Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

Thema's

19 Aanspraken, vrijgestelde uitkeringen, ontslaguitkeringen en pensioenen

In dit hoofdstuk komen de volgende onderwerpen komen aan bod:

  • aanspraken en uitkeringen op grond van aanspraken (zie paragraaf 19.1)

  • vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen (zie paragraaf 19.2)

  • ontslaguitkeringen (zie paragraaf 19.3)

  • pensioen, prepensioen en vroegpensioen (zie paragraaf 19.4)

Naar boven

19.1 Aanspraken en uitkeringen op grond van aanspraken

Een aanspraak is een recht om na verloop van tijd of onder voorwaarden 1 of meer uitkeringen of verstrekkingen te krijgen. Een aanspraak hoort in het algemeen tot het loon, maar kan ook (deels) zijn vrijgesteld. Als de aanspraak is vrijgesteld, is de uitkering die voortvloeit uit die aanspraak, in het algemeen belast.

Bij aanspraken kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  • De aanspraak hoort tot het loon.

  • De aanspraak is (deels) vrijgesteld.

  • De aanspraak is ten onrechte niet tot loon gerekend.

Aanspraak hoort tot loon

De hoofdregel is dat aanspraken tot het loon horen. Voor deze aanspraken geldt in het algemeen dat de uitkeringen zijn vrijgesteld.

Waarde van de aanspraak

De waarde van de aanspraak is het bedrag dat u voor de werknemer stort bij een derde, bijvoorbeeld bij een fonds of verzekeringsmaatschappij. Als u de aanspraak zelf beheert, is de waarde van de aanspraak het bedrag dat u bij een derde zou moeten storten.

Het bedrag dat u tot het loon rekent, is de waarde van de aanspraak min de eventuele werknemersbijdrage. Dit saldo mag niet negatief zijn. U boekt dit bedrag in kolom 4 van de loonstaat.

Let op!

U mag de totale waarde van de aanspraken min het totaal van de werknemersbijdragen ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3). Dat mag alleen als de aanspraken loon uit tegenwoordige dienstbetrekking zijn en als aan de gebruikelijkheidstoets (zie paragraaf 4.2) is voldaan. Hierop is 1 uitzondering: is de aanspraak loon uit vroegere dienstbetrekking en betaalt u de werknemer daarnaast ook loon waarop de arbeidskorting van toepassing is, dan mag u de waarde van de aanspraak toch aanwijzen als eindheffingsloon. Ook hier geldt dat moet zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.

Voor de waardebepaling van aanspraken op grond van ziektekostenregelingen die niet onder de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) vallen, en van vakantiebonnen geldt een aantal bijzondere regels (zie paragraaf 19.1.1 en 19.1.2).

Aanspraak (deels) vrijgesteld

Als een aanspraak is vrijgesteld, betekent dit meestal dat u de loonheffingen niet betaalt wanneer de aanspraak ontstaat, maar pas wanneer de uitkeringen worden uitbetaald. Dit heet de 'omkeerregel'. De aanspraken die onder de omkeerregel vallen, zijn de aanspraken op:

  • verlof (zie paragraaf 19.1.3)

  • uitkeringen op grond van de ZW, WAZO (Wet arbeid en zorg), WW en WAO/WIA en overeenkomstige aanspraken (zie paragraaf 19.1.4)

  • een eenmalige uitkering bij einde dienstbetrekking (zie paragraaf 19.1.5)

  • ongevallenverzekeringen (zie paragraaf 19.1.6)

  • periodieke uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval (zie paragraaf 19.1.7)

  • pensioen, prepensioen en vroegpensioen (zie paragraaf 19.4)

In de volgende gevallen is niet alleen de aanspraak maar ook de uitkering (deels) vrijgesteld. Het gaat om aanspraken op:

  • een eenmalige uitkering bij overlijden door een ongeval (zie paragraaf 19.1.7)

  • een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan door een ongeval (zie paragraaf 19.1.8)

Let op!

U mag uitkeringen of verstrekkingen die loon uit vroegere dienstbetrekking zijn en die voortkomen uit aanspraken, niet als eindheffingsloon aanwijzen. Dat mag alleen als u de werknemer daarnaast ook nog loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan (zie paragraaf 8.1.3).

Aanspraak ten onrechte niet tot loon gerekend

Als de waarde van een aanspraak tot het loon hoort, geldt in het algemeen dat de uitkeringen of verstrekkingen zijn vrijgesteld. Maar als een aanspraak ten onrechte niet tot het loon is gerekend, zijn deze uitkeringen of verstrekkingen wel belast.

Let op!

U mag uitkeringen of verstrekkingen die loon uit vroegere dienstbetrekking zijn en die voortkomen uit aanspraken, niet als eindheffingsloon aanwijzen. Dat mag alleen als u de werknemer daarnaast ook nog loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan (zie paragraaf 8.1.3).

Naar boven

19.1.1 Aanspraken op ziektekostenregelingen die niet onder de Zvw vallen

Aanspraken op grond van ziektekostenregelingen die niet onder de Zvw vallen, zijn belast. Alleen als de waarde van zo'n aanspraak per jaar maximaal € 27 is, hoeft u de waarde niet tot het loon te rekenen. Uitkeringen en verstrekkingen die uit deze aanspraken voortvloeien, zijn vrijgesteld. Dit geldt niet voor periodieke uitkeringen.

De waarde van de aanspraak is het bedrag dat u voor de werknemer stort bij een derde, bijvoorbeeld bij een fonds of verzekeringsmaatschappij. Als u het bedrag voor de werknemer niet bij een derde stort en de aanspraak zelf beheert, is de waarde van de aanspraak het geschatte bedrag dat u bij een derde zou moeten storten. Voor de waardebepaling van aanspraken op grond van een ziektekostenregeling in eigen beheer voor ten minste 25 (ex-)werknemers die het hele voorafgaande kalenderjaar bestond, gelden daarnaast de volgende bijzondere regels:

  • De waarde van de aanspraak is het bedrag van de gemiddelde uitkering. Dit is het gemiddelde van de jaargemiddelden van de afgelopen 5 kalenderjaren of, als de ziektekostenregeling nog geen 5 kalenderjaren bestaat, het aantal kalenderjaren dat de ziektekostenregeling bestaat. Het jaargemiddelde is het bedrag van de uitkeringen en verstrekkingen in het betreffende jaar, gedeeld door het aantal (ex-)werknemers dat in dat jaar ten minste 6 maanden recht had op een uitkering.

  • Het hoogste en het laagste jaargemiddelde mogen buiten beschouwing blijven als dit leidt tot een lagere gemiddelde uitkering. Dit mag niet als de ziektekostenregeling pas 1 of 2 kalenderjaren bestaat.

Let op!

U mag aanspraken op grond van ziektekostenregelingen die niet onder de Zvw vallen, ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3). U trekt hiervan het totaal van de eigen werknemersbijdragen af. Het saldo van de waarde mag niet negatief zijn.

Geen aanspraak, wel vergoeding ziektekosten

Als u aan uw werknemer geen aanspraak op het vergoeden van ziektekosten hebt toegekend en u de kosten van ziekte, invaliditeit en bevalling vergoedt, dan horen die vergoedingen tot het loon. Dit geldt ook voor verstrekkingen voor ziekte, invaliditeit en bevalling. U mag de vergoedingen en verstrekkingen ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).

Let op!

Een (aanvullende) vergoeding voor premies van een zorgverzekering hoort ook tot het loon. U kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.

Naar boven

19.1.2 Vakantiebonnen

Vakantiebonnen geven de werknemer een zelfstandig recht op loon en vakantiebijslag bij een derde, bijvoorbeeld bij een vakantiefonds dat de bedrijfsorganisatie heeft opgericht.

Aanspraken op vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken (hierna: vakantiebonnen) horen tot het loon. Uitkeringen op grond van aanspraken op vakantiebonnen zijn vrijgesteld, tenzij het om periodieke uitkeringen gaat.

U mag vakantiebonnen voor 99% van de nominale waarde tot het loon rekenen als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • De aanspraak is vastgelegd in een cao of publiekrechtelijke regeling.

  • U verstrekt de vakantiebonnen regelmatig bij het betalen van het loon en belast deze met het overige loon volgens de tabellen.

Voldoet u niet aan deze voorwaarden, dan moet u de vakantiebonnen voor 100% van de nominale waarde tot het loon rekenen.

Er bestaan speciale tabellen voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen van werknemers met vakantiebonnen. Deze tabellen kunt u downloaden van belastingdienst.nl.

Naar boven

19.1.3 Aanspraken op verlof

Hierna worden de aanspraken op de volgende vormen van verlof behandeld:

  • vakantie- en compensatieverlof

  • geclausuleerd verlof (verlof dat u voor specifieke doelen toekent)

  • verlof tijdens rust- en feestdagen

Zie hoofdstuk 22 voor informatie over de levensloopregeling.

Let op!

Als u een werknemer vlak voor hij uit dienst gaat de mogelijkheid geeft om met verlof te gaan, kan er sprake zijn van een regeling voor vervroegd uittreden. U moet dan eindheffing betalen. Zie paragraaf 19.3.1 voor meer informatie hierover.

Vakantie- en compensatieverlof

Aanspraken op vakantie- en compensatieverlof zijn vrijgesteld als zij aan het einde van het kalenderjaar recht geven op verlof van maximaal 50 maal de arbeidsduur per week. Bij een fulltimedienstverband zijn dit 250 dagen verlof (5 dagen per week maal 50 weken). Bij een parttimedienstverband verlaagt u het maximum van 250 dagen evenredig. Als uw werknemer bijvoorbeeld 4 dagen per week werkt, is het maximumaantal vrijgestelde verlofdagen 4 x 50 = 200.

Als uw werknemer aan het einde van het kalenderjaar meer verlofdagen dan het maximumaantal heeft gespaard en meeneemt naar het volgende kalenderjaar, dan is de aanspraak op de dagen boven het maximumaantal belast. U houdt de loonheffingen over dit deel van de aanspraak in december in. Als uw werknemer in de loop van het jaar uit dienst gaat, moet u de loonheffingen op dat moment inhouden. U gaat bij de berekening uit van het uurloon dat uw werknemer op dat moment krijgt. Neemt uw werknemer in een volgend kalenderjaar een verlofdag op, waarover u de loonheffingen al hebt ingehouden? Dan hoeft u over deze dag niet nog een keer de loonheffingen in te houden.

Voorbeeld

Uw werknemer werkt 5 dagen van 8 uur per week. Het maximumaantal verlofdagen is dan 50 x 5 = 250 dagen van 8 uur. In 2016 neemt hij 240 dagen mee naar 2017. Aan het eind van 2017 is het aantal overgebleven verlofdagen opgelopen naar 255. Deze dagen neemt uw werknemer mee naar 2018. U moet dan in december 2017 de loonheffingen over 5 dagen inhouden. Uw werknemer neemt daarna in januari 2018 deze 5 verlofdagen op. U hoeft nu niet opnieuw over het doorbetaalde loon de loonheffingen in te houden.

Let op!

U kunt de aanspraken op vakantie- en compensatieverlof van de dagen boven het maximum als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).

Geclausuleerd verlof

Geclausuleerd verlof is verlof dat u voor specifieke doeleinden toekent, zoals:

  • adoptieverlof

  • pleegzorgverlof

  • zwangerschapsverlof

  • bevallingsverlof

  • kraamverlof

  • buitengewoon verlof

  • calamiteiten- en ander kort verzuimverlof

  • studieverlof

  • zorgverlof

  • ouderschapsverlof

  • palliatief verlof (verlof voor stervensbegeleiding)

  • politiek verlof (verlof voor politieke nevenfuncties)

Aanspraken op geclausuleerd verlof zijn vrijgesteld. Betaald geclausuleerd verlof belast u op de normale manier.

Verlof op rust- en feestdagen

Aanspraken op verlof tijdens rust- en feestdagen zijn vrijgesteld. Het gaat om verlof op unieke dagen dat niet naar een volgend jaar kan worden meegenomen. Het maakt niet uit of het een officiële rust- of feestdag is. We kennen onder andere de volgende soorten rust- en feestdagen:

  • religieuze, nationale, regionale en plaatselijke rust- en feestdagen, zoals Kerstmis, Koningsdag of een oogstfeest

  • persoonlijke feestdagen van uw werknemer, zoals een bruiloft

  • feestdagen van uw bedrijf, zoals een jubileum vanwege het 25-jarige bestaan

Naar boven

19.1.4 ZW, WAZO, WW, WAO/WIA en overeenkomstige aanspraken

De aanspraken op uitkeringen op grond van de ZW, WAZO (Wet arbeid en zorg), WW en WAO/WIA en overeenkomstige aanspraken zijn vrijgesteld. De uitkeringen zijn wel belast. 'Overeenkomstige aanspraken' zijn bijvoorbeeld regelingen voor het toekennen van ziekengeld over wachtdagen of wachtgeld na ontslag.

Het werknemersdeel van de premie voor regelingen die overeenkomen met de ZW, WAZO, WW en WAO/WIA, komt in mindering op het loon voor alle loonheffingen (kolom 7 van de loonstaat).

Aanspraken op aanvullende uitkering WAO/WIA

Op verschillende manieren kan zijn voorzien in aanvullende uitkeringen als de werknemer in de WAO/WIA komt:

  • De aanspraak is vastgelegd in de pensioenregeling. De premies voor de aanvulling worden als pensioenpremie behandeld. Voorwaarde is dat er sprake blijft van een pensioenregeling die voldoet aan de wettelijke voorwaarden (zie paragraaf 19.4.1).

  • De aanspraak is niet vastgelegd in een pensioenregeling, maar komt wel overeen met een aanspraak op een WAO/WIA-uitkering. Van een dergelijke aanspraak is in ieder geval geen sprake als de WAO/WIA-uitkering en aanvulling samen hoger zijn dan het loon dat zij vervangen. De aanspraak is vrijgesteld en de ingehouden werknemerspremies komen in mindering op het loon voor alle loonheffingen (kolom 7 van de loonstaat).

  • Er is geen aanspraak. De werknemer heeft zelf bijvoorbeeld een verzekering afgesloten bij een particuliere verzekeraar. Als u de premie vergoedt, is dit belast loon van de werknemer. U kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).

Let op!

De uitkeringen op grond van de ZW, WAZO, WW en WAO/WIA en op grond van overeenkomstige aanspraken zijn loon uit vroegere dienstbetrekking. U kunt deze uitkeringen niet als eindheffingsloon aanwijzen. Dat mag alleen als u de werknemer daarnaast ook nog loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.

Naar boven

19.1.5 Aanspraken op een eenmalige uitkering bij einde dienstbetrekking

Voor aanspraken op een eenmalige uitkering bij het einde van de dienstbetrekking gelden de volgende regels:

  • De aanspraak op een eenmalige uitkering van maximaal driemaal het loon over een maand is vrijgesteld als de uitkering wordt uitbetaald bij het einde van de dienstbetrekking vanwege arbeidsongeschiktheid of het bereiken van de pensioenleeftijd. Een aanspraak op een hogere uitkering hoort volledig tot het loon. Het loon dat de hoogte van de vrijstelling bepaalt, is gelijk aan het loon over een maand dat de hoogte van de diensttijduitkering bepaalt (zie paragraaf 19.2.1). Als de aanspraak belast is, kunt u deze als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).

  • De aanspraak op een eenmalige uitkering is vrijgesteld, ongeacht de hoogte van de uitkering, als de uitkering wordt uitbetaald bij het einde van de dienstbetrekking om een andere reden dan arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioenleeftijd (zie paragraaf 19.1.7, 19.1.8 en 19.4).

De uitkering op grond van een vrijgestelde aanspraak hoort tot het loon, behalve als de uitkering als een vrijgestelde diensttijduitkering kan worden gezien (zie paragraaf 19.2.1).

Let op!

Als u een excessieve vertrekvergoeding betaalt aan uw (ex-)werknemer, moet u naast de gewone loonheffingen ook 75% pseudo-eindheffing betalen over het excessieve deel van deze vergoeding (zie paragraaf 24.8).

Naar boven

19.1.6 Ongevallenverzekeringen

Bij ongevallenverzekeringen zijn er 2 mogelijkheden:

  • Uw werknemer heeft zelf een ongevallenverzekering afgesloten en u vergoedt de premie. De vergoeding van de premie is belast loon van de werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).

  • U hebt voor uw werknemer een ongevallenverzekering afgesloten. U betaalt de premie en uw werknemer kan aanspraak maken op de uitkering bij een ongeval. Het deel van de premie dat u betaalt voor de aanspraak op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit, is vrijgesteld (zie ook paragraaf 19.1.7). Het deel van de premie dat u betaalt voor de aanspraak op andere uitkeringen, is belast. Maar u kunt dit deel van de premie ook als eindheffingsloon aanwijzen. De uitkeringen zijn vrijgesteld, tenzij het gaat om periodieke uitkeringen.

Naar boven

19.1.7 Aanspraken op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval

Aanspraken op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval zijn vrijgesteld. Hierbij maakt het niet uit of het gaat om een aanspraak op een eenmalige uitkering of een aanspraak op periodieke uitkeringen.

De werknemersbijdrage die u voor deze aanspraken op het loon inhoudt, komt in mindering op het loon voor alle heffingen (te boeken in kolom 7 van de loonstaat).

Eenmalige uitkering bij overlijden door een ongeval

Een eenmalige uitkering bij overlijden is tot maximaal driemaal het loon over een maand vrijgesteld. De vrijstelling geldt als 1 van de volgende personen overlijdt:

  • de werknemer

  • degene die in het (voorafgaande) kalenderjaar de fiscale partner is van de werknemer

  • de eigen kinderen of pleegkinderen

Zie paragraaf 19.2.1 voor meer informatie over het loon over een maand.

Als de uitkering hoger is dan driemaal het loon over een maand, hoort het meerdere tot het loon. Hierop is dan de tabel bijzondere beloningen van toepassing. U mag dit loon niet als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3), omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking is. U mag dit loon in 1 uitzonderingssituatie wel als eindheffingsloon aanwijzen, namelijk als u de werknemer daarnaast ook nog loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.

Eenmalige uitkering bij invaliditeit door een ongeval

Een eenmalige uitkering bij invaliditeit hoort tot het loon, behalve als de uitkering als een vrijgestelde diensttijduitkering kan worden gezien (zie paragraaf 19.2.1).

Periodieke uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval

Als de uitkering bij overlijden of invaliditeit niet eenmalig is, maar uit periodieke uitkeringen bestaat, dan horen deze uitkeringen tot het loon.

Naar boven

19.1.8 Aanspraken op een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan door een ongeval

Aanspraken op een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan door een ongeval, zijn vrijgesteld als de uitkering of verstrekking niet hoger is dan driemaal het loon over een maand bij het overlijden van:

  • de werknemer

  • degene die in het (voorafgaande) kalenderjaar fiscale partner is van de werknemer

  • de eigen kinderen of pleegkinderen

Is de uitkering of verstrekking hoger dan driemaal het loon over een maand? Dan hoort het deel van de aanspraak dat betrekking heeft op het meerdere, tot het loon. Op verzoek kan de minister van Financiën een dergelijke aanspraak toch aanwijzen als een vrijgestelde aanspraak. Dit gebeurt alleen als u de waarde van de aanspraak in redelijkheid niet kunt bepalen.

Eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan door een ongeval

Een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden waarvan de aanspraak was vrijgesteld, is vrijgesteld tot driemaal het loon over een maand.

Zie paragraaf 19.2.1 voor meer informatie over het loon over een maand.

Als de uitkering of verstrekking hoger is dan driemaal het loon over een maand, hoort het meerdere tot het loon. Hierop is dan de tabel bijzondere beloningen van toepassing. U mag dit loon niet als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3), omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking is. U mag dit loon in 1 uitzonderingssituatie wel als eindheffingsloon aanwijzen, namelijk als u de werknemer daarnaast ook nog loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.

Een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden op grond van een belaste aanspraak is vrijgesteld.

Let op!

Hebt u een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden gegeven waarop geen aanspraak bestond? Dan is deze uitkering of verstrekking ook vrijgesteld tot driemaal het loon over een maand.

Naar boven

19.2 Vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen

Als u en uw werknemer voldoen aan de voorwaarden, zijn de volgende uitkeringen en verstrekkingen vrijgesteld voor de loonheffingen:

  • diensttijduitkeringen of -verstrekkingen (zie paragraaf 19.2.1)

  • uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen die aan de dienstbetrekking zijn verbonden (zie paragraaf 19.2.2)

Naar boven

19.2.1 Diensttijduitkeringen of -verstrekkingen

Een eenmalige uitkering of verstrekking die u uw werknemer geeft omdat hij ten minste 25 of 40 jaar in dienst is, is vrijgesteld tot maximaal het loon over een maand. U mag uw werknemer zo'n uitkering of verstrekking geven na ten minste 25 dienstjaren en opnieuw na ten minste 40 dienstjaren.

Let op!

In sommige branches, zoals bijvoorbeeld de bouw, is er niet het hele jaar lang werk. Vaak krijgt een werknemer een tijdelijke uitkering in de periode waarin hij niet werkt. Als de werknemer in die periode niet bij een andere werkgever werkt, telt deze periode van tijdelijke werkloosheid mee voor het bepalen van de diensttijd.

Loon over een maand

Bij het vaststellen van het loon over een maand (tijdvakloon) gaat u uit van het fiscale loon over een maand. Dat is het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen uit kolom 14 van de loonstaat. U mag geen rekening houden met:

  • bijzondere beloningen die niet vast en gegarandeerd zijn, zoals tantièmes

  • aanspraken die tot het loon horen

  • keuzeloon (zie paragraaf 4.15)

Voorbeeld

Een werknemer heeft een individueel keuzebudget (IKB). Hij kiest ervoor om zijn tijdvakloon van € 1.500 te verlagen tot € 1.400. In ruil daarvoor stort u € 100 in zijn IKB. In augustus neemt hij € 500 op uit het IKB. Zijn fiscale loon over augustus is dan € 1.900 (€ 1.400 tijdvakloon en € 500 keuzeloon). Zijn loon over een maand (tijdvakloon) is ook in die maand € 1.400.

Bij het fiscale loon over een maand telt u het maandbedrag op van:

  • het werknemersaandeel in de pensioenpremie

  • de werknemersbijdrage voor aanspraken die overeenkomen met aanspraken op WW-, ZW-, WAZO- en WAO/WIA-uitkeringen

  • de werknemersbijdrage voor aanspraken op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval

  • bedragen die worden ingehouden in plaats van de hierboven genoemde premies en bijdragen

  • de werknemersbijdrage in de levensloopregeling (zie hoofdstuk 22)

Bij het berekende bedrag telt u bovendien op:

  • 1/12 van de vakantiebijslag

  • 1/12 van het jaarbedrag van vaste gegarandeerde bijzondere beloningen

Naar boven

19.2.2 Uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen die aan de dienstbetrekking zijn verbonden

Uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen die aan de dienstbetrekking zijn verbonden, horen onder bepaalde voorwaarden niet tot het loon. Denk bijvoorbeeld aan uitkeringen uit een sociaal ondersteuningsfonds voor werknemers in financiële moeilijkheden. Er zijn 3 voorwaarden:

  • Het gaat niet om uitkeringen en verstrekkingen voor adoptie en overlijden, voor ziekte, invaliditeit en bevalling.

  • De werknemer heeft geen vrijgestelde aanspraak op de uitkeringen of verstrekkingen.

  • Werknemers die aan het fonds bijdragen, hebben de laatste 5 jaar gezamenlijk minstens evenveel bijgedragen als de werkgever. Als het fonds nog geen 5 jaar bestaat, gaat u uit van de periode vanaf de oprichting van het fonds tot aan het jaar waarin de uitkering of verstrekking plaatsvindt.

Bijdragen van de werknemer aan het fonds houdt u in op het nettoloon. Deze bijdragen zijn dus niet aftrekbaar.

Tijdsparen

De inkomsten van een tijdspaarfonds zijn afkomstig van werkgevers en werknemers. U stort bij elke salarisbetaling de waarde in geld van het opgebouwde verlof van uw werknemer in het fonds, waarbij u loonheffingen inhoudt. U kunt het volgende storten in het fonds:

  • de vakantietoeslag

  • de waarde van de bovenwettelijke vakantiedagen

  • de waarde van vrij opneembare roosterdagen

  • de waarde van kortverzuimdagen

Uw werknemer kan de waarde van zijn overuren in het fonds storten. Hierop houdt u loonheffingen in. Het fonds betaalt aan uw werknemer het loon voor een dag waarop hij niet werkt. Het fonds keert aan uw werknemer uit zonder inhouding van loonheffingen.

Naar boven

19.3 Ontslaguitkeringen

U mag een ontslaguitkering vanaf 2014 alleen nog toekennen in de vorm van een belaste uitkering.

Sinds 1 januari 2014 kan uw (ex-)werknemer er niet meer voor kiezen om een ontslaguitkering te krijgen in de vorm van een vrijgesteld stamrecht (aanspraak op periodieke uitkeringen). De stamrechtvrijstelling is vervallen.

Voor de stamrechten die al op 31 december 2013 bestonden, geldt overgangsrecht. Voor deze stamrechten blijven de regels gelden zoals deze op 31 december 2013 waren. Deze stamrechten mogen ook vervroegd in 1 keer of in delen worden opgenomen. Uw ex-werknemer hoeft dan geen revisierente te betalen. De uitkeringen die uit het stamrecht voortvloeien, zijn loon uit vroegere dienstbetrekking.

Ontslaguitkering aan te merken als regeling voor vervroegd uittreden

In sommige gevallen is een ontslaguitkering aan te merken als een regeling voor vervroegd uittreden. In dat geval moet u daarover naast de gewone loonheffingen ook eindheffing betalen. Zie paragraaf 19.3.1 voor meer informatie hierover.

Let op!

Als u een excessieve vertrekvergoeding betaalt aan uw (ex-)werknemer, moet u naast de gewone loonheffingen ook 75% pseudo-eindheffing betalen over het excessieve deel van deze vergoeding (zie paragraaf 24.8).

Naar boven

19.3.1 Regeling voor vervroegd uittreden

Een regeling voor vervroegd uittreden stelt oudere werknemers in staat eerder te stoppen met werken. Ook bij individueel ontslag kan er sprake zijn van een regeling voor vervroegd uittreden. Bij regelingen voor vervroegd uittreden moet u naast de gewone loonheffingen ook 52% eindheffing berekenen over de ontslaguitkering (zie ook paragraaf 24.7).

In de volgende gevallen kan er sprake zijn van een regeling voor vervroegd uittreden:

  • U geeft uw werknemer bij het einde van zijn dienstbetrekking een ontslaguitkering mee.

  • U geeft uw werknemer vlak voor het einde van de dienstbetrekking de mogelijkheid om (langdurig) met verlof te gaan.

  • U stelt uw werknemer vlak voor het einde van de dienstbetrekking op non-actief.

Niet alle gevallen waarin u oudere werknemers ontslaat, op non-actief stelt of langdurig met verlof laat gaan, zijn een regeling voor vervroegd uittreden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van een regeling voor vervroegd uittreden als er een reorganisatie plaatsvindt waarbij u werknemers volgens objectieve criteria (zoals het afspiegelingsbeginsel) ontslaat en daarbij niet met name oudere werknemers uittreden, of als de werknemer de ontslaguitkering in de pensioenregeling onderbrengt. Hierbij moet u er wel op letten dat de pensioenregeling aan de wettelijke voorwaarden blijft voldoen (zie paragraaf 19.4.1).

Als u vooraf wilt weten of er sprake is van een regeling voor vervroegd uittreden, kunt u, voordat u de regeling overeenkomt, ons vragen de ontslag-, verlof- of non-activiteitsregeling te beoordelen. U krijgt van ons dan een beschikking. U moet deze beschikking aanvragen bij uw belastingkantoor. Wij kunnen zo'n beschikking alleen afgeven als wij de leeftijdsopbouw kennen van de werknemers die u wilt laten uitstromen.

Naar boven

19.4 Pensioen, prepensioen en vroegpensioen

In deze paragraaf vindt u informatie over pensioenregelingen (zie paragraaf 19.4.1). Daarnaast vindt u informatie over het overgangsrecht voor (pre)pensioen- en vroegpensioenrechten die tot 1 januari 2006 zijn opgebouwd: bij sommige van deze regelingen kan de werknemer stoppen voordat hij de pensioenleeftijd bereikt (zie paragraaf 19.4.2).

Let op!

  • Op 1 januari 2018 is de AOW-leeftijd omhooggegaan van 65 jaar en 9 maanden naar 66 jaar.

  • Op 1 januari 2018 is de pensioenleeftijd omhooggegaan naar 68 jaar. Dat betekent dat werknemers vanaf dat moment jaarlijks minder nieuwe rechten opbouwen.

  • Met ingang van 1 januari 2015 is de jaarlijkse ruimte voor opbouw van ouderdomspensioen maximaal 1,875% bij een middelloonstelsel en maximaal 1,657% bij een eindloonstelsel.

  • Per 1 januari 2018 is het pensioengevend loon maximaal € 105.075 bij een fulltimedienstverband. Bij een parttimedienstverband wordt dit bedrag evenredig minder.

Naar boven

19.4.1 Pensioenregelingen

Pensioenregelingen moeten in grote lijnen aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • In een pensioenregeling mag u (vrijwel) alleen voorzieningen treffen voor:

    • een levenslang ouderdomspensioen voor de werknemer
      Het uitgangspunt is dat de werknemer stopt met werken als hij 68 jaar is. De werknemer mag wel eerder met pensioen gaan, maar dan moeten de pensioenuitkeringen worden herrekend. Uw werknemer krijgt dan een lagere uitkering. Sinds 1 januari 2017 is een herrekening niet nodig als het pensioen ingaat op de 1e dag van de maand waarin de werknemer 68 jaar wordt. Het pensioen volledig vervroegen kan alleen als de werknemer op die datum volledig stopt met werken. Stopt hij voor een deel met werken, dan mag het pensioen alleen worden vervroegd voor het deel dat hij niet meer werkt. Hierop is 1 uitzondering: De werknemer mag het pensioen volledig vervroegen in de 5 jaar voor hij de AOW-leeftijd bereikt, ook als hij volledig of gedeeltelijk blijft werken.

    • een partnerpensioen dat na het overlijden van de werknemer wordt uitbetaald aan de (ex-)echtgenoot of de (ex-)partner met wie de werknemer een gezamenlijke huishouding voerde.
      Het partnerpensioen mag ingaan op de 1e dag van de maand waarin de werknemer is overleden.

    • een wezenpensioen dat na het overlijden van de werknemer wordt uitbetaald aan eigen kinderen of pleegkinderen die jonger zijn dan 30 jaar.
      Het wezenpensioen mag ingaan op de 1e dag van de maand waarin de werknemer is overleden.

    • een arbeidsongeschiktheidspensioen dat naar maatschappelijke opvattingen redelijk is en wordt uitbetaald bij arbeidsongeschiktheid van de werknemer die langer dan 1 jaar heeft geduurd

    • een nabestaandenoverbruggingspensioen dat naast het partnerpensioen kan worden uitbetaald totdat de partner de AOW-leeftijd bereikt – ter compensatie van het gemis aan Anw/AOW – als dat pensioen ingaat direct na het overlijden van de werknemer of na het einde van de Anw-uitkering
      Het nabestaandenoverbruggingspensioen kan ook worden uitbetaald naast het wezenpensioen.

  • In de regeling moet u onder meer opnemen dat uw werknemer de pensioenrechten niet kan afkopen vervreemden, belenen of prijsgeven, tenzij de Pensioenwet dat toestaat.

  • Het pensioen moet zijn verzekerd bij een verzekeraar die in de wet wordt genoemd. Zie hierna bij 'Erkende pensioenverzekeraar'.

  • Het pensioen moet, uitgaande van de pensioenleeftijd, binnen de wettelijke grenzen blijven, zoals:

    • Bij een middelloonregeling wordt per dienstjaar maximaal 1,875% van het pensioengevend loon aan ouderdomspensioen opgebouwd en bij een eindloonregeling maximaal 1,657%.

    • Bij beschikbare premieregelingen geldt een andere opbouwmethode. Er wordt dan een jaarlijks te storten premie bepaald in plaats van een jaarlijks opbouwpercentage (zie hierna bij 'Pensioenopbouw volgens beschikbare premieregelingen').

  • Alle bovengenoemde grenzen worden bepaald met inbegrip van de AOW-uitkeringen (normaal gesproken met de zogenoemde AOW-franchise). Naast de collectieve – verplichte – pensioenregeling mag een regeling, binnen de hiervoor genoemde grenzen, individuele modules hebben waaruit de werknemer zelf kan kiezen.

  • Zolang uw werknemer in dienst is, mag hij pensioen opbouwen tijdens verlof, zoals bijvoorbeeld ouderschaps-, sabbats-, studie- en zorgverlof, of verlof waarvoor hij levenslooptegoed opneemt.

  • Uw werknemer mag ook partnerpensioen ruilen voor hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen en andersom.

  • De ingangsdatum van het pensioen mag worden uitgesteld tot uiterlijk 5 jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd. Met ingang van 1 januari 2017 hoeft de werknemer daarvoor gedurende deze 5 jaar niet bij u in dienst te zijn.

  • U mag de pensioenen variabel uitbetalen, binnen de verhouding 100:75. Bij variabele uitbetaling moet de hoogte van de variatie en de periode waarin de uitkeringen in hoogte variëren, uiterlijk vaststaan op het moment waarop de uitkeringen ingaan.

  • De hoogte van de pensioenuitkeringen mag ook variëren ten opzichte van de hoogte die het uitgangspunt was op het tijdstip waarop het pensioen inging. Het gaat daarbij om hogere of lagere uitkeringen door ontwikkelingen in de levensverwachting, de behaalde sterfteresultaten of de behaalde beleggingsresultaten.

  • Met ingang van 1 januari 2018 mag het pensioengevend loon niet hoger zijn dan € 105.075. Voor inkomens boven dit bedrag kunt u nettopensioen aanbieden (zie hierna bij Nettopensioen). Voor werknemers die in deeltijd werken, is het bedrag van € 105.075 evenredig minder.

Erkende pensioenverzekeraar

Als pensioenverzekeraar kunnen optreden:

  • een (algemeen) pensioenfonds

  • een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht
    Voor de vennootschapsbelasting moet de verzekeraar de pensioenverplichting tot het binnenlandse ondernemingsvermogen rekenen.

  • een premiepensioeninstelling

  • een niet in Nederland gevestigde organisatie die aan 1 van de volgende voorwaarden voldoet:

    • De organisatie is aangewezen door de minister.

    • De organisatie verzekerde het pensioen al in een periode waarin de werknemer of ex-werknemer niet in Nederland woonde of werkte én dit pensioen daarna bij deze verzekeraar voortzette.

Deelnemingsjarenpensioen

Werknemers die 41 deelnemingsjaren bereikt hebben, kunnen een aanvullend levenslang ouderdomspensioen opbouwen. Daardoor kunnen zij stoppen met werken als zij 64 jaar worden. Het deelnemingsjarenpensioen moet tegelijk ingaan met het ouderdomspensioen.

Het ouderdomspensioen en het deelnemingsjarenpensioen mogen op de leeftijd van 64 jaar samen niet hoger zijn dan 75% van het gemiddelde pensioengevend loon. Ook belaste uitkeringen op grond van een overbruggingspensioen of prepensioen tellen mee bij de toets of er ruimte is voor een deelnemingsjarenpensioen. U moet bovendien vanaf de AOW-leeftijd rekening houden met de AOW-inbouw. Vóór de AOW-leeftijd mogen het ouderdomspensioen en het deelnemingsjarenpensioen samen het gemis aan AOW compenseren tot het bedrag van de AOW-inbouw.

AOW-franchise

Bij het berekenen van het ouderdomspensioen moet u rekening houden met AOW-uitkeringen die uw werknemer zal krijgen. Daarom moet u van het pensioengevend loon een AOW-franchise aftrekken. U berekent het pensioen over het bedrag dat na aftrek van de franchise overblijft. Dit bedrag heet de pensioengrondslag.

Bij een maximaal gebruik van de ruimte voor pensioenopbouw is de AOW-franchise voor een middelloonregeling ten minste € 13.344 en voor een eindloonregeling ten minste € 15.099. Maar u mag ook een lagere AOW-franchise toepassen als u een lager jaarlijks opbouwpercentage toepast dan maximaal is toegestaan en als er geen overgangsregeling geldt. Afhankelijk van het opbouwstelsel mag u de volgende lagere AOW-franchise toepassen:

  • Pensioenopbouw volgens het middelloonstelsel:

    • Bij een opbouw per dienstjaar van maximaal 1,701% mag de AOW-franchise € 10.655 zijn.

    • Bij een opbouw per dienstjaar van meer dan 1,701%, maar niet meer dan 1,788% mag de AOW-franchise € 12.028 zijn.

  • Pensioenopbouw volgens het eindloonstelsel:

    • Bij een opbouw per dienstjaar van maximaal 1,483% mag de AOW-franchise € 12.057 zijn.

    • Bij een opbouw per dienstjaar van meer dan 1,483%, maar niet meer dan 1,570% mag de AOW-franchise € 13.610 zijn.

Let op!

Een pensioenregeling kan ook individuele modules hebben, waaruit uw werknemer kan kiezen. Hierdoor kan uw werknemer de totale opbouw per dienstjaar verhogen. Om te beoordelen of u rekening mag houden met een lagere AOW-inbouw, moet u uitgaan van deze hogere opbouw. Let er wel op dat de pensioenregeling aan de wettelijke voorwaarden blijft voldoen.

Pensioenopbouw volgens beschikbare premieregelingen

De staatssecretaris heeft in het premieovereenkomstenbesluit van 23 november 2017, nr. 2017-187605 (Stcr. 2017, 70303), staffels met de premiepercentages voor pensioenopbouw gepubliceerd. U kunt deze premiestaffels op de volgende manier toepassen:

  • Voor beschikbare premieregelingen voor een middelloonopbouw van maximaal 1,875% mag u de staffels toepassen bij een opbouw van 1,875% middelloon. Deze staffels kunt u toepassen op het pensioengevend loon, waarvan u een franchise van € 13.344 aftrekt.

  • Voor beschikbare premieregelingen voor een middelloonopbouw van maximaal 1,788% mag u de staffels toepassen bij een opbouw van 1,788% middelloon. Deze staffels kunt u toepassen op het pensioengevend loon, waarvan u een franchise van € 12.028 aftrekt.

  • Voor beschikbare premieregelingen voor een middelloonopbouw van maximaal 1,701% mag u de staffels toepassen bij een opbouw van 1,701% middelloon. Deze staffels kunt u toepassen op het pensioengevend loon, waarvan u een franchise van € 10.655 aftrekt.

Nettopensioen

Met ingang van 1 januari 2018 is het pensioengevend loon maximaal € 105.075. Uw werknemer kan boven dit bedrag geen 'normaal' pensioen meer opbouwen met toepassing van de omkeerregel. Uw werknemer kan over het inkomen boven € 105.075 wel nettopensioen opbouwen. Dit nettopensioen moet hij uit het nettoloon sparen. Nettopensioen sparen is alleen mogelijk in de vorm van een beschikbare premieregeling. De nettostaffels zijn gepubliceerd in bijlage VII van het premieovereenkomstenbesluit van 23 november 2017, nr. 2017-187605.

Let op!

Bijdragen die u als werkgever doet in de nettopensioenregeling van uw werknemer, moet u bruteren, zodat er na het inhouden en betalen van de loonheffingen een nettobijdrage overblijft. Dit geldt zowel voor werkgeversbijdragen in de premie als voor bijdragen in de kosten.

Aanwijzen pensioenregeling

Als u een regeling hebt die niet helemaal voldoet aan de voorwaarden voor een pensioenregeling, kunnen de ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze regeling onder bepaalde voorwaarden toch als pensioenregeling aanwijzen. U kunt een verzoek voor het aanwijzen van een regeling als pensioenregeling sturen naar:
Ministerie van Financiën
Postbus 20201
2500 EE Den Haag

Let op!

Twijfelt u of een regeling een pensioenregeling is, neem dan contact met ons op.

Pensioen in eigen beheer afkopen

Sinds 1 juli 2017 kunt u niet langer in eigen beheer pensioen opbouwen. Wat u kunt doen met het pensioen dat u in eigen beheer hebt opgebouwd, leest u op belastingdienst.nl. Zoek op 'pensioen in eigen beheer'.

Kiest u voor de mogelijkheid om het pensioen in eigen beheer af te kopen? Dan is de fiscale balanswaarde van het pensioen op het moment van afkoop belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. U krijgt daarop wel een afkoopkorting, die u berekent over de fiscale balanswaarde van het pensioen op het moment van afkoop. Maar als de fiscale balanswaarde op 31 december 2015 lager is, dan berekent u de afkoopkorting over dat lagere bedrag. Of, bij een gebroken boekjaar, over de lagere fiscale balanswaarde op de datum waarop dat boekjaar in 2015 eindigde.

Afkopen kan nog in 2018 en 2019. In 2018 is de afkoopkorting 25%, in 2019 19,5%.

Voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u de groene tabel voor bijzondere beloningen. Verder betaalt u werkgeversheffing Zvw.

Voorbeeld

Een directeur-grootaandeelhouder koopt in 2018 zijn pensioen in eigen beheer af. De fiscale balanswaarde op het moment van afkoop is € 200.000. Op 31 december 2015 was die waarde € 185.000.

U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:

  • De afkoopkorting is 25% van € 185.000 = € 46.250

  • U betaalt loonbelasting/premie volksverzekeringen over € 200.000 - € 46.250 = € 153.750

  • De loonbelasting/premie volksverzekeringen is 51,95% van € 153.750 = € 79.873,13.

Naar boven

19.4.2 Overgangsrecht (pre)pensioen- en vroegpensioenrechten opgebouwd tot 1 januari 2006

Sinds 1 januari 2005 zijn de fiscale voordelen van (pre)pensioen en vroegpensioen (inclusief tijdelijk overbruggingspensioen) vervallen. Voor de rechten die zijn opgebouwd tot 1 januari 2006, geldt overgangsrecht.

Collectieve pensioenregelingen

Bij collectieve pensioenregelingen mogen de aanspraken op pre- en vroegpensioen (inclusief tijdelijk overbruggingspensioen) die vóór 1 januari 2006 zijn opgebouwd, blijven bestaan volgens de regels die op 31 december 2004 golden. Het moet dan gaan om aanspraken op grond van verplichte deelname aan een collectieve regeling of op grond van individuele modules als aanvulling op verplichte collectieve regelingen.

Let op!

Bij individuele aanvulling van pensioentekorten moet u rechten op vroegpensioen (inclusief tijdelijk overbruggingspensioen) en prepensioen eerst herrekenen naar pensioenrechten op 68-jarige leeftijd, waarna u een eventueel aan te vullen pensioentekort berekent.

Naar boven