Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

30.05.00 Intellectuele eigendomsrechten

6 Werking verordening 608/2013

6.1 Doel verordening 608/2013

In de verordening is bepaald hoe de Douane optreedt wanneer zij goederen aantreft die vermoedelijk inbreuk maken op bepaalde IE-rechten.

De Douane is bevoegd om IE-rechten te handhaven met betrekking tot goederen die onderworpen zijn aan douanetoezicht of douanecontrole. Handhaving van IE-rechten aan de buitengrens, waar de goederen zich onder douanetoezicht of douanecontrole bevinden, is een doeltreffende manier om de rechthebbenden snel efficiënte rechtsbescherming te bieden. Wanneer de vrijgave van goederen wordt geschorst of goederen door de Douane aan de buitengrens worden vastgehouden, is slechts één wettelijke procedure nodig, terwijl er verschillende afzonderlijke procedures nodig zijn voor dezelfde mate van handhaving voor goederen die in het vrije verkeer worden aangetroffen omdat deze dan zijn opgesplitst en aan handelaren zijn geleverd. Het doel van de verordening is zoveel mogelijk te voorkomen dat deze goederen in het vrije verkeer terechtkomen. De verordening voorziet daarom in een procedure die de Douane de mogelijkheid geeft op een bepaalde wijze op te treden in het geval van een vermoedelijke inbreuk op bepaald IE-recht. De Douane schort de vrijgave van de goederen op of houdt de goederen vast waarna de rechthebbende een bepaalde termijn heeft om na te gaan of het daadwerkelijk gaat om goederen die inbreuk maken op zijn IE-recht en hij tegen de inbreuk civielrechtelijk wenst op te treden.

Doel verordening is niet absoluut

Het doel van de verordening heeft primair tot doel de Douane in staat te stellen de rechthebbenden te faciliteren om hun IE-recht te handhaven. Het voorkomen dat inbreukmakende goederen in het vrije verkeer komen is niet absoluut aangezien vermoedelijk inbreukmakende goederen worden vrijgegeven als de rechthebbende niet binnen de vastgestelde termijnen aan de voorwaarden van de verordening voldoet.

De procedures uit de verordening in grote lijnen

 

Naar boven

6.2 Wanneer vermoedelijke inbreuk op IE-recht?

De verordening geeft aan wanneer sprake is van goederen die vermoedelijk inbreuk maken op een IE-recht (artikel 2, lid 7). Vermoedelijk inbreukmakende goederen zijn goederen ten aanzien waarvan er redelijke aanwijzingen zijn dat het, in de lidstaat waar deze goederen worden aangetroffen, op het eerste gezicht gaat om:

  • goederen waarmee inbreuk wordt gemaakt op een IE-recht in die lidstaat

  • apparaten, producten of onderdelen om het ontwijken mogelijk te maken of te vergemakkelijken van technologie, apparaten of componenten die dienen ter voorkoming of beperking van door de houder van een auteursrecht of naburig recht niet toegestane handelingen met betrekking tot werken (apparaten om kopieerbeveiliging te verwijderen of omzeilen)

  • mallen of matrijzen die specifiek ontworpen of aangepast zijn voor de vervaardiging van goederen die inbreuk zouden maken op een IE-recht. Deze mallen en matrijzen zijn gelijkgesteld aan de inbreukmakende goederen (artikel 2, lid 7 sub c)

Naar boven

6.2.1 Apparaten om kopieerbeveiliging te verwijderen of omzeilen

Vermoedelijk inbreukmakende goederen zijn ook goederen waarvoor redelijke aanwijzingen zijn dat het gaat om apparaten, producten of onderdelen die ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn om het ontwijken mogelijk te maken of te vergemakkelijken van technologie, apparaten of componenten die dienen ter voorkoming of beperking van door de houder van een auteursrecht of naburig recht niet toegestane handelingen met betrekking tot werken.

Het is in Nederland niet toegestaan om kopieerbeveiligingen op software te verwijderen of te omzeilen. De Auteurswet noemt dat "middelen die uitsluitend bestemd zijn om het zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende verwijderen van of het ontwijken van een technische voorziening ter bescherming van een computerprogramma te vergemakkelijken". Het verspreiden van software waarmee men kopieerbeveiligingen kan doorbreken, is niet alleen civielrechtelijk onrechtmatig (wat inhoudt dat rechthebbenden eventueel schadevergoeding kunnen eisen), maar ook strafbaar (artikel 32a, Auteurswet).

Naar boven

6.2.2 Redelijke aanwijzingen en motivatie inbreuk

Er moeten redelijke aanwijzingen zijn dat de door de Douane gecontroleerde goederen vermoedelijk inbreuk maken op een van de IE-rechten uit de Verordening. De Douane moet daarom motiveren waarom zij van oordeel is dat er sprake is van een vermoedelijk inbreuk op een IE-recht.

De vraagbaak IER determineert de goederen en motiveert de vermoedelijke inbreuk door in ZGR (binnen 2 werkdagen na de bevinding) aan te geven op welke gronden geoordeeld wordt dat de goederen mogelijk inbreukmakend zijn. In ZGR worden de relevante gegevens en productkenmerken vastgelegd. De motivering bevat voldoende aanwijzingen zodat:

  • de Douane door de kennisgeving van Team IER rechtmatig kan besluiten de vrijgave van de goederen op te schorten of deze vast te houden.

  • duidelijk is dat er een vermoeden van inbreuk bestaat omdat duidelijk is beschreven welke productkenmerken ontbreken of anders zijn, inclusief duidelijke foto’s van deze productkenmerken. De houder van het besluit moet aan de hand van de foto’s een oordeel kunnen vormen over de inbreuk. De foto’s moeten dus een duidelijk beeld geven van de inbreuk en de kenmerken daarvan.

  • voor goederen die onder douanetoezicht staan en (nog) geen aangifte voor het vrije verkeer is gedaan, onderbouwd is dat deze goederen bestemd zijn om in de (vrije markt van de) EU te worden verhandeld.

  • Team IER kan beoordelen of er wellicht sprake is van uitzonderingen (bijvoorbeeld parallelhandel).

  • Team IER de rechthebbende gemotiveerd kan informeren, zodat deze kan beoordelen of hij zal gaan optreden tegen de vermoedelijke inbreuk door het starten van de algemene vernietigingsprocedure of een civielrechtelijke procedure.

Naar boven

6.3 Voor welke IE-rechten verordening van toepassing?

De verordening is van toepassing op goederen die worden beschermd door de volgende IE-rechten (artikel 2, lid 1):

  • Merkenrecht

  • Tekeningen- en Modellenrecht

  • Auteursrecht

  • Naburige rechten

  • Octrooirecht

  • Aanvullend beschermingscertificaat

  • Kwekersrecht

  • Benamingen van oorsprong of geografische aanduidingen

  • Geografische benamingen

  • Handelsnaam

  • Gebruiksmodel

  • Topografie van halfgeleiderproducten

  • Uniecertificeringsmerk

Naar boven

6.4 Wanneer verordening niet van toepassing?

De verordening is niet van toepassing op:

  • Goederen die worden beschermd door een ander IE-recht dan de IE-rechten die in de verordening worden genoemd. Let hierbij op dat er een uitbreiding van de IE-rechten heeft plaatsgevonden middels de Vo 2017/1001 met het uniecertificeringsmerk.

  • Unie goederen:

    • Goederen die niet van oorsprong of herkomst zijn uit derde landen. De Douane heeft geen controletaak voor unie goederen (tenzij deze voor de douaneregeling uitvoer worden aangegeven).

  • Goederen die zijn vervaardigd onder andere voorwaarden dan die met de rechthebbende zijn overeengekomen:

    • Hierbij gaat het om een privaatrechtelijke rechtsverhouding waarin de Douane niet treedt. De Douane weet niet welke onderliggende overeenkomsten tussen de licentiehouder en rechthebbende zijn gesloten. Hierbij is niet van belang welk IE-recht wordt geschonden (artikel 1 lid 5).

  • Parallelhandel en overproductie:

    • Goederen die met toestemming van de rechthebbende zijn vervaardigd, maar zich zonder zijn toestemming in een in-, uit-, of wederuitvoersituatie bevinden (artikel 1, lid 5). Hierbij gaat het bijvoorbeeld om goederen die buiten de officiële distributieketen door een niet-geautoriseerde importeur worden ingevoerd. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen bij parallelhandel of overproductie van goederen die elders op de (wereld)markt worden afgezet. De Douane treedt in dit geval niet op. Bovendien is het in de praktijk niet mogelijk deze goederen tijdens een douanecontrole te identificeren als inbreukmakende goederen. Deze goederen bezitten namelijk veelal geen uiterlijke kenmerken die wijzen op een mogelijke inbreuk op een IE-recht.

  • Reizigersbagage:

    • Goederen die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden en geen handelskarakter hebben (artikel 1, lid 4).

  • Bijzondere bestemmingen.

    • De verordening is niet van toepassing op goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht in het kader van de regeling bijzondere bestemming (artikel 1, lid 3).

Naar boven

6.5 Situaties waarin Douane optreedt

Op grond van de verordening kan de Douane optreden als voldaan wordt aan elk van de volgende drie voorwaarden:

  1. Er is sprake van een douanecontrole als bedoeld in de Adw en artikel 188 DWU.

  2. De aangetroffen goederen maken vermoedelijk inbreuk op de in de verordening genoemde IE-rechten.

  3. Het gaat om goederen die worden:

    • aangegeven voor het vrije verkeer (artikel 158 DWU)

    • aangegeven voor uitvoer of wederuitvoer (artikel 158 DWU)

    • aangetroffen bij een controle op goederen onder douanetoezicht (artikel 134 DWU)

    • geplaatst onder een bijzondere regeling (artikel 210 DWU)

    • aangetroffen bij een controle waarvoor een kennisgeving van wederuitvoer is gedaan

    • geplaatst in een vrije zone of een vrij entrepot (artikel 237 DWU)

Let op!

Extra voorwaarde inbreuk (anders dan merkinbreuken) als goederen niet voor vrije verkeer zijn aangegeven:

Voor goederen die onder douanetoezicht staan maar waarvoor (nog) geen aangifte voor het vrije verkeer is gedaan, is het mogelijk dat wordt vastgesteld dat de goederen vermoedelijk inbreuk maken. Dan moet de Douane onderbouwen –wanneer het geen inbreuk betreft op een merk - dat deze goederen bestemd zijn om in de (vrije markt van de) EU te worden verhandeld. Meer informatie hierover vindt u in het onderdeel “Wanneer inbreuk zonder aangifte vrije verkeer?”.

Naar boven

6.5.1 Wanneer past Douane strafrecht toe?

In bepaalde situaties wordt de verordening niet toegepast maar past de Douane het strafrecht toe. De Douane treedt altijd strafrechtelijk op bij het aantreffen van vermoedelijk inbreukmakende goederen als de FIOD kenbaar heeft gemaakt dat strafrechtelijk wordt opgetreden.

Naar boven

6.5.2 Procedures voor optreden Douane

De Verordening voorziet in twee mogelijkheden voor het optreden van de Douane:

  1. De Douane treedt op verzoek op (rechthebbende heeft verzoek ingediend).

  2. De Douane treedt ambtshalve op (eigen initiatief, zonder verzoek rechthebbende).

Als de rechthebbende een verzoek voor douaneoptreden heeft ingediend en deze is toegewezen, wordt deze verder aangeduid als “houder van het besluit”.

Naar boven

6.5.3 Twee procedures vernietigen inbreukmakende goederen

De verordening kent twee procedures:

  1. Procedure vernietigen algemeen (de normale procedure van artikel 23)

  2. Kleine zendingen procedure (artikel 26)

Naar boven

6.5.4 Controlebeleid Douane

Niet alle inbreuken op de IE-rechten kunnen op basis van visuele waarnemingen en de kenmerken van de goederen worden geconstateerd. Van de onderstaande IE-rechten is het moeilijk tijdens een douanecontrole vast te stellen of er vermoedelijk sprake is van een inbreuk:

  • octrooirecht

  • aanvullende beschermingscertificaat

  • kwekersrecht

  • benamingen van oorsprong, geografische aanduidingen en geografische benamingen,

  • handelsnaambescherming

Specifieke controles op deze IE-rechten worden alleen uitgevoerd als een verzoek om optreden door de Douane is ingediend en daarbij informatie wordt overgelegd die noodzakelijk is om de relevante zendingen en goederen te identificeren.

Naar boven

6.5.5 Goederen niet vrijgeven of stoppen

Wanneer de Douane optreedt op verzoek of op eigen initiatief, in beide procedures geldt:

  • de Douane schort de vrijgave van de goederen op wanneer er sprake is van een aangifte voor:

    • het vrije verkeer

    • de uitvoer en

    • de wederuitvoer

    • onder eenbijzondere regeling worden geplaatst

of

  • de Douane houdt de goederen vast wanneer deze:

    • in een vrije zone of vrij entrepot worden opgeslagen

    • met kennisgeving worden wederuitgevoerd

    • in het douanegebied worden binnengebracht

    • het douanegebied verlaten

Niet in alle situaties zal echter sprake zijn van een inbreuk op een IE-recht. Daarvoor is noodzakelijk dat de goederen deelnemen aan het economisch verkeer.

Naar boven

6.6 Wanneer merkinbreuk zonder aangifte vrije verkeer?

Door het Europese Hof van Justitie werd in 2011 een uitspraak gedaan die van invloed was voor het vaststellen van een vermoedelijke inbreuk op IE-rechten (Philips C446/09 en Nokia C495/091 van 1 december 2011). De Douane kon en kan optreden in elke fase van het logistieke proces zolang de goederen onder douanetoezicht staan. Wanneer de Douane vermoedelijk inbreukmakende goederen aantreft, wordt het vermoeden van inbreuk gemotiveerd door de vraagbaak IER. Vervolgens wordt Team IER op de hoogte gesteld en de vrijgave van de goederen opgeschort. In de tijd vóór de bovengenoemde uitspraak werd daarbij geen rekening gehouden met de douanestatus en (eind)bestemming van de goederen. Ook zendingen in entrepot of van 3e land naar 3e land (doorvoer) werden inbreukmakend beschouwd en daartegen werd opgetreden. Het gevolg van de uitspraak was dat bij het binnenbrengen en het onder douanetoezicht brengen van goederen, geen inbreuk kan worden gemaakt op een IE-recht wanneer die goederen niet voor de vrije markt van de EU zijn bestemd. In een dergelijke situatie werd dan ook niet opgetreden.

Naar boven

6.6.1 Aanpassingen in het merkenrecht

De onderstaande aanpassingen in het EU recht hebben tot gevolg dat de bescherming voor inbreuken op een merk is uitgebreid en de rechthebbende het recht heeft te verhinderen dat derden in het economische verkeer waren binnenbrengen in de lidstaat waar het merk is ingeschreven zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, wanneer deze waren uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven merk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden.

  • Verordening 2015/2424 van 16 december 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 207/2009 inzake het Gemeenschapsmerk, en van Verordening (EG) nr. 2868/95 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen

  • Richtlijn 2015/2436 van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (herschikking)

Artikel 9 lid 4 Vo. 207/2009 nieuw

Lid 4.Onverminderd de rechten van houders die vóór de datum van indiening of de datum van voorrang van het ingeschreven merk zijn verkregen, heeft de houder van dat merk eveneens het recht te verhinderen dat derden in het economische verkeer waren binnenbrengen in de lidstaat waar het merk is ingeschreven zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, wanneer deze waren, met inbegrip van de verpakking ervan, uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven merk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden.

Het recht van de houder van het merk op grond van de eerste alinea vervalt indien door de aangever of de houder van de waren tijdens de procedure om te bepalen of inbreuk is gemaakt op het ingeschreven merk, die is ingesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 608/2013, het bewijs wordt geleverd dat de houder van het ingeschreven merk niet gerechtigd is om het op de markt brengen van de waren in het land van de eindbestemming te verbieden.

De rechtvaardiging voor dit nieuwe lid 4 wordt in de considerans (15 t/m 19) als volgt beschreven:

(15) Om de merkenbescherming te verbeteren en namaak doeltreffender te bestrijden, en op een wijze die strookt met de internationale verplichtingen van de Unie in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)……… moet de houder van een Uniemerk kunnen verhinderen dat derden in het economische verkeer waren binnenbrengen in de Unie zonder dat deze daar in het vrije verkeer worden gebracht, wanneer deze waren uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat gelijk of in wezen gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven Uniemerk.

(16) Daartoe moet het voor houders van Uniemerken mogelijk zijn het binnenbrengen van inbreukmakende waren en de plaatsing ervan in alle douanesituaties, waaronder doorvoer, overlading, opslag in een entrepot, vrije zones, tijdelijke opslag, actieve veredeling of tijdelijke invoer, te verhinderen, zelfs wanneer dergelijke waren niet bestemd zijn om in de Unie te worden verhandeld. Bij de douanecontroles moeten de douaneautoriteiten, ook op verzoek van de houders van rechten, gebruikmaken van de bevoegdheden en de procedures die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad. In het bijzonder moeten de douaneautoriteiten de nodige controles uitvoeren op basis van risicoanalysecriteria.

(17) Om de noodzaak van doeltreffende handhaving van het merkenrecht te verenigen met het voorkomen van hinder voor de vrije handel in legitieme waren, moet het recht van de Uniemerkhouder vervallen wanneer de aangever of de houder van de waren tijdens de daaropvolgende procedure die wordt ingeleid bij de rechtbank voor het merk van de Europese Unie („rechtbank voor het Uniemerk”) die bevoegd is tot het nemen van een beslissing over de vraag of inbreuk op het Uniemerk is gemaakt, het bewijs kan leveren dat de houder van het Uniemerk niet gerechtigd is het op de markt brengen van de waren in het land van eindbestemming te verbieden.

Naar boven

6.6.2 Inbreuken op een Uniemerk

De arresten Philips C446/09 en Nokia C495/091 van 1 december 2011 zijn met de aanpassing in de merkenverordening door de EU wetgever overruled zodat ook wanneer de goederen (nog) niet zijn aangegeven voor het vrije verkeer, optreden van de merkenrechthebbenden mogelijk is.

De rechthebbende op een Uniemerk heeft (artikel 9, lid 4) het recht te verhinderen dat derden in het economische verkeer waren binnenbrengen in de lidstaat waar het merk is ingeschreven zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, wanneer deze waren, met inbegrip van de verpakking ervan, uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven merk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden. Feitelijk is daarmee het op het grondgebied van de EU brengen van goederen die inbreuk maken op een EU merk voldoende om tegen op te treden wanneer:

  • de goederen uit een derde land afkomstig zijn, en

  • het merk op die goederen zonder toestemming is aangebracht

De Douane moet dus constateren dat er sprake is van een Unierecht en dat daarop vermoedelijk inbreuk wordt gemaakt. De Douane hoeft nu geen rekening meer te houden met de specifieke toepasselijke douaneregeling of douanestatus van de goederen. Uit de considerans blijkt dat de unierechthouder in staat wordt gesteld “het binnenbrengen van inbreukmakende waren en de plaatsing ervan in alle douanesituaties, waaronder doorvoer, overlading, opslag in een entrepot, vrije zones, tijdelijke opslag, actieve veredeling of tijdelijke invoer, …….., zelfs wanneer dergelijke waren niet bestemd zijn om in de Unie te worden verhandeld” te verhinderen.

Let op!

alleen voor inbreuk op een Uniemerk:

Voor overige IE-rechten, andere dan merkenrecht, geldt nog wel dat relevant is of deze goederen bestemd zijn voor de EU. Voor goederen die onder douanetoezicht staan maar waarvoor (nog) geen aangifte voor het vrije verkeer is gedaan, is het mogelijk dat wordt vastgesteld dat de goederen vermoedelijk inbreuk maken. De Douane moet dan motiveren dat deze goederen toch bestemd zijn voor de (vrije markt van de) EU. Zie verder onderdeel “Overige IE- rechten: onderzoek bij geen aangifte vrije verkeer”.

Parallelhandel nog steeds uitgesloten

Voor de duidelijkheid: parallelhandel is nog steeds uitgesloten.

Bij parallelhandel zijn de goederen met toestemming van de rechthebbende vervaardigd, maar bevinden deze zich zonder zijn toestemming in een in-, uit-, of wederuitvoersituatie (artikel 1, lid 5). Hierbij gaat het bijvoorbeeld om goederen die buiten de officiële distributieketen door een niet-geautoriseerde importeur worden ingevoerd. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen bij parallelhandel of overproductie van goederen die elders op de (wereld)markt worden afgezet. De aanpassingen in het Unierecht hebben dus geen betrekking op een mogelijke parallelhandel. Bovendien is verordening 608/2013 nog steeds daarop expliciet niet van toepassing. De Douane treedt dus nog steeds niet op bij een vermoeden van parallelhandel.

Hoe verloopt de procedure?

De procedures uit verordening 608/2013 worden gevolgd. In de veel gevallen zal het daarbij niet tot een zaak voor de rechter komen omdat beide partijen instemmen met de vernietiging (normale procedure van artikel 23). Ook is het mogelijk dat de Douane de goederen vrijgeeft omdat de merkrechthouder niet aan de voorwaarden voldoet. Tot slot is het mogelijk dat de inbreukmaker niet meewerkt en de houder van het besluit een civielrechtelijke procedure moet starten (verplichting). Als de inbreukmaker bij de rechter kan bewijzen dat de merkrechthouder in het land van de eindbestemming niet kan verbieden dat deze goederen in het economische verkeer wordt gebracht, dan vervalt het recht om te verbieden dat de goederen zich op het grondgebied van de Unie bevinden.

Er is dus geen absolute handhaving in die zin dat goederen voorzien van een unierecht waarvoor geen toestemming is gegeven nimmer meer vervoerd kunnen worden over het grondgebied van de EU en daartegen altijd kan worden opgetreden. Dat is dus niet het geval als het betreffende merk in het uiteindelijke land van bestemming niet is beschermd. De Douane behoeft dit niet te onderzoeken. De Douane constateert alleen (zoals zij dat nu ook doet) dat er sprake is van vermoedelijke inbreukmakende goederen. Het is aan de rechthebbende om een inschatting te maken om wel of niet op te treden. Niet in alle gevallen zal de eindbestemming buiten de EU duidelijk zijn op het moment dat de procedure aanvangt. De merkrechthebbende wordt door de Douane in staat (facilitatie) om op te treden en het is zijn keuze om op grond van de beschikbare informatie dit wel of niet te doen.

Handhavingsinspanningen

Vanzelfsprekend is de douane hierbij afhankelijk van de door de houder van het recht aangeleverde informatie om controles uit te zetten. In de regel voert de Douane controles op merkinbreuken in doorvoer alleen uit als:

  • de rechthebbende verzocht heeft om optreden, én

  • de rechthebbende de douane concrete informatie op zending niveau heeft verstrekt

Daarnaast verricht de Douane in het algemeen risicoanalyse op basis van de tot haar beschikking staande informatiebronnen in het kader van doorvoer. Los van het bovenstaande informeert de Douane de merkrechthebbende als zij vermoedelijk inbreukmakende goederen aantreft in doorvoer tijdens controles aangestuurd vanuit een ander handhavingsgebied.

Naar boven

6.6.3 Overige IE- rechten: onderzoek bij geen aangifte vrije verkeer

  • Voor overige IE-rechten geldt nog wel dat relevant is of deze goederen bestemd zijn voor de EU. Goederen die onder douanetoezicht staan maar waarvoor (nog) geen aangifte voor het vrije verkeer is gedaan, is het mogelijk dat wordt vastgesteld dat de goederen vermoedelijk inbreuk maken. De Douane kan in dit kader onderzoeken of deze goederen bestemd zijn om in de (vrije markt van de) EU te worden verhandeld doordat bijvoorbeeld:

  • de goederen aan een klant in de EU zijn verkocht

  • voor deze goederen een verkoopaanbieding is gedaan aan

  • reclame is gemaakt bij consumenten van de EU

  • aanwijzingen bestaan die het vermoeden rechtvaardigen dat deze goederen mogelijk naar de consumenten in de EU zullen worden omgeleid bijvoorbeeld wanneer;

    • uit documenten of briefwisseling betreffende deze goederen dit voornemen duidelijk wordt

    • nauwkeurige of betrouwbare informatie ontbreekt betreffende identiteit of adres van producent of de expediteur van de goederen

    • samenwerking met douaneautoriteiten ontbreekt of

    • documenten of briefwisseling betreffende de betrokken goederen nog aan het licht komen

De Douane kan bij het vaststellen van een vermoedelijke inbreuk op een merkrecht in redelijkheid onderbouwen dat de aangetroffen goederen bestemd zijn om in het economisch verkeer van de EU (vrije markt) te worden gebracht. De bovengenoemde aanwijzingen zijn niet uitputtend. Goederen (wat voor goederen dan ook) die worden vervoerd van 3e land en duidelijk bestemd zijn voor een ander 3e land (doorvoer) kunnen ook inbreuk maken op een merkrecht en in die gevallen treedt de Douane dus ook op.

Naar boven

6.6.4 Maatregelen ter voorkoming brengen in vrije verkeer

De verordening verwoordt voor goederen die zich onder douanetoezicht of douanecontrole bevinden een algemene opdracht voor de Douane (artikel 1, lid 2).

De Douane:

  • neemt wanneer dit toepasselijk is, passende identificatiemaatregelen op basis van risicoanalysecriteria om handelingen in strijd met op het grondgebied van de Unie vigerende wetgeving inzake IE-rechten te voorkomen (artikel 192 DWU).

  • werkt met derde landen samen bij de handhaving IE-rechten.

Naar boven

6.6.5 Uitwisseling informatie tussen douaneautoriteiten

De douaneautoriteiten van de lidstaten kunnen bepaalde gegevens en informatie waarover zij beschikken uitwisselen met de relevante autoriteiten in derde landen (artikel 22). Deze gegevens en informatie worden uitgewisseld met als doel snel een effectieve handhaving mogelijk te maken ten aanzien van transporten van goederen die (mogelijk) een inbreuk vormen op een IE-recht. Deze informatie kan ook gaan over goederen die via het grondgebied van de EU worden doorgevoerd en afkomstig zijn van of bestemd zijn voor het grondgebied van de betrokken derde landen. De informatie-uitwisseling vindt op de gebruikelijke wijze plaats. Meer informatie hierover leest u in het onderdeel “Informatie-uitwisseling en adresgegevens”.

Naar boven

6.7 Verzoek om douaneoptreden

De rechthebbende kan de Douane om optreden verzoeken wanneer hij meent dat inbreuk wordt gepleegd op zijn IE-recht. In elke lidstaat kan de rechthebbende daartoe om optreden van de Douane verzoeken. Het verzoek kan een nationaal verzoek zijn of een unieverzoek. Een unieverzoek kan enkel worden ingediend voor op het EU recht gebaseerde IE-rechten die in de gehele EU effect sorteren.

Naar boven

6.7.1 Taak Team IER

De lidstaten wijzen een dienst aan die bevoegd is voor het ontvangen van de verzoeken en het nemen van een besluit op deze verzoeken (artikel 5, lid 1). In Nederland is Team IER aangewezen als autoriteit om beslissingen te nemen op de ingediende verzoeken voor douaneoptreden.

Naar boven

6.7.2 Vereiste informatie door aanvrager

In het verzoek om douaneoptreden wordt zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekt, zodat de Douane de goederen in de goederenstroom kan traceren en kan identificeren. De volgende informatie wordt o.a. gevraagd (artikelen 5 en 6):

  • gegevens over aanvrager en hoedanigheid van aanvrager als rechthebbende

  • bewijsstukken die aantonen dat aanvrager gerechtigd is tot indiening verzoek

  • naam en adres vertegenwoordiger aanvrager die belast is met juridische en technische kwesties

  • het te handhaven IE-recht of rechten

  • bij een Unieverzoek, de lidstaten waar om optreden van de Douane wordt verzocht

  • specifieke en technische gegevens van authentieke goederen (bijvoorbeeld markeringen, zoals streepjescodes, afbeeldingen, technische verschillen tussen authentieke en verdachte goederen)

  • informatie die Douane nodig heeft om de goederen gemakkelijk te herkennen

  • relevante informatie voor analyse en beoordeling risico van inbreuk

  • of bepaalde informatie beschouwd moet worden als vertrouwelijk (artikel 32, lid 5)

  • een verbintenis om Douane onmiddellijk in kennis te stellen van (artikel 15):

    • verstrijken van IE-recht

    • feit dat houder van het besluit niet langer gerechtigd is het verzoek in te dienen

    • wijzigingen in de bij de aanvraag opgegeven informatie

  • een verbintenis om:

    • opgegeven informatie te actualiseren die voor Douane relevant kan zijn om risico van inbreuk op IE-recht te analyseren en te beoordelen

    • aansprakelijkheid op zich te nemen voor het geval hij een ingeleide procedure bij de civiele rechter niet voortzet of wanneer achteraf wordt vastgesteld dat de goederen geen inbreuk maken op een IE-recht (artikel 28).

    • eventuele kosten te dragen (artikel 29)

  • instemming met verwerking van verstrekte gegevens door Commissie en lidstaten

  • of aanvrager verzoekt om toepassing van kleine zendingen procedure (Verordening, artikel 26) en instemming met de kosten

  • aan te geven of hij nadere informatie wenst te ontvangen (artikel 17 lid 4).

  • Voor zover bekend verstrekt de aanvrager aanvullende informatie over:

  • plaats waar goederen zich bevinden of plaats van bestemming

  • gegevens ter identificatie van zending

  • geplande datum van aankomst of vertrek goederen

  • gebruikte vervoermiddelen

  • identiteit importeur, exporteur of houder van de goederen

  • land of de landen waar goederen zijn vervaardigd, de gevolgde trajecten

  • bijzondere en specifieke gegevens betreffende type IE-recht waarnaar in het verzoek om optreden wordt verwezen

In de Uitvoeringsverordening 1352/2013 zijn de formulieren voor het verzoek om douaneoptreden opgenomen.

Naar boven

6.7.3 Opgave minimumhoeveelheid optreden door Douane (white/blacklist)

De Douane wenst haar tijd en capaciteit efficiënt te besteden en te voorkomen dat bevindingen worden gemeld van vermoedelijk inbreukmakende goederen waarbij de rechthebbende aangeeft (om zijn moverende reden) niet op te willen treden. Deze gedraging is toegestaan en valt niet onder de sanctiemogelijkheid van de verordening. Om die reden gaat de Douane over tot het instellen van een:

  • registratie minimumhoeveelheden waarbij rechthebbende aangeeft op te willen treden (whitelist).

  • registratie van rechthebbenden waarvoor niet meer wordt opgetreden (blacklist).

Meer informatie vindt u in het onderdeel “Beleid inzake niet-sanctiewaardig niet-optreden”.

Naar boven

6.7.4 Behandeling verzoek

Behandeling onvolledige aanvraag

Team IER beoordeelt of het verzoek compleet is . Als het verzoek om optreden niet de verplichte gegevens bevat, kan Team IER deze niet verder in behandeling nemen. De aanvrager krijg een termijn van 10 werkdagen om de ontbrekende informatie te verstrekken. De beslistermijn wordt geschorst. Als de informatie niet binnen 10 werkdagen wordt ontvangen, wordt het verzoek afgewezen (artikel 7).

Behandeling volledige aanvraag

Team IER neemt het verzoek in behandeling en stelt de indiener binnen 30 werkdagen na ontvangst schriftelijk op de hoogte van het besluit. Hiervoor worden geen kosten in rekening gebracht.

Wanneer het verzoek wordt afgewezen, geeft Team IER een motivering voor deze beslissing en verstrekt informatie over de bezwaarprocedure (artikel 8).

Geldigheidsduur besluit tot douaneoptreden

In het algemeen geldt dat het verzoek tot optreden van de Douane maximaal één jaar geldig is. De aanvrager kan daarna om een verlenging verzoeken.

Databank verzoeken en informatie over IE-rechten

Team IER zendt een kopie van het besluit op het verzoek aan:

  • de risicospecialist IER van HH/intelligence (i.v.m. risicobeheersing)

  • de betreffende lidstaat of lidstaten waarvoor ook om optreden door de Douane wordt verzocht

Naar boven

6.8 Kleine zendingen procedure

Deze procedure is in werking getreden op 1 maart 2017. Echter in verband met de vertraging van de implementatie van de het softwarepakket ZGR-NL zullen de gegevens voorlopig via de mail dienen te worden aangeleverd aan Team IER en gebruik te worden gemaakt van een vereenvoudigd PV

De verordening kent een speciale procedure voor zogenaamde “kleine zendingen” (artikel 26).

Definitie kleine zendingen

Deze definitie wordt als volgt ingevuld:

  • 3 stuks ziet op 3 stuks inbreuk per rechthebbende

of

  • 2 kg is een absolute bruto gewichtsgrens voor gehele zending ongeacht de hoeveelheid [inbreukmakende] goederen.

Voorwaarden toepassen kleine zendingen procedure

De kleine zendingen procedure wordt toegepast wanneer (artikel 26)

  1. de goederen zijn nagemaakt of door piraterij verkregen zijn;

  2. de goederen niet aan bederf onderhevig zijn;

  3. een verzoek voor douane optreden is gedaan, waarin verzocht is om toepassing van de kleine zendingen procedure;

  4. in kleine zendingen worden vervoerd.

Naar boven

6.8.1 Kleine zendingen procedure in het kort

Aanschrijven, standpunt kenbaar maken

Binnen één werkdag na de schorsing van de vrijgave of na de vasthouding van de goederen stelt Team IER de aangever in kennis van de schorsing van de vrijgave of de vasthouding van de goederen en verstrekt daarbij informatie over:

a) of de douane voornemens is om de goederen te vernietigen;

b) de rechten van de aangever of de houder van de goederen krachtens de kleine zendingen procedure.

De aangever of houder van de goederen kan binnen tien werkdagen na kennisgeving van de schorsing van de vrijgave van de goederen of vasthouding ervan, zijn standpunt kenbaar maken. Er zijn geen vormvereisten (artikel 26, lid 4). Er zijn drie mogelijkheden:

1. Reactie binnen 10 werkdagen

De goederen kunnen worden vernietigd wanneer binnen deze 10 werkdagentermijn, de aangever of houder van de goederen aan Team IER zijn instemming met de vernietiging van de goederen heeft gegeven (artikel 26, lid 5).

2. Stilzwijgende instemming met vernietiging

Wanneer de aangever of houder van de goederen niet binnen de termijn aan Team IER heeft bevestigd dat hij instemt met de vernietiging van de goederen, maar ook niet heeft verklaard ertegen te zijn, mag Team IER ervan uitgaan dat deze heeft bevestigd akkoord te gaan met de vernietiging. Er is dan sprake van een ‘stilzwijgende instemming’ (artikel 26, lid 6).

3. Bezwaar

Wanneer de aangever of houder van de goederen bezwaar maakt tegen de voorgenomen vernietiging door de Douane, stelt Team IER de houder van het besluit daarvan onmiddellijk in kennis. Daarbij wordt informatie verstrekt.

Wanneer er bezwaar is gemaakt tegen de voorgenomen vernietiging, moet de houder van het besluit vervolgens binnen een termijn van 10 werkdagen een civielrechtelijke procedure inleiden ‘waarmee moet worden vastgesteld of er een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht is gepleegd’. De Douane geeft de goederen vrij indien zij niet binnen tien werkdagen door de houder van het besluit in kennis is gesteld van de aanvang van een civielrechtelijke procedure. Het starten van een civielrechtelijke procedure is een verplichting voor de houder van het besluit. Als geen geldige reden bestaat voor het niet starten van een civielrechtelijke procedure, wordt door Team IER een sanctie opgelegd. Meer informatie vindt u in onderdeel “Kleine zendingen procedure voor post en koerierzendingen”.

Naar boven

6.9 Verstrekken informatie door Team IER

6.9.1 Globale informatie in eerste fase

In de kennisgeving aan de houder van het besluit en de aangever of houder van de goederen wordt door Team IER standaard altijd informatie verstrekt over de goederen waarvan de vrijgave is geschorst of die worden vastgehouden (artikelen 17, lid 4 en 18, lid 4).

Dit betreft informatie over:

  • feitelijke of geschatte hoeveelheid

  • feitelijke of vermoedelijke aard

  • beschikbare afbeeldingen van goederen

Naar boven

6.9.2 Gedetailleerde informatie in tweede fase

Team IER verstrekt meer gedetailleerde informatie aan de houder van het besluit nadat daarvoor binnen de 10 werkdagentermijn een verzoek is gedaan (artikelen 17, lid 4 en 18, lid 4). Team IER verstrekt dan informatie over:

  • namen en adressen van de geadresseerde van de goederen

  • afzender en de aangever of de houder van de goederen

  • douaneregeling

  • oorsprong, herkomst en bestemming van de goederen waarvan de vrijgave is geschorst of die worden vastgehouden.

Combinatie informatie eerste en tweede fase

In ZGR bestaat de mogelijkheid dat de aanvrager voor een verzoek om douaneoptreden, meteen aangeeft dat hij de getailleerde informatie wenst te ontvangen als de Douane inbreukmakende goederen aantreft. Als dat het geval is, dan wordt meteen in de kennisgeving aan de houder van het besluit door Team IER naast de globale informatie ook meteen de gedetailleerde informatie verstrekt. De verstrekte informatie mag alleen worden gebruikt voor de doelen die in de verordening zijn omschreven.

Informatieverstrekking kleine zendingen procedure door Team IER

De Douane verstrekt “in voorkomend geval de houder van het besluit op verzoek informatie over het daadwerkelijke of veronderstelde aantal vernietigde goederen en de aard ervan” (verordening, artikel 26 lid 7). De vastlegging door de Douane gaat niet verder dan de voorgeschreven Europese statistiek rubrieken en eisen in ZGR-NL. De informatie ziet alleen op die inbreukmakende goederen die door de Douane met gebruikmaking van de kleine zendingen procedure zijn vernietigd. Deze informatie ziet niet op die inbreuken waarvoor de kleine zendingenprocedure niet van toepassing is of indien wel van toepassing, niet door de Douane zijn vernietigd (maar door de houder van het besluit civielrechtelijk verder afgehandeld) of door de Douane vrij zijn gegeven. Een verzoek om informatie van de houder van het besluit over de toepassing van de kleine zendingen procedure wordt gedaan aan Team IER. Zie tevens hoofdstuk 11.10

Naar boven

6.10 Opvragen informatie voor opschorting of vasthouding

Voor de daadwerkelijke schorsing van de vrijgave van de vermoedelijk inbreukmakende goederen of de vasthouding daarvan, kan de Douane verzoeken om alle relevante informatie te verstrekken ter ondersteuning van het vermoeden dat er mogelijk sprake is van inbreukmakende goederen.

Deze informatie wordt gevraagd aan: (artikel 17, lid 2 en artikel 18, lid 2):

  • de houder van het besluit

  • elke persoon die mogelijkerwijs gerechtigd is een verzoek in te dienen

Het opvragen van deze informatie verloopt altijd via Team IER.

In het eerste geval is er al een verzoek ingediend. In het tweede geval ontstaat het vermoeden dat er mogelijk sprake is van inbreukmakende goederen zonder dat een verzoek is ingediend (ambtshalve procedure).

De Douane vraagt de informatie zonder andere informatie bekend te maken dan:

  • het feitelijke of vermoedelijke aantal goederen

  • de aard van de goederen

  • afbeeldingen van de goederen

Termijn van 3 werkdagen

Er is in de verordening geen termijn voor dit verzoek opgenomen. De Douane verlengt haar controle in afwachting op deze informatie met maximaal 3 werkdagen. Als binnen de termijn van 3 werkdagen de gevraagde informatie niet is aangeleverd, wordt de procedure vervolgd of geeft de Douane de goederen vrij. Gedurende deze 3 werkdagentermijn blijven de goederen onder het regiem van de douanecontrole.

Het opvragen van relevante informatie over de vermoedelijk inbreukmakende goederen verloopt altijd via Team IER. De termijn van 3 werkdagen wordt daarbij duidelijke vermeld.

Werkzaamheden

  • Vraagbaak IER formuleert aan Team IER het verzoek om nadere informatie ter ondersteuning van het vermoeden van een inbreuk.

  • Team IER beoordeelt het verzoek en besluit het verzoek door te zetten aan houder van het besluit of andere rechthebbenden.

  • Team IER verstrekt daarbij alleen informatie over:

    • het feitelijke of vermoedelijke aantal goederen

    • aard van de goederen

    • afbeeldingen van goederen

  • Als binnen 3 werkdagen geen informatie wordt ontvangen ter ondersteuning van het vermoeden inzake de inbreuk, beoordeelt Team IER of goederen worden vrijgegeven of de procedure wordt gestart.

Naar boven

6.11 Bederfelijke inbreukmakende goederen

Voor bederfelijke goederen gelden aparte procedures en termijnen.

Naar boven

6.11.1 Wat zijn bederfelijke goederen?

Bederfelijke goederen zijn goederen die volgens de Douane bederven als zij 20 dagen lang worden vastgehouden, te rekenen vanaf de datum van schorsing van de vrijgave of vasthouding ervan (artikel 2, lid 20).

De Douane bepaalt dus wanneer er sprake is van bederfelijke goederen. In het algemeen zal mogelijk sprake zijn van bederfelijke goederen bij bijvoorbeeld verse bloemen en voedselproducten met een “ten minste houdbaar datum”.

Bij het vaststellen of goederen bederfelijk zijn, wordt niet gerekend in werkdagen maar in gewone kalenderdagen. Verordening 1182/71 bepaalt dat feestdagen, zater- en zondagen in principe bij de termijn zijn inbegrepen, tenzij deze daarvan uitdrukkelijk zijn uitgezonderd, ofwel dat de termijn in werkdagen is omschreven. Omdat voor bederfelijke goederen in de verordening hierover dus niet iets bijzonders is bepaald, moet de termijn van 20 dagen worden berekend in kalenderdagen.

De termijn van 20 dagen begint met de kennisgeving van Team IER aan de houder van het besluit. In de regel zal de kennisgeving 4 werkdagen na het aantreffen en determinatie van de goederen worden verzonden.

Naar boven

6.11.2 Geen ambtshalve optreden Douane

Als de Douane vermoedelijk inbreukmakende bederfelijke goederen aantreft waarvoor geen besluit tot toewijzing van een verzoek voor douaneoptreden is afgegeven, dan wordt de vrijgave van deze goederen niet geschorst of goederen vastgehouden (artikel 18. lid 1). De Douane treedt dus alleen op voor vermoedelijk inbreukmakende bederfelijk goederen als daarvoor een besluit tot douaneoptreden is afgegeven.

Naar boven

6.12 Monstername en inspectie

De Douane neemt in de regel geen monsters uit de partij vermoedelijk inbreukmakende goederen tenzij dit noodzakelijk is voor de determinatie.

De Douane stelt de houder van het besluit en de aangever of houder van de goederen in de gelegenheid tot het inspecteren van de goederen waarvan de vrijgave is geschorst of die worden vastgehouden (artikel 19). Hier gelden verder geen beperkingen voor het soort inbreuk. Ook verbindt de verordening geen nadere voorwaarden aan de inspectie. Analyse van de monsters geschiedt onder de verantwoordelijkheid van de houder van het besluit. De inspectie of monstername kan plaatsvinden binnen de eerste 10 werkdagentermijn maar ook in de eventuele verlenging van de termijn voor het starten van een civielrechtelijke procedure.

Naar boven

6.12.1 Inspectie van goederen

De houder van het besluit krijgt op zijn verzoek de mogelijkheid de goederen te inspecteren. Ook de directe verpakking en alles wat op en aan de verpakking en/of de goederen zit (stickers/labels) kan worden geïnspecteerd. Het inspecteren heeft alleen betrekking op de goederen en de verpakking. Er wordt aan de houder van het besluit geen inzage gegeven in de aangiftegegevens.

Naar boven

6.12.2 Monsterafgifte alleen bij namaak en piraterij

Afgifte van een monster is alleen mogelijk wanneer er sprake is van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen (artikel 19, lid 2). Bij andersoortige inbreuken is het dus niet mogelijk dat de Douane op verzoek van de houder van het besluit monsters neemt en ter beschikking stelt. Een inspectie van de goederen bij andersoortige inbreuken is wel toegestaan.

Monsterneming voor houder van het besluit

De Douane kan monsters nemen die representatief zijn voor de goederen. De Douane verschaft of verzendt deze monsters op verzoek van de houder van het besluit aan hem. De monsters mogen alleen gebruikt worden voor analyse en het vergemakkelijken van het verdere verloop van de procedure. De analyse van deze monsters wordt verricht onder volledige verantwoordelijkheid van de houder van het besluit. De houder van het besluit stuurt nadat de analyse is voltooid, de monsters terug naar de Douane, tenzij dat door omstandigheden niet kan. De terugzending moet (in elk geval) plaatsvinden voordat de goederen worden vrijgegeven of de vasthouding ervan wordt beëindigd.

Verzoek houder van het besluit voor monsters in civielrechtelijke procedure

De houder van het besluit kan een verzoek aan de Douane doen om in het kader van de civielrechtelijke procedure te mogen beschikken over het monster t.b.v. de bewijsvoering inzake namaak en piraterij (artikel 21). Het verzoek wordt gericht aan Team IER. Zolang de vrijgave van de goederen is opgeschort of deze worden vastgehouden, is dit verzoek mogelijk. Het verzoek ziet immers op het vergemakkelijken van de procedure (artikel 19, lid 2).

Sanctie voor niet retourneren monsters

De houder van het besluit moet het monster terugsturen naar de Douane. Dat moet nadat de analyse is voltooid maar in ieder geval uiterlijk voordat de goederen worden vrijgegeven of de vasthouding wordt beëindigd. Als de houder van het besluit zijn verplichting niet nakomt om het verstrekte monster voor vrijgave of beëindiging vasthouding te retourneren, kan de Douane een sanctie opleggen. Alleen als de omstandigheden dit verhinderen, behoeven de monsters niet te worden geretourneerd. De houder van het besluit zal zich hierop moeten beroepen en nader moeten motiveren (artikel 16, lid 2, sub b).

Naar boven

6.12.3 Monsterneming bij accijnsgoederen

Accijnsgoederen die u aantreft, kunnen ook inbreuk maken op bepaalde IE-rechten. Het gaat dan veelal om tabaksproducten (rookwaren) of dranken. In het kader van een mogelijke samenloop met de Wet op de Accijns.

In alle gevallen drie representatieve monsters

In alle gevallen wordt per merk drie representatieve monsters in de vorm van een volledige slof rookwaren die als doorsnee van de partij kunnen worden beschouwd. Deze monsters worden (samen met een kopie van het proces-verbaal en een kopie van alle beschikbare bescheiden) naar de FIOD gezonden. De FIOD stuurt een monster voor onderzoek naar een falsificatenexpert van de Douane, een naar de rechthebbende en een naar het Douanelaboratorium. Deze onderzoeken de monsters en bepalen of de rookwaren vermoedelijk inbreuk maken op een IE-recht. Na afloop van het onderzoek informeert de FIOD Team IER over de vermoedelijke inbreuken.

Naar boven

6.12.4 Taak team IER

Verzoeken om inspectie en monsters:

  • Het verzoek van de houder van het besluit voor een monster (wanneer sprake is van namaak of piraterij) of een inspectie, wordt gedaan aan Team IER.

  • Team IER brengt de vraagbaak IER op de hoogte van het verzoek en stemt met deze de snelle inwilliging van het verzoek af.

  • Team IER beoordeelt de eventuele sanctieoplegging wanneer een verstrekt monster niet/ niet tijdig wordt geretourneerd.

Naar boven

6.13 Verplichtingen houder van het besluit

Als een verzoek om douaneoptreden is toegewezen, heeft de houder van dat besluit verschillende verplichtingen (artikel 16). Als hij deze niet nakomt kan een sanctie worden opgelegd.

De houder van het besluit heeft de volgende verplichtingen:

  • ontvangen informatie alleen gebruiken voor doeleinden uit verordening

  • voldoen aan kennisgevingsverplichtingen aan Douane

  • retourneren van monsters

  • voldoening kosten en zorgdragen voor vertaling

  • opgeven geldige reden wanneer geen civielrechtelijk procedure wordt gestart

Naar boven

6.13.1 Toegestaan gebruik informatie

De houder van het besluit mag de door de Douane verstrekte informatie niet gebruiken voor andere doeleinden dan die waarin de verordening voorziet. De verstrekte informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor (artikel 21):

  • een civielrechtelijk procedure om vast te stellen of inbreuk op IE-recht gemaakt

  • een strafrechtelijk onderzoek naar inbreuk op IE-recht

  • het instellen van een strafprocedure en tijdens deze strafprocedure

    • het vorderen van compensatie van inbreukmaker of van andere personen

    • het bereiken van overeenstemming dat goederen worden vernietigd

    • het bereiken van overeenstemming over bedrag waarborg

Naar boven

6.13.2 Voldoen aan kennisgevingsverplichtingen

De houder van het besluit moet de Douane onmiddellijk in kennis stellen van (artikel 15):

  • het verstrijken van een in het verzoek vermeld IE-recht

  • het feit dat hij om andere redenen niet langer gerechtigd is het verzoek in te dienen

  • wijzigingen van eerder bij het verzoek aan Douane opgegeven informatie

Naar boven

6.13.3 Retourneren monsters

De houder van het besluit stuurt zodra de analyse is voltooid, de verstrekte monsters terug naar de Douane, tenzij dat door omstandigheden niet kan. In ieder geval retourneert de houder van het besluit de monsters voordat de goederen worden vrijgegeven of de vasthouding ervan wordt beëindigd (artikel 19).

Naar boven

6.13.4 Verplichtingen inzake kosten en vertaling

De houder van het besluit vergoedt op verzoek van de Douane de kosten die door de Douane (of andere namens de Douane) optredende partijen zijn gemaakt (artikel 29, leden 1 en 3):

  • vanaf het moment van vasthouding of schorsing van de vrijgave van de goederen

  • voor het verzenden van monsters en mogelijk maken van inspecties

  • wanneer inbreukmakende goederen worden vernietigd volgens de normale of de kleine zendingenprocedure

De houder van het besluit die in kennis is gesteld van de schorsing van de vrijgave van goederen of de vasthouding ervan, krijgt, op verzoek, van de Douane informatie over waar en hoe die goederen worden opgeslagen en over de geraamde kosten van de opslag. De informatie over geraamde kosten kan worden uitgedrukt in eenheden zoals tijd, producten, volume, gewicht of dienst, al naargelang de omstandigheden van de opslag en de aard van de goederen. Natuurlijk kan de rechthebbende compensatie vorderen van de inbreukmaker of andere personen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving verantwoordelijk zijn voor de inbreuk op zijn IE-rechten.

Standpunt thans is dat de Douane geen kosten in rekening brengt anders dan de kosten die op grond van de toepassing van het DWU en volgens het beleid zoals vastgelegd in het Handboek Douane, in rekening worden gebracht.

De houder van het besluit draagt zorg voor en betaalt alle noodzakelijke vertalingen voor de bevoegde douanedienst die optreedt met betrekking tot de goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een IE-recht (artikel 29, lid 3).

Naar boven

6.13.5 Geldige reden voor niet starten civielrechtelijke procedure

De Douane kan besluiten het optreden te schorsen voor de resterende termijn van het besluit wanneer de houder van het besluit zonder geldige reden geen civielrechtelijke procedure inleidt. De verplichting om een civielrechtelijke procedure te starten geldt voor de algemene procedure en voor de kleine zendingenprocedure. In beide gevallen moet men dus een “geldige reden” opgeven voor het niet-optreden.

Algemene procedure: alleen schending verplichting wanneer instemming is met vernietiging en bezwaar door aangever of houder van de goederen.

De verplichting om een civielrechtelijke procedure te starten geldt alleen wanneer in de algemene procedure de houder van het besluit –nadat hij in kennis is gesteld door de Douane- heeft aangegeven dat de goederen inderdaad inbreuk maken én hij instemt met de vernietiging. Als de houder van het besluit in deze eerste fase van de algemene procedure geen reactie geeft of niet instemt, dan is er geen sprake van een schending van de verplichting om een civielrechtelijke procedure te starten. De goederen worden dan vrijgegeven. Het is een verplichting voor de houder van het besluit om een civielrechtelijke procedure te starten in die gevallen dat er geen vernietiging plaatsvindt van de vermoedelijk inbreukmakende goederen omdat door de aangever of houder van de goederen daartegen bezwaar wordt gemaakt. Alleen wanneer de houder van het besluit een geldige reden aanvoert om geen civielrechtelijke procedure te starten, wordt geen sanctie opgelegd.

Geen schending verplichting als aangever of houder van de goederen stilzwijgend hebben ingestemd

Als de aangever of houder van de goederen geen reactie geeft, wordt de instemming verondersteld. Dat betekent dat de houder van het besluit in actie moet komen om voor de vernietiging zorg te dragen. Hij zal daarvoor op een bepaald moment met de aangever of houder van de goederen contact moeten opnemen. Dan kan hij tegen het probleem aanlopen dat deze niet meewerkt en de goederen voor dat doel simpelweg niet afgeeft (ondanks zijn veronderstelde toestemming). De houder van het besluit zal dan toch civielrechtelijke maatregelen moeten nemen om de goederen te vernietigen. Maar hij kan het er ook bij laten zitten. Deze gedraging van de houder van het besluit wordt niet gesanctioneerd. De verordening ziet alleen op de situatie dat de aangever of houder van de goederen bezwaar maakt binnen de 10 werkdagentermijn (artikel 16, lid 2).

Opgave geldige reden aan Team IER

De houder van het besluit geeft aan Team IER de reden waarom hij voor de aangetroffen vermoedelijk inbreukmakende goederen geen civielrechtelijke procedure opstart. Dat kan binnen de termijn zijn omdat de houder van het besluit (de moeite neemt om) Team IER daarvan op de hoogte te stellen. Het kan ook zijn dat de termijn waarbinnen de civielrechtelijke procedure had moeten worden opgestart, verloopt zonder berichtgeving door de houder van het besluit. In die gevallen zal Team IER de houder van het besluit aanschrijven met het verzoek kenbaar te maken om welke reden deze geen civielrechtelijke procedure heeft gestart.

Wat is een geldige reden voor de KZP

De reden dat het aantal aangetroffen vermoedelijk inbreukmakende goederen niet opweegt tegen de kosten en de risico’s van een civielrechtelijke procedure, is geen geldige reden. De houder van het besluit moet deze afweging eerder maken bij het verzoek om toepassing van de kleine zendingen procedure. De houder van het besluit moet dus bij het verzoek om toepassing van de kleine zendingen procedure de mogelijkheid afwegen dat de aangever of houder van de goederen bezwaar maakt en de houder van het besluit een civielrechtelijke procedure moet opstarten.

Wat is een geldige reden voor de normale procedure?

De verordening geeft geen aanwijzingen wat een geldige reden is om geen civielrechtelijke procedure te starten.

  • Is kosten/baten afweging een geldige reden?

    • De reden dat het aantal aangetroffen vermoedelijk inbreukmakende goederen niet opweegt tegen de kosten en de risico’s van een civielrechtelijke procedure, is in de regel geen geldige reden. De houder van het besluit kan en moet deze afweging eerder maken. Als in de algemene procedure de houder van het besluit instemming verleent, weet hij hoeveel goederen het betreft. In die fase had de houder van het besluit dan geen instemming moeten geven. In die fase kan hij de mogelijkheid afwegen dat de aangever of houder van de goederen bezwaar maakt en hij vervolgens de civielrechtelijke procedure moet opstarten. Een civielrechtelijke procedure kost geld en het risico dat de houder van het besluit na de civielrechtelijke procedure met (een deel van) de kosten blijft zitten, is reëel. Verder is acceptatie van deze reden als een geldige reden subjectief en niet verifieerbaar. Het verschilt per hoeveelheid en per rechthebbende. De situatie kan anders zijn wanneer in de latere fase wordt vastgesteld dat het aantal vermoedelijk inbreukmakende goederen aanmerkelijk lager ligt dan het aantal welke bij aanvang door de Douane aan de houder van het besluit kenbaar was gemaakt.

  • Is onduidelijkheid of goederen inbreukmakend zijn, een geldige reden?

    • De reden dat geen civielrechtelijke procedure wordt opgestart omdat de houder van het besluit niet zeker weet of dit inbreukmakende goederen zijn, kan een geldige reden zijn. Dat zal goed onderbouwd moeten worden aangezien de procedure is aangevangen de verstrekking door de Douane van informatie over en (veelal) foto’s van de inbreukmakende goederen). De houder van het besluit maakt op grond daarvan kenbaar dat deze goederen naar zijn oordeel inbreukmakend zijn. Voordat hij dat doet kan hij eerst een inspectie doen of een monster analyseren. Dat de houder van het besluit concludeert dat hij niet (meer) zeker weet of de goederen inbreukmakend zijn, kan bijvoorbeeld plaatsvinden nadat een inspectie of een analyse van een monster heeft plaatsgevonden. Als deze inspectie of analyse daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en de resultaten daarvan met de Douane zijn gedeeld, kan er sprake zijn van geldige reden om geen civielrechtelijke procedure te starten. Wanneer echter geen inspectie of monstername heeft plaatsgevonden, zal het oordeel dat de houder van het besluit twijfelt in de regel geen geldige zijn voor het niet starten van een civielrechtelijke procedure.

Kosten-baten analyse is geen geldige reden

Een kosten-baten analyse is geen geldige reden voor het niet starten van een civielrechtelijke procedure. Immers, het betreft een duidelijke procedure waarbij men instemt met de voorwaarden. Naar zijn aard ziet de kleine zendingenprocedure alleen maar op kleine hoeveelheden die ook als zodanig in de verordening zijn genormeerd. Het is niet logisch dat een houder van het besluit kan stellen dat hij afziet van een civielrechtelijke procedure omdat de aantallen te klein zijn om een civielrechtelijke procedure te starten. Dat is namelijk het doel van deze procedure, de Douane treedt daartegen op tenzij er geprotesteerd wordt en dan moet de houder van het besluit een civielrechtelijke procedure starten. Men kan dan niet stellen dat het teveel kost om een civielrechtelijke procedure te straten voor enkele stuks. De houder van het besluit had dan niet in zijn aanvraag aan de Douane kenbaar moeten maken dat hij de kleine zendingen procedure wenst toe te passen. De houder van het besluit weet van te voren welke (kleine) aantallen de toepassing van de kleine zendingenprocedure zal betreffen. Een kosten- baten analyse moet dus door de houder van het besluit gemaakt worden bij het doen van zijn keuze voor de kleine zendingen procedure. Als hij meent dat optreden te kostbaar is voor kleine hoeveelheden (wanneer bezwaar wordt gemaakt) moet hij de Douane dus niet verzoeken om toepassing van de kleine zendingen procedure.

Mogelijk geen inbreuk

Indien de aangever of de houder van de goederen niet heeft bevestigd dat hij met de vernietiging van de goederen instemt en de aangever of de houder van de goederen niet is verondersteld dergelijke instemming te hebben bevestigd, stelt de Douane de houder van het besluit daar onmiddellijk van in kennis. De Douane verstrekt daarbij informatie aan de houder van het besluit.

Ook in de kleine zendingen procedure krijgt men veel informatie en foto’s van de goederen. Het verschil met normale procedure dat de kleine zendingen procedure niet aanvangt met de bevestiging van de houder van het besluit dat het inbreukmakende goederen betreft. Zonder die instemming stopt de normale procedure meteen. De kleine zendingen procedure kent een dergelijk aanvangsmoment niet. Er is dus meer ruimte voor de houder van het besluit om te stellen dat de goederen niet inbreukmakend zijn. Ook kan men deze procedure (conform artikel 19) de goederen inspecteren of om een monster verzoeken. De houder van het besluit kan (binnen de 10 werkdagentermijn) aan de hand van de verstrekte informatie, aan de Douane aangeven dat hij van oordeel is dat het geen inbreuk makende goederen betreft. Dat kan hij ook doen als de houder van het besluit een inspectie uitvoert of een monster krijgt.

Naar boven

6.14 Sancties tegen houder van besluit

De houder van het besluit heeft een aantal verplichtingen. Wanneer een houder van het besluit niet voldoet aan één van deze verplichtingen, kan Douane een sanctie opleggen (artikel 16). In het geval van een unieverzoek heeft de sanctie alleen gevolgen in de lidstaat die de sanctie oplegt.

Naar boven

6.14.1 Een keer waarschuwing voor sanctieoplegging

Uitgangspunt is dat de houder van het besluit één keer een waarschuwing krijgt.

  • De waarschuwing ziet op de geconstateerde schending van één verplichting maar geldt tevens als waarschuwing voor alle andere mogelijke verzuimen. Dit wordt op duidelijke wijze kenbaar gemaakt in de waarschuwingsbrief. Er wordt niet opnieuw een waarschuwing gegeven voor het schenden van een (andere) verplichting.

  • De waarschuwing heeft een looptijd van 3 jaar (vanaf dagtekening waarschuwing) voor de betreffende houder van een besluit. Na 3 jaar vervalt de waarschuwing.

[Het beleid van waarschuwingen wordt na een jaar geëvalueerd]

Team IER beoordeelt de omstandigheden en legt de eventuele sancties/waarschuwingen op.

Team IER registreert de waarschuwingen en bewaakt de termijn van drie jaar.

Naar boven

6.14.2 Wat betekent schorsing en intrekking?

In één geval (gebruik informatie voor ander doel) is de sanctie de intrekking van een nationaal besluit tot douaneoptreden. In alle overige gevallen waarbij de houder van het besluit een verplichting schendt, is de sanctie de schorsing van de duur van de geldige termijn van het besluit tot douaneoptreden.

Een houder van het besluit die een sanctie krijgt waarbij recent een besluit is afgegeven, heeft daar meer last van dan een houder van het besluit waarvoor het besluit nog maar een week geldig is. Een systeem waarbij de Douane voor een bepaalde schending één termijn gaat benoemen die voor iedereen gelijk is, wordt complex. Bovendien staat de verordening niet toe dat sanctietermijnen over de geldigheidsduur van het besluit reiken. Na afloop van de schorsing kan de houder van het besluit een verzoek doen voor de verlenging van het verzoek (artikel 12).

Geen optreden door Douane bij schorsing

De schorsing betekent dat de Douane voor die houder van het besluit geen activiteiten meer ontplooit. De schorsing is geregistreerd in ZGR en daarmee voor de uitvoering kenbaar. Ook treedt de Douane niet ambtshalve op als een besluit voor douaneoptreden is geschorst. Er is immers niet voor niets een schorsing als sanctie opgelegd. Bovendien is ambtshalve optreden niet te rijmen met het systeem. Er is alleen sprake van een ambtshalve optreden van de Douane als er geen verzoek is ingediend. In dit geval is er wel degelijk een verzoek ingediend, maar is het besluit inzake douaneoptreden voor de resterende werkingsduur geschorst als gevolgd van de schending van een verplichting. Anders gezegd; formeel kan de Douane niet ambtshalve optreden omdat er een verzoek gedaan en een positief besluit is genomen tot douaneoptreden.

Wel strafrechtelijk optreden Douane bij schorsing

De schorsing ziet alleen op de toepassing van de procedures uit de verordening. Situaties waarin de Douane het strafrecht toepast vallen daarbuiten en blijft gewoon doorgang vinden. De houder van het besluit staat daar verder buiten.

Naar boven

6.14.3 Gebruik informatie voor andere doeleinden

Wanneer de houder van het besluit de door de Douane verstrekte informatie voor een niet toegestaan doel gebruikt, kan Douane van de lidstaat waar de informatie werd verstrekt of misbruikt een sanctie opleggen door:

  • het besluit tot toewijzing nationaal verzoek in te trekken en de termijn waarbinnen de Douane moet optreden niet verlengen

  • het optreden van de Douane schorsen totdat termijn is verstreken waarbinnen moet worden opgetreden

  • een ingediend unieverzoek op zijn grondgebied te schorsen

Voorbeeld niet toegestane gebruik verstrekte informatie: parallelhandel

De houder van het besluit heeft een aantal toegestane gebruiksdoeleinden voor de verstrekte informatie. Een voorbeeld waarbij het niet toegestaan is de door de Douane verstrekte informatie te gebruiken, is parallelhandel. Het kan voorkomen dat de Douane in de veronderstelling is dat er namaakgoederen zijn aangetroffen en de houder van het besluit vaststelt dat het toch originele goederen betreft. In dat geval kan er wel sprake zijn van een inbreuk op het merkenrecht, maar deze inbreuk valt niet onder de het toepassingsbereik van de verordening. In die situatie kan de houder van het besluit de door de Douane verstrekte informatie niet gebruiken om tegen de inbreukmaker op te treden. Doet hij dat toch dan schendt de houder van het besluit een verplichting.

Sanctiebeleid

Wanneer de houder van het besluit de door de Douane verstrekte informatie voor een doel gebruikt welke niet is toegestaan, wordt:

  • ingeval van een nationaal verzoek, het besluit tot toewijzing ingetrokken.

  • ingeval van een Unieverzoek, het besluit tot toewijzing voor Nederland gedurende de resterende termijn van geldigheid, geschorst.

Een nieuw ingediend nationaal verzoek voor douaneoptreden als gevolg van de intrekking, wordt niet in behandeling genomen zolang het ingetrokken besluit had moet gelden.

Nationaal verzoek intrekken

Als de Douane een schending van de verplichting constateert, wordt het besluit ingetrokken (en dus niet geschorst). Dat betekent dat als de geldigheidsduur van een besluit tot toewijzing van douaneoptreden loopt van 1-1 tot 31-12 en de schending wordt op 1-5 gesanctioneerd, per 1-5 het besluit is ingetrokken en dus niet geldig meer is.

Ambtshalve constateringen na 1-5 worden ook niet doorgezet naar de houder van het besluit. Immers dat maakt de sanctie zonder effect. Team IER controleert daarop voordat een ambtshalve melding wordt doorgezet. Strafrechtelijke handhaving blijft doorgaan omdat de rechthebbende daarin verder geen rol speelt.

De termijn van een ingetrokken besluit kan niet worden verlengd. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat intrekken ook echt intrekken betekent. Als de rechthebbende weer wenst dat de Douane voor hem facilitair gaat optreden, moet een nieuw nationaal verzoek worden ingediend (waarbij de ingangsdatum niet eerder zal zijn dan de einddatum van de schorsing).

Alternatieven handelswijze rechthebbende bij intrekking nationaal besluit

Wanneer de Douane als sanctie het nationale besluit tot douaneoptreden intrekt, kan de rechthebbende;

  1. de dag erna een nieuw nationaal verzoek indienen

  2. een unieverzoek indienen in een andere lidstaat en daarbij aangeven dat het verzoek ook voor Nederland moet gelden.

Ad 1: nieuw nationaal verzoek ingediend

De verordening houdt met deze handelswijze geen rekening. Op deze wijze wordt het intrekken van een nationaal besluit als gevolg van het schenden van de verplichting, nutteloos. In deze gevallen wordt als volgt gehandeld (artikel11). Een nationaal verzoek wordt in behandeling genomen. De Douane stelt zelf de termijn vast (datum van vaststelling). In deze situatie wordt besloten dat het verzoek voor optreden van de Douane begint op de datum waarop het ingetrokken besluit oorspronkelijk zou zijn beëindigd. Dus als op 1/5 het besluit wordt ingetrokken welke normaal gesproken had doorgelopen tot 31/12, dan wordt de geldigheid van het nieuwe nationale besluit voor douaneoptreden vastgesteld op 1/1 en geldt deze gewoon weer voor een jaar. Team IER motiveert dit besluit en daartegen staat bezwaar open.

Ad 2: Unieverzoek ingediend in andere lidstaat

Een unieverzoek die in een andere lidstaat wordt gedaan en behandeld, wordt door andere lidstaten geaccepteerd. Wanneer een rechthebbende de gevolgen van de intrekking van een nationaal verzoek op deze wijze tracht op te heffen, geeft de verordening geen expliciete aanwijzing hoe gehandeld moet worden. Als dit zich voordoet, wordt in de geest van de verordening gehandeld. De Nederlandse Douane zal de toekenning van het unieverzoek op douaneoptreden ingediend in een andere lidstaat voor zover de werking het optreden van de Douane betreft niet accepteren. Dat betekent dat het unieverzoek zal worden geschorst. Dat vereist een apart besluit van Team IER waartegen bezwaar mogelijk is.

Unieverzoek schorsen

Wanneer het een unieverzoek betreft kan het besluit niet worden ingetrokken maar wordt deze geschorst (voor de resterende duur van de geldigheid). De schorsing heeft alleen effect voor Nederland. In dit geval kan de rechthebbende als reactie op de schorsing een nationaal verzoek indienen. Toekenning daarvan maakt de sanctie nutteloos. Wanneer een unieverzoek -waarvan de werking voor Nederland geschorst is- en vervolgens een nationaal verzoek voor douaneoptreden wordt ingediend, wordt dit verzoek afgewezen.

Naar boven

6.14.4 Niet voldoen aan kennisgevingsverplichtingen

Als de houder van het besluit niet voldoet aan de kennisgevingsverplichtingen, kan de Douane het optreden van de Douane schorsen totdat de termijn is verstreken waarbinnen moet worden opgetreden. De houder van het besluit moet de Douane onmiddellijk in kennis stellen van (artikel 15):

  1. het verstrijken van een in het verzoek vermeld IE-recht

  2. het feit dat hij om andere redenen niet langer gerechtigd is het verzoek in te dienen

  3. wijzigingen in eerder bij het verzoek aan de Douane opgegeven informatie

Mogelijke schendingen

  • Situatie a en b: Hier kan het zijn dat de houder van het besluit –nu bepaalde IE-rechten kunnen verlopen of worden overgedragen- nalatig is geweest de Douane te verwittigen dat hij geen rechthebbende meer is. Dit lijkt een theoretische mogelijkheid omdat Team IER bij de beoordeling of de melding doorgezet wordt, controleert of het IE-recht nog geldt en of de houder van het besluit nog rechthebbende is. De enige mogelijke sanctie is dat het besluit wordt geschorst, is een nutteloze exercitie omdat het besluit bij gebrek aan een geldig IE-recht of een rechthebbende geen waarde meer heeft. Om die reden wordt het besluit meteen door Team IER ingetrokken en niet eerst geschorst (artikel 11, lid 5).

  • Situatie c: Hier kan van alles spelen omdat daar zeer veel informatiebepalingen staan opgesomd waar bij sommige onderdelen geen of nauwelijks de informatieverplichting raken.

Sanctiebeleid

Het doorgeven van de veranderingen moet “onmiddellijk” gebeuren. Dat betekent dat de Douane een oordeel moet geven over de termijn waarbinnen de veranderingen moeten zijn doorgegeven om wel of geen sanctie op te leggen.

Voorbeeld: een productkenmerk is per 1-6 aangepast en op 1-10 aan de Douane medegedeeld. De Douane heeft geen kennis van het daadwerkelijke tijdstip dat men een productkenmerk heeft aangepast. De Douane gaat dit ook niet uitzoeken om te beoordelen of dit binnen de voorwaarde “onmiddellijk” valt. De Douane is niet verantwoordelijk om voor alle houders van een besluit op periodieke basis te controleren of de gegeven informatie nog actueel is. Dat informatie niet actueel is, kan blijken bij een verzoek tot verlenging waarbij nieuwe gegevens worden verstrekt. De Douane gaat niet beoordelen - door deze gegevens te vergelijken met de reeds verstrekte gegevens- welke gegevens zijn aangepast of en dat binnen het kader van de “onmiddelijkheidsvoorwaarde” valt. Uitgangspunt is dat als de houder van het besluit de informatie bij de Douane aanpast zonder dat daarvoor een melding ligt van vermoedelijk inbreukmakende goederen, de Douane niet nagaat of deze aanpassing aan het onmiddelijkheidsvereiste voldoet.

De belangrijkste kennisgevingsverplichtingen zijn (artikel 6, lid 3):

g) specifieke en technische gegevens van de authentieke goederen, in voorkomend geval met inbegrip van markering, zoals streepjescodes en afbeeldingen;

h) informatie die de douaneautoriteiten nodig hebben om de betrokken goederen gemakkelijk te herkennen;

Hier kan bijvoorbeeld sprake zijn dat de Douane vermoedelijk inbreukmakende goederen vasthoudt op grond van verouderde kenmerken en achteraf blijkt dat deze goederen geen inbreuk maken. Dat lijkt vragen om een passende sanctie omdat dit afbreuk doet aan het rechtmatig handelen van de Douane. Mocht naar aanleiding van een concrete casus blijken dat de Douane ten onrechte de goederen heeft vastgehouden op grond van verouderde informatie, dan wordt beoordeeld of het niet onmiddellijk doorgegeven van deze aanpassingen sanctiewaardig is.

i) voor de douaneautoriteiten relevante informatie voor de analyse en beoordeling van het risico van inbreuk op het betrokken intellectuele-eigendomsrecht of de betrokken intellectuele-eigendomsrechten, zoals de erkende distributeurs;

Hier heeft de Douane geen last van. Het gevolg hiervan is slechts dat de Douane minder goed kan handhaven met gebruikmaken van risico-analyses als gevolg van het gedrag van de houder van het besluit. Dit is alleen nadelig voor de houder van het besluit en de Douane zal haar aandacht op ander zaken richten.

Samenvattend

De Douane steekt geen energie in het niet onmiddellijk nakomen van het doorgeven van de aanpassingen van de door de houder van het besluit gegeven informatie (onmiddellijkheidsvereiste).

Uitzondering hierop is als een melding van de Douane aan de houder van het besluit is gedaan inzake vermoedelijk inbreukmakende goederen en op grond daarvan geconcludeerd wordt dat het vermoeden van inbreuk als gevolg van die nieuwe informatie ten onrechte is vastgesteld (artikel 6, lid 3, letter g en h).

Naar boven

6.14.5 Monsters niet retour

Als de houder van het besluit niet voldoet aan de verplichting het monster te retourneren, kan de Douane het optreden van de Douane schorsen totdat de termijn is verstreken waarbinnen moet worden opgetreden. Daarnaast is de houder van het besluit aansprakelijk voor eventuele schade (artikel 28):

De houder van het besluit stuurt zodra de analyse is voltooid, de verstrekte monsters terug naar de Douane, tenzij dat door omstandigheden niet kan. In ieder geval retourneert de houder van het besluit de monsters voordat de goederen worden vrijgegeven of de vasthouding ervan wordt beëindigd (artikel 19, lid 3).

Als de houder van het besluit niet voldoet aan de verplichting de monster te retourneren en binnen de termijn (voor vrijgave), kan de Douane het optreden van de Douane schorsen totdat de termijn is verstreken waarbinnen moet worden opgetreden. Er zijn dus twee eisen:

  1. Teruggave/terugzending monster na voltooiing van de analyse tenzij door omstandigheden niet mogelijk is

  2. Teruggave/terugzending monster voor vrijgave tenzij door omstandigheden niet mogelijk is

De voorwaarde “tenzij door omstandigheden niet mogelijk is” geldt in beide gevallen.

Sanctiebeleid

Als de procedure niet geheel doorlopen wordt en de goederen worden vrijgegeven, moeten de monsters teruggegeven worden, tenzij dat door omstandigheden niet kan. De Douane controleert of de teruggave aan de Douane heeft plaatsgevonden. Indien dit niet plaatsvindt (in ieder geval uiterlijk op moment van de vrijgave), dan is dat in beginsel sanctiewaardig. Alleen wanneer de teruggave door “omstandigheden” niet kan, bestaat er geen plicht om na de voltooiing van de analyse het monster of voor de vrijgave terug te geven.

Welke omstandigheden kunnen verhinderen dat monster (tijdig) wordt terug gegeven?

In de verordening staat niet dat het monster nog bruikbaar moet zijn of in dezelfde staat teruggegeven moet worden. Er is dus altijd een teruggave mogelijk tenzij het monster in het geheel niet meer bestaat. Het gegeven dat een ander bedrijfsonderdeel van de houder van het besluit het monster bezit of het monster naar een onderzoekslab is gezonden, zijn geen omstandigheden die de houder van het besluit ontslaat van de teruggave. Ook het gegeven dat het monster uit elkaar gehaald is of voor analyse stukgemaakt is, doet niet ter zake. Dat is immers geen eis die aan de teruggave wordt gesteld. In principe wordt een verstrekt monster teruggegeven ongeacht de staat waarin het verkeert, tenzij dat door omstandigheden niet meer mogelijk is. Bovendien is (in die gevallen dus dat de procedure niet tot vernietiging van de goederen leidt) de houder van het besluit (jegens derden) aansprakelijk voor wat hij met het verstrekte monster doet.

De ruimte om een verstrekt monster niet aan de Douane te retourneren, lijkt vrij klein. In die gevallen waarin de vrijgave plaatsvindt en waarbij het monster niet voor die tijd aan de Douane is geretourneerd, zal Team IER een verzoek doen aan de houder van het besluit om aan te geven / te onderbouwen waarom het monster niet voor de termijn is geretourneerd. De gegeven reden wordt voor de sanctieoplegging beoordeeld.

Samenvattend

Alleen sanctieoplegging door de Douane wanneer de procedure niet resulteert in de vernietiging maar in de vrijgave van de goederen. Er wordt niet onderzocht of het monster direct na voltooiing van de analyse, is teruggeven. De Douane controleert alleen of het monster (geheel of gedeeltelijk/ stuk of functionerend) is teruggegeven aan de Douane voor het moment van de vrijgave van de goederen. Indien niet, dan moet de houder van het besluit de omstandigheden aanvoeren die dat hebben verhinderd. Als houder van het besluit niks stelt, dan doet Team IER een verzoek aan de houder van het besluit om binnen 10 werkdagen aan te geven / te onderbouwen waarom het monster niet voor de termijn is geretourneerd. Afhankelijk van de kenbaar gemaakte omstandigheid en de onderbouwing, wordt door Team IER een sanctie opgelegd en het besluit voor douaneoptreden voor de rest van de termijn geschorst. De Douane bemoeit zich verder niet met de schade die de eigenaar heeft geleden en de eventuele aansprakelijkheidsstelling van de houder van het besluit door de eigenaar.

Naar boven

6.14.6 Niet voldoen kosten

Als de houder van het besluit niet voldoet aan de verplichting om de kosten te voldoen, kan de Douane het optreden van de Douane schorsen totdat de termijn is verstreken waarbinnen moet worden opgetreden. De houder van het besluit vergoedt op verzoek van de Douane de kosten die door de Douane (of andere namens de Douane) optredende partijen zijn gemaakt (artikel 29, leden 1 en 3):

  • vanaf het moment van vasthouding of schorsing van de vrijgave van de goederen

  • voor het verzenden van monsters en mogelijk maken van inspecties

  • wanneer inbreukmakende goederen worden vernietigd volgens de normale of de kleine zendingenprocedure

De Douane brengt (vooralsnog) geen kosten in rekening voor werkzaamheden die op grond van de verordening worden verricht. Wel brengt de Douane de kosten die op grond van de toepassing van het CDW zijn verschuldigd volgens het beleid zoals vastgelegd in het Handboek Douane, in rekening.

Naar boven

6.14.7 Niet starten civielrechtelijke procedure

De Douane kan besluiten het optreden van de douaneautoriteiten te schorsen wanneer de houder van het besluit zonder geldige reden geen civielrechtelijk procedure start (artikel 16, lid 2 en artikel 26 lid 9).

Wanneer geen vernietiging plaatsvindt van de vermoedelijk inbreukmakende goederen omdat door de aangever of houder van de goederen daartegen bezwaar wordt gemaakt, moet de houder van het besluit een civielrechtelijke procedure starten. Alleen wanneer de houder van het besluit een geldige reden aanvoert om geen civielrechtelijke procedure te starten, wordt geen sanctie opgelegd. Deze verplichting om een civielrechtelijke procedure te starten geldt voor zowel de normale als de kleine zendingen procedure.

De houder van het besluit moet een “geldige reden” opgeven. Het initiatief daarvoor ligt bij de houder van het besluit om dat gelijktijdig te doen met de reactie aan de Douane dat hij geen civielrechtelijke procedure zal starten.

Naar boven

6.14.8 Taak team IER

Opgave reden aan en beoordeling door Team IER

De houder van het besluit geeft aan Team IER de reden op waarom hij voor de aangetroffen vermoedelijk inbreukmakende goederen geen civielrechtelijke procedure opstart. Dat kan binnen de termijn zijn omdat de houder van het besluit Team IER daarvan gelijktijdig op de hoogte stelt.

Als de houder van het besluit geen geldige reden heeft opgegeven, dan wordt hij door Team IER aangeschreven om dit alsnog schriftelijk te doen binnen 10 werkdagen na dagtekening van het verzoek. Direct na vrijgave van de goederen wordt door Team IER hierom verzocht. Na ontvangst van de reactie of het verlopen van deze termijn, beoordeelt Team IER binnen 20 werkdagen of sprake is geweest van een geldige reden om geen civielrechtelijke procedure te starten.

Geen reactie van de houder van het besluit betekent een schorsing van het besluit tot douaneoptreden. Wel een reactie betekent een inhoudelijke beoordeling van de reden door Team IER.

Horen van belanghebbende

Degene aan wie een beschikking is gericht (nu deze niet is aangevraagd en men naar verwachtingen bedenkingen kan hebben) moet gehoord worden zodat hij zijn zienswijze naar voren kan brengen (Awb, artikel 4:8). Horen is voor de waarschuwing niet noodzakelijk.

Horen bij sanctie voor niet opstarten civielrechtelijke procedure

Overbodig horen moet worden voorkomen. De beslissing om te sanctioneren wordt gebaseerd op de gegevens die door de belanghebbende zelf worden verstrekt. Om die reden verzoekt Team IER altijd om de reden voor het niet opstarten van een civielrechtelijke procedure als de houder van het besluit deze reden niet heeft opgegeven (Awb, artikel 4:8 lid 1 sub b). Om die reden kan het horen achterwege blijven.

Tegen het opleggen van een sanctie is bezwaar mogelijk. Tegen de waarschuwing is geen bezwaar mogelijk omdat deze geen directe rechtgevolgen in het leven roept.

Naar boven

6.15 Beleid niet-sanctiewaardig niet-optreden (white/black list)

6.15.1 Waarom white/blacklist procedure?

De Douane wenst haar tijd en capaciteit efficiënt te besteden en te voorkomen dat bevindingen worden gemeld van vermoedelijk inbreukmakende goederen waarbij de rechthebbende aangeeft (om zijn moverende reden) niet op te willen treden.

Voor bepaalde gedragingen die zien op het niet-optreden van de houder van het besluit kent de verordening nu expliciet de mogelijkheid om een sanctie op te leggen en duidelijk te maken dat het niet optreden van de houder van het besluit (zonder een geldige reden) niet zonder consequenties behoeft te blijven. Maar er blijven situaties over waarbij zonder de mogelijkheid van het opleggen van een sanctie de houder van het besluit kan besluiten niet op te treden.

Het is voor de rechthebbende mogelijk aan de Douane kenbaar te maken dat zij niet optreden en waarbij geen sanctiewaardige gedraging speelt omdat de verordening dit toestaat.

Voorbeelden niet sanctiewaardig niet-optreden

  • Douane treft een container aan met inbreukmakende goederen en

    • de houder van het besluit reageert niet binnen de termijn van 10 werkdagen.

    • rechthebbende reageert wel binnen de termijn van 10 werkdagen maar geeft aan niet te willen optreden.

  • Douane treft ambtshalve 1 inbreukmakend goed aan in een postzending en meldt dit aan de houder van het besluit

    • maar deze dient geen verzoek voor douaneoptreden in.

    • die geen verzoek om toepassing van de kleine zendingen procedure heeft gedaan- en de houder van het besluit reageert niet binnen de termijn van 10 werkdagen.

    • die geen verzoek om toepassing van de kleine zendingen procedure heeft gedaan- en deze reageert wel binnen de termijn van 10 werkdagen maar maakt kenbaar voor deze hoeveelheid niet te willen optreden

Deze gedragingen zijn toegestaan en vallen niet onder de sanctiemogelijkheden (artikel 16). De Douane kan daarom niet de beschikking intrekken/schorsen. Deze situaties hebben wel tot gevolg dat de goederen vrijgegeven worden en dat de douanecapaciteit nodeloos is aangewend en de vertraging in de logistiek onnodig is geweest.

Het bereik van de toepassing van de verordening wordt nu groter doordat niet meer strafrechtelijk wordt gehandhaafd door de Douane. In post- en koerierzendingen wordt vanaf 1 stuk opgetreden. De kans dat een rechthebbende (die niet heeft verzocht om toepassing van de kleine zendingen procedure) in post- en koerierzendingen niet binnen de termijn reageert of aan de Douane aangeeft dat hij niet wenst op te treden is reëel. De Douane moet voorkomen dat bij een volledige civielrechtelijke handhaving veel capaciteit in (bagatel)zaken wordt geïnvesteerd waarbij de rechthebbenden zelf niet wensen op te treden. Dit speelt met name in post- en koerierzendingen maar geldt evengoed voor andere logistieke processen als vracht en reizigers.

Om die reden gaat de Douane over tot het instellen van een:

  • registratie van minimumhoeveelheden waarbij houder van het besluit aangeeft op te willen treden (Whitelist).

  • registratie van houder van het besluit waarvoor niet meer wordt opgetreden (Blacklist).

Let op!

white/blacklist is geen echte lijst maar een registratie in ZGR

We spreken over white/blacklist maar feitelijk betreft het alleen een registratie in ZGR waarbij is vastgelegd voor welke minimumaantallen de houder van het besluit wenst dat de Douane optreedt (whitelist) en hem daarover bericht. Of duidelijk is vastgelegd dat de Douane niet meer optreedt (blacklist).

Naar boven

6.15.2 Algemeen beleid niet-sanctiewaardig niet-optreden

Stap 1: In behandeling nemen aanvraag douaneoptreden / verlengen van verzoek.

  • Wanneer de houder van het besluit niet uit eigen initiatief een minimumhoeveelheid opgeeft voor optreden, doet Team IER een verzoek om binnen 10 werkdagen aan te geven bij welke hoeveelheid de houder van het besluit zal optreden. Verzocht wordt gespecificeerd naar proces (post- en koerierzendingen/ reiziger/ overig) een minimumhoeveelheid op te geven.

  • Als de houder van het besluit een hoeveelheid opgeeft, wordt dit geregistreerd (whitelist). De houder van het besluit is niet verplicht dit op te geven.

  • Team IER maakt duidelijk dat als de houder van het besluit zich niet aan de afspraak houdt, de Douane geen controle inspanningen meer zal uitvoeren gericht op het beschermen van zijn IE-rechten voor de rest van zijn de geldigheidsduur van de afgegeven beschikking (plaatsing op blacklist).

  • Geeft de houder van het besluit niets op of reageert hij niet, dan gebeurd er verder niets tot de eerste keer dat de Douane een bevinding doorgeeft en de houder van het besluit niet-sanctiewaardig niet-optreedt.

Stap 2: Eerste keer dat houder van het besluit niet reageert / aangeeft niet op te treden.

  • Team IER verzoekt de houder van het besluit binnen 10 werkdagen aan te geven bij welke minimumhoeveelheid hij wel zal optreden, gespecificeerd naar proces (post- en koerierzendingen/reiziger/overig).

  • Als binnen de termijn geen reactie wordt ontvangen, wordt de minimum hoeveelheid (gedurende de looptijd van de beschikking) voor alle processen fictief op 100 stuks gesteld.

Stap 3 Niet sanctiewaardig niet optreden boven aangegeven drempelhoeveelheid

  • Wanneer de Douane een hoeveelheid vermoedelijk inbreukmakende goederen aantreft boven de door de houder van het besluit aangegeven minimumhoeveelheid, is de houder van het besluit niet verplicht op te treden. Wanneer hij niet optreedt, houdt de houder van het besluit zich (slechts) niet aan de afspraak.

  • De betreffende houder van het besluit wordt verwijderd van de whitelist (met opgegeven minimum aantallen) en komt op de blacklist (houders van een besluit waarvoor de Douane geen inspanningen meer verricht). Het besluit voor douaneoptreden wordt dus niet ingetrokken of geschorst, er wordt slechts feitelijk geen uitvoering meer aan gegeven door de Douane. De Douane zet haar capaciteit in ten behoeve van de houder van het besluit die wel wensen op te treden en zich aan de afspraken houden.

  • De Douane verricht geen werkzaamheden meer ter bescherming van de IE-rechten van die houder van het besluit;

    • vrijgave van eventueel aangetroffen vermoedelijk inbreukmakende goederen wordt niet opgeschort

    • houder van het besluit wordt daarover niet meer in kennis gesteld.

    • er vindt geen registratieplaats in ZGR

Naar boven

6.15.3 Ambtshalve optreden Douane en white/blacklist

Bij een ambtshalve melding is het voor de rechthebbende niet van te voren duidelijk welke inspanningen de Douane moet verrichten om een de melding te doen. Als een verzoek om douaneoptreden (artikel 18) achterwege blijft, volgt vrijgave van de goederen. De rechthebbende is namelijk niet verplicht een verzoek in te dienen naar aanleiding van een ambtshalve constatering van vermoedelijk inbreukmakende goederen.

Geen verzoek voor douaneoptreden na ambtshalve douaneoptreden

Wanneer geen verzoek wordt ingediend (of niet gereageerd binnen de wettelijke termijn) wordt conform de white/blacklist systematiek behandeld. De Douane gaat niet nodeloos capaciteit in de handhaving steken als de rechthebbende geen inspanningen verricht om zijn IE-rechten te handhaven. In dat geval is het wenselijk dat de rechthebbende de Douane doorgeeft bij welke hoeveelheid hij voor toekomstige zaken zal optreden.

Werkzaamheden Team IER

  • Team IER verzoekt de rechthebbende een minimumhoeveelheid op te geven waarbij de Douane in de toekomst een ambtshalve constatering zal doorzetten.

  • Team IER maakt duidelijk dat als de rechthebbende niet aan het verzoek voldoet, de Douane geen controle inspanningen meer zal uitvoeren gericht op het beschermen van zijn IE-rechten (plaatsing op de blacklist).

  • Team IER maakt duidelijk dat dit –omdat dit voor onbepaalde duur is- betekent dat feitelijk voor het IE-recht van deze rechthebbende geen ambtshalve meldingen meer worden gedaan totdat de rechthebbende zelf initiatief neemt voor een verzoek om douaneoptreden in te dienen.

Naar boven

6.15.4 Duur en omvang plaatsing whitelist / blacklist

Het opgeven van een drempelhoeveelheid moet niet elke week veranderen. Deze wordt in ieder geval door de Douane eenzijdig aangepast wanneer er sprake is van verwijdering van de whitelist en plaatsing op de blacklist (dus van een minimumhoeveelheid waarbij de Douane optreedt naar niet meer optreden door de Douane).

Duur geldigheid opgegeven drempelhoeveelheden whitelist

De drempelhoeveelheden van de whitelist gelden voor de duur van het besluit voor douaneoptreden. De rechthebbende kan dit zelf opgeven in ZGR. De houder van het besluit kan ook bij een eventuele aanvraag voor een verlenging van het besluit voor douaneoptreden zelf de eerder opgegeven drempelhoeveelheden aanpassen.

Duur geldigheid plaatsing door Douane op Blacklist

Voor het geval de rechthebbende niet-sanctiewaardig niet-optreedt en zich niet houdt aan de door hem zelf opgegeven drempelhoeveelheden, is in de berichtgeving vermeld dat de Douane geen controle inspanningen meer zal uitvoeren gericht op het beschermen van zijn IE-rechten voor de rest van zijn de geldigheidsduur van de afgegeven beschikking.

Werkzaamheden Team IER

  • Team IER verwijderd de betreffende rechthebbende van de whitelist en plaatst deze op de blacklist (houders van een besluit waarvoor de Douane geen inspanningen meer verricht).

  • Team IER bewaakt de termijnen. Na afloop van de geldigheid van de beschikking kan een verlengingsverzoek worden ingediend en kan de rechthebbende weer een minimumhoeveelheid (zie stap 1).

Naar boven

6.15.5 Houder van het besluit en Meerdere rechten / producten

Het systeem van de white/blacklist moet eenvoudig en hanteerbaar blijven.

Verschillende goederen

Voor te stellen is dat een houder van het besluit veel merkgoederen heeft maar in feite komt het erop neer dat men onrechtmatig gebruik maakt van het merk op de diverse goederen. Of dit nou op een schoen, bril of T-shirt is, maakt feitelijk niet zoveel uit. Om die reden en om het voor de Douane overzichtelijk te houden, kan slechts een beperkte hoeveelheid per proces opgegeven worden. Team IER bewaakt de overzichtelijkheid en uitvoerbaarheid.

Verschillende merken

Het komt ook voor dat een houder van het besluit verschillende merken heeft. Bijvoorbeeld Coca Cola is eigenaar van het merk Coca Cola maar ook van de merken Fanta, Sprite etc. ook hier is het uitgangspunt dat het systeem hanteerbaar en overzichtelijk moet blijven. De houder van het besluit geeft voor alle intellectuele eigendomsrechten waarvan hij eigenaar is 1 drempelhoeveelheid op, , welke eventueel wel weer gesplitst kan worden naar verschillende goederen zoals hierboven is vermeld.

Ambtshalve optreden

Stel dat een rechthebbende wel een verzoek heeft ingediend voor parfum en cosmetica maar niet voor kleding waarop zijn merk is aangebracht. Dat betekent dat de Douane –indien de white/blacklist systematiek alleen van toepassing is op de goederen waarvoor een besluit voor douaneoptreden is aangevraagd, telkens de ambtshalve aangetroffen kleding gaat melden en moet afwachten of en bij welke hoeveelheid de rechthebbende zal gaan optreden. Een rechthebbende kan het beleid frustreren door voor één product een besluit voor douaneoptreden aan te vragen en de overige productgroepen niet. Zoals gezegd gaat het om de inbreuk op een merkrecht en of deze nu onrechtmatig op een parfum of een onderbroek is aangebracht, is verder niet relevant. Als de rechthebbende alleen een verzoek heeft gedaan voor douaneoptreden voor parfums, zal dit ook tevens gaan gelden voor zijn merk wanneer deze onrechtmatig wordt gebruikt op andere goederen.

Naar boven

6.15.6 Stroomschema white/blacklist toepassing

 

Naar boven

6.16 Opslag en vervoer inbreukmakende goederen

Gedurende de procedure kunnen vermoedelijk inbreukmakende goederen elders worden opgeslagen door gebruik te maken van de douaneregeling douanevervoer en het stelsel van douane-entrepots (artikel 20). Deze situatie zal zich met name voordoen wanneer de opslag elders minder kosten met zich meebrengt. In dit voorschrift is aangegeven welke werkzaamheden u moet verrichten.

Verzoek door (of namens) houder van het besluit

De houder van het besluit kan Team IER verzoeken, als de goederen als gevolg van een overeengekomen schikking aan hem zijn afgestaan, dat de goederen op een andere locatie worden opgeslagen.

Verzoek door of namens de inbreukmaker

Het verzoek kan ook aan Team IER worden gedaan door of namens de vermoedelijke inbreukmaker. Het toestaan van de opslag op een andere locatie is niet afhankelijk van de toestemming van de houder van het besluit. De houder van het besluit moet wel op de hoogte worden gebracht van de nieuwe opslaglocatie.

Naar boven

6.17 Verschuiving fysieke controle toegestaan

De Douane heeft bij de handhaving van IE-rechten een bewakingsfunctie. Dit komt vooral tot uiting tijdens de logistieke fase nadat de goederen zijn binnengebracht en voordat deze in het vrije verkeer komen of ten uitvoer worden aangegeven. Verschuiving van de fysieke controle is mogelijk. In dat geval voert u de gebruikelijke werkzaamheden uit. Meer informatie vindt u in het Handboek Douane.

Naar boven

6.18 Termijnen en kennisgeving

Verordening 608/2013 kent veel termijnen. Zowel hun lengte als het moment waarop de termijn begint te lopen zijn verschillend. Het is belangrijk inzichtelijk te hebben wanneer een termijn begint en afloopt omdat daar gevolgen aan zijn verbonden. Naast de termijnen in de verordening zijn er ook beleidsmatige termijnen waarbinnen de Douane een bepaalde handeling verricht.

Naar boven

6.18.1 Overzicht termijnen

In de tabel vindt u de belangrijkste termijnen.

Termijn

Omschrijving

Vindplaats

30 werkdagen

Waarbinnen Team IER een besluit neemt op een verzoek tot optreden van de Douane

Artikel 9 lid 1

10 werkdagen

Waarbinnen een onvolledig verzoek om douaneoptreden moet zijn aangevuld

Artikel 7 lid 1

2 werkdagen

Waarbinnen Team IER beslist op een verzoek tot douaneoptreden in het geval van een ambtshalve procedure.

Artikel 9 lid 2

4 werkdagen

Voor het indienen van een verzoek vanaf het tijdstip waarop de rechthebbende de kennisgeving heeft ontvangen (). Deze termijn wordt niet verlengd.

Artikel 5 lid 4

10 werkdagen

Waarbinnen de houder van het besluit na verzending van de kennisgeving over de opschorting van de vrijgave of vasthouding, kenbaar moet maken dat een civiele procedure is ingeleid of een schikking tot stand is gekomen.

Artikel 23 lid 1

3 werkdagen

Waarbinnen voor aan bederf onderhevige goederen de houder van het besluit moet aangeven dat het inbreukmakende goederen betreft en dat hij instemt met de vernietiging.

Artikel 23 lid 1

1 werkdag

Waarbinnen Team IER beslist op een verzoek van houder van het besluit tot verlenging van de termijn om een civielrechtelijke procedure te starten.

Beleid

3 werkdagen

Waarbinnen informatieverstrekking door rechthebbende of houder van het besluit moet plaatsvinden.

Beleid

1 werkdag

Waarbinnen Team IER (binnen de 10 werkdagentermijn) na binnenkomst van een verzoek door de houder van het besluit, de gedetailleerde informatie verstrekt.

Beleid

10 werkdagen

Waarbinnen Team IER een besluit heeft genomen over het nakomen van de verplichtingen en het opleggen van een sanctie na afloop van de procedure.

Beleid

1 werkdag

Waarbinnen de vraagbaak IER de melding aanvullen / verbeteren moet als Team IER aangeeft dat deze niet voldoet.

Beleid

10 werkdagen

Waarbinnen de houder van het besluit op het verzoek van Team IER schriftelijk moet opgeven om welke reden geen civielrechtelijke procedure is gestart in het kader van de sanctieoplegging. Termijn van 10 werkdagen start op dagtekening van het verzoek.

Beleid

2 werkdagen

Waarbinnen de vraagbaak IER na de bevinding van vermoedelijk inbreukmakende goederen determinatie opmaakt en via ZGR ter kennis brengen van Team IER

Beleid

Naar boven

6.18.2 Begrip werkdag

De verordening gebruikt (veelal) het begrip werkdag. Verordening 1182/71 geeft regels die van toepassing zijn op termijnen en aanvangs- en vervaltermijnen. Werkdag betekent: elke andere dag dan een officiële feestdag, de zondag en de zaterdag (artikel 2).

In verordening 1182/71 is over feestdagen het volgende bepaald: als de laatste dag van een termijn valt op een feest-, zater-, of zondag, loopt de termijn af op de volgende werkdag om 24.00 uur.

Deze verordening bepaalt ook dat feestdagen alle dagen zijn die als zodanig door een instelling zijn erkend en alle dagen die door een lidstaat aan de Commissie als zodanig zijn bekendgemaakt. Voor Nederland zijn die te vinden in de Algemene termijnenwet en in in een Besluit gelijkstelling met een algemeen erkende feestdag (dit besluit wordt jaarlijks herzien) Als een termijn dus op één van de daarin genoemde erkende feestdagen eindigt, geldt dat de betreffende termijn pas eindigt op de volgende werkdag om 24.00 uur.

Naar boven

6.18.3 Aanvang termijn

Verordening 1182/71 bepaalt dat een in dagen omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt en wordt de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn inbegrepen. De termijnen beginnen de eerstvolgende werkdag na de dagtekening van de kennisgeving van Team IER om 00.00 uur.

Voordat de in de verordening genoemde bevoegdheden van toepassing zijn, is er sprake van een reguliere douanecontrole en zijn de bepalingen van het DWU van toepassing (DWU, artikel 5, lid 3 en artikel 188). Tot het moment dat Team IER aan de hand van de gedane melding de beoordeling heeft afgerond en de rechthebbende een kennisgeving heeft gezonden, worden de vermoedelijk inbreukmakende goederen opgehouden voor onderzoek op grond van de regulier douanebepalingen. Daarna wordt de bevoegdheid uit de verordening gebruikt om de vrijgave van de goederen op te schorten of vast te houden als gevolg van de vermoedelijke inbreuk. De bevoegdheid om de vrijgave van de goederen op te schorten of vast te houden is niet aan een termijn gebonden. De opschorting kan net zo lang duren als de procedure bij de civiele rechter duurt.

Naar boven

6.18.4 De kennisgeving

Wanneer de Douane goederen aantreft waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een IE-recht waarvoor een besluit tot toewijzing van een verzoek is gegeven, schorsen zij de vrijgave van die goederen of houden zij ze vast. Met het verzenden van deze kennisgeving begint de opschorting of vasthouding van de inbreukmakende goederen op grond van de verordening. De termijnen beginnen de eerstvolgende werkdag na de dagtekening van de kennisgeving om 00.00 .

Voordat de Douane de vrijgave schorst of de goederen vasthoudt, kan zij de houder van het besluit vragen hun alle relevante informatie over de goederen te verstrekken (artikel 17, lid 2).

Inhoud kennisgeving

De kennisgeving bevat informatie over (artikel 17, lid 3):

  • omschrijving aard van de goederen

  • reden van vermoeden van de inbreuk

  • aanduiding werkelijke of geraamde hoeveelheid goederen

  • digitale foto’s

  • informatie over procedures en termijnen

  • informatie over mogelijkheid monstername en inspectie goederen

  • nadere informatie als dit bij de aanvraag van het verzoek al is aangegeven

Meerdere personen als houder van de goederen?

Als Team IER de kennisgeving doet aan de houder van de goederen kan het zijn dat er meerdere personen als houder van de goederen kunnen worden beschouwd. De Douane is niet verplicht kennis te geven aan meer dan één persoon (artikel 17, lid 3).

Gelijktijdige in kennisstelling

Team IER stelt de houder van het besluit diezelfde dag in kennis van de schorsing van de vrijgave van de goederen of de vasthouding op dezelfde dag als, of onmiddellijk nadat, de aangever of de houder van de goederen in kennis is gesteld.

Naar boven

6.18.5 Alleen verlenging 10 werkdagentermijn voor starten civielrechtelijke procedure

De verordening noemt veel termijnen maar er is slechts één termijn die verlengd kan worden. Alleen de 10 werkdagentermijn voor de houder van het besluit waarbinnen hij moet besluiten of hij een civielrechtelijke procedure zal starten omdat de aangever of houder van de goederen bezwaar maakt tegen de vernietiging, kan door Team IER worden verlengd (artikel 23, lid 5).

Geen verlenging mogelijk van eerste 10 werkdagentermijn

De eerste 10 werkdagen kan dus niet worden verlengd. Binnen 10 werkdagen moet zijn voldaan aan de voorwaarden door de houder van het besluit. Deze termijn van 10 werkdagen wordt voldoende geacht voor de houder van het besluit om zijn afwegingen en beoordelingen te maken. Binnen die termijn moet de houder van het besluit aan Team IER aangeven dat er sprake is van een inbreuk op een IE-recht én zijn instemming geven met de vernietiging van de goederen. Doet hij dat niet dan wordt de opschorting van de vrijgave of de vasthouding van de goederen beëindigd. De verlenging voor het starten van een civielrechtelijke procedure is maximaal 10 werkdagen. De houder van het besluit moet daarvoor aan Team IER een deugdelijk onderbouwd verzoek doen.

Altijd een verzoek voor verlenging / geen ambtshalve verlenging

De verordening eist dat het verzoek deugdelijk wordt onderbouwd. In veel gevallen kan dat summier. Immers als men geen civielrechtelijke procedure start, wordt een sanctie opgelegd, dus de houder van het besluit zal niet al te lichtvaardig daarom verzoeken. De vraag is dus in welke gevallen een deugdelijk onderbouwd verzoek wordt geëist van de houder van het besluit en waaraan de deugdelijke onderbouwing getoetst moet worden.

De aangever of houder van de goederen kan tegen het verlengen van de termijn in bezwaar komen omdat hij in zijn belangen getroffen. Hij kan immers wederom maximaal 10 werkdagen niet over de goederen beschikken.

Wanneer geen onderbouwing noodzakelijk bij verlengingsverzoek

Het opstarten van een civielrechtelijke procedure kost tijd en is een feit van algemene bekendheid en behoeft niet nader te worden gemotiveerd. Uitgangspunt is daarmee dat de verlenging wordt toegestaan wanneer door de aangever of houder van de goederen bezwaar wordt gemaakt.

Voorbeeld: Op dag 8 wordt door de aangever (schriftelijk of per mail) bezwaar gemaakt. De houder van het besluit moet daarvan onmiddellijk (binnen 1 werkdag) door Team IER van in kennis worden gesteld. De houder van het besluit moet meteen een verzoek doen voor de verlenging en dit verzoek moet deugdelijk onderbouwd zijn. Gezien deze gang van zaken wordt aan de onderbouwing daarvan niet al te hoge eisen gesteld. Immers het opstarten van een civielrechtelijke procedure kost tijd (inclusief het nemen van eventuele conservatoire maatregelen). In het algemeen zal een verlenging van de termijn ook geen verassing zijn voor de aangever of houder van de goederen. Immers bij bezwaar wordt in de regel een civielrechtelijke procedure gestart en in het algemeen kan niet worden verwacht dat deze procedure binnen 1 werkdag is opgestart.

Wanneer wel onderbouwing nodig bij verlengingsverzoek

Uitzondering wordt gemaakt wanneer vroegtijdig (binnen 5 werkdagen) door de aangever of houder van de goederen bezwaar wordt gemaakt. Dan kan wel worden beoordeeld of de houder van het besluit in redelijkheid niet eerder een civielrechtelijke procedure kon starten binnen de eerste termijn van 10 werkdagen.

Beslistermijn voor verzoek tot verlenging: 1 werkdag

De verordening kent geen termijn waarbinnen een besluit moet zijn genomen inzake het verzoek om verlenging van de 10 werkdagentermijn. Vanzelfsprekend kan deze beslistermijn niet al te lang zijn. Omdat hiervoor al beschreven is onder welke omstandigheden sprake moet zijn van een deugdelijk onderbouwd verzoek tot verlenging, kan de conclusie getrokken worden dat de beslistermijn van 1 werkdag in de regel haalbaar is.

Naar boven

6.19 Vrijgave goederen onder waarborg

Bij vermoedelijke inbreuk op onderstaande IE-rechten kunnen de goederen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgegeven (artikel 24). Het gaat dan om:

  • modellenrecht

  • octrooirecht

  • kwekersrecht

  • gebruiksmodel

  • topografie halfgeleiderproduct

Deze vrijgave kan alleen plaatsvinden wanneer de houder van het besluit een civielrechtelijke procedure heeft gestart.

Naar boven

6.19.1 Voorwaarden vrijgave

De Douane geeft de goederen vrij of beëindigt de vasthouding ervan wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. aangever of houder van de goederen heeft waarborg verstrekt die voldoende hoog is ter bescherming van belangen houder van het besluit

  2. er zijn geen conservatoire maatregelen van kracht

  3. alle douaneformaliteiten zijn vervuld

De aangever of houder van de goederen doet aan Team IER het verzoek om de goederen vrij te geven. Team IER willigt het verzoek in als blijkt dat er een waarborg is verstrekt ter bescherming van de rechten van de houder van het besluit.

  • De Douane stelt de hoogte van de waarborg niet vast.

  • De waarborg wordt niet aan de Douane verstrekt.

  • De Douane controleert niet of de waarborg voldoende hoog is.

Team IER controleert alleen of de houder van het besluit deze waarborg overeengekomen is. Als blijkt dat de houder van het besluit de waarborg heeft geaccepteerd, verzet niets zich tegen de vrijgave door de Douane. De hoogte van de waarborg doet voor de Douane niet ter zake en is een verantwoordelijkheid die bij de houder van het besluit ligt. Deze hoeft immers de aangeboden waarborg niet te accepteren en zal dat ook niet doen als deze onvoldoende dekking kan bieden voor de door hem gestelde schade.

Naar boven

6.19.2 Douanewaarde

Het gegeven dat de inbreukmaker mogelijk een bedrag gaat betalen aan licentiekosten /royalty’s die op het moment van de vrijgave nog niet duidelijk zijn, betekent wel dat bij het vaststellen van de verschuldigde belastingen hiermee rekening moet worden gehouden. De betaalde vergoeding wordt in de aangifte veelal niet in de douanewaarde van de ingevoerde goederen verwerkt.

In voorkomende gevallen neemt u contact op met het Landelijk Waarde Team (LWT).

Naar boven

6.19.3 Werkzaamheden

Werkzaamheden vrijgave onder waarborg

  1. Verzoek om vrijgave wordt door de aangever of houder van de goederen gericht aan Team IER.

  2. Team IER controleert bij houder van het besluit of de zekerheid is gesteld.

  3. Team IER stelt vraagbaak IER op de hoogte voor vrijgave van de goederen.

  4. Vraagbaak IER draagt zorg voor beëindiging van opschorting vrijgave / stopzetting van de goederen als aan alle douaneformaliteiten is voldaan.

  5. Team IER brengt het Landelijk Waarde Team op de hoogte van deze zaak en verstrekt daarbij alle noodzakelijke informatie voor vaststellen juiste douanewaarde.

Naar boven