Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

Stappenplan

Stap 7 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen

De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u inhoudt en betaalt, berekent u over het loon (zie hoofdstuk 4). U kunt eerst lezen hoe u het loon bepaalt waarover u de loonbelasting/premie volksverzekeringen inhoudt (zie paragraaf 7.1). Daarna behandelen wij stap voor stap wanneer u de loonbelasting/premie volksverzekeringen moet inhouden (zie paragraaf 7.2) en hoe u de loonbelasting/premie volksverzekeringen berekent met behulp van de tabellen of rekenvoorschriften (zie paragraaf 7.3).

Voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen hebt u een brutoloon nodig. Als u met een werknemer een nettoloon afspreekt, moet u daarom een berekening maken van netto- naar brutoloon (zie paragraaf 7.4). Bij bepaalde vormen van loon houdt u de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet in op het loon van de werknemer, maar komt deze voor uw rekening. Dat is de zogenoemde eindheffing (zie paragraaf 7.5). Ten slotte behandelen we de speciale regels voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die gelden als u lonen bij elkaar moet optellen, bijvoorbeeld als uw werknemer ook een uitkering van UWV krijgt (zie paragraaf 7.6).

Voor de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen op bijstandsuitkeringen geldt een aparte regeling. Gemeenten die bijstandsuitkeringen uitkeren, vinden meer informatie over deze regeling in de Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2017. Deze handleiding kunt u downloaden van belastingdienst.nl.

Naar boven

7.1 Grondslag voor de loonbelasting/volksverzekeringen bepalen

U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de zogenoemde grondslag. U bepaalt de grondslag als volgt:

 

loon in geld (ook wel: 'brutoloon')

+

loon anders dan in geld. Hierbij gaat het om loon in natura (bijvoorbeeld een cadeau voor uw werknemer bij zijn jubileum) en aanspraken die tot het loon horen1

+

fooien en uitkeringen uit fondsen

-

aftrekposten voor alle loonheffingen, zoals het werknemersdeel van een pensioenpremie en de inleg van de werknemer in een levensloopregeling2

=

grondslag voor alle loonheffingen

  1. U kunt loon in natura (zie paragraaf 4.5) ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3). In dat geval neemt u het niet mee in de loonberekening.

  2. De levensloopregeling is afgeschaft en geldt alleen nog voor een beperkte groep werknemers (zie hoofdstuk 22).

Hierna ziet u een voorbeeld van een loonberekening. Dit voorbeeld bevat niet alle mogelijke loonbestanddelen, maar is gebaseerd op veelvoorkomende bestanddelen. Bij enkele loonbestanddelen staat € 0,00, met daarachter een plus- of minteken. Dat loonbestanddeel zit niet in deze voorbeeldberekening, maar het geeft wel de plek in de loonberekening aan en of het een bijtel- of aftrekpost is.

Voorbeeld

Een werkgever houdt voor een werknemer die is geboren in 1979, loonbelasting/premie volksverzekeringen in volgens de witte maandtabel. Hij past de loonheffingskorting toe. De werkgever is aangesloten bij sector 33 en hij gebruikt voor deze werknemer risicopremiegroep 02. Het premiepercentage voor de premie sectorfonds is 0,82%. Het premiepercentage voor de gedifferentieerde premie Whk dat de werkgever van ons heeft gekregen, is 1,46%. De werknemer heeft een auto van de zaak met een bijtelling van € 400 per maand. Zijn eigen bijdrage is € 100. De werkgever betaalt € 200 per maand aan pensioenpremie, waarvan hij € 100 inhoudt op het loon van de werknemer.

Loon- en loonkostenberekening over april 2017

 

Te betalen door

Berekening nettoloon

 

Berekening loonkosten

 

Berekening grondslagen

 

Loon in geld:

 

 

 

 

 

 

 
  • brutoloon

werkgever

€ 2.000,00

 

€ 2.000,00

 

€ 2.000,00

 
  • opname uit het levenslooptegoed1

neutraal

 € 0,00

+

 

 

€ 0,00

+

Loon anders dan in geld:

 

 

 

 

 

 

 
  • bijtelling privégebruik auto van de zaak2

werkgever

 

 

pm

 

€ 400,00

+

werknemer

€ 100,00

-

 

 

€ 100,00

-

  • aanspraak die tot het loon hoort

werkgever

 

 

€ 0,00

+

€ 0,00

+

Fooien of uitkeringen uit een fonds

derden

€ 0,00

+

 

 

€ 0,00

+

Aftrekposten:

 

 

 

 

 

 

 
  • werknemersdeel pensioenpremie

werknemer

€ 100,00

-

 

 

€ 100,00

-

  • inleg werknemer in levensloopregeling

werknemer

€ 0,00

-

 

 

€ 0,00

-

Grondslag voor alle loonheffingen

 

 

 

 

 

€ 2.200,00

 

Werkgeversbijdragen en werkgeversheffingen die niet tot het loon horen3

 

 

 

 

 

 

 
  • werkgeversdeel pensioenpremie

werkgever

 

 

€ 100,00

+

 

 
  • werkgeversbijdrage levensloopregeling

werkgever

 

 

€ 0,00

+

 

 
  • premie sectorfonds (0,82%)4

werkgever

 

 

€ 18,04

+

 

 
  • premie WW-Awf (2,64%)4

werkgever

 

 

€ 58,08

+

 

 
  • basispremie WAO/IVA/WGA (6,66%)4

werkgever

 

 

€ 146,52

+

 

 
  • gedifferentieerde premie Whk (1,46%)4

werkgever

 

 

€ 32,12

+

 

 
  • werkgeversheffing Zvw (6,65%)5

werkgever

 

 

€ 146,30

+

 

 

Inhoudingen op het nettoloon:

 

 

 

 

 

 

 
  • bijdrage Zvw (5,40%)5

werknemer

€ 0,00

-

 

 

 

 
  • loonbelasting/premie volksverzekeringen6

werknemer

€ 394,00

-

 

 

 

 
  • verhaal van gedifferentieerde premie Whk7

werknemer

€ 0,00

-

 

 

 

 

Nettoloon werknemer

 

€ 1.406,00

 

 

 

 

 

Nettobetalingen:

 

 

 

 

 

 

 
  • vergoeding die u hebt aangewezen als eindheffingsloon8 

werkgever

€ 0,00

+

€ 0,00

+

 

 
  • vergoeding voor intermediaire kosten

werkgever

€ 0,00

+

€ 0,00

+

 

 

Uit te betalen aan werknemer

 

€ 1.406,00

 

 

 

 

 

Werkgeversfaciliteiten:

 

 

 

 

 

 

 
  • premiekorting (mobiliteitskorting)

 

 

 

€ 0,00

-

 

 
  • afdrachtvermindering

 

 

 

€ 0,00

-

 

 

Loonkosten voor de werkgever9

 

 

 

€ 2.501,06

 

 

 
  1. Dit is een belaste opname uit een spaartegoed van de werknemer.

  2. U moet voor het privégebruik van de auto van de zaak door de werknemer een vast percentage van de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto bij het loon tellen. Dit zijn niet de werkelijke kosten van de auto (zie paragraaf 21.3).

  3. Deze bedragen zijn geen onderdeel van het belaste loon of de loonberekening. Wij hebben ze opgenomen om de loonkosten inzichtelijk te maken.

  4. U berekent de percentages over de grondslag voor alle heffingen.

  5. U berekent het percentage over de grondslag voor alle heffingen. In dit voorbeeld is er sprake van de werkgeversheffing Zvw. Zou er sprake zijn van de bijdrage Zvw, dan houdt u die bijdrage in op het nettoloon. De werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw mogen niet allebei binnen 1 loonberekening voorkomen.

  6. Bedrag volgens de witte maandtabel (zie paragraaf 7.3.2).

  7. U mag maximaal 50% van de premiecomponent WGA van de gedifferentieerde premie Whk op het nettoloon van de werknemer verhalen.

  8. Dit bedrag betaalt u netto aan de werknemer uit. Het kan gaan om een gerichte vrijstelling (zie paragraaf 20.1), een vergoeding die (deels) in de vrije ruimte valt, of een vergoeding waarover u eindheffing werkkostenregeling betaalt. Zie hoofdstuk 8 voor meer informatie.

  9. De kosten van de auto zijn niet in dit bedrag verwerkt.

In bepaalde situaties (zie paragraaf 7.6) zijn er speciale regels die van invloed zijn op de premies werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en op de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Dat is het geval als:

  • u uw werknemer verschillende lonen betaalt

  • u een uitkering voor UWV doorbetaalt aan uw werknemer (een werkgeversbetaling of een instantiebetaling)

  • u een aanvulling betaalt op een uitkering die UWV aan uw werknemer betaalt

Naar boven

7.2 Wanneer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden: hoofdregel

U houdt de loonbelasting/premie volksverzekeringen in op het zogenoemde genietingsmoment van het loon. Dit is het moment waarop:

  • u het loon betaalt, verrekent of ter beschikking stelt

  • het loon rentedragend wordt

  • het loon vorderbaar en inbaar wordt

U houdt de loonbelasting/premie volksverzekeringen in zodra 1 van deze 3 situaties zich voordoet. Voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u de loonbelastingtabellen (zie paragraaf 7.3) die gelden op het moment waarop u de loonbelasting/premie volksverzekeringen inhoudt. U verwerkt het loon en de loonheffingen in de aangifte over het tijdvak waarin het genietingsmoment valt.

Loon in natura

Verstrekt u loon in natura, bijvoorbeeld een geschenk of een personeelsfeest, dan geniet de werknemer dat loon op het moment waarop hij het krijgt. U verwerkt het loon in de aangifte over het tijdvak waarin de werknemer het loon geniet. Zie paragraaf 4.5 voor meer informatie over het bepalen van de waarde van loon in natura. U mag loon in natura aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).

Nabetalingen: loon-in-systematiek

Als u nabetalingen doet, moet u dat loon volgens de hoofdregel aangeven in het tijdvak waarin uw werknemer het loon geniet. Dit is de zogenoemde loon-in-systematiek.

Nabetalingen zijn betalingen die u doet in een later loontijdvak dan waarin het loon verdiend is. Bijvoorbeeld in verband met een nieuwe cao, achteraf toegekende pensioenen of individuele loonsverhogingen. Zie voor een voorbeeld paragraaf 7.3.5, onder 'U doet nabetalingen (vertraagd uitbetaald loon)'.

Voorschotten

Bij een voorschot op het loon moet u de loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de hoofdregel inhouden op het tijdstip waarop u het voorschot aan de werknemer uitbetaalt.

Naar boven

7.2.1 Wanneer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden: uitzonderingen op de hoofdregel

Op de hoofdregel voor het inhouden van loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn uitzonderingen voor:

  • fictief loon

  • loon dat u in januari betaalt voor tijdvakken van het vorige jaar

  • variabele kilometervergoedingen

  • loon van een directeur-grootaandeelhouder op een ongebruikelijk tijdstip

  • nabetalingen: loon-over-systematiek

Fictief loon

Het genietingsmoment van fictief loon van een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang is het eind van het kalenderjaar of het moment waarop de dienstbetrekking eindigt.

Let op!

Fictief loon is niet hetzelfde als gebruikelijk loon (zie paragraaf 16.1).

Loon dat u in januari betaalt voor tijdvakken van het vorige jaar

Als het in uw bedrijf gebruikelijk is dat u in januari loon uitbetaalt dat u nog toekent aan loontijdvakken van het vorige jaar, dan mag u afwijken van de hoofdregel en dat loon nog in de laatste aangifte van het vorige jaar aangeven. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om 'gewoon' loon van december, om overwerkloon of om kostenvergoedingen die door nacalculatie alsnog loon zijn.

Variabele kilometervergoedingen

Misschien geeft u een werknemer voor sommige kilometers een hogere vergoeding dan € 0,19 en voor andere kilometers een lagere vergoeding. Om te bepalen welk totaalbedrag als gerichte vrijstelling kan gelden, mag u alle kilometers optellen en alle vergoedingen optellen. Zo kunt u een gemiddelde vergoeding per kilometer berekenen. Van die gemiddelde vergoeding is € 0,19 gericht vrijgesteld als u dit aanwijst als eindheffingsloon. Is de gemiddelde vergoeding hoger, dan is het meerdere loon van de werknemer. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3). Zie paragraaf 21.1.4 voor meer informatie over variabele kilometervergoedingen.

Loon van een directeur-grootaandeelhouder op een ongebruikelijk tijdstip

Krijgt een directeur-grootaandeelhouder zijn loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip? Dan is het genietingsmoment toch het tijdstip waarop hij het loon normaal gesproken zou genieten als hij werknemer in reguliere dienstbetrekking zou zijn geweest.

Nabetalingen: loon-over-systematiek

Als u een nabetaling doet, bijvoorbeeld in verband met een nieuwe cao of een individuele loonsverhoging, moet u dat loon volgens de hoofdregel aangeven in het tijdvak waarin u het loon uitbetaalt. Dit is de zogenoemde loon-in-systematiek. Maar u mag die nabetaling ook aangeven in het tijdvak waarop de nabetaling betrekking heeft. Dit is de zogenoemde loon-over-systematiek. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • De nabetaling heeft betrekking op een eerder tijdvak in hetzelfde kalenderjaar.

  • Het was voor u ook in voorgaande jaren gebruikelijk om nabetalingen aan te geven in het tijdvak waarop deze betrekking hebben.

  • U verwerkt alle nabetalingen in het kalenderjaar voor al uw werknemers op dezelfde manier, namelijk in het tijdvak waarop deze betrekking hebben. U maakt dus nieuwe loonberekeningen over deze tijdvakken.

  • Als u een nabetaling verwerkt in een tijdvak waarvoor u al aangifte hebt gedaan, corrigeert u deze aangifte. U verzendt de correctie tegelijk met de aangifte over het tijdvak waarin u de nabetaling doet (zie ook paragraaf 12.2.3). Zie voor een voorbeeld paragraaf 7.3.5, onder 'U doet nabetalingen (vertraagd uitbetaald loon)'.

Negatief loon

Als u een werknemer te veel loon hebt betaald en de werknemer dit loon aan u terugbetaalt, noemen we dat negatief loon (zie ook paragraaf 4.9). Dit negatieve loon kunt u bij de loon-over-systematiek ook zien als een negatieve nabetaling. U verwerkt dit negatieve loon dus op dezelfde wijze in uw loonadministratie als een positieve nabetaling.

Nabetalingen of negatief loon verwerken

Als (een deel van) de nabetaling of het negatieve loon betrekking heeft op een tijdvak van 2016 of eerder, moet u (dat deel van) die nabetaling of het negatieve loon volgens de hoofdregel behandelen als loon van het tijdvak waarin u de nabetaling uitbetaalt of het negatieve loon terugbetaald krijgt (de loon-in-systematiek).

Let op!

Met ingang van 2017 is de rubriek loondagen (SV-dagen) in de aangifte loonheffingen vervallen. Maar als het bij een nabetaling of terugbetaling gaat om loon waarvoor u in een aangifte over 2016 of een eerder jaar te weinig of te veel loondagen (SV-dagen) hebt opgenomen, moet u die aangifte corrigeren voor alleen de loondagen (SV-dagen). Dat geldt als u de loon-in-systematiek gebruikt en ook als u de loon-over-systematiek gebruikt.

U wilt de loon-over-systematiek gaan gebruiken

Gaat u voor het eerst loonheffingen inhouden en betalen? Dan geldt voor u de hoofdregel: u past de loon-in-systematiek toe, tenzij u een salarispakket gaat gebruiken dat is gebaseerd op de loon-over-systematiek. Bent u al werkgever en gebruikt u de loon-in-systematiek, dan mag u alleen overstappen naar de loon-over-systematiek als u een ander salarispakket gaat gebruiken dat is gebaseerd op de loon-over-systematiek.

U wilt de loon-in-systematiek gaan gebruiken

Past u de loon-over-systematiek toe, maar wilt u overstappen naar de loon-in-systematiek? Dat mag altijd, maar bij voorkeur doet u dat per 1 januari van het volgende jaar.

Naar boven

7.3 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen: rekenvoorschriften en tabellen

De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u moet inhouden, is gebaseerd op het schijventarief voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Over het loon in de 1e en 2e schijf berekent u loonbelasting en premie volksverzekeringen. Hiervoor geldt 1 gecombineerd tarief. Voor iedereen die de AOW-leeftijd heeft bereikt, geldt in de 1e en 2e schijf een lager percentage. Werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, betalen geen premie AOW, maar wel premie Anw en Wlz. Over het loon in de 3e en 4e schijf berekent u alleen loonbelasting en geen premie volksverzekeringen (zie tabel 1 achter in dit handboek).

Let op!

Er bestaan verschillende tariefschijven voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt: voor werknemers die zijn geboren in 1945 of eerder, en voor werknemers die zijn geboren in 1946 of later.

Rekenvoorschriften: als u een geautomatiseerde loonadministratie hebt

U kunt voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen rekenvoorschriften (formules) gebruiken. Deze zijn bedoeld voor werkgevers met een geautomatiseerde loonadministratie. Als u een softwarepakket gebruikt, heeft uw leverancier deze rekenvoorschriften daarin verwerkt. U kunt de rekenvoorschriften downloaden van belastingdienst.nl.

Tabellen: als u geen geautomatiseerde loonadministratie hebt

Als u geen geautomatiseerde loonadministratie hebt, gebruikt u de loonbelastingtabellen waarin u het bedrag aan in te houden loonbelasting/premie volksverzekeringen kunt aflezen. U kunt de tabellen voor 2017 via de rekenhulp Loonbelastingtabellen raadplegen op belastingdienst.nl. De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/tabellen. Of kies op belastingdienst.nl voor 'Ondernemers' en klik daarna bij 'Loonheffingen' op 'Loonbelastingtabellen 2017'.

Voor de jaren 2016 en eerder kunt u de tabellen downloaden van belastingdienst.nl.

Ook kunt u het bedrag dat u moet inhouden voor zowel 2017 als eerdere jaren, opvragen bij de BelastingTelefoon: 0800 - 0543. Als u dat wilt, stuurt de BelastingTelefoon u een kopie van (een deel van) de tabel.

In deze paragraaf krijgt u informatie over:

  • hoe u de tabellen gebruikt (zie paragraaf 7.3.1)

  • voor welk loon u de witte tabellen gebruikt (zie paragraaf 7.3.2) en voor welk loon u de groene tabellen gebruikt (zie paragraaf 7.3.3)

  • de verschillende tijdvaktabellen (zie paragraaf 7.3.4)

  • het gebruik van de tabellen in bijzondere situaties (zie paragraaf 7.3.5)

  • tabellen voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.6)

  • tabellen voor bijzondere groepen werknemers (zie paragraaf 7.3.7)

  • herleidingsregels (zie paragraaf 7.3.8)

Ook staan in deze paragraaf een paar aandachtspunten bij het gebruik van de tabellen (zie paragraaf 7.3.9).

Naar boven

7.3.1 Hoe gebruikt u de tabellen?

Voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn er de volgende tabellen:

  • witte tabellen voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon dat daarmee gelijkgesteld is (zie paragraaf 7.3.2)

  • groene tabellen voor loon uit vroegere dienstbetrekking en uitkeringen die daarmee gelijkgesteld zijn (zie paragraaf 7.3.3)

Afhankelijk van het soort loon gebruikt u dus de witte of de groene tabellen.

Er zijn witte en groene tabellen voor verschillende loontijdvakken (zie paragraaf 7.3.4). Per loontijdvak zijn er weer tabellen voor werknemers met of zonder vakantiebonnen (zie paragraaf 7.3.7). U gebruikt de witte of groene tabel van het loontijdvak van uw werknemer of de tabel voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.6). De tabel voor bijzondere beloningen staat achter in elke witte en groene tabel.

Voor de vraag welke tabel u moet gebruiken, zijn dus de volgende vragen belangrijk:

  • Is het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking of loon uit vroegere dienstbetrekking?

  • Is het tijdvakloon? Zo ja, wat is het loontijdvak?

  • Is het loon van een werknemer met of zonder vakantiebonnen?

  • Is het een bijzondere beloning?

Let op!

In deze paragraaf staan de begrippen ‘tegenwoordige dienstbetrekking’ en ‘vroegere dienstbetrekking’. Bij ‘tegenwoordige dienstbetrekking’ zijn de arbeidskorting en de werkbonus van toepassing (dus de witte tabel). En bij ‘vroegere dienstbetrekking’ zijn de arbeidskorting en de werkbonus juist niet van toepassing (dus de groene tabel).

U kunt voor tegenwoordige dienstbetrekking ook lezen ‘tegenwoordige arbeid’ en voor vroegere dienstbetrekking ‘vroegere arbeid’. Dit heeft er mee te maken dat ook als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd, toch de groene tabel van toepassing kan zijn. Bijvoorbeeld bij levensloopopnamen van iemand die op 1 januari 61 jaar of ouder is. Of bij een ontslaguitkering die wordt uitbetaald vóór het einde van de dienstbetrekking.

Hoe kiest u de goede kolom?

De witte en de groene tabellen zijn ingedeeld in kolommen. Welke kolom u moet gebruiken, is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer en of u de loonheffingskorting moet toepassen.

Werknemer bereikt de AOW-leeftijd

De kolom voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, geldt al vanaf de 1e dag van de maand waarin uw werknemer die leeftijd bereikt (zie ook paragraaf 16.21).

Let op!

Als de werknemer in december 2016 65 jaar en 6 maanden is, gebruik dan in 2017 ook de bedragen uit de kolom 'AOW-leeftijd en ouder'.

Loonheffingskorting toepassen

De loonbelasting/premie volksverzekeringen kent 7 heffingskortingen (zie ook hoofdstuk 23) die samen de zogenoemde loonheffingskorting vormen. U mag de loonheffingskorting alleen toepassen als de werknemer of de uitkeringsgerechtigde u schriftelijk heeft verzocht deze korting toe te passen (zie paragraaf 2.3.1). Voor de jonggehandicaptenkorting geldt een uitzondering (zie paragraaf 23.1.5).

Een aantal heffingskortingen is verwerkt in de loonbelastingtabellen en een aantal berekent u zelf en trekt u af van het bedrag dat u volgens de tabel moet inhouden. De heffingskortingen zijn:

  • algemene heffingskorting
    Deze korting is verwerkt in de witte en groene tabellen.

  • ouderenkorting
    Deze korting is verwerkt in de witte en groene tabellen.

  • arbeidskorting
    Deze korting is verwerkt in de witte tabellen.

  • werkbonus
    Deze korting is verwerkt in de witte tabellen.

  • alleenstaande-ouderenkorting
    Deze korting is verwerkt in een tabel speciaal voor de inhouding op AOW-uitkeringen door de Sociale Verzekeringsbank.

  • jonggehandicaptenkorting
    Deze korting berekent u zelf en trekt u af van het tabelbedrag.

  • levensloopverlofkorting
    Deze korting berekent u zelf en trekt u af van het tabelbedrag.

Voor verrekening van de 1e 4 heffingskortingen bepaalt u dus alleen welke kleur tabel, welke tijdvaktabel en welke kolom 'met loonheffingskorting' u moet gebruiken. Dat doet u aan de hand van de gegevens die u al hebt: de leeftijd van de werknemer en het soort loon (uit tegenwoordige of uit vroegere dienstbetrekking). De alleenstaande-ouderenkorting past alleen de Sociale Verzekeringsbank toe bij AOW-uitkeringen voor alleenstaanden en voor alleenstaande ouders.

De jonggehandicaptenkorting en de levensloopverlofkorting zijn niet in de tabellen verwerkt. U moet deze kortingen zelf per loontijdvak berekenen en aftrekken van het bedrag dat u volgens de tabel moet inhouden. Daarvoor geldt:

  • De jonggehandicaptenkorting is in 2017 € 722 per jaar (zie paragraaf 23.1.5). Gebruikt u de maandtabel, de vierwekentabel, de weektabel, de dagtabel of de kwartaaltabel, dan is de korting 1/12, 1/13, 1/52, 1/260, respectievelijk 1/4 deel. Heeft uw werknemer of uitkeringsgerechtigde een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat? Dan gebruikt u voor het berekenen van de jonggehandicaptenkorting de herleidingsregels die u ook gebruikt voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 7.3.5 onder 'Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat').

  • De levensloopverlofkorting is in 2017 € 210 per gespaard kalenderjaar (zie paragraaf 23.1.6). Dit bedrag mag u in 1 keer verrekenen met het bedrag dat u volgens de tijdvaktabel of de tabel bijzondere beloningen moet inhouden.

Naar boven

7.3.2 Witte tabellen

De witte tabellen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u voor:

  • loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

  • loon op grond van arbeidsongeschiktheid die u maximaal 24 maanden aan de werknemer betaalt
    Als dit loon alleen bestaat uit WAO/WIA-, Wet Wajong- of Waz-uitkeringen of soortgelijke buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, moet u de groene tabel gebruiken.

  • ZW- en WAZO-uitkeringen die UWV rechtstreeks aan de werknemer betaalt

  • loon op grond van inactiviteit die u maximaal 24 maanden aan de werknemer betaalt, omdat de werknemer het afgesproken werk niet kan uitvoeren
    Inactiviteit van de werknemer kan bijvoorbeeld ontstaan door weersomstandigheden, onvoldoende orders, gebrek aan productiegrondstoffen, bedrijfsstoringen, brand of ziekte of overlijden van de werkgever.

  • loon voor oproepkrachten zonder werkgarantie als zij opgeroepen worden voor minder dan 3 uur per oproep en u geen afspraken met de werknemer hebt gemaakt over het aantal uren dat hij minimaal werkt

  • socialeverzekeringsuitkeringen (ZW, WAO/WIA en WAZ) die u namens UWV doorbetaalt aan de werknemer samen met het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en/of een eventuele aanvulling van u (zie paragraaf 7.6.2)
    Hierop zijn 2 uitzonderingen:

    • De werknemer krijgt eerst een WW-uitkering en daarna een ZW-uitkering. Voor beide uitkeringen gebruikt u de groene tabel.

    • De werknemer krijgt een ZW-uitkering op grond van een vrijwillige verzekering. Voor de ZW-uitkering gebruikt u de groene tabel.

  • loon dat UWV doorbetaalt, als gevolg van uw betalingsonmacht (artikel 61 WW)

  • levensloopverlofopnamen, als de werknemer op 31 december 2016 nog geen 61 jaar is (en dus is geboren in 1956 of later)
    Als de werknemer op 31 december 2016 61 jaar of ouder is (en dus geboren is in 1955 of daarvoor), moet u de groene tabel gebruiken.

  • uitkeringen bij overlijden, ter compensatie van aanspraken op grond van een levensloopregeling

  • uitkeringen voor de financiering van loopbaanonderbreking (Wet arbeid en zorg) en uw eventuele aanvullingen hierop

Arbeidskorting

In de witte tabellen staat in de kolom 'verrekende arbeidskorting' met welk bedrag aan arbeidskorting rekening is gehouden bij het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Dit bedrag moet u apart in uw loonadministratie vastleggen, omdat u dit in de aangifte loonheffingen en op de jaaropgaaf van uw werknemer moet vermelden. Voor uw werknemer is dit bedrag van belang voor zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Werkbonus

In de witte tabellen staat in de kolom 'verrekende werkbonus' met welk bedrag aan werkbonus rekening is gehouden bij het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen. U hoeft met dit bedrag verder niets te doen in uw loonadministratie, de aangifte of op de jaaropgaaf van uw werknemer.

Naar boven

7.3.3 Groene tabellen

De groene tabellen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u voor:

  • loon uit vroegere dienstbetrekking en daarmee gelijkgestelde uitkeringen, bijvoorbeeld uitkeringen op grond van de AOW, Anw, IOAW, IOAZ, WAO/WIA, Waz, Wet Wajong, WW en soortgelijke buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

  • ZW-uitkeringen en WW-uitkeringen als de werknemer eerst een WW-uitkering krijgt en daarna een ZW-uitkering

  • ZW-uitkeringen op grond van een vrijwillige verzekering

  • pensioenen, daarmee gelijk te stellen uitkeringen uit pensioenfondsen en afkoopsommen en schadeloosstellingen die daarvoor in de plaats komen

  • loon op grond van arbeidsongeschiktheid vanaf het 3e jaar na het begin van de arbeidsongeschiktheid

  • studie-uitkeringen aan een kind van een werknemer die is overleden tijdens zijn dienstbetrekking bij u

  • lijfrente-uitkeringen waarvoor u loonbelasting/premie volksverzekeringen moet betalen

  • levensloopverlofopnamen, als de werknemer op 31 december 2016 61 jaar of ouder is (en dus is geboren in 1955 of daarvoor)
    Als de werknemer op 31 december 2016 nog geen 61 jaar is (en dus is geboren in 1956 of later), moet u de witte tabel gebruiken.

  • een afkoopsom bij ontslag, ter compensatie van de aanspraken op grond van een levensloopregeling

  • het levenslooptegoed als de levensloopregeling niet meer aan de voorwaarden voldoet

  • uitkeringen op grond van de Toeslagenwet die niet samenlopen met uitkeringen op grond van de ZW

  • uitkeringen van de Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland 1940-1945 en de Stichting Sneek 1940-1945

  • uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945

  • onverplichte uitkeringen, bijvoorbeeld uitkeringen die een studerend kind van een van uw werknemers van u krijgt

Naar boven

7.3.4 Loontijdvak en tijdvaktabellen

Het tijdvak waarover een werknemer loon geniet, heet loontijdvak, bijvoorbeeld een dag, een week, een maand, 4 weken of een kwartaal. Voor deze verschillende loontijdvakken bestaan tabellen. Er zijn witte en groene tabellen voor dagloon, weekloon, 4-wekenloon, maandloon en kwartaalloon. En er bestaan voor elke witte tijdvaktabel varianten met en zonder vakantiebonnen.

Hoofdregel: tijdvaktabel gebruiken die overeenkomt met loontijdvak

De hoofdregel is: u gebruikt de tijdvaktabel die overeenkomt met het loontijdvak. Als u bijvoorbeeld met uw werknemer een loon per maand hebt afgesproken, gebruikt u de witte maandtabel. Als hij vakantiebonnen van u krijgt, gebruikt u de bijbehorende witte maandtabel voor werknemers met vakantiebonnen. Keert u pensioenen per kwartaal uit, dan gebruikt u de groene kwartaaltabel. Op deze hoofdregel gelden uitzonderingen in de volgende 2 situaties:

  • Het loontijdvak wordt onderbroken, of uw werknemer treedt in het loontijdvak in of uit dienst.

  • U hebt parttimewerknemers.

Uitzondering 1: onderbroken loontijdvak of in- of uitdiensttreding in het loontijdvak

Als u in een loontijdvak van bijvoorbeeld een maand 1 of meer dagen geen loon betaalt aan een fulltimewerknemer, mag u de maandtabel niet gebruiken. Want dan zou u rekenen met een te hoog bedrag aan algemene heffingskorting en arbeidskorting. U gebruikt de week- en/of dagtabel voor de dagen waarover u wél loon betaalt, ook al is het loontijdvak van de werknemer geen week of dag. Voor elke volle werkweek gebruikt u de weektabel en voor de resterende werkdagen de dagtabel.

In de volgende gevallen gebruikt u de week- en/of dagtabel, ook al is er sprake van een ander loontijdvak:

  • Een werknemer treedt in de loop van een loontijdvak in of uit dienst waardoor hij in het loontijdvak een aantal dagen geen loon krijgt.

  • Een werknemer krijgt in het loontijdvak een aantal dagen geen loon van u, maar rechtstreeks van UWV een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • Een werknemer krijgt een aantal dagen geen loon, omdat hij onbetaald verlof opneemt.

  • Een werknemer die recht heeft op vakantiebonnen, neemt vakantie op. De werknemer krijgt die vakantiedag(en) dus geen loon.

Voorbeeld 1

Uw werknemer treedt op donderdag 10 augustus 2017 in dienst. De periode van 10 tot en met 31 augustus 2017 heeft 16 werkdagen, als volgt verdeeld over de weken: 2 dagen, 5 dagen, 5 dagen en 4 dagen.

Voor die 1e niet-volle maand betaalt u de werknemer € 1.600. Bij volle maanden gebruikt u de witte maandtabel, maar in augustus, de maand van indiensttreding, moet u 'knippen'. Dat wil zeggen dat u vanaf 10 augustus 2017 2 keer de witte weektabel moet gebruiken (voor de 1e volle werkweek van 14 tot en met 18 augustus en voor de 2e van 21 tot en met 25 augustus). Daarnaast past u 6 keer de witte dagtabel toe: voor 10, 11, 28, 29, 30 en 31 augustus.

U berekent 2 keer de witte weektabel over € 500 (= (€ 1.600 : 16) x 5) en 6 keer de witte dagtabel over € 100 (= € 1.600 : 16).

Voorbeeld 2

Een werknemer heeft een maandloon van € 2.200 en vakantiebonnen voor 25 vakantiedagen. Hij heeft een werkweek van maandag tot en met vrijdag. Januari 2017 heeft 22 werkdagen. De werknemer neemt in de week van 16 tot en met 20 januari 2017 (weeknummer 3) 3 dagen verlof. Door de vakantiebonnensystematiek is dat onbetaald verlof, ongeacht of de werknemer vakantiebonnen laat uitbetalen. Over januari krijgt hij 19/22 van zijn loon, dus € 1.900. U gebruikt dan voor de weken 1, 2 en 4 (volle weken) de witte weektabel met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar. Voor de niet-volle werkweken (2 dagen van week 3 en 2 dagen van week 5) gebruikt u voor de gewerkte dagen de witte dagtabel met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar.

U hebt dus 19 loondagen. U berekent 3 keer de witte weektabel met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar over € 500 (= (€ 1.900 : 19) x 5) en 4 keer de witte dagtabel met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar over € 100 (€ 1.900 : 19).

Voorbeeld 3

Een werknemer zonder vakantiebonnen heeft een maandloon van € 2.100 en een werkweek van maandag tot en met vrijdag. Juli 2017 heeft 21 werkdagen. De werknemer neemt van vrijdag 21 juli tot en met woensdag 26 juli onbetaald verlof: 4 dagen. Over juli krijgt hij 17/21 van zijn loon, dus € 1.700. Voor de volledige werkweken binnen deze maand (week 27 en 28) gebruikt u de witte weektabel. Voor de andere werkdagen (17, 18, 19, 20, 27, 28 en 31 juli) gebruikt u de witte dagtabel.

U hebt dus 17 loondagen. U berekent 2 keer de witte weektabel over € 500 (= (€ 2.100 : 21) x 5) en 7 keer de witte dagtabel over € 100 (= € 2.100 : 21).

Uitzondering 2: parttimerregeling

De hoofdregel en uitzondering 1 voor het gebruik van de tijdvaktabellen gelden niet voor parttimewerknemers (werknemers die gewoonlijk op minder dan 5 dagen per week werken). Voor deze werknemers gebruikt u de tijdvaktabel die overeenkomt met het uitbetalingstijdvak. U kijkt dus naar de frequentie waarmee u het loon uitbetaalt en niet naar het werkelijke loontijdvak.

Het doet er niet toe of de parttimewerknemer binnen het loontijdvak regelmatig of onregelmatig werkt, bijvoorbeeld de ene week 3 en de andere week 4 dagen. Of dat de parttimewerknemer – met of zonder vakantiebonnen – onbetaald verlof opneemt.

Let op!

Deze parttimerregeling geldt ook voor fulltimewerknemers die op 4 dagen werken. Bijvoorbeeld werknemers met een fulltimecontract van 36 uur die 4 keer 9 uur werken.

Bij de parttimerregeling mag u niet de kwartaaltabel gebruiken.

Voorbeeld 4

Een parttimewerknemer werkt 3 dagen per week. Het loontijdvak is dan 3 dagen. U betaalt het loon per maand uit. U gebruikt nu niet de tabel die hoort bij het loontijdvak (de witte dagtabel), maar de witte maandtabel.

Voorbeeld 5

U maakt gebruik van een oproepkracht zonder verschijningsplicht (zie ook paragraaf 7.3.5 onder 'U hebt oproepkrachten in dienst'). U roept hem (bijna) elke week voor 1 dag op. U betaalt hem per week uit. U gebruikt nu niet de witte dagtabel, maar de witte weektabel.

Voorbeeld 6

Een parttimewerknemer treedt op maandag 13 maart 2017 bij u in dienst. Hij werkt 2 dagen per week, op maandag en dinsdag. U betaalt zijn loon per maand uit. In maart werkt hij 6 dagen. Dan moet u over maart de witte maandtabel gebruiken. Dit is een andere systematiek dan bij de fulltimewerknemer van voorbeeld 1. U mag dus niet 6 keer de witte dagtabel gebruiken.

Voorbeeld 7

Een parttimewerknemer met vakantiebonnen voor 18 vakantiedagen werkt meestal 24 uur per week: 3 dagen van 8 uur. U betaalt zijn loon per maand uit. Deze werknemer neemt in een maand 2 dagen verlof. Door de vakantiebonnensystematiek is dat onbetaald verlof, ongeacht of de werknemer vakantiebonnen laat uitbetalen. U gebruikt dan toch de witte maandtabel met vakantiebonnen voor 19 of minder vakantiedagen per jaar, net zoals in de maanden waarin de werknemer geen verlof neemt. Dit is een andere systematiek dan bij de fulltimewerknemer van voorbeeld 2.

Voorbeeld 8

Een parttimewerknemer zonder vakantiebonnen neemt een week onbetaald verlof. U betaalt zijn loon per maand uit. U gebruikt de witte maandtabel, net als in de maanden waarin de werknemer geen onbetaald verlof neemt. Dit is een andere systematiek dan bij de fulltimewerknemer van voorbeeld 3.

Naar boven

7.3.5 Tijdvaktabellen: bijzondere situaties

Voor de volgende bijzondere situaties gelden speciale regels voor het gebruik van de tijdvaktabellen:

  • Uw werknemer heeft een loontijdvak van 6 of 7 dagen.

  • Uw werknemer heeft een loontijdvak van korter dan een dag.

  • Uw werknemer heeft een loontijdvak van een jaar.

  • Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat.

  • Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken.

  • U doet nabetalingen (vertraagd uitbetaald loon).

  • Het kalenderjaar heeft 53 weken en uw werknemer heeft een loontijdvak van een week of 4 weken.

  • U hebt studenten of scholieren in dienst.

  • U hebt oproepkrachten in dienst.

Uw werknemer heeft een loontijdvak van 6 of 7 dagen

Als het loontijdvak 6 of 7 dagen is, gebruikt u de weektabel alsof uw werknemer 5 dagen heeft gewerkt.

Uw werknemer heeft een loontijdvak van korter dan een dag

Als het loontijdvak korter is dan een dag, gebruikt u de dagtabel alsof uw werknemer een volle dag heeft gewerkt.

Uw werknemer heeft een loontijdvak van een jaar

Als het loontijdvak een jaar is, gebruikt u het schijventarief (zie tabel 1 achter in dit handboek) en verrekent u de heffingskortingen die van toepassing zijn (zie tabel 2a, 2b, 2c, 2d, 2e, 2f en 2g).

Om de loonbelasting/premie volksverzekeringen te berekenen, mag u de volgende praktische werkwijze gebruiken:

  • U deelt het jaarloon door 4.

  • Op dit kwart van het jaarloon past u de kwartaaltabel toe die geldt op het genietingsmoment van het jaarloon.

  • U vermenigvuldigt de uitkomst met 4.

U mag ook de vierwekentabel gebruiken (u neemt 1/13 van het jaarloon, past de vierwekentabel toe en vermenigvuldigt de uitkomst met 13) of de maandtabel (u neemt 1/12 van het jaarloon, past de maandtabel toe en vermenigvuldigt de uitkomst met 12).

Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat

Als uw werknemer een loontijdvak heeft waarvoor geen tabel bestaat, moet u herleiden. Daarbij knipt u het loon op in delen waarvoor wél een tijdvaktabel bestaat. Bijvoorbeeld bij een loontijdvak van 4 maanden deelt u het loon door 4. U gebruikt voor dat 1/4e deel de maandtabel en de gevonden bedragen vermenigvuldigt u met 4.

Voorbeeld 1

Het loontijdvak is 6 maanden. Het loon per 6 maanden is € 6.000. U bepaalt de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:

  1. Herleid het loon tot loon voor een tijdvak waarvoor wel een tabel bestaat. In dit geval is herleiding tot een maandloon handig.

  2. Bepaal met de maandtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting voor 1/6 deel van het loon (€ 1.000).

  3. Vermenigvuldig de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting met 6.

U hebt nu de juiste loonbelasting/premie volksverzekeringen en arbeidskorting voor het loontijdvak van 6 maanden.

Voorbeeld 2

Het loontijdvak is 3,5 dag. Het loon voor dat loontijdvak is € 350. U bepaalt de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:

  1. Herleid het loon tot loon voor een tijdvak waarvoor wel een tabel bestaat. In dit geval is herleiding tot een dagloon handig.

  2. Bepaal met de dagtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting voor 1/4 deel van het loon (€ 87,50). Een halve dag is bij het gebruik van de dagtabel ook een dag.

  3. Vermenigvuldig de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting met 4.

U hebt nu de juiste loonbelasting/premie volksverzekeringen en arbeidskorting voor het loontijdvak van 3,5 dag.

Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken

Het kan voorkomen dat u uw werknemer naast zijn periodieke loon nog een beloning (geen nabetaling) betaalt over een ander loontijdvak. U betaalt bijvoorbeeld loon over een maand plus provisie over 3 maanden die al voorbij zijn. U mag kiezen uit 2 manieren om de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het andere loontijdvak te berekenen:

  • U gebruikt de tabel voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.6).

  • U voert een herberekening uit (zie hierna onder 'Herberekeningsmethode').

De uitkomsten van de 2 berekeningen kunnen verschillen. U mag zelf kiezen welke manier u gebruikt.

Let op!

Bij 2 of meer lonen uit vroegere dienstbetrekking, zoals pensioenen of lijfrenten, met verschillende loontijdvakken moet u altijd de herberekeningsmethode gebruiken.

Herberekeningsmethode

Als de werknemer beloningen over verschillende tijdvakken krijgt, kunt u de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het langste tijdvak bepalen door een herberekening. Bij een herberekening neemt u de volgende stappen:

  1. Tel het loon van het langste tijdvak op bij alle andere lonen die in dat tijdvak belast zijn of nog belast moeten worden.

  2. Bepaal met de tabel die geldt voor het langste tijdvak, de loonbelasting/premie volksverzekeringen over dit totale loon, en de bijbehorende arbeidskorting. U gebruikt de tabel die geldt op het moment dat u het loon over het langste tijdvak uitbetaalt. En u gaat uit van het loon van kolom 14 van de loonstaat (het tabelloon).

  3. Bepaal met diezelfde tabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totaal van het andere loon, en de bijbehorende arbeidskorting, dus zonder rekening te houden met het loon over het langste tijdvak. Dit bedrag kan afwijken van wat u daadwerkelijk op het eerdere loon hebt ingehouden en van wat u eerder aan arbeidskorting hebt bepaald.

  4. Trek de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 3 af van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 2.

Doe hetzelfde met de arbeidskorting. Het verschil is het bedrag dat u moet inhouden op het loon over het langste tijdvak, en het bijbehorende bedrag aan arbeidskorting.

Voorbeeld 3

Een werknemer van 25 jaar voor wie u de loonheffingskorting toepast, heeft elke maand een regulier loon van € 1.000. In april betaalt u ook de provisie over januari, februari en maart uit. Deze provisie is € 800.

Het langste loontijdvak is hier de periode januari tot en met maart, de periode waar de provisie betrekking op heeft. Het totale loon (tabelloon) van dat tijdvak (een kwartaal) is 3 x € 1.000 + € 800 = € 3.800. Voor dit tijdvak is een tabel beschikbaar. U gebruikt de tabel die geldt op het moment dat u de provisie uitbetaalt, dus de witte kwartaaltabel die geldig is in april. Volgens de witte kwartaaltabel 2017 is de loonbelasting/premie volksverzekeringen over dit loon € 366,50. De arbeidskorting die hierbij hoort, is € 456,50.

U bepaalt wat u op het totaal van het reguliere loon van januari, februari en maart (€ 3.000) zou moeten inhouden. Daarbij gebruikt u ook de witte kwartaaltabel die geldig is in april. De loonbelasting/premie volksverzekeringen over € 3.000 is € 300,75. De arbeidskorting die hierbij hoort, is € 231,00. Op de provisie van € 800 houdt u in: € 366,50 - € 300,75 = € 65,75. De bijbehorende arbeidskorting is: € 456,50 - € 231,00 = € 225,50.

Voorbeeld 4

Een werknemer van 41 jaar voor wie u de loonheffingskorting toepast, heeft in januari en februari een loon van € 1.000. Op 1 maart treedt hij in dienst bij een nieuwe werkgever. In april krijgt hij van u nog de provisie over het 1e kwartaal (januari, februari, maart). Deze provisie is € 800.

Het langste loontijdvak bij u is de periode van januari tot en met maart, de periode waar de provisie betrekking op heeft. Maar omdat de werknemer in maart niet meer voor u gewerkt heeft, is het feitelijke loontijdvak een periode van 2 maanden. Het totale loon (tabelloon) van dat tijdvak is (2 x € 1.000) + € 800 = € 2.800. Voor deze periode is geen tabel. Daarom moet u het loon herleiden (zie hierboven bij 'U hebt een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat'). U deelt daarbij het totale loonbedrag door 2 en gebruikt de maandtabel die geldig is in april. De uitkomst vermenigvuldigt u met 2.

U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de provisie nu als volgt:

  1. Bereken de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totale loon van € 2.800. Dit is: 2 x loonbelasting/premie volksverzekeringen over een maandloon van € 1.400 = (2 x € 133,25) € 266,50. De bijbehorende arbeidskorting is (2 x € 190,42) € 380,84.

  2. Bereken wat de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totaal van de eerdere maandlonen geweest zou zijn. Dit is: 2 x loonbelasting/premie volksverzekeringen over € 1.000 = (2 x € 100,25) € 200,50. De bijbehorende arbeidskorting is (2 x € 77,00) € 154,00.

  3. Trek de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 2 af van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 1. Doe hetzelfde met de arbeidskorting. Op de provisie van € 800 houdt u in: € 266,50 - € 200,50 = € 66,00. De bijbehorende arbeidskorting is: € 380,84 - € 154,00 = € 226,84.

U doet nabetalingen (vertraagd uitbetaald loon)

Voor nabetalingen (ook wel: vertraagd uitbetaald loon), zoals overwerkloon, provisies of cao-loonsverhogingen met terugwerkende kracht, gebruikt u de tabellen voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.6). Dit is de hoofdregel.

Een uitzondering geldt voor een nabetaling die betrekking heeft op een achteraf vastgesteld tijdvakloon of een achteraf vastgestelde uitkering die u in 1 keer uitbetaalt, terwijl u de werknemer of de uitkeringsgerechtigde over de nabetalingsperiode niet eerder een tijdvakloon hebt betaald. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende situaties:

  • U betaalt de werknemer geen regulier loon meer uit. Na verloop van tijd betaalt u het niet-betaalde loon toch nog uit.

  • U kent een uitkeringsgerechtigde met terugwerkende kracht een pensioen toe (aanlooptermijnen).

U berekent dan de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:

  1. Herleid het bedrag tot een (gemiddeld) tijdvakloon.

  2. Gebruik de loonbelastingtabel die op dat moment geldt. U mag voor deze nabetalingen niet de tabel voor bijzondere beloningen gebruiken.

  3. Vermenigvuldig het bedrag in de tabel met het aantal loontijdvakken waarop de betaling betrekking heeft.

Voorbeeld 5

Een werknemer van 36 jaar oud verdient € 2.000 per maand. U ontslaat hem en betaalt hem per oktober 2016 geen regulier loon meer uit. In een ontslagprocedure bepaalt de rechter dat het ontslag onterecht was. U hervat per april 2017 de reguliere loonbetalingen en u betaalt de werknemer in april 2017 in 1 keer 6 maandlonen uit (totaal € 12.000). Er zijn geen andere inkomsten. De werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen en voor de Zvw.

Bij loon-in-systematiek

U gebruikt voor elk nabetaald maandloon van € 2.000 de witte maandtabel die in april 2017 geldt. De loonbelasting/premie volksverzekeringen hierover is € 303,83. Dit bedrag vermenigvuldigt u daarna met 6. Het hele loon (€ 12.000) en de totale loonbelasting/premie volksverzekeringen geeft u, samen met het reguliere loon over april, aan in de aangifte over april.

Bij loon-over-systematiek

U rekent aan januari, februari en maart 2017 alsnog € 2.000 loon toe en verwerkt dat in die maanden in de salarisadministratie. U gebruikt voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen de witte maandtabel die respectievelijk in januari, februari en maart 2017 geldt. Voor de overige 3 loontijdvaknabetalingen van € 2.000, die betrekking hebben op 2016, gebruikt u de witte maandtabel die in april 2017 geldt. U vermenigvuldigt het bedrag uit de tabel dat hoort bij € 2.000 met 3. De lonen die u aan januari, februari en maart 2017 hebt toegerekend, neemt u op in de aangifte over die tijdvakken of u verzendt daarvoor een correctie. Het loon over de 3 tijdvakken van 2016 en de bijbehorende loonbelasting/premie volksverzekeringen geeft u, samen met het reguliere loon over april, aan in de aangifte over april 2017.

U berekent op deze manier misschien meer loonheffingskorting in 2017 dan waar de werknemer recht op heeft. Wij verrekenen dit voordeel van de extra heffingskorting via de aanslag inkomstenbelasting van uw werknemer. Uw werknemer is dit voordeel dan weer kwijt. Om te voorkomen dat u te veel loonheffingskorting berekent, kunt u meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel aangeeft. Maar u mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie hoofdstuk 7.3.9 onder ‘Vrijwillig hogere inhouding’.

Werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw

De premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw moet u op een andere manier berekenen, namelijk door middel van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) (zie paragraaf 5.7.3). U bepaalt eerst de hoogte van het loon dat betrekking heeft op tijdvakken van 2017. In dit voorbeeld is dat € 8.000 (januari tot en met maart voor de nabetaling en april voor het reguliere loon, iedere maand € 2.000). De overige € 6.000, die betrekking heeft op tijdvakken van vóór 2017, hoort ook tot het loon voor de werknemersverzekeringen en het bijdrageloon van april 2017.

Bij de loon-in-systematiek mag u in april rekening houden met 4 loontijdvakken voor het berekenen van het maximumpremieloon en het maximumbijdrageloon. Het totale loon voor de werknemersverzekeringen, de berekende totale premielonen, het totale bijdrageloon en bijbehorende premies en bijdrage neemt u op in de aangifte over april. Bij de loon-over-systematiek rekent u het loon van januari, februari en maart 2017 toe aan die loontijdvakken, de rest van de nabetaling plus het reguliere loon over april (totaal € 8.000) is loon van april. Voor elk loontijdvak berekent u op gebruikelijke wijze het maximumpremie- en bijdrageloon.

Let op!

In april is het premie- en bijdrageloon meer dan het maximum dat voor dat tijdvak geldt. Door voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) kan er in de loontijdvakken ná april een zogenoemd inhaaleffect optreden. Hierdoor moet u in die maanden meer dan gebruikelijk aan premies werknemersverzekeringen of werkgeversheffing Zvw betalen of bijdrage Zvw inhouden. Zie paragraaf 5.7.3 voor meer informatie over VCR.

Kalenderjaar heeft 53 weken en uw werknemer heeft een loontijdvak van een week of van 4 weken

Soms heeft een kalenderjaar 53 weken. Als uw werknemer een loontijdvak van een week heeft, moet u ook voor het loon over de 53e week de weektabel gebruiken.

Heeft uw werknemer een loontijdvak van 4 weken, dan zijn er voor het loon over de 53e week 2 situaties mogelijk:

  • U betaalt het loon over de 13e periode van 4 weken en het loon over de 53e week afzonderlijk. In dat geval gebruikt u voor het loon over de 13e periode van 4 weken de vierwekentabel en voor het loon over de 53e week de weektabel.

  • U betaalt het loon over de 13e periode en het loon over de 53e week in 1 keer. Er is dan sprake van een loontijdvak van 5 weken. Voor dit loontijdvak bestaat geen tabel. U moet het loon dan herleiden naar een loon over een tijdvak waarvoor wel een tabel bestaat. Bijvoorbeeld door het loon te delen door 5. Dan gebruikt u de weektabel en vermenigvuldigt u de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting met 5.

Als u voor een werknemer de loonheffingskorting toepast, mag u dit ook voor de 53e week doen.

Let op!

U berekent op deze manier misschien meer loonheffingskorting dan waar de werknemer recht op heeft. Wij verrekenen dit voordeel van de extra heffingskorting via de aanslag inkomstenbelasting van uw werknemer. Uw werknemer is dit voordeel dan weer kwijt. Om te voorkomen dat u te veel loonheffingskorting berekent, kunt u meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel aangeeft. Maar u mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie hoofdstuk 7.3.9 onder ‘Vrijwillig hogere inhouding’.

U hebt studenten of scholieren in dienst

Voor studenten en scholieren kunt u een afwijkende regeling gebruiken: de studenten- en scholierenregeling (zie paragraaf 16.16). U gaat dan uit van een loontijdvak van een kalenderkwartaal, ook al is het werkelijke loontijdvak anders. U gebruikt dan de kwartaaltabel. Het effect hiervan is meestal dat u minder loonbelasting/premie volksverzekeringen hoeft in te houden dan wanneer u de gewone tijdvaktabel zou gebruiken.

U hebt oproepkrachten in dienst

Voor het bepalen van het loontijdvak – en dus de loonbelastingtabel – van oproepkrachten en werknemers met een nul-urencontact, zijn de overeenkomst en de feitelijke situatie van belang. Zie paragraaf 16.12 voor meer informatie over oproepkrachten.

Oproepkrachten met verschijningsplicht (ook nul-urencontracten)

Bij oproepkrachten met verschijningsplicht loopt de dienstbetrekking door. U toetst of het om een parttimer gaat, dat wil zeggen of uw werknemer gewoonlijk op minder dan 5 dagen per week werkt. Er zijn 2 mogelijkheden:

  • Het gaat om een parttimer. Dan is het loontijdvak gelijk aan het uitbetalingstijdvak (zie paragraaf 7.3.4, onder 'Uitzondering 2: parttimerregeling').

  • Het gaat niet om een parttimer. Dan bepaalt u per oproep wat het loontijdvak is. De hoofdregel voor het gebruik van tijdvaktabellen geldt (zie paragraaf 7.3.4, onder 'Hoofdregel').

Oproepkrachten zonder verschijningsplicht

Bij oproepkrachten zonder verschijningsplicht zijn er 3 situaties mogelijk:

  • De oproepkracht wordt voor een langere periode opgeroepen en werkt in die periode 5 of meer dagen per week. Deze situatie is gelijk te stellen met een full-timecontract voor een bepaalde periode. In dit geval bepaalt u per oproep wat het loontijdvak is en u gebruikt de bijbehorende tijdvaktabel.

  • De oproepkracht wordt voor een langere periode opgeroepen en werkt in die periode minder dan 5 dagen per week. In deze situatie geldt de regeling voor parttimers (zie paragraaf 7.3.4, onder 'Uitzondering 2: parttimerregeling'). Het loontijdvak is gelijk aan het uitbetalingstijdvak.

  • De oproepkracht wordt voor een korte periode opgeroepen. U bepaalt dan per oproep wat het loontijdvak is en u gebruikt de bijbehorende tijdvaktabel.

Naar boven

7.3.6 Tabellen voor bijzondere beloningen

Voor bijzondere beloningen zijn er speciale tabellen om de loonbelasting/premie volksverzekeringen te bepalen: de tabellen voor bijzondere beloningen. Er zijn witte en groene tabellen voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.2 en 7.3.3). Deze staan op de laatste pagina van de tijdvaktabellen.

De tabellen voor bijzondere beloningen gebruikt u voor de volgende bijzondere beloningen:

  • eenmalige beloningen of beloningen die u maar eenmaal per jaar toekent, bijvoorbeeld gratificaties, tantièmes en vakantiebijslag

  • overwerkloon

  • uitbetaling van niet-opgenomen vakantiedagen

  • beloningen over een ander tijdvak, bijvoorbeeld achteraf betaalde provisies of loonsverhogingen met terugwerkende kracht
    Bij beloningen over een ander tijdvak mag u ook kiezen voor de herberekeningsmethode (zie paragraaf 7.3.5, onder 'Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken').

  • nabetalingen die betrekking hebben op tijdvakken van een vorig kalenderjaar
    U mag voor deze nabetalingen kiezen voor het gebruik van de tabel voor bijzondere beloningen of voor de herberekeningsmethode.

Let op!

De voordeelregel waarmee u een bijzondere beloning op mocht tellen bij het reguliere tijdvakloon, is vervallen met ingang van 1 januari 2016.

Verrekeningspercentage loonheffingskorting

De loonheffingskorting is afhankelijk van de hoogte van het inkomen. De tabellen voor bijzondere beloningen hielden daar geen rekening mee. Daarom treft u in de tabel de kolom 'verrekeningspercentage loonheffingskorting' aan voor werknemers voor wie u de loonheffingskorting toepast. De verrekende loonheffingskorting sluit daarmee beter aan bij de inkomstenbelasting die uw werknemer over zijn loon moet betalen.

Met het verrekeningspercentage past u de opbouw en afbouw van de arbeidskorting en de afbouw van de algemene heffingskorting toe op bijzondere beloningen. Met het positieve percentage corrigeert u het teveel aan loonheffingskorting. Met het negatieve percentage corrigeert u het tekort. Voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen mag u het verrekeningspercentage optellen bij het percentage uit de kolom 'standaardtarief'. U mag de 2 percentages ook afzonderlijk toepassen.

Let op!

Het gebruik van het verrekeningspercentage kan in sommige situaties desondanks tot een te hoge of te lage inhouding leiden ten opzichte van wat uw werknemer via zijn aangifte inkomstenbelasting moet betalen. In deze situatie kunt u het volgende doen:

  • meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel aangeeft. U mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie hoofdstuk 7.3.9 onder ‘Vrijwillig hogere inhouding’.

  • minder loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden. Voor meer informatie hierover zie de paragraaf Machtiging lager percentage.

Jaarloon uitgangspunt voor de tabellen voor bijzondere beloningen

Voor de tabellen voor bijzondere beloningen hebt u een jaarloon nodig. U baseert dit jaarloon op het loon uit kolom 14 van de loonstaat (zie paragraaf 9.2.9).

Er zijn 3 situaties mogelijk:

  • U hebt de werknemer het hele voorafgaande kalenderjaar loon betaald. U gaat dan uit van het loon dat de werknemer in dat jaar van u heeft gekregen.

  • U hebt de werknemer maar een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar loon betaald. U gaat dan uit van het tot een jaarloon herleide bedrag. Is de werknemer bijvoorbeeld op 15 november in dienst getreden en is zijn cumulatieve loon (kolom 14) op 31 december € 3.000, dan is het tot jaarloon herleide bedrag ((€ 3.000 : 1,5) x 12 =) € 24.000.
    Is de werknemer het vorige jaar meerdere keren in- en uit dienst getreden? Zoals bij oproep- en uitzendkrachten. Dan berekent u het jaarloon door het loon voor alle arbeidsverhoudingen met de betreffende werknemer in dat jaar tot één jaarloon te herleiden.

  • De werknemer is in het huidige jaar in dienst gekomen. U hebt de werknemer daarom in het voorafgaande kalenderjaar geen loon betaald. U herleidt dan een jaarloon op basis van het lopende jaar. U moet het jaarloon herleiden alsof uw werknemer over het hele lopende jaar loon zou krijgen. Daarbij houdt u rekening met alle loonbetalingen, dus ook met bijvoorbeeld incidentele betalingen of eventueel vastgelegde loonsverhogingen. Als de werknemer wisselende inkomsten heeft moet u gedurende het jaar van indiensttreding het te verwachten jaarloon bijstellen. U mag echter op basis van de gewoonte volstaan met een eenmalige inschatting van het jaarloon voor eerste loonbetaling. Als de werknemer in het lopende jaar meerdere keren in- en uit dienst treedt (zoals bij oproep- en uitzendkrachten) maakt u volgens de hoofdregel voor elke arbeidsverhouding een (nieuwe) inschatting. Maar u mag die inschatting ook maken voor het totaal van alle arbeidsverhoudingen met die werknemer.

Let op!

Als een werknemer van werkgever is veranderd en u en de andere werkgever horen tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen, neemt u als jaarloon het totale loon dat u en de andere werkgever hebben uitbetaald. Zie paragraaf 3.6 voor meer informatie over het begrip 'samenhangende groep inhoudingsplichtigen'.

Let op!

Heeft u of uw werknemer het vermoeden dat er met het jaarloon alsnog teveel of te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen (loonheffing) wordt ingehouden, ten opzichte van wat de werknemer via zijn aangifte inkomstenbelasting moet betalen?

Dan kunt u het volgende doen:

  • meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel aangeeft. U mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie hoofdstuk 7.3.9 onder ‘Vrijwillig hogere inhouding’.

  • minder loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden. Voor meer informatie hierover zie de paragraaf Machtiging lager percentage.

Loon bij elkaar optellen voor berekening van het jaarloon

Er zijn 3 situaties waarbij u lonen bij elkaar op moet tellen voor de berekening van het jaarloon:

  • U betaalt een werknemer loon voor 2 of meer inkomstenverhoudingen. Het totale loon van alle inkomstenverhoudingen is dan uitgangspunt voor de berekening van het jaarloon voor de tabel bijzondere beloningen. Het maakt daarbij niet uit of het om loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking gaat. Zie paragraaf 3.4 voor meer informatie over het begrip 'inkomstenverhouding'.

  • U betaalt een werknemer loon of lonen uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking. Daarnaast betaalt u ook loon uit vroegere dienstbetrekking van een andere werkgever of uitkeringsinstantie door. Het totaal van die lonen is dan uitgangspunt voor de berekening van het jaarloon voor de tabel voor bijzondere beloningen.

  • U geeft een aanvulling op een socialeverzekeringsuitkering en UWV betaalt die uitkering rechtstreeks aan uw werknemer of u krijgt die uitkering van UWV om door te betalen aan uw werknemer. Het totaal (de uitkering plus de aanvulling) is dan uitgangspunt voor de berekening van het jaarloon voor de tabel voor bijzondere beloningen.

Als u de verschillende lonen onder verschillende loonheffingennummers aangeeft, bijvoorbeeld het ene loon in de aangifte met subnummer L01 en het andere in de aangifte met subnummer L02, dan telt u deze lonen voor het bepalen van het jaarloon voor de tabel bijzondere beloningen bij elkaar op.

Machtiging lager percentage

Wij kunnen op verzoek van uw werknemer een machtiging afgeven om de loonbestanddelen die onder de tabel voor bijzondere beloningen vallen, lager te belasten dan de tabel aangeeft. Uw werknemer kan zo'n verzoek doen als normaal gebruik van de tabel voor bijzondere beloningen betekent dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de bijzondere beloning ten minste 10% (met een minimum van € 227) meer is dan de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die de werknemer vermoedelijk moet betalen. Wij sturen uw werknemer dan een brief waarin wij u machtigen om een lager percentage te gebruiken dan de tabel voor bijzondere beloningen aangeeft. Dit percentage geldt alleen voor het jaar dat in de machtiging staat.

Nadat u de machtiging hebt gekregen, verwerkt u het lagere percentage in de loonadministratie. U bewaart een kopie van de machtiging bij uw loonadministratie.

Naar boven

7.3.7 Tabellen voor bijzondere groepen werknemers

Er zijn speciale tabellen voor:

  • artiesten en beroepssporters (zie tabel 3 achter in dit handboek)

  • aannemers van werk, thuiswerkers, sekswerkers en gelijkgestelden (zie tabel 4 achter in dit handboek)

  • werknemers met vakantiebonnen

Voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen gelden speciale regels. Meer informatie hierover en over terugvordering en verrekening van bijstand vindt u in de Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2017. U kunt deze handleiding downloaden van belastingdienst.nl.

Artiesten en beroepssporters

Voor artiesten en beroepssporters met wie u een overeenkomst van korte duur aangaat of die kortstondig optreden of kortstondig een sport beoefenen, berekent u de loonbelasting op een afwijkende manier. Meer hierover vindt u in de 'Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling'. U kunt de handleiding voor 2017 in de loop van 2017 downloaden van belastingdienst.nl.

Tabellen voor werknemers met vakantiebonnen

Voor werknemers die loon krijgen dat onder meer bestaat uit vakantie(toeslag)bonnen, zijn er de tabellen voor werknemers met vakantiebonnen. Deze tabellen gelden alleen als de toekenning van vakantiebonnen is overeengekomen in een cao of publiekrechtelijke regeling die al op 31 december 1996 bestond. Als die cao of publiekrechtelijke regeling na die datum aansluitend is vervangen, mag u deze tabellen alleen gebruiken als de cao of de regeling op het punt van vakantiebonnen onveranderd is voortgezet. Voorwaarde is dat u de vakantiebonnen regelmatig bij de betaling van het loon geeft.

Er zijn afzonderlijke tabellen voor werknemers die per jaar voor 19 of minder dagen vakantiebonnen krijgen en voor werknemers die per jaar voor 20 of meer dagen vakantiebonnen krijgen. Om te beoordelen onder welke tabel uw werknemer valt, gaat u uit van het aantal vakantiedagen waarop een volwassen werknemer recht heeft volgens zijn cao of een publiekrechtelijke regeling. Feestdagen en extra vakantiedagen in verband met leeftijd of dienstjaren van een jeugdige of oudere werknemer tellen niet mee.

Naar boven

7.3.8 Herleidingsregels (in internationale situaties) voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen

De inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen bestaat uit 1 percentage dat opgebouwd is uit 4 componenten:

  • loonbelasting

  • premie AOW

  • premie Anw

  • premie Wlz

Er zijn werknemers die door internationale situaties 1 of meer van deze componenten niet hoeven te betalen. Zo zijn er:

  • werknemers die alleen loonbelasting moeten betalen

  • werknemers die alleen premie volksverzekeringen moeten betalen

  • werknemers die geen premie hoeven te betalen voor 1 of meer volksverzekeringen

Voor elk van deze groepen werknemers geldt er een ander gecombineerd percentage voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen dan de percentages waarop de standaard loonbelastingtabellen zijn gebaseerd. Uw salarissoftware berekent deze aangepaste bedragen meestal automatisch.

Wilt u de inhouding zelf bepalen? Hiervoor kon u tot en met 2016 de zogenoemde herleidingsregels gebruiken, waarmee u uit de standaardtabellen het in te houden bedrag kon herleiden.

Vanaf 2017 hebben wij voor al deze specifieke internationale situaties ook tabellen gemaakt. Deze situaties noemen we voorlopig nog 'herleidingssituaties'. De bijbehorende tabellen noemen we daarom voorlopig nog 'herleidingstabellen'. Deze tabellen kunt u via de rekenhulp Loonbelastingtabellen raadplegen. De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/tabellen. Of kies op belastingdienst.nl voor 'Ondernemers' en klik daarna bij 'Loonheffingen' op 'Loonbelastingtabellen 2017'.

Herleidingssituaties en bijbehorende tabellen

Tot en met 2016 waren er 18 herleidingssituaties, verdeeld over 3 leeftijdsgroepen:

  • jonger dan de AOW-leeftijd

  • AOW-leeftijd en geboren in 1945 of eerder

  • AOW-leeftijd en geboren in 1946 of later

In de herleidingstabellen vindt u, net als in de standaardtabellen, deze 3 leeftijdscategorieën in 1 tabel, zodat er 6 herleidingssituaties over zijn.

Er zijn vanaf 2017 tabellen voor de volgende herleidingssituaties:

  • A- Uitsluitend premieplichtig voor de AOW,Anw en Wlz

  • B- Uitsluitend belastingplichtig

  • C- Belastingplichtig en premieplichtig voor de AOW en de Anw

  • D- Belastingplichtig en premieplichtig voor de Wlz

  • E- Uitsluitend premieplichtig voor de AOW en de Anw

  • F- Uitsluitend premieplichtig voor de Wlz

Naar boven

7.3.9 Aandachtspunten bij het gebruik van de tabellen

Bij het gebruik van de loonbelastingtabellen gelden de volgende aandachtspunten:

  • U mag de tabellen alleen gebruiken voor het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen in het kalenderjaar dat op de tabellen staat.

  • In sommige gevallen moet u het anoniementarief gebruiken in plaats van de tabellen (zie ook paragraaf 2.6).

Vrijwillig hogere inhouding

U mag op verzoek van een werknemer meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel aangeeft. Een werknemer kan dat vragen om de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u inhoudt, beter overeen te laten komen met zijn aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Dat is vooral handig als de werknemer gelijktijdig 2 dienstbetrekkingen of 2 pensioenen heeft en bij vertraagd uitbetaald loon (aanlooptermijnen). Of als de tabel voor bijzondere beloningen een laag percentage aangeeft.

Als u te veel of te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen hebt ingehouden

Het kan zijn dat u bij een werknemer te veel of te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen hebt ingehouden. Bijvoorbeeld doordat u de verkeerde tabel hebt gebruikt of de verkeerde kolom. U hebt dan een nettoschuld aan de werknemer of een nettovordering op de werknemer. Hoofdregel is dat u de onjuiste aangifte herstelt met een correctie. Het maakt daarbij niet uit of u gebruikmaakt van de loon-in-systematiek of de loon-over-systematiek. Die nettoschuld of nettovordering verrekent u met het nettoloon van het volgende loontijdvak.

U kunt de fout onder de volgende voorwaarden ook zonder correctie herstellen:

  • U herstelt de fout binnen het kalenderjaar.

  • U verrekent het eerder te weinig of te veel ingehouden bedrag bij een volgende loonberekening door dan meer of minder in te houden.

  • In uw loonadministratie maakt u een aantekening hiervan.

  • Uw werknemer stemt ermee in dat u de foute inhouding op deze manier verrekent.

Een foute inhouding van de bijdrage Zvw moet u altijd met een correctie herstellen, ook als het over het voorgaande jaar gaat. Want de werknemer kan dit niet via zijn aangifte inkomstenbelasting herstellen. Zie voor meer informatie over correcties over voorgaande jaren paragraaf 12.4.

Naar boven

7.4 Van nettoloon naar brutoloon: bruteren

Het systeem van de loonheffingen is gebaseerd op het brutoloon en op berekeningen van bruto- naar nettoloon. Zie paragraaf 7.1 voor een voorbeeld van een berekening van brutoloon naar nettoloon.

Spreekt u als werkgever met een werknemer een nettoloon af, dan moet u dit nettoloon herleiden tot een brutoloon. U moet dan een omgekeerde berekening maken. Dat kan meestal met salarissoftware. Lukt dat met uw software niet, dan moet u de berekening zelf maken.

Hoe werkt bruteren?

Als u een nettoloon herleidt tot een brutoloon, moet u bij het nettoloon enkele bedragen optellen om te komen tot een brutoloon. Zoals de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u volgens de loonbelastingtabel hebt ingehouden, en de eventueel ingehouden bijdrage Zvw.

U kunt de volgende methode gebruiken. Schat het brutoloon waarvan u denkt dat dat hoort bij het nettoloon dat u met uw werknemer hebt afgesproken. Met dit brutoloon maakt u een bruto-nettoberekening. U trekt dit berekende nettoloon af van het werkelijke nettoloon. Als het verschil positief is, trekt u het af van het geschatte brutoloon. Als het verschil negatief is, telt u het op bij het geschatte brutoloon. Met dit nieuwe brutoloon maakt u dezelfde berekening opnieuw. U herhaalt deze berekening net zolang tot u uiteindelijk uitkomt op het nettoloon dat u met uw werknemer hebt afgesproken.

Voorbeeld

U wilt het brutoloon bepalen dat hoort bij een nettoloon van € 250 per week. U gebruikt de witte weektabel van januari 2017. Omdat de loonheffingskorting van toepassing is en de werknemer 35 jaar is, neemt u de bedragen uit kolom 3 van de tabel. U begint uw berekening met een brutoloon van bijvoorbeeld 120% van het nettoloon. U ziet dat u zo een nettoloon van € 250 in 4 stappen herleidt tot een brutoloon van € 276,90.

Brutoloon

Grondslag voor alle loonheffingen

Loonbelasting/premie volksverzekeringen

Nettoloon

Verschil

€ 300,00

€ 300,00

€ 28,79

€ 271,21

€ 21,21

€ 278,79

€ 278,79

€ 27,06

€ 251,73

€ 1,73

€ 277,06

€ 277,06

€ 26,90

€ 250,16

€ 0,16

€ 276,90

€ 276,90

€ 26,90

€ 250,00

€ 0,00

Uitgangspunten in dit voorbeeld:

  • Dit voorbeeld houdt geen rekening met bijvoorbeeld de levensloopregeling, kostenvergoedingen, inhouding van pensioenpremies, loon in natura (zoals een auto van de zaak) en dergelijke.

  • De werkgever maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een gedeelte van de gedifferentieerde premie Whk te verhalen op de werknemer.

  • De werkgever moet werkgeversheffing Zvw betalen. Hij houdt geen bijdrage Zvw in op het loon van de werknemer.

Naar boven

7.5 Eindheffing

De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u normaal gesproken op het loon van uw werknemer inhoudt, betaalt u aan ons. Feitelijk betaalt de werknemer dus dit bedrag. Maar over bepaalde vormen van loon betaalt u als werkgever zelf de loonbelasting/premie volksverzekeringen: de zogenoemde eindheffing. Loon waarover u eindheffing betaalt, hoort niet tot het loon van de werknemer en staat niet op zijn salarisstrook of jaaropgaaf. Het eindheffingsloon hoort dus ook niet tot zijn verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting. De werknemer kan de eindheffing die u over dit loon betaalt, niet verrekenen met de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in zijn aangifte inkomstenbelasting.

Voor de eindheffing zijn er verschillende tarieven. Welk tarief u gebruikt, hangt af van het soort loon waarover u eindheffing betaalt (zie hoofdstuk 24).

Naar boven

7.6 Regels voor het bij elkaar optellen van lonen

Betaalt u een werknemer of uitkeringsgerechtigde (hierna: werknemer) meerdere lonen of uitkeringen op basis van 1 of meer arbeidscontracten of verzekeringen? Dan moet u de verschillende betalingen soms bij elkaar optellen tot 1 bedrag waarover u de loonheffingen inhoudt en betaalt. Bij elkaar optellen betekent niet dat u de verschillende betalingen in 1 inkomstenverhouding moet aangeven. Dat mag ook in meerdere inkomstenverhoudingen, zolang u voor de berekening van de loonheffingen van het totale bedrag uitgaat. Soms moet u de verschillende betalingen in verschillende inkomstenverhoudingen opgeven, zoals bij de samenloop van betalingen waarbij voor het ene loon de witte tabel geldt en voor het andere de groene tabel (zie paragraaf 3.4.1).

Of u de betalingen bij elkaar moet optellen, is afhankelijk van wat u gaat berekenen: de premies werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet of de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Premies werknemersverzekeringen

Voor de berekening van de premies werknemersverzekeringen telt u alle lonen en uitkeringen van de werknemer bij elkaar op, voor zover het loon voor de werknemersverzekeringen is. Het maakt daarbij niet uit hoeveel inkomstenverhoudingen de werknemer bij u heeft. Bij voorkeur verdeelt u de premies evenredig over de inkomstenverhoudingen. U voorkomt hiermee vragen van de werknemer.

De volgende lonen mag u niet bij elkaar optellen:

  • loon waarover u Ufo-premie betaalt en loon waarover u sectorpremie betaalt

  • lonen waarvoor verschillende sectorcodes of codes risicopremiegroep gelden

Inkomensafhankelijk bijdrage Zorgverzekeringswet

Voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw mag u alleen bij elkaar optellen:

  • lonen en uitkeringen van de werknemer waarover u werkgeversheffing Zvw moet betalen

  • lonen en uitkeringen van de werknemer waarop u bijdrage Zvw moet inhouden

Het maakt daarbij niet uit hoeveel inkomstenverhoudingen de werknemer bij u heeft. Bij voorkeur verdeelt u de werkgeversheffing en de bijdrage evenredig over de bijbehorende inkomstenverhoudingen. U voorkomt hiermee vragen van de werknemer.

Loonbelasting/premie volksverzekering

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

  • Betaalt u de werknemer verschillende bedragen voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en geeft u die bedragen aan onder meerdere nummers inkomstenverhouding? Dan moet u voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekering kijken of de verschillende inkomstenverhoudingen van de werknemer tot 1 of meer dienstbetrekkingen horen. Horen de verschillende inkomstenverhoudingen tot 1 dienstbetrekking, dan moet u de bedragen altijd bij elkaar optellen en de loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen over het totaalbedrag van de lonen berekenen.

  • Zijn er verschillende inkomstenverhoudingen omdat de werknemer meerdere dienstbetrekkingen bij u heeft, tel de lonen dan bij voorkeur bij elkaar op. Zo voorkomt u dat de werknemer via zijn aangifte inkomstenbelasting moet bijbetalen.

Dit geldt niet alleen voor iemand die u onder verschillende nummers inkomstenverhouding in dezelfde aangifte loonheffingen opneemt, maar ook voor iemand voor wie u onder verschillende subnummers (bijvoorbeeld L01, L02) aangifte doet. U bepaalt zelf hoe u de ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen verdeelt over de verschillende inkomstenverhoudingen. Het heeft de voorkeur om de loonbelasting/premie volksverzekeringen evenredig over de verschillende inkomstenverhoudingen te verdelen. Want zo voorkomt u vragen van de werknemer.

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere dienstbetrekking

Als u een werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere dienstbetrekking betaalt, tel de lonen dan bij voorkeur bij elkaar op. Zo voorkomt u dat uw werknemer via zijn aangifte inkomstenbelasting moet bijbetalen. Dat geldt niet alleen voor iemand die u onder verschillende nummers inkomstenverhouding in dezelfde aangifte loonheffingen opneemt, maar ook voor iemand voor wie u onder verschillende subnummers aangifte doet. Een praktische werkwijze voor het optellen en berekenen vindt u in het voorbeeld hieronder.

Voorbeeld: optellen van loon uit tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking

U betaalt een werknemer van 56 jaar € 2.000 per maand loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en € 500 per maand (vroeg)pensioen. De werknemer laat de loonheffingskorting bij u toepassen. U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:

  1. U bepaalt met de witte maandtabel de arbeidskorting die hoort bij het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 268,58. In de aangifte vult u dit bedrag voor deze inkomstenverhouding in bij 'Verrekende arbeidskorting'.

  2. U bepaalt het gezamenlijke loon: € 2.500.

  3. U bepaalt met de groene maandtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen die hoort bij het totaal: € 800,17.

  4. U trekt de arbeidskorting van stap 1 hiervan af. Het verschil is het bedrag dat u inhoudt: (€ 800,17 - € 268,58 =) € 531,59.

  5. U bepaalt zelf hoe u de loonbelasting/premie volksverzekeringen van € 531,59 verdeelt over de 2 inkomstenverhoudingen. Het heeft de voorkeur om de loonbelasting/premie volksverzekeringen evenredig over de 2 inkomstenverhoudingen te verdelen. Want zo voorkomt u vragen van de werknemer. De arbeidskorting (€ 268,58) verdeelt u niet, maar vult u in bij de inkomstenverhouding met het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

In de volgende paragrafen leest u hoe u te werk gaat als:

  • u een werknemer of uitkeringsgerechtigde verschillende lonen uit vroegere dienstbetrekking betaalt (zie paragraaf 7.6.1)

  • UWV een uitkering door u laat betalen: een zogenoemde werkgeversbetaling of instantiebetaling (zie paragraaf 7.6.2)

  • UWV een uitkering rechtstreeks aan een (ex-)werknemer van u betaalt en u een aanvulling betaalt (zie paragraaf 7.6.3)

  • het loon uit vroegere dienstbetrekking een aanvulling is op een uitkering werknemersverzekeringen en de werknemer nog bij u in dienst is (zie paragraaf 7.6.2 en 7.6.3)

Naar boven

7.6.1 U betaalt een werknemer of uitkeringsgerechtigde verschillende lonen uit vroegere dienstbetrekking

Als u een werknemer verschillende lonen uit vroegere dienstbetrekking betaalt, moet u over het totaal van die lonen de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw berekenen (zie paragraaf 7.6). Voor het berekenen van de grondslag voor de loonbelasting/volksverzekeringen (zie paragraaf 7.1) moet u de lonen bij elkaar optellen. U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen dus over het totaal. Dit geldt ook als u loon uit vroegere dienstbetrekking van een andere werkgever of uitkeringsinstantie doorbetaalt aan uw werknemer of uitkeringsgerechtigde en als u bepaalde verzekeringsuitkeringen verstrekt die belast zijn voor de loonheffingen (zie paragraaf 4.10).

Als u loon uit vroegere dienstbetrekking betaalt en de werknemer uit de vroegere dienstbetrekking ook een aanspraak heeft op uitkeringen op grond van een ziektekostenregeling, moet u de waarde van die aanspraak bij het loon uit vroegere dienstbetrekking tellen. U moet over het totaal loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen.

U mag niet bij elkaar optellen in de volgende situaties:

  • U betaalt uitkeringen in verband met de Participatiewet. U mag deze uitkering niet optellen bij loon uit vroegere dienstbetrekking dat u voor een andere werkgever of uitkeringsinstantie doorbetaalt.

  • U keert een eenmalige afkoopsom uit voor een ingegane lijfrente of ingegane periodieke uitkering voor maximaal € 4.316. U mag deze afkoopsom niet optellen bij loon uit vroegere dienstbetrekking dat u betaalt.

  • U betaalt lonen of uitkeringen waarover u werkgeversheffing Zvw betaalt, en lonen of uitkeringen waarop u bijdrage Zvw inhoudt. U moet afzonderlijke berekeningen maken (zie paragraaf 7.6).

Naar boven

7.6.2 UWV laat een uitkering door u betalen

De hoofdregel is dat UWV uitkeringen rechtstreeks aan uitkeringsgerechtigden betaalt. Maar u kunt met uw (ex-)werknemer afspreken dat UWV een uitkering via u aan hem betaalt. Uw (ex-)werknemer moet UWV daar voor machtigen. UWV kan u die uitkering dan betalen in de vorm van een zogenoemde werkgeversbetaling of een instantiebetaling (zie ook paragraaf 4.4.3). Voor de berekening van de loonheffingen telt u de uitkering van UWV, eventueel loon of een eventuele aanvulling op de uitkering bij elkaar op. U betaalt het totaal aan de (ex-)werknemer.

Werkgeversbetaling

De werkgeversbetaling is bedoeld voor de situatie waarin de werknemer nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van u krijgt. Of als de werknemer op uw verzoek niet meer daadwerkelijk bij u werkt, maar nog wel loon van u krijgt. U gebruikt voor het totaal van de uitkering van UWV, het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en een eventuele aanvulling de normale regels voor de loonheffingen. De aanvulling is dan ook loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. UWV betaalt aan u, behalve de uitkering, ook de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw over de uitkering.

Voorbeeld 1: werkgeversbetaling

In dit voorbeeld betaalt u de werknemer nog regulier loon van € 500. U betaalt de WGA-uitkering van € 1.000 van UWV door en u betaalt de werknemer ook € 200 aanvulling op zijn uitkering. In dit voorbeeld gaan we voor het gemak uit van de volgende percentages:

  • premies werknemersverzekeringen (totaal): 10%

  • werkgeversheffing Zvw: 7%

Wat / Wie

Bedrag

Voor rekening van

Uitkering WGA

€ 1.000

UWV

Compensatie voor premies werknemersverzekeringen over uitkering

€ 100

UWV

Compensatie voor werkgeversheffing Zvw over uitkering

€ 70

UWV

UWV betaalt aan de werkgever

€ 1.000 + € 100 + € 70 = € 1.170 (€ 1.000 voor doorbetalen uitkering en € 170 ter compensatie van de werkgeverslasten)

 

Werkgever betaalt uitkering door

€ 1.000

 

Werkgever betaalt regulier loon

€ 500

werkgever

Werkgever betaalt aanvulling

€ 200

werkgever

Werkgever berekent grondslag voor alle loonheffingen

€ 1.000 + € 500 + € 200 = € 1.700

 

Premies werknemersverzekeringen over de grondslag

€ 170

werkgever (UWV compenseert)

Werkgeversheffing Zvw over de grondslag

€ 119

werkgever (UWV compenseert)

Loonbelasting/premie volksverzekeringen over de grondslag

tabelbedrag witte tabel

werknemer (werkgever houdt in)

In uw aangifte loonheffingen geeft u het totale loon aan (uitkering, aanvulling en regulier loon) en de bijbehorende premies werknemersverzekeringen, werkgeversheffing Zvw en loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Let op!

U mag er ook voor kiezen het loon, de doorbetaalde uitkering en de aanvulling in 2 of 3 verschillende inkomstenverhoudingen onder te brengen. Voor de berekening van de loonheffingen moet u wel uitgaan van de bovenstaande systematiek. U bepaalt zelf hoe u de loonheffingen verdeelt over de inkomstenverhoudingen. Het heeft de voorkeur om de loonheffingen evenredig over de inkomstenverhoudingen verdelen. Want zo voorkomt u vragen van de werknemer.

Overheidswerkgevers en werkgeversbetaling

Bent u overheidswerkgever en is er sprake van een werkgeversbetaling, dan zijn er 2 situaties mogelijk:

  • U betaalt premie WW-Awf en sectorpremie voor de werknemer. In dit geval geldt hetzelfde als voor niet-overheidswerkgevers (zie hierboven).

  • U betaalt Ufo-premie voor de werknemer. In dit geval geldt het volgende:

    • De werkgeversbetaling is loon voor de werknemersverzekeringen.

    • U merkt de werkgeversbetaling niet aan als premieloon Ufo. U berekent over de werkgeversbetaling dus geen aanwas in het cumulatieve premieloon Ufo. Ook is er geen sprake van premieloon WW-Awf of sectorfonds.

    • De werkgeversbetaling is premieloon voor de WAO/IVA/Whk. U moet dus basis- en gedifferentieerde premie WAO/IVA/Whk over de aanwas betalen. De (aanwas van) het premieloon WAO/IVA/Whk geeft u niet op in de aangifte. U houdt de (aanwas van) dit premieloon wel bij in uw loonadministratie.

    • U betaalt dus geen Ufo-premie, premie WW-Awf en premie sectorfonds over de werkgeversbetaling, maar wel basis- en gedifferentieerde premie WAO/IVA/Whk.

Compensatie voor premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw

De premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw die UWV aan u betaalt, gelden als compensatie voor de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw die u moet betalen over de uitkering.

Instantiebetaling

De instantiebetaling is bedoeld voor de situatie waarin de werknemer geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer van u krijgt, maar u hem nog wel een aanvulling op zijn uitkering betaalt. De aanvulling is dan loon uit vroegere dienstbetrekking en geen loon voor de werknemersverzekeringen. UWV zorgt zelf voor het berekenen en betalen van de premies werknemersverzekeringen over de uitkering. U berekent dus geen premies werknemersverzekeringen. U berekent wel de werkgeversheffing Zvw en de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totaal. UWV betaalt aan u, behalve de uitkering, ook de werkgeversheffing Zvw over de uitkering.

Voorbeeld 2: instantiebetaling

In dit voorbeeld krijgt de werknemer geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer van u. Maar u betaalt wel de WGA-uitkering van € 1.000 van UWV door en u betaalt hem ook € 200 aanvulling op zijn uitkering. In dit voorbeeld gaan we voor het gemak uit van de volgende percentages:

  • premies werknemersverzekeringen (totaal): 10%

  • werkgeversheffing Zvw: 7%

Wat / Wie

Bedrag

Voor rekening van

Uitkering WGA

€ 1.000

UWV

Premies werknemersverzekeringen over uitkering

€ 100

UWV (UWV doet daarvoor zelf aangifte)

Compensatie voor werkgeversheffing Zvw over uitkering

€ 70

UWV

UWV betaalt aan de werkgever

€ 1.000 + € 70 = € 1.070 (€ 1.000 voor doorbetalen uitkering en € 70 ter compensatie van de werkgeverslasten)

 

Werkgever betaalt uitkering door

€ 1.000

 

Werkgever betaalt aanvulling

€ 200

werkgever

Werkgever berekent grondslag voor alle loonheffingen

€ 1.000 + € 200 = € 1.200

 

Werkgeversheffing Zvw over de grondslag

€ 84

werkgever

Loonbelasting/premie volksverzekeringen over de grondslag

tabelbedrag groene tabel

werknemer (werkgever houdt in)

U doet als volgt aangifte loonheffingen:

  • U vult geen loon voor de werknemersverzekeringen en ook geen premies werknemersverzekeringen in.

  • Voor de Zvw vermeldt u het totale loon (uitkering en aanvulling) en de werkgeversheffing Zvw.

  • Voor de loonbelasting/volksverzekeringen vermeldt u het totale loon (uitkering en aanvulling) en de inhouding van de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Let op!

U mag er ook voor kiezen de doorbetaalde uitkering en de aanvulling in 2 verschillende inkomstenverhoudingen onder te brengen. Voor de berekening van de loonheffingen moet u wel uitgaan van de bovenstaande systematiek. U bepaalt zelf hoe u de loonheffingen verdeelt over de 2 inkomstenverhoudingen. Om vragen van uw werknemer te voorkomen, verdeelt u bij voorkeur de loonheffingen evenredig over de 2 inkomstenverhoudingen.

Compensatie voor werkgeversheffing Zvw

De werkgeversheffing Zvw die UWV aan u betaalt, geldt als compensatie voor de vergoeding Zvw die u moet betalen over de uitkering.

Naar boven

7.6.3 UWV betaalt een uitkering rechtstreeks aan een (ex-)werknemer van u en u betaalt een aanvulling

UWV betaalt de uitkering rechtstreeks aan de uitkeringsgerechtigde. U betaalt als (ex-)werkgever een aanvulling op de uitkering. Er zijn 2 situaties mogelijk:

  • De werknemer krijgt van u geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer, bijvoorbeeld bij ontslag. U hoeft over de aanvulling geen premies werknemersverzekeringen te betalen. U berekent de werkgeversheffing Zvw en de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de aanvulling zonder rekening te houden met de uitkering die UWV rechtstreeks aan uw ex-werknemer betaalt.

  • De werknemer krijgt van u nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dit geval berekent u eerst alle loonheffingen over de uitkering van UWV, de aanvulling en het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Daarna trekt u daar de bedragen waarvoor UWV zelf aangifte doet, van af. U moet UWV vragen om u de gegevens over de uitkering en de berekende loonheffingen te geven. U hebt daarvoor een machtiging van uw werknemer nodig.

Naar boven