvr. ingred. (ham ed.)

Nettogewicht inclusief melkvreemde ingrediënten zoals ham, noten, garnalen, zalm, olijven, krenten en rozijnen, restitutiekorting 10,0% (GN 0406)

Vo. (EG) nr. 558/2005

Let op!

  • Cellofaan om de kaas wordt gelijkgesteld met plastic en folie en valt dus ook onder codenummer 95025.

  • Indien sprake is van meerdere melkvreemde stoffen om de kaas heen (bijvoorbeeld paraffine en folie), kan gebruik worden gemaakt van een combinatie van codenummers.

Voorbeeld

In het geval dat kaas wordt uitgevoerd, voorzien van paraffine en cellofaan, kunnen de codes 95025 en 95026 worden gebruikt. In deze situatie zal RVO.nl het restitutiebedrag forfaitair met 0,5% + 2% (= 2,5%) verminderen.

Naar boven

3.5.10 Toezicht bij bulkzending als deellading van vaartuig

Wanneer een voor fysieke controle geselecteerde uitvoerzending betrekking heeft op een deel van een bulkzending, moet het kantoor van uitvoer toezicht houden op het fysieke vertrek van de gehele lading.

U doet dit aan de hand van commerciële documenten (bijvoorbeeld bill of lading of cognossement) en de door u verrichte ambtelijke wegingen overeenkomstig stroomschema bulkproducten.De commerciële documenten moeten na belading aan u worden toegezonden. Hiervoor moet u afspraken maken met bijvoorbeeld de verlader, of de kapitein van het schip. De aan u verstrekte commerciële documenten neemt u op in het controledossier.

(bijlage 1 onder 1.3 Vo. (EG) nr. 1276/2008)

Naar boven

3.6 Uitzonderingen

3.6.1 Verlagen van het aantal laboratoriumonderzoeken bij fysieke controles

Wanneer de hoogte van de restitutie afhankelijk is van een bepaald gehalte van het product, dan mag het aantal monsteronderzoeken worden verlaagd als aan de volgende drie eisen is voldaan:

  • Alle aangiften hebben betrekking op dezelfde GN-code of restitutiecode.

  • Het product wordt door dezelfde exporteur uitgevoerd.

  • Er zijn in de afgelopen zes maanden geen afwijkingen bij de laboratoriumtest vastgesteld die financiële gevolgen van meer dan € 1.000 hadden voor het brutorestitutiebedrag (= totaal geclaimde restitutie door exporteur).

Dan hoeft nog maar bij 50% van de fysieke controles een representatief monster te worden genomen en ingezonden naar het laboratorium voor analyse.

Let op!

Als bij een laboratoriumonderzoek een afwijking wordt vastgesteld die een financieel gevolg heeft voor de restitutie van meer dan € 1.000, dan moeten in de volgende zes maanden bij alle fysieke controles monsters worden genomen en ingezonden naar het douanelaboratorium voor analyse.
(artikel 5, lid 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008).

Naar boven

3.6.2 Vaststellen van het nettogewicht van consumptie-eieren

Voor de berekening van de restitutie voor consumptie-eieren moet worden vastgesteld of het in de aangifte opgegeven nettogewicht van de eieren overeenkomt met het feitelijke nettogewicht van de zending.

Eieren van klasse A worden in de volgende gewichtsklassen ingedeeld:

 

Gewichtsklasse

Code

Omschrijving

Gewichtsbereik in gram

XL

Zeer groot

≥ 73

L

Groot

van 63 tot 73

M

Middelgroot

van 53 tot 63

S

Klein

< 53

(Artikel 4 Verordening (EG) nr. 589/2008)

Als de eieren worden geëxporteerd naar derde landen, is het niet verplicht om de Europese handelsnormen zoals hiervoor weergegeven te gebruiken.

Bij fysieke controle kunt u op de verpakking verschillende vermeldingen aantreffen die alle zijn toegestaan. Wij onderscheiden:

  • De gewichtsklasse is weergegeven zoals voorgeschreven in artikel 4 Verordening (EG) nr. 589/2008.

  • Geen gewichtsaanduiding.

Toepassing algemene controlesystematiek

Consumptie-eieren worden meestal verhandeld met gebruikmaking van het gemiddelde nettogewicht per klasse. Om de exporteurs van consumptie-eieren tegemoet te komen is in overleg met het Ministerie van Economische Zaken het volgende beleid vastgesteld.

Een exporteur van consumptie-eieren mag, als hij bij de aangifte ten uitvoer het bij de zending behorende kwaliteitscertificaat van het NCAE (Nederlandse Controle Autoriteit Eieren) overlegt, het resultaat van het gemiddelde gewicht van de betreffende gewichtsklasse, vermenigvuldigd met het aantal uit te voeren eieren, als nettogewicht vermelden. Het gemiddelde gewicht van een gewichtsklasse is het rekenkundig gemiddelde van het laagste en het hoogste gewicht per klasse.

Voorbeeld: Van de gewichtsklasse met code "L" is het gemiddeld gewicht,

(63 gram + 72,99 gram) : 2 = 67,98 gram = afgerond 68 gram per ei.

Bij een fysieke controle op grond van
Verordening (EG) nr. 1276/2008 van exportzendingen consumptie-eieren hoeft het nettogewicht niet fysiek te worden vastgesteld wanneer:

  • Het nettogewicht op de aangifte ten uitvoer op de hiervoor genoemde wijze is bepaald.

  • De exporteur overlegt het bij de zending behorende kwaliteitscertificaat van het NCAE.

  • Het berekende nettogewicht per ei komt overeen met de opgegeven gewichtsklasse.

U gaat als volgt te werk:

  1. Voer een rekenkundige controle (zie hierboven) uit op het aantal eieren en het berekende nettogewicht van de zending.

  2. Afhankelijk van het resultaat van de rekenkundige controle zijn er twee mogelijkheden:

    • Uit de rekenkundige controle blijkt dat het berekende nettogewicht van de zending niet overeenkomt met de opgegeven gewichtsklasse. U moet de zending dan alsnog op de normale wijze ambtelijk wegen.

    • Uit de rekenkundige controle blijkt dat het berekende nettogewicht van de zending overeenkomt met de opgegeven gewichtsklasse. U hoeft de zending in dit geval niet ambtelijk te wegen. Vermeld in het controledossier dat er geen ambtelijke weging heeft plaatsgevonden, omdat de exporteur het gewicht op de aangifte ten uitvoer heeft opgegeven met toepassing van deze procedure.

Systeemcontrole gewichtsklasse-indeling

U kunt als systeemcontrole bij een beperkt aantal fysieke controles ook controleren of het aangegeven nettogewicht juist is. Dit doet u door een ambtshalve weging van (een gedeelte van) de partij

Bij het vaststellen van afwijkingen die binnen of buiten de toegepaste gewichtsklasse blijven (in dit voorbeeld ≥ 63 gram en <73 gram), gaat u als volgt te werk:

  1. Leg het bij de fysieke controle feitelijk bevonden nettogewicht van de zending en de manier waarop dat is vastgesteld duidelijk in het controledossiervast.

  2. Corrigeer de aangifte ten uitvoer met betrekking tot het nettogewicht niet wanneer de afwijkingen binnen de toegepaste gewichtsklasse vallen.

  3. Wanneer de afwijkingen buiten de toegepaste gewichtsklasse vallen, corrigeert u de aangifte ten uitvoer wel.

  4. Vermeld in het aangiftesystemen het controledossier dat het een systeemcontrole betrof zoals is bedoeld in deze procedure.

Toepassing algemene controlesystematiek niet toegestaan

De algemene controlesystematiek is niet toegestaan wanneer:

  1. geen gewichtsklasse is aangegeven;

  2. een gewichtsklasse is aangegeven die niet in overeenstemming is met artikel 4 van Verordening (EG) nr. 589/2008;

  3. het bij de zending behorende kwaliteitscertificaat van het NCAE ontbreekt of er wordt een buitenlands kwaliteitscertificaat overlegd.

In deze gevallen wordt de zending altijd op de normale wijze onderworpen aan een fysieke controle.

Naar boven

3.6.3 Afwijkende kwaliteitseisen in derde landen

De gezonde handelskwaliteit wordt vastgesteld aan de hand van de binnen de Unie geldende normen en gebruiken.

Het kan echter zijn dat de uitgevoerde producten in het land van bestemming moeten voldoen aan kwaliteitseisen die niet in overeenstemming zijn met de normen en gebruiken binnen de Unie. De exporteur kan aanspraak maken op restitutie, als hij (op verzoek van de bevoegde autoriteit) aantoont dat de goederen in het land van bestemming voldoen aan de daar wettelijk voorgeschreven voorwaarden. De bevoegde autoriteit in Nederland is RVO.nl.

Voorbeelden
  • In een aantal Afrikaanse landen is het verplicht om ter bestrijding van ongedierte een bepaalde broomoplossing door meel te mengen.

  • De gezondheidsvoorschriften in de Verenigde Staten van Amerika schrijven voor dat geslachte consumptiekippen moeten zijn behandeld met een bepaalde chlooroplossing.

Naar boven

3.6.4 Afwerking aangiften ten uitvoer van broedeieren

Op broedeieren moet op grond van nationale landbouwbepalingen een stempel van de vermeerderingsinrichting zijn geplaatst. Soms is dit stempel niet leesbaar of niet aanwezig. Indien u dit bij de fysieke controle constateert, dan moet u de aangifte als volgt afwerken.

De fysieke controle kan op twee manieren zijn uitgevoerd:

  1. Alle eieren zijn fysiek gecontroleerd;

  2. Een gedeelte van de eieren is fysiek gecontroleerd.

In beide gevallen moet het controledossier duidelijk vermelden welke methode is gevolgd en hoeveel eieren wel en niet juist waren gestempeld. Dit is van belang voor de afwerking van de aangifte.

  1. Indien alle eieren in de fysieke controle zijn betrokken, vermeld u bij de verificatiebevindingen het exacte aantal eieren waarop het verplichte stempel van de vermeerderingsinrichting niet leesbaar of niet is geplaatst.

  2. Indien slechts een gedeelte van de ten uitvoer aangeboden zending eieren in de fysieke controle zijn betrokken, moet u het aantal eieren dat niet conform is rekenkundig bepalen. Dit doet u door het aantal eieren waarop het verplichte stempel van de vermeerderingsinrichting niet leesbaar of niet is geplaatst, om te slaan naar de gehele aangegeven partij. Het aantal eieren dat op deze rekenkundige wijze wordt bevonden, vermeld u als niet conform bij de verificatiebevindingen.

Naar boven

3.6.5 Afwijkende controlemethode bij volcontinue productiebedrijf

Bedrijven die in een volcontinue proces meel vanuit graan produceren kunnen toestemming van het Ministerie van Economische Zaken krijgen voor een bijzondere controlemethode.

Voorbeeld

Een bedrijf produceert in een volcontinue proces meel vanuit graan. Dit meel wordt rechtstreeks vanuit de productie geladen in het vervoermiddel dat het meel naar het derde land zal vervoeren (een schip). Het bedrijf wil voor dit meel een aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie indienen.

Op het moment dat de aangifte ten uitvoer door de Douane kan worden aanvaard is het meel al geladen in het uitgaande vervoermiddel. Wanneer deze aangifte ten uitvoer geselecteerd wordt voor een fysieke controle moeten de hoeveelheid, aard en kenmerken van het meel worden vastgesteld.

Methoden

Wanneer de productielocatie een gesloten laadinrichting heeft met automatische weegapparatuur, kan de volgende methode worden toegepast.

  1. De aangifte ten uitvoer wordt aanvaard op het moment dat de goederen feitelijk zijn geladen in het uitgaande vervoermiddel (het schip). De aangever weet direct na het einde van de belading exact hoe groot de hoeveelheid product is welke is geladen en wat de aard en de kenmerken van het meel zijn; deze gegevens worden in de aangifte ten uitvoer vermeld.

  2. Bij de indiening van de aangifte ten uitvoer moet de aangever de volgende bescheiden overleggen:

    • de weegbon van het automatische weegtoestel;

    • de receptuur van het te vervaardigen meel;

    • de analyserapporten die door het bedrijf zijn opgemaakt ter vaststelling of het vervaardigde meel voldoet aan de receptuur.

  3. Ter controle van de hoeveelheid meel welke is aangegeven op deze aangifte ten uitvoer maakt de ambtenaar uitsluitend gebruik van de overgelegde weegbescheiden.

  4. Ter controle van de aard en kenmerken van het meel maakt de ambtenaar:

  5. enerzijds gebruik van de overgelegde recepturen en analyserapporten;

  6. anderzijds neemt hij zelfstandig representatieve monsters uit het schip welke zullen worden geanalyseerd door het douanelaboratorium.

Wanneer de productielocatie geen gesloten laadinrichting heeft met automatische weegapparatuur, is geen vereenvoudigde werkwijze mogelijk. Dit leidt tot de controlemethode dat het schip onder ambtelijk toezicht moet worden gelost, de ambtenaar de hoeveelheid, de aard en de kenmerken van de zending vaststelt en dat het schip daarna weer onder ambtelijk toezicht wordt beladen

Naar boven