De vordering/schuld bij een wettelijke verdeling

Als de erfenis verdeeld wordt, krijgen alle erfgenamen hun erfdeel. Als de eerste ouder overlijdt gaan alle goederen in eigendom naar de langstlevende. Het kind krijgt een vordering uit de nalatenschap ter hoogte van zijn erfdeel. De vordering is pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende.

Als de vordering eerder opeisbaar is, moet dit blijken uit een testament. Omdat de vordering nog niet opgeëist kan worden heeft de langstlevende ouder een voordeel, het genot van de vordering. Het kind heeft een nadeel want hij kan niet over zijn geld beschikken. Dit voordeel noemen we ook wel vruchtgebruik.

Voor de berekening van de erfbelasting wordt het erfdeel van de langstlevende ouder met dit voordeel vermeerderd, en het erfdeel van de kinderen met dit erfdeel verminderd. De waarde van deze bevoordeling is afhankelijk van (a) de leeftijd van de langstlevende en (b) een eventueel afgesproken rente.

(a) De leeftijd van de langstlevende

Als de eerste ouder vrij jong overlijdt, is het nadeel dat de kinderen hebben groter omdat zij langer moeten wachten tot zij hun vordering kunnen opeisen. Naarmate de langstlevende ouder is, is dit nadeel kleiner. De factor die bepaalt hoe groot dit nadeel is voor de kinderen, en dus het voordeel voor de langstlevende, staat in een tabel. Deze tabel vindt u bij de toelichting bij de aangifte.

(b) Geen rente afgesproken

De waarde van het voordeel per jaar is wettelijk vastgesteld op 6%. Met deze rente en de factor uit de tabel berekenen we over welk bedrag belasting betaald moet worden. Dat is 6% van het erfdeel, vermenigvuldigd met de factor uit de leeftijdstabel.

Voorbeeld 1

Jan (67) overlijdt en er is geen testament. Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd met Ans (66) en ze hebben 2 kinderen. Samen bezaten ze € 600.000. 

Doordat ze in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, bestaat de nalatenschap uit € 300.000. Deze nalatenschap bestaat uit 3 gelijke erfdelen van ieder € 100.000: 1 erfdeel van Ans, 1 erfdeel van het eerst kind  en 1 erfdeel van het tweede kind. 

De waarde van het vruchtgebruik is dan € 100.000 * 6% * factor 8 = € 48.000. De erfbelasting voor de kinderen wordt dan berekend over € 100.000 - € 48.000 = € 52.000. De erfbelasting voor Ans wordt berekend over € 100.000 + 2 * € 48.000 = € 196.000

Voorbeeld 2

Abe (67) overlijdt en er is geen testament. Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd met Johanneke (66) en ze hebben 1 zoon, Johan. Samen bezaten ze € 500.000. 

Doordat ze in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, bestaat de nalatenschap uit € 250.000. Deze nalatenschap bestaat uit 2 gelijke erfdelen van ieder € 125.000: 1 erfdeel van Johanneke en 1 erfdeel van Johan. 

De waarde van het vruchtgebruik is dan € 125.000 * 6% * factor 8 = € 60.000. De erfbelasting van Johan wordt berekend over € 125.000 - € 60.000 = € 65.000. Johanneke betaalt erfbelasting over € 125.000 + € 60.000 = € 185.000

Afwijkende rente

In voorbeeld 2 verkrijgt zoon Johan bij het overlijden van zijn vader een vordering op zijn moeder van 125.000, maar wordt zijn erfbelasting berekend over € 65.000. Bij het overlijden van zijn moeder wordt de vordering niet in deze mate afgewaardeerd. Als aan het vermogen niks veranderd is, verkrijgt hij bij het overlijden van moeder € 500.000 - € 125.000 = € 375.000 waarover erfbelasting berekend wordt. 

Aangezien de eerste tariefschijf bij de erfbelasting tot € 123.248 (tarief 2018 loopt, betekent dit dat Johan bij het overlijden van Johanneke voor de erfbelasting in het 20%-tarief valt. Dit kan soms voorkomen worden door een rente af te spreken. Als moeder over de vordering jaarlijks een rente betaalt van 5% is de vordering in tien jaar met 10 * € 125.000* 5% = €  62.500 gegroeid tot €  187.500. 

Als moeder dan na 10 jaar overlijdt, is de verkrijging uit de nalatenschap van moeder slechts € 500.000 – € 187.500= € 312.500. Dit leidt bij het overlijden van moeder dan tot een besparing in de erfbelasting van €  62.500 * 20% = € 12.500.

Maar hoe werkt deze rente bij het overlijden van vader? Bij het overlijden van de eerste ouder is het kind benadeeld, omdat hij enkel een vordering erft en de goederen bij de langstlevende blijven. Als het kind een rentevergoeding van de langstlevende ontvangt, wordt de mate waarin hij benadeeld wordt minder. Tegelijkertijd wordt ook het voordeel van de langstlevende minder, er moet immers een rentevergoeding betaald worden. 

Het jaarlijkse voordeel wordt in dit geval gesteld op de 6%, verminderd met het samengestelde rentepercentage dat is afgesproken. Dit verschil wordt vervolgens vermenigvuldigd met de leeftijdsfactor. Als er sprake is van een enkelvoudige rente (rente wordt alleen berekend over de hoofdsom), moet deze eerst worden omgerekend naar een samengestelde rente (rente wordt ook berekend over de rente). Dit gebeurt aan de hand van de statistische levensverwachting volgens het CBS.

Voorbeeld (geen rente)

Peter (57) overlijdt en laat zijn vrouw Inge (60) en een dochter Pauline na. De nalatenschap bedraagt € 300.000. Inge en Pauline erven voor gelijke delen. De waarde van het vruchtgebruik is dan € 150.000 * 6% * factor 10 = € 90.000. De verkrijging van Pauline voor de erfbelasting is dan € 150.000 - € 90.000 = € 60.000, de verkrijging van Inge is € 150.000 + € 90.000 = € 240.000. Als Inge20 jaar later overlijdt is het vermogen aangegroeid tot € 500.000.  De verkrijging voor de erfbelasting bij het overlijden van Inge is dan € 500.000 - € 150.000 = € 350.000.

Voorbeeld (met rente)

Peter (57) overlijdt en laat zijn vrouw Inge (60) en een dochter Pauline na. De nalatenschap bedraagt € 300.000. In het testament staat dat er sprake is van een ouderlijke boedelverdeling en is een enkelvoudige rente van 7% vermeld. 

Allereerst moet de 7% enkelvoudige rente omgerekend worden naar een samengestelde rente. De statistische levensverwachting van Inge is 24,7 jaar. Een enkelvoudige rente van 7% komt overeen met een samengestelde rente van 4.2%. Het verschil met de wettelijke 6% is dan 1,8%. 

De waarde van het vruchtgebruik is € 150.000 * 1,8% * factor 10 = € 27.000. De verkrijging van Pauline voor de erfbelasting is dan € 150.000 - € 27.000 = € 123.000, de verkrijging van Inge is € 150.000 + € 27.000 = € 177.000.

Als Inge 20 jaar later overlijdt is het vermogen aangegroeid tot € 500.000. Doordat er een rente is afgesproken is de vordering gegroeid met € 150.000 * 7% *20 = € 210.000 en is dan in totaal € 210.000 + € 150.000 = € 360.000. De verkrijging voor de erfbelasting bij het overlijden van Inge is dan € 500.000 - € 360.000 = € 140.000.

Als u vragen hebt over dit onderwerp, kunt u zich wenden tot een belastingconsulent of notaris

Bovenmatige rente

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat het voordelig kan zijn om een hoge rente af te spreken. Wanneer er extreem hoge rentes worden afgesproken, kent de wet echter  een beperking. Als er een rente wordt afgesproken die hoger is dan een samengestelde rente van 6%, dan wordt dit alsnog bij het overlijden van de langstlevende fictief belast. Er wordt dan een bijtelling toegepast op de verkrijging van de kinderen.

Voorbeeld (6% samengestelde rente)

Hans is getrouwd met Henrieke. De huwelijkse gemeenschap heeft bij het overlijden van Hans een waarde van € 1.200.000 en er zijn 2 kinderen. De rente uit het testament is op 6% samengestelde rente bepaald. De nalatenschap van Hans is € 600.000. Henrieke krijgt het vermogen en de beide kinderen een vordering op Henrieke van ieder € 200.000. 

Als Henrieke 10 jaar later overlijdt is de schuld door de rente opgelopen met € 316.000. Als het vermogen gelijk is gebleven, is het saldo van Henrieke’s nalatenschap € 1.200.000 - € 400.000 - € 316.000 = € 484.000. Ieder kind verkrijgt dus  ½ *€ 484.000 = € 242.000.

Voorbeeld

Hans is getrouwd met Henrieke. De huwelijkse gemeenschap heeft bij het overlijden van Hans een waarde van € 1.200.000 en er zijn 2 kinderen. De rente uit het testament is op 8% samengestelde rente bepaald. De nalatenschap van Hans is € 600.000. Henrieke krijgt het vermogen en de beide kinderen een vordering op Henrieke van ieder € 200.000. 

Als Henrieke 10 jaar later overlijdt is de schuld door de rente opgelopen met € 463.000. Met een rentepercentage van 6% zou deze toename € 316.000 zijn geweest, een verschil van € 147.000. Als het vermogen gelijk is gebleven, is het saldo van Henrieke’s nalatenschap € 1.200.000 - € 400.000 - € 463.000 = € 337.000. Ieder kind verkrijgt dus  ½ *€ 337.000 = € 168.500. Echter de bovenmatige rentevergoeding wordt voor de berekening daar nog bij opgeteld, hierdoor is voor de erfbelasting de verkrijging per kind € 168.500 + ( ½ * € 147.000 ) = € 242.000.

In bovenstaande voorbeelden is geen rekening gehouden met de voorgeschoten erfbelasting bij het eerste overlijden door de langstlevende. Deze schuld moet eerst van de nominale vordering worden afgetrokken.

 

 

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.