Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

Thema's

23 Heffingskortingen

Een heffingskorting is een korting op de loon- en inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen van een werknemer of uitkeringsgerechtigde (hierna: werknemer). Er zijn 9 heffingskortingen. Met 7 van deze heffingskortingen – samen de zogenoemde loonheffingskorting – houdt u op verzoek van uw werknemer rekening bij het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 23.1).

De werknemer kan alle heffingskortingen – inclusief de loonheffingskorting – laten verrekenen via zijn aangifte inkomstenbelasting.

Alle heffingskortingen zijn persoonlijk. Uw werknemer kan ze niet overdragen aan iemand anders.

Heffingskortingen en inkomstenbelasting

Er zijn 2 heffingskortingen waarmee u geen rekening houdt: de werknemer moet deze zelf laten verrekenen via de inkomstenbelasting. Dat kan na afloop van het jaar met de aangifte inkomstenbelasting, maar ook vooraf met een verzoek om een voorlopige aanslag. Dan krijgt de werknemer maandelijks een bedrag op zijn rekening gestort.

Het gaat om de volgende heffingskortingen:

  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting

  • de korting voor groene beleggingen

Naar boven

23.1 Loonheffingskorting

De loonheffingskorting is de verzamelnaam voor de 7 heffingskortingen waarmee u rekening houdt bij het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u inhoudt op het loon. De loonheffingskorting kan bestaan uit de volgende heffingskortingen:

  • de algemene heffingskorting (zie paragraaf 23.1.1)

  • de arbeidskorting (zie paragraaf 23.1.2)

  • de ouderenkorting (zie paragraaf 23.1.3)

  • de alleenstaande-ouderenkorting (zie paragraaf 23.1.4)

  • de jonggehandicaptenkorting (zie paragraaf 23.1.5)

  • de levensloopverlofkorting (zie paragraaf 23.1.6)

  • de werkbonus (zie paragraaf 23.1.7)

Let op!

Per 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Werknemers kunnen dus niet meer beginnen met sparen in deze regeling. Voor bestaande deelnemers geldt overgangsrecht (zie hoofdstuk 22).

Op verzoek van de werknemer toepassen

Elke werknemer die aan de voorwaarden voldoet, heeft recht op de loonheffingskorting. Dit geldt ook voor werknemers die niet in Nederland wonen. Uw werknemer moet u schriftelijk vragen de loonheffingskorting toe te passen, bijvoorbeeld met een 'Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen' (zie paragraaf 2.3.1). Als uw werknemer de loonheffingskorting niet meer bij u wil of mag laten toepassen, moet hij dat ook schriftelijk aan u laten weten.

Voor de jonggehandicaptenkorting geldt een uitzondering: ook als de werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen, mag u de jonggehandicaptenkorting verrekenen (zie paragraaf 23.1.5).

Als de werknemer u niet heeft gevraagd de loonheffingskorting toe te passen, loopt hij de korting niet mis: hij kan de loonheffingskorting verrekenen via zijn aangifte inkomstenbelasting.

Let op!

Werknemers die al vóór 1 januari 2007 bij u in dienst waren, hoeven u niet schriftelijk te vragen de loonheffingskorting toe te passen. Wij stellen de loonbelastingverklaring die zij in die tijd hebben ingevuld en ondertekend, met dit verzoek gelijk.

In de rubriek 'Gegevens voor tabeltoepassing' op de loonstaat vermeldt u of u de loonheffingskorting toepast. Daarnaast geeft u apart aan of u de jonggehandicaptenkorting toepast (zie paragraaf 9.1).

Loonheffingskorting en de loonbelastingtabellen

De algemene heffingskorting en de ouderenkorting zijn verwerkt in de witte en de groene tijdvaktabellen. De arbeidskorting en de werkbonus zijn alleen verwerkt in de witte tijdvaktabellen. De alleenstaande-ouderenkorting is alleen verwerkt in de groene tijdvaktabellen voor de Anw- en de AOW-uitkering. U hoeft deze 5 heffingskortingen dus niet zelf te berekenen. De jonggehandicaptenkorting en de levensloopverlofkorting moet u wel zelf berekenen (zie paragraaf 7.3.1).

De tabel voor bijzondere beloningen heeft een kolom 'verrekeningspercentage loonheffingskorting' voor werknemers voor wie u de loonheffingskorting toepast. Met dit verrekeningspercentage past u bij bijzondere beloningen de op- en afbouw toe van de arbeidskorting en de afbouw van de algemene heffingskorting.

Werknemers die niet volledig belasting- of premieplichtig zijn

De loonheffingskorting kent een belasting- en een premiedeel. Bij werknemers die niet belastingplichtig zijn voor de loonbelasting of niet (volledig) premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen, moet u de loonheffingskorting verminderen. Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, is die vermindering in de witte en groene tijdvaktabellen verwerkt. De AOW-leeftijd is in 2017 65 jaar en 9 maanden. Voor andere situaties (bijvoorbeeld werknemers die in het buitenland wonen of werken) gelden herleidingsregels die u moet toepassen op het bedrag dat de loonbelastingtabel aangeeft (zie paragraaf 7.3.8).

Werknemers met meer dan 1 werkgever of uitkeringsinstantie

Maar 1 werkgever of uitkeringsinstantie mag de loonheffingskorting toepassen. Als de werknemer wil dat u de loonheffingskorting toepast, dan moet hij u een schriftelijk, ondertekend verzoek geven, voorzien van datum (zie paragraaf 2.3). Als de werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen, dan mag u alleen rekening houden met de jonggehandicaptenkorting.

Als de werknemer meer dan 1 werkgever of uitkeringsinstantie heeft, is het mogelijk dat hij niet de volledige loonheffingskorting kan laten verrekenen.

Ook is het mogelijk dat de werknemer ervoor kiest om de loonheffingskorting bij geen enkele werkgever of uitkeringsinstantie te laten toepassen. De werknemer kan dan teruggaaf vragen via zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Of met een verzoek om een voorlopige aanslag.

Loonbelastingtabellen

De nieuwe loonbelasting- en premietabellen vindt u op belastingdienst.nl. Vanaf 1 januari 2017 worden deze gepubliceerd in een rekenhulp. In de rekenhulp Loonbelastingtabellen zijn ook de tabellen opgenomen voor de minder gebruikelijke situaties met een afwijkende belasting- of premieplicht. Tot 2017 stonden deze in de herleidingsregels. De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/tabellen. Voor oudere jaren vindt u de tabellen en de herleidingsregels nog als download op belastingdienst.nl.

Naar boven

23.1.1 Algemene heffingskorting

De algemene heffingskorting wordt in 2017 afgebouwd met 4,787% van het inkomen uit werk en woning als dit inkomen € 19.982 of meer is per jaar, maar niet meer dan € 67.068. In 2017 is de algemene heffingskorting maximaal € 2.254. De korting wordt afgebouwd tot nihil. Als de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt, is de heffingskorting in 2017 maximaal € 1.151. De korting wordt afgebouwd tot nihil. Zie voor meer informatie tabel 2e en 2f achter in dit handboek.

De algemene heffingskorting en de afbouw daarvan zijn verwerkt in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de rekenregels.

Naar boven

23.1.2 Arbeidskorting

Een werknemer met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft recht op de arbeidskorting. De arbeidskorting is een percentage van dat loon tot een maximumbedrag. De arbeidskorting wordt alleen berekend over tijdvakloon en niet over eenmalige beloningen of beloningen die u maar eenmaal per jaar toekent, zoals gratificaties, tantièmes of vakantiebijslag. In de tabel voor bijzondere beloningen wordt wel rekening gehouden met de opbouw en de afbouw van de arbeidskorting.

Voor het toepassen van de arbeidskorting rekent u tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ook:

  • loon wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid
    Tot dit loon horen niet:

    • WAO/WIA-uitkeringen

    • Waz-uitkeringen (behalve uitkeringen in verband met bevalling)

    • Wet Wajong-uitkeringen

    • uitkeringen op grond van buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de WAO/WIA, Waz of Wet Wajong

  • uitkeringen in het kader van de Wet arbeid en zorg en uw eventuele aanvullingen hierop

  • loon waarvoor u een betalingsverplichting hebt aan een werknemer die tijdelijk inactief is door een oorzaak die in redelijkheid voor uw rekening komt
    Dit geldt voor maximaal 104 weken. Daarna is dit loon uit vroegere dienstbetrekking.

  • loon voor oproepkrachten zonder werkgarantie bij een oproep voor minder dan 3 uur

Let op!

Is uw werknemer op 1 januari 2017 61 jaar of ouder? Dan is de opname uit het levenslooptegoed loon uit vroegere dienstbetrekking. U mag hierop dus geen arbeidskorting toepassen.

U moet over elk loontijdvak bijhouden welk bedrag aan arbeidskorting u hebt verrekend met de loonbelasting/premie volksverzekeringen van de werknemer. Deze verrekende arbeidskorting vindt u in de witte tijdvaktabellen. U vermeldt de verrekende arbeidskorting in kolom 18 van de loonstaat (zie paragraaf 9.2.13) en in de aangifte loonheffingen. Ook neemt u het totaalbedrag van de verrekende arbeidskorting op in de jaaropgaaf voor de werknemer (zie hoofdstuk 13). Want de werknemer moet dit bedrag in zijn aangifte inkomstenbelasting invullen. In de jaaropgaaf zet u alleen de arbeidskorting die u via de reguliere tijdvaktabel hebt verrekend. De arbeidskorting die u hebt verrekend met het 'verrekeningspercentage loonheffingskorting' van de tabel bijzondere beloningen (zie paragraaf 23.1), neemt u niet op in de jaaropgaaf.

De arbeidskorting is per jaar maximaal € 3.223 (zie tabel 2a achter in dit handboek). De korting is verwerkt in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de rekenregels.

Arbeidskorting voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt

Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, geldt een andere arbeidskorting dan voor jongere werknemers (zie tabel 2b achter in dit handboek). U past deze arbeidskorting toe vanaf de eerste loonbetaling nadat de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt. De arbeidskorting is per jaar maximaal € 1.645. Deze korting is verwerkt in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de rekenregels.

Afbouw arbeidskorting voor loon hoger dan € 32.444

De arbeidskorting voor lagere inkomens wordt in 2017 verder verhoogd naar maximaal € 3.223. Daarnaast wordt de arbeidskorting voor hogere inkomens afgebouwd tot nihil. In 2017 wordt de arbeidskorting verminderd met 3,6% van het inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking als dit inkomen meer is dan € 32.444 per jaar, maar niet meer dan € 121.972. De arbeidskorting is nihil als het inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking hoger is dan € 121.972.

Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, geldt een afbouw van 1,837% van het loon boven de € 32.444, met een maximum van € 1.645. Deze arbeidskorting is nihil als het inkomen hoger is dan € 121.972. De afbouw van de arbeidskorting is verwerkt in de witte tijdvaktabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de rekenregels.

Let op!

Soms moet uw werknemer via de aangifte inkomstenbelasting (een deel van) de afbouw van de arbeidskorting van maximaal € 3.223 aan ons betalen. Dat komt voor als uw werknemer op jaarbasis een loon heeft dat hoger is dan € 32.444 en zich 1 van de volgende situaties voordoet:

  • Uw werknemer had in 1 of meer loontijdvakken een loon beneden de afbouwgrens (herleid naar het tijdvakbedrag) en hij krijgt via de witte tijdvaktabel een tijdvakevenredige arbeidskorting zonder afbouw.

  • Uw werknemer heeft verschillende werkgevers. Per werkgever blijft hij onder de afbouwgrens, maar zijn jaarloon komt boven de afbouwgrens uit.

  • Uw werknemer heeft naast loon nog ander arbeidsinkomen (winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden). Voor het loon blijft hij onder de afbouwgrens, maar zijn totale arbeidsinkomen komt boven de afbouwgrens uit.

Naar boven

23.1.3 Ouderenkorting

Een werknemer heeft recht op de ouderenkorting als hij de AOW-leeftijd heeft bereikt. De ouderenkorting is € 1.292 voor werknemers met een inkomen van maximaal € 36.057 en € 71 voor werknemers met een inkomen hoger dan € 36.057.

U past via de tijdvaktabel de ouderenkorting toe vanaf de eerste loonbetaling in de maand waarin uw werknemer de AOW-leeftijd bereikt.

Naar boven

23.1.4 Alleenstaande-ouderenkorting

Alleen de Sociale Verzekeringsbank past de alleenstaande-ouderenkorting toe. Er moet dan sprake zijn van een AOW-uitkering voor alleenstaanden.

De alleenstaande-ouderenkorting is € 438. De SVB past deze korting toe vanaf de eerste loonbetaling in de maand waarin de uitkeringsgerechtigde de AOW-leeftijd bereikt. Dat doet de SVB alleen als de uitkeringsgerechtigde de SVB hierom schriftelijk heeft gevraagd.

Naar boven

23.1.5 Jonggehandicaptenkorting

De jonggehandicaptenkorting geldt voor iedereen die:

  • een Wet Wajong-uitkering krijgt

  • recht heeft op een Wet Wajong-uitkering, maar deze uitkering niet krijgt omdat hij nog andere inkomsten heeft

Als u een Wet Wajong-uitkering (door)betaalt, mag u altijd de jonggehandicaptenkorting verrekenen. Dit geldt ook als uw werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen.

Het kan zijn dat uw werknemer wel recht heeft op een Wet Wajong-uitkering, maar deze niet krijgt omdat hij nog andere inkomsten heeft. Dan mag u de jonggehandicaptenkorting verrekenen als u bij uw loonadministratie een kopie bewaart van de brief die UWV heeft gestuurd aan uw werknemer, waarin staat dat deze recht heeft op de jonggehandicaptenkorting.

De jonggehandicaptenkorting is € 722 per jaar. Deze heffingskorting is niet in de tabellen of in de rekenregels verwerkt. U moet het tabelbedrag van de loonbelasting/premie volksverzekeringen zelf verminderen met de jonggehandicaptenkorting. Gebruikt u de maandtabel, de vierwekentabel, de weektabel, de dagtabel of de kwartaaltabel, dan is de korting 1/12, 1/13, 1/52, 1/260 respectievelijk 1/4 deel. Heeft uw werknemer een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat? Dan gebruikt u voor het berekenen van de korting dezelfde herleidingsregels die u gebruikt voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 7.3.5).

Naar boven

23.1.6 Levensloopverlofkorting

Per 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Werknemers kunnen niet meer beginnen met sparen in deze regeling. Voor bestaande deelnemers geldt overgangsrecht (zie hoofdstuk 22).

Als uw werknemer op grond van het overgangsrecht doorspaart, bouwt hij vanaf 2012 geen levensloopverlofkorting meer op. De rechten die hij heeft opgebouwd tot en met 2011, blijven bestaan. Bij het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen houdt u voor deze werknemer rekening met de levensloopverlofkorting, als hij u daar schriftelijk om heeft gevraagd. De levensloopverlofkorting is gelijk aan het opgenomen bedrag uit de levensloopregeling met een maximum van € 210 per gespaard kalenderjaar.

Voorbeeld

Een werknemer is in 2011 begonnen met sparen in de levensloopregeling. Hij heeft dus recht op € 210 levensloopverlofkorting.

Als de werknemer in november en in december 2017 € 50 opneemt, dan verrekent u in november en in december € 50 aan levensloopverlofkorting met de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Er blijft dan nog € 110 levensloopverlofkorting over. U mag dit bedrag verrekenen bij volgende opnames van het levenslooptegoed.

Is de opname in november en in december € 1.000, dan verrekent u alleen in november € 210 met de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Per jaar bouwt uw werknemer € 210 levensloopverlofkorting op. Dus als uw werknemer geld opneemt uit de levensloopregeling en hij daarvoor bijvoorbeeld 2 jaar heeft gespaard, verrekent u maximaal 2 x € 210 = € 420. Hebt u in voorgaande jaren al levensloopverlofkorting verrekend, dan verlaagt dit de levensloopverlofkorting in latere jaren. Als u bij een werknemer in het 1e jaar bijvoorbeeld € 100 aan levensloopverlofkorting hebt verrekend, dan mag u in het 2e jaar maximaal (2 x € 210) - € 100 = € 320 verrekenen.

Vanaf 2012 bouwt uw werknemer geen levensloopverlofkorting meer op. Dus als hij in 2017 geld opneemt uit de levensloopregeling en hij vanaf bijvoorbeeld 2010 heeft gespaard, verrekent u maximaal 2 x € 210 = € 420, omdat hij alleen over 2010 en 2011 levensloopverlofkorting kon opbouwen.

Als uw werknemer naast zijn opname uit de levensloopregeling ook ander loon krijgt, kunt u de levensloopverlofkorting verrekenen met het totaalbedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Voorbeeld

Een werknemer met een maandloon krijgt in november en december 2017 € 600 aan loon en neemt daarnaast in beide maanden € 400 aan levenslooptegoed op. De werknemer is begin 2011 begonnen met de levensloopregeling. Hij heeft niet eerder gebruikgemaakt van de levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting is € 210, omdat hij in 2012 geen levensloopverlofkorting meer kon opbouwen. Het bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen is volgens de witte maandtabel bijvoorbeeld € 115 bij een loon van € 1.000 (€ 600 + € 400). U verrekent dan in november € 115 en in december het restant van € 95 (€ 210 - € 115).

U vermeldt het bedrag van de toegepaste levensloopverlofkorting in kolom 19 van de loonstaat (zie paragraaf 9.2.14) en het totaalbedrag vermeldt u op de jaaropgaaf voor de werknemer (zie hoofdstuk 13).

Let op!

De werknemer mag het saldo van de levensloopregeling ook omzetten in pensioen, zolang de volledige pensioenregeling voldoet aan de wettelijke pensioenvoorwaarden (zie paragraaf 22.7). Bij het omzetten in pensioen verrekent u geen levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting is ook niet van toepassing als u het levenslooptegoed na het overlijden van de werknemer uitbetaalt aan de erfgenamen.

Naar boven

23.1.7 Werkbonus

U mag de werkbonus toepassen als uw werknemer voldoet aan de volgende 2 voorwaarden:

  • Hij geniet loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

  • Hij is 63 jaar op 1 januari 2017.

De hoogte van de werkbonus hangt af van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van uw werknemer. De werkbonus is maximaal € 1.119 en is nihil vanaf een inkomen van meer dan € 33.694 (zie tabel 2g achter in dit handboek).

De werkbonus is verwerkt in de witte tijdvaktabellen en de rekenregels.

Naar boven