Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

Thema's

22 Levensloopregeling

Sinds 1 januari 2012 is de levensloopregeling niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers. Voor bestaande deelnemers geldt overgangsrecht: werknemers die op 31 december 2011 een levenslooptegoed hadden van € 3.000 (inclusief het rendement over 2011) of meer, mogen nog gebruik blijven maken van de levensloopregeling. Werknemers die gebruik hebben gemaakt van de 80%-regeling, mogen geen gebruik meer maken van de levensloopregeling.

De informatie in dit hoofdstuk geldt alleen voor werknemers voor wie het overgangsrecht geldt. U leest meer over:

  • hoe sparen in de levensloopregeling werkt (zie paragraaf 22.1)

  • welke bijdrage u mag geven (zie paragraaf 22.2)

  • wat u schriftelijk vastlegt (zie paragraaf 22.3)

  • hoe de werknemer het levenslooptegoed opneemt (zie paragraaf 22.4)

  • wat u doet als de werknemer overlijdt (zie paragraaf 22.5)

  • de levensloopverlofkorting (zie paragraaf 22.6)

  • het omzetten van de levensloopregeling omzetten in pensioen (zie paragraaf 22.7)

  • de deelname van de directeur-grootaandeelhouder aan de levensloopregeling (zie paragraaf 22.8)

Volledige of gedeeltelijke opname mogelijk

Uw werknemer mag het levenslooptegoed volledig of gedeeltelijk opnemen voor elk doel.

Naar boven

22.1 Sparen in de levensloopregeling

Een werknemer kan u op grond van een levensloopregeling vragen om per jaar een bedrag van maximaal 12% van zijn loon in te houden. Dit bedrag maakt u over naar een door de werknemer gekozen:

  • bank, als storting op een levenslooprekening

  • verzekeraar, als premie voor een levensloopverzekering

  • beleggingsinstelling, als storting voor een levenslooprecht van deelneming

Het bedrag dat u inhoudt, is aftrekbaar voor de loonbelasting/volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de Zvw. Een werkgeversbijdrage voor de levensloopregeling is geen loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de Zvw.

Maximaal te sparen bedrag

Een werknemer mag per kalenderjaar maximaal 12% sparen van zijn loon in dat jaar. U mag dit percentage berekenen over:

  • het loon in geld, verhoogd met de waarde van loon in natura en belaste fooien en uitkeringen uit fondsen (het totaal van kolom 3, 4 en 5 van de loonstaat)

  • het fiscale loon, verhoogd met ingehouden bijdragen van de werknemer

Voor de berekening van de maximale bijdrage voor de levensloopregeling mag u dus ook uitgaan van het bedrag van kolom 14, verhoogd met bijvoorbeeld pensioenpremies en de inleg voor de levensloopregeling.

Als het levenslooptegoed aan het begin van het kalenderjaar 210% of meer is van het jaarloon over het voorgaande kalenderjaar, mag een werknemer dat jaar niet langer sparen in zijn levensloopregeling. Het levenslooptegoed kan door behaalde rendementen daarna verder boven de 210% uitstijgen. Heeft een werknemer het voorgaande kalenderjaar niet het hele jaar bij u gewerkt, dan mag u het loon herleiden naar een jaarloon.

Levenslooptegoeden of verlofspaartegoeden die een werknemer heeft bij ex-werkgevers, tellen mee voor het maximale levenslooptegoed van 210%. Daarom moet de 1e nieuwe werkgever bij wie een werknemer weer spaart in een levensloopregeling, de bestaande tegoeden meetellen. U moet daarom een schriftelijke verklaring van uw werknemer vragen waarin hij aangeeft of u rekening moet houden met levenslooptegoeden of verlofspaartegoeden die hij bij ex-werkgevers heeft opgebouwd.

Maximumbedrag voor oudere werknemers

Voor werknemers die op 31 december 2005 51 jaar of ouder waren, maar nog geen 56 jaar, is er een overgangsregeling. Deze werknemers mogen meer sparen dan 12% van het loon van dat jaar. Voorwaarde is wel dat het levenslooptegoed aan het eind van dat jaar niet meer is dan 210% van het in dat jaar verdiende loon.

Maximumbedrag bij deeltijd, demotie en loonsverlaging

Als een werknemer, vooruitlopend op zijn pensioen, in deeltijd gaat werken of een lager gekwalificeerde functie accepteert, mag u bij de bepaling van het maximale levenslooptegoed uit blijven gaan van zijn eerdere hogere loon. De loonsverlaging moet dan wel plaatsvinden binnen 10 jaar voor de pensioendatum in de pensioenregeling. Ook moet de werknemer ten minste 50% van de arbeidsduur vóór de loonsverlaging blijven werken.

Als u het loon om andere redenen verlaagt, kan in de loop van het jaar blijken dat u meer dan 12% van het loon hebt ingehouden voor de levensloopregeling. U moet het te veel gestorte bedrag dan in hetzelfde kalenderjaar terugbetalen aan uw werknemer en hierop loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden. Over het terugbetaalde bedrag betaalt u ook premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw.

Naar boven

22.2 Bijdrage werkgever

U mag een bijdrage geven voor de levensloopregeling. Als u een bijdrage geeft, moet deze aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • U geeft deze bijdrage aan al uw werknemers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, ook als zij niet gebruikmaken van de levensloopregeling.

  • U stelt geen voorwaarden aan het moment waarop uw werknemer het levenslooptegoed mag opnemen.

Er zijn 4 mogelijkheden:

  • U voldoet aan beide voorwaarden. Dan is de bijdrage voor de werknemer die gebruikmaakt van de levensloopregeling, geen loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de Zvw. De bijdrage voor werknemers die geen levensloopregeling hebben, is belast loon voor alle loonheffingen.

  • U voldoet alleen aan de 1e voorwaarde. Dan geldt de levensloopregeling niet.

  • U voldoet alleen aan de 2e voorwaarde. Dan geldt de levensloopregeling alleen voor werknemers die van u een bijdrage aan de regeling krijgen, die hetzelfde is als of lager is dan de bijdrage aan vergelijkbare werknemers die niet gebruikmaken van de levensloopregeling.

  • U voldoet aan geen van beide voorwaarden. Dan geldt de levensloopregeling niet meer. U moet dan de levenslooptegoeden van alle werknemers die tot op dat moment zijn gespaard, als loon uit vroegere dienstbetrekking behandelen.

Naar boven

22.3 Schriftelijk vastleggen

Een levensloopregeling met een werknemer moet u schriftelijk vastleggen. U moet daarin ten minste het volgende opnemen:

  • de naam van de instelling waar de werknemer spaart

  • een bepaling dat de werknemer schriftelijk aan u verklaart of u rekening moet houden met levenslooptegoed of verlofspaartegoed dat hij bij een ex-werkgever heeft opgebouwd

Let op!

Een werknemer die na 31 december 2011 nog gebruik mag maken van de levensloopregeling, moet u een levensloopregeling aanbieden als deze werknemer daarom vraagt. Maar het levenslooptegoed geeft uw werknemer nog geen wettelijk recht om het verlof op te nemen. Dat kan alleen met uw toestemming, behalve als het gaat om verlof waar werknemers volgens de wet recht op hebben, zoals ouderschapsverlof.

Naar boven

22.4 Opnemen uit levenslooptegoed

De instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht, maakt het geld dat de werknemer van de levenslooprekening opneemt (of de uitkering uit de levensloopverzekering) aan u over. Het opgenomen bedrag is loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. U houdt loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw.

Opnames uit levenslooptegoed voor oudere werknemers

Opnames uit het levenslooptegoed door werknemers die geboren zijn in 1955 of daarvoor (en dus 61 jaar of ouder zijn op 1 januari 2017), zijn loon uit vroegere dienstbetrekking. U houdt loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u geen premies werknemersverzekeringen, maar wel werkgeversheffing Zvw.

Let op!

Als uw werknemer – geboren in 1955 of daarvoor – naast zijn levensloopverlof voor u blijft werken, moet u hem tweemaal in uw aangifte loonheffingen opnemen. U gebruikt voor deze werknemer dan 2 verschillende nummers inkomstenverhouding. Het nummer inkomstenverhouding dat u al voor deze werknemer gebruikt, blijft u gebruiken voor het loon dat hij verdient (dit is loon uit tegenwoordige dienstbetrekking). Voor de opnames uit het levenslooptegoed (loon uit vroegere dienstbetrekking) gebruikt u een nieuw nummer. Zie paragraaf 3.4.2 voor meer informatie over het gebruik van de nummers inkomstenverhouding.

Als uw werknemer met pensioen gaat of de AOW-leeftijd bereikt

Heeft uw werknemer het spaartegoed van een levensloopregeling nog niet (volledig) opgenomen en bereikt hij de AOW-leeftijd of gaat hij met pensioen voordat hij de AOW-leeftijd bereikt? Dan houdt u op dit bedrag loonheffingen in. Hoe u dat doet, hangt af van de situatie.

Uw werknemer bereikt de AOW-leeftijd

Op de dag voordat uw werknemer de AOW-leeftijd bereikt, belast u het tegoed als loon uit vroegere dienstbetrekking. U houdt op het tegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u over de uitkering de werkgeversheffing Zvw, maar geen premies werknemersverzekeringen.

Uw werknemer gaat met pensioen en is bij het begin van het kalenderjaar jonger dan 61 jaar

Op de dag voordat uw werknemer met pensioen gaat, belast u het tegoed als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. U houdt op het tegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u over het tegoed de werkgeversheffing Zvw en de premies werknemersverzekeringen.

Uw werknemer gaat met pensioen en is bij het begin van het kalenderjaar 61 jaar of ouder

Op de dag voordat uw werknemer met pensioen gaat, belast u het tegoed als loon uit vroegere dienstbetrekking. U houdt op het tegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u over de uitkering de werkgeversheffing Zvw, maar geen premies werknemersverzekeringen.

Let op!

Laat uw werknemer het pensioen gedeeltelijk ingaan, dan hoeft u het restant levenslooptegoed niet in 1 keer te belasten. Want voor de levensloopregeling geldt het gedeeltelijk ingaan van het pensioen niet als het ingaan van het pensioen.

Ex-werknemers zonder nieuwe werkgever

U houdt geen loonheffingen in voor ex-werknemers die na hun vertrek bij u geen nieuwe werkgever hebben gevonden. De levensloopinstelling (bijvoorbeeld een bank) moet dat doen. De instelling moet op het uitbetaalde levenslooptegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en aan ons betalen. De instelling hoeft geen premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw te betalen of inkomensafhankelijke bijdrage Zvw in te houden.

Naar boven

22.5 Overlijden van de werknemer

Bij overlijden van de werknemer mag u zijn levenslooptegoed ineens ter beschikking stellen aan de erfgenamen.

Voor de loonheffingen is het levenslooptegoed loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de overleden werknemer, tenzij de overleden werknemer aan het begin van het kalenderjaar 61 jaar of ouder was. In dat geval is het levenslooptegoed loon uit vroegere dienstbetrekking en betaalt u geen premies werknemersverzekeringen. U betaalt in beide situaties wel werkgeversheffing Zvw over de uitkering.

Voor de inkomstenbelasting kunnen de erfgenamen dit loon beschouwen als postuum loon (zie paragraaf 9.2.3) en kiezen:

  • opnemen in de aangifte van de overledene als loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking (afhankelijk van de leeftijd van de overledene)

  • opnemen in hun eigen aangifte als loon uit vroegere dienstbetrekking van een ander

Let op!

Bij uitkering van het levenslooptegoed bij het overlijden van een werknemer, hebben de erfgenamen geen recht op levensloopverlofkorting (zie paragraaf 22.6).

Naar boven

22.6 Levensloopverlofkorting

Werknemers hebben bij opname uit de levensloopregeling recht op een korting op de loonbelasting/premie volksverzekeringen die zij moeten betalen: de levensloopverlofkorting. Bij de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen houdt u rekening met deze extra heffingskorting als de werknemer bij u de loonheffingskorting verrekent. Zie paragraaf 23.1.6 voor meer informatie over de levensloopverlofkorting.

Let op!

Sinds 2012 kunnen werknemers geen rechten op levensloopverlofkorting meer opbouwen. De rechten die een werknemer tot en met 2011 heeft opgebouwd, blijven bestaan.

Naar boven

22.7 Levensloopregeling en pensioen

Uw werknemer mag het levenslooptegoed ook omzetten in pensioen, zolang de volledige pensioenregeling maar blijft voldoen aan de voorwaarden (zie paragraaf 19.4). Bij omzetting van het levenslooptegoed in pensioen verrekent u géén levensloopverlofkorting. U bent niet verplicht om aan omzetting mee te werken.

Naar boven

22.8 Deelname directeur-grootaandeelhouder aan levensloopregeling

Ook een directeur-grootaandeelhouder kan nog gebruikmaken van een levensloopregeling zolang hij voldoet aan de voorwaarden. Voor een directeur-grootaandeelhouder geldt de zogenoemde gebruikelijkloonregeling (zie paragraaf 16.1). Het gebruikelijk loon is het loon ná toepassing van de wettelijke vrijstellingen, zoals de vrijstelling van een inleg in een levensloopregeling. Deelname aan een levensloopregeling kan dus gevolgen hebben voor de gebruikelijkloonregeling.

De levensloopregeling heeft geen gevolgen voor de gebruikelijkloonregeling als aan de volgende 2 voorwaarden is voldaan:

  • De directeur-grootaandeelhouder maakt aannemelijk dat zijn werkelijke loon vóór inleg in de levensloopregeling niet lager is dan het gebruikelijk loon vóór inleg in de levensloopregeling.

  • De inleg in de levensloopregeling is niet hoger dan 12% van het loon.

Naar boven