Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

7 Winst-en-verliesrekening en balans

7.1 Wat zijn de winst-en-verliesrekening en balans?

Als u ondernemer bent voor de inkomstenbelasting berekent u de fiscale winst aan de hand van de winst-en-verliesrekening en balans van uw onderneming. Deze fiscale winst is de basis voor de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en wordt berekend door fiscale regels toe te passen op de commerciële winst-en-verliesrekening en balans. Het gaat dan bijvoorbeeld om de waardering van balansposten en de toerekening van kosten aan een boekjaar.

De hoofdregel bij waardering en winstbepaling is dat de jaarwinst volgens goed koopmansgebruik moet worden bepaald. Daarbij moet u een duurzame gedragslijn volgen.

Houd bij het berekenen van de winst uit uw onderneming rekening met onder andere:

  • onderhanden werk

  • afschrijvingen

  • zakelijke kosten

  • activa

  • passiva

In dit hoofdstuk leest u meer over deze onderwerpen.

Meer informatie voor ondernemers vindt u in de hoofdstukken 'Winst uit onderneming' en 'Ondernemersaftrek en investeringsaftrek'.

Naar boven

7.2 Soort onderneming

De ondernemingsvorm is van invloed op de manier waarop u de winst-en-verliesrekening en de balans moet invullen. Wij onderscheiden de volgende ondernemingsvormen:

  • eenmanszaak

  • samenwerkingsverband

Bij een eenmanszaak drijft u uw onderneming alleen. Dit is het geval als u een zelfstandig beroep uitoefent (bijvoorbeeld notaris of huisarts) of als u de enige eigenaar van uw bedrijf bent. U kunt dus ook een eenmanszaak hebben als u personeel in dienst hebt.

Bij een samenwerkingsverband zijn meerdere personen betrokken. Uw onderneming is een samenwerkingsverband als deze bijvoorbeeld een vennootschap onder firma (vof), maatschap, commanditaire vennootschap of een ander samenwerkingsverband is.

Naar boven

7.2.1 Samenwerkingsverband: winst-en-verliesrekening en balans

Bij een vennootschap onder firma (vof), maatschap of een ander samenwerkingsverband, kunt u de winst-en-verliesrekening en de balans op verschillende manieren invullen:

  • op persoonlijk niveau

  • op het niveau van het samenwerkingsverband

Naar boven
7.2.1.1 Op persoonlijk niveau

U vult de winst-en-verliesrekening en de balans in op persoonlijk niveau. Daarbij gaat u alleen uit van uw aandeel in het samenwerkingsverband.

Buitenvennootschappelijk vermogen
Vult u de winst-en-verliesrekening op persoonlijk niveau in en hebt u ook buitenvennootschappelijk vermogen? Dan verwerkt u deze vermogensbestanddelen in uw balans op persoonlijk niveau.

Naar boven
7.2.1.2 Op het niveau van het samenwerkingsverband

U vult de winst-en-verliesrekening en de balans in op het niveau van het samenwerkingsverband. Bovendien specificeert u het kapitaal- en winstaandeel in het samenwerkingsverband.

Buitenvennootschappelijk vermogen
Hebt u buitenvennootschappelijk vermogen, maar vult u de winst-en-verliesrekening in op het niveau van het samenwerkingsverband? Dan moet u het buitenvennootschappelijk vermogen afzonderlijk aangeven.

Naar boven

7.2.2 Winst op basis van jaaropgaaf zeescheepvaart-cv of film-cv

Bent u commanditair vennoot in een besloten cv in de zeescheepvaart- of filmindustrie? En wordt uw deelname aangemerkt als een afzonderlijke onderneming? Dan hoeft u maar een beperkt aantal onderwerpen in te vullen in de winst-en-verliesrekening.

Bent u medegerechtigde in het vermogen van een onderneming, als commanditair vennoot in een besloten commanditaire vennootschap (cv)? Dan moet u de winst-en-verliesrekening helemaal invullen.

Naar boven

7.3 Onderhanden werk

In uw winst-en-verliesrekening en bij de voorraden die u hebt, moet u rekening houden met onderhanden werk. Bij onderhanden werk gaat het om langlopende projecten en opdrachten, zoals een bouwwerk waaraan langere tijd wordt gewerkt.

In de kostprijs neemt u alle direct toerekenbare kosten mee, zoals lonen, materialen, kosten en afschrijving van gebruikte machines, energie en werk door derden. Ook moet u het constante deel van de algemene kosten, zoals loonkosten van de algemene leiding en huisvestingskosten, in de waardering opnemen en moet u (een evenredig deel van) de winstopslag activeren.

U moet de winst voortschrijdend nemen. Dit betekent dat u niet mag wachten met winstneming tot het werk of de opdracht is afgerond. Als een opdracht voor de helft klaar is, dan moet u dus de helft van de overeengekomen prijs op dat moment activeren. Dit activeren leidt vervolgens tot winstneming.

Naar boven

7.3.1 Praktische afspraken waarderingsregels onderhanden werk

Wij hebben afspraken gemaakt met brancheorganisaties over de waardering van onderhanden werk. De afspraken verminderen de administratieve lasten voor bedrijven. U vindt de afspraken in de 'Uitwerking waardering onderhanden werk'. U kunt deze uitwerking downloaden van belastingdienst.nl.

Naar boven

7.4 Afschrijvingen

Bij het bepalen van de winst houdt u rekening met de aanschafkosten van de bedrijfsmiddelen: u trekt die kosten af van de opbrengsten. Bedrijfsmiddelen zijn zaken die u niet direct wilt verkopen, maar die u een aantal jaren in uw onderneming gebruikt. Ze verschillen dus van inkopen en voorraden. Bedrijfsmiddelen hebt u nodig om uw producten te kunnen maken of uw diensten te kunnen verlenen.

Voorbeelden van bedrijfsmiddelen zijn:

  • gebouwen, machines, auto’s, inventaris en andere duurzame zaken die u voor de bedrijfsvoering gebruikt (de materiële bedrijfsmiddelen)

  • vergunningen en andere niet-tastbare zaken die nut hebben voor de onderneming en waarvan het gebruik leidt tot een waardevermindering van de vergunningen (de immateriële bedrijfsmiddelen)

Omdat bedrijfsmiddelen een aantal jaren meegaan, mag u niet alle kosten aftrekken in het jaar van aanschaf. In plaats daarvan moet u afschrijven. Dat houdt in dat u de kosten verdeelt over de jaren waarin u het bedrijfsmiddel gebruikt. Elk jaar kunt u dus een deel van de kosten aftrekken. Koopt u een bedrijfsmiddel voor minder dan € 450? Dan trekt u het bedrag wel in 1 keer af als kosten.

Naar boven

7.4.1 Jaarlijkse afschrijving op bedrijfsmiddelen

De jaarlijkse afschrijving op bedrijfsmiddelen is maximaal 20% van de (oorspronkelijke) aanschaf- of voortbrengingskosten. Voor goodwill, gebouwen en terreinen gelden andere regels.

Voorbeeld
De aanschafwaarde van een computer is € 1.000. De levensduur van de computer is 3 jaar. De restwaarde is € 100.

De economische afschrijving is (€ 1.000 -/- € 100) / 3 = € 300 per jaar.

De fiscale afschrijving is echter maximaal 20% van € 1.000 = € 200 per jaar.

De beperking van de afschrijving geldt op jaarbasis. Op een bedrijfsmiddel dat halverwege een jaar wordt aangeschaft, kan daarom slechts de helft van het maximale afschrijvingsbedrag worden afgeschreven.

Naar boven

7.4.2 Afschrijving op goodwill

Goodwill is de contante waarde van de overwinst van de onderneming. Onder overwinst wordt dan verstaan: de normale jaarwinst verminderd met een reële arbeidsbeloning voor de ondernemer en een vergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal.

Overgenomen goodwill vormt een bedrijfsmiddel waarop maximaal 10% per jaar kan worden afgeschreven. Overgenomen goodwill is het bedrag dat u hebt betaald voor goodwill bij de overname van de onderneming.

Naar boven

7.4.3 Afschrijving op vergunningen, concessies en intellectuele eigendommen

Voorbeelden van vergunningen, concessies en intellectuele eigendommen zijn:

  • vervoersvergunningen

  • octrooi en patenten

  • auteursrechten

Deze moeten worden geboekt tegen de kostprijs of tegen de lagere bedrijfswaarde.

De uitgaven voor vergunningen, concessies en intellectuele eigendommen moet u toerekenen aan de jaren waarin ze zullen worden benut. Per jaar mag u van de aanschaf- of voortbrengingskosten maximaal 20% afschrijven. Houd bij de afschrijving rekening met de restwaarde.

Moet u voor de instandhouding van de vergunningen, intellectuele eigendommen en concessies periodiek betalingen doen, bijvoorbeeld jaarlijks? Dan mag u dat hele bedrag in het jaar van betaling van de winst aftrekken.

Naar boven

7.4.4 Afschrijving op gebouwen en terreinen

U bepaalt de afschrijving op gebouwen op basis van de (vermoedelijke) gebruiksduur en de (geschatte) restwaarde. Voor gebouwen wordt een gebruiksduur van 30 à 50 jaar verondersteld. Ook de bodemwaarde is van belang.

De bodemwaarde hangt af van de bestemming van het gebouw:

  • Voor gebouwen die bestemd zijn voor verhuur aan derden is de bodemwaarde gelijk aan de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2018.

  • Voor gebouwen in eigen gebruik is de bodemwaarde 50% van de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2018.

Voor de jaarlijkse afschrijving maakt het uit of u voor het gebouw de normale afschrijving toepast of de regeling Willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL).

Boekwaarde van gebouw is bodemwaarde of lager
U kunt niet meer afschrijven op gebouwen die al zijn afgeschreven tot de bodemwaarde. U kunt ook niet meer afschrijven op gebouwen die voor 2007 zijn afgeschreven tot een boekwaarde die onder de bodemwaarde ligt. Deze gebouwen hoeft u niet meer op te waarderen tot de bodemwaarde. Deze gebouwen behouden de boekwaarde die ze hadden aan het einde van het vorige boekjaar.

Terreinen
Terreinen slijten niet. Daarom kunt u daar niet op afschrijven. U kunt wel afschrijven op verbeteringen aan de terreinen, zoals drainage, damwanden en dergelijke.

Naar boven

7.4.5 Willekeurige afschrijving

Willekeurig afschrijven betekent dat u naast de gewone afschrijving zelf bepaalt hoe en wanneer u een bedrijfsmiddel afschrijft. Dit kan u een liquiditeits- en rentevoordeel opleveren. Net als bij gewone afschrijving, mag de boekwaarde van het bedrijfsmiddel niet lager worden dan de restwaarde.

De willekeurige afschrijving geldt voor bepaalde milieubedrijfsmiddelen (de VAMIL-regeling) en voor zeeschepen.

Let op!

In bepaalde situaties moet u de willekeurige afschrijving terugnemen. Hiermee kunt u voorkomen dat u een verlies niet kunt verrekenen (verdampen van verliezen).

Uitgezonderde bedrijfsmiddelen
Willekeurige afschrijving geldt niet voor alle bedrijfsmiddelen. Enkele bedrijfsmiddelen waarop u niet willekeurig kunt afschrijven zijn:

  • gebouwen en woonschepen

  • bromfietsen en motorrijwielen

  • personenauto's (behalve taxi's)

  • dieren

  • wegen, paden, bruggen, tunnels en dergelijke

  • immateriële activa (goodwill, octrooien, vergunningen)

Bedrijfsmiddelen die u ter beschikking stelt aan derden, kunt u ook niet willekeurig afschrijven. Maar bedrijfsmiddelen die bestemd zijn voor korte verhuur, kunt u wel willekeurig afschrijven. Denk bijvoorbeeld aan speciaal gereedschap, aanhangwagens en hoogwerkers die u verhuurt.

Naar boven
7.4.5.1 Willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL)

Milieubedrijfsmiddelen kunt u voor 75% willekeurig afschrijven. Op het restant past u de normale afschrijving toe.

Door de regeling willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL) kunt u vrij afschrijven op een investering. Door sneller af te schrijven, vermindert u de fiscale winst. Doel van de VAMIL is het stimuleren van de marktintroductie van milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen.

U kunt de VAMIL-regeling alleen toepassen, als u dit hebt gemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voordat u de investering hebt gedaan.

Gebouwen die een VAMIL-milieubedrijfsmiddel zijn, kunt u voor 75% willekeurig afschrijven. Op het restant past u de normale afschrijving toe.

Het jaar waarin u het gebouw hebt gekocht, bepaalt of de afschrijving is beperkt tot de bodemwaarde:

  • gebouw gekocht in 2007 of 2008

    De afschrijving is beperkt. De boekwaarde mag door de afschrijving niet lager worden dan de bodemwaarde.

  • gebouw gekocht voor 2007 of na 2008

    Er geldt geen beperkte afschrijving. Dit betekent dat de boekwaarde wél lager mag zijn dan de bodemwaarde.

Geen beperkte afschrijving voor milieubedrijfsmiddelen

Er geldt geen beperkte afschrijving meer voor VAMIL-milieubedrijfsmiddelen die u op of na 1 januari 2009 hebt gekocht. Dit betekent dat de boekwaarde van een gebouw dat een VAMIL-milieubedrijfsmiddel is, wél lager mag zijn dan de bodemwaarde.

Als u in het kalenderjaar 2007 of 2008 onroerende zaken hebt aangeschaft, moet u (ook in latere jaren) rekening blijven houden met de bodemwaarde.

U vindt meer informatie over de milieu-investeringsaftrek in de brochure 'Milieulijst'. Deze brochure kunt u downloaden van rvo.nl.

Meldingsprocedure

Wilt u gebruikmaken van de regeling willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL)? Dan moet u dit vooraf melden. U meldt uw investeringen voor de VAMIL binnen 3 maanden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Kijk voor meer informatie op rvo.nl.

Naar boven
7.4.5.2 Terugnemen willekeurige afschrijving

Gaat u het bedrijfsmiddel waarop willekeurig is afgeschreven verhuren binnen 5 jaar na het begin van het kalenderjaar waarin u de investering deed? Dan moet u de willekeurige afschrijving terugnemen. U moet dan de boekwaarde van het bedrijfsmiddel aanpassen. De boekwaarde bepaalt u op basis van de waarde die het bedrijfsmiddel gehad zou hebben als u niet willekeurig had afgeschreven. Het aanpassen van de boekwaarde leidt meestal tot een hogere fiscale winst.

Naar boven

7.5 Zakelijke kosten

Sommige kosten mag u aftrekken van uw winst uit onderneming. Hiervoor gelden de volgende regels:

  • Zakelijke kosten mag u helemaal aftrekken.

    Dit zijn kosten die binnen redelijke grenzen nodig zijn voor de uitoefening van uw werk, bijvoorbeeld vakliteratuur.

  • Kosten die geen zakelijk karakter hebben, mag u niet aftrekken.

  • Van kosten die een zakelijk én privékarakter hebben, mag u alleen het zakelijk deel aftrekken.

  • Voor sommige kosten geldt een drempel, een normering of een aftrekbeperking. Welke kosten dat zijn, leest u hieronder.

  • Eventuele vergoedingen die u krijgt voor zakelijke kosten, telt u bij uw inkomsten.

Hebt u een werkruimte die u gebruikt voor uw overig werk? Dan mag u alleen onder voorwaarden de kosten voor deze werkruimte aftrekken. Zie 'Aftrek kosten werkruimte'.

Naar boven

7.5.1 Deels aftrekbare kosten

Deels aftrekbare kosten zijn bijvoorbeeld:

  • verhuiskosten als u om een zakelijke reden die kosten maakt
    U mag alleen de kosten aftrekken die u maakt om de inboedel te verhuizen naar een andere woonruimte. Daarnaast mag u een vast bedrag van € 7.750 aftrekken.

  • kosten van huisvesting buiten de woonplaats gedurende maximaal 2 jaar

  • kosten van privévervoermiddelen
    U mag een vast bedrag van € 0,19 per zakelijk gereden kilometer aftrekken. Het maakt daarbij niet uit welk privévervoermiddel u gebruikt.

  • een gebruiksvergoeding voor privébezittingen (geen vervoermiddelen) die u zakelijk gebruikt
    Deze vergoeding is beperkt. U mag maximaal het bedrag van het voordeel uit sparen en beleggen aftrekken dat voor deze bezittingen geldt. U hoeft daarbij geen rekening te houden met het heffingsvrij vermogen. Bijvoorbeeld: u hebt voor uw inkomsten uit overig werk een afzonderlijke garage (geen onderdeel van de eigen woning) gebruikt. De garage heeft een waarde van € 30.000 en valt in box 3. U gebruikt de garage 3 maanden. Het percentage om uw voordeel in box 3 te berekenen is 5,60%. De aftrek is dan 5,60% van € 30.000 = € 1.680 x 3/12 = € 420.

  • een gebruiksvergoeding voor privé gehuurde zaken (geen vervoermiddelen) die u zakelijk gebruikt
    U mag de kosten aftrekken van het deel dat u zakelijk gebruikt. Het gaat hier om het deel van de huurprijs en eventuele andere huurderslasten.

  • pensioenpremies die u betaalt aan een beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling waaraan u verplicht deelneemt op grond van 1 van de volgende wetten:

    • de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

    • de Wet op het notarisambt

    • de Wet verplichte beroepspensioenregeling

    U mag de verplichte premies aftrekken als u voldoet aan de volgende voorwaarde: uw pensioenopbouw is maximaal 1,875% van het pensioengevend inkomen volgens het middelloonstelsel met een maximum van € 2.018.
    De premies voor de vrijwillige aanvulling mag u aftrekken voor maximaal 1/3 van de verplichte premies.

Naar boven

7.5.2 Kosten met een drempel

Voor sommige kosten geldt een drempel van € 4.600. U mag alleen het bedrag boven deze drempel aftrekken. Deze drempel geldt voor de volgende kosten:

  • kosten voor voeding, drank en genotsmiddelen

  • kosten voor representatie zoals recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak

  • kosten voor onder meer congressen, seminars, symposia, excursies en studiereizen
    Hierbij horen ook uw reis- en verblijfskosten voor congressen en dergelijke. U mag voor deze reis- en verblijfskosten maximaal € 1.500 aftrekken. Was het voor uw werk noodzakelijk om een congres en dergelijke bij te wonen? Dan geldt dit maximum niet.

U mag er bij de aangifte ook voor kiezen om het totaal van deze kosten voor 80% af te trekken. U hoeft deze kosten dan niet te verminderen met € 4.600.

Naar boven

7.5.3 Aftrek kosten werkruimte

Maakt u kosten voor een werkruimte die u gebruikt voor uw inkomsten uit overig werk? Dan mag u deze kosten alleen aftrekken als u voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

  • De werkruimte is een zelfstandig deel van de woning en wordt gebruikt om uw inkomsten te verdienen.
    Zelfstandig wil zeggen dat de ruimte duidelijk te onderscheiden is van de rest van de woning door uiterlijke kenmerken, zoals een eigen opgang of ingang. Daarnaast zijn ook de voorzieningen in de werkruimte van belang, zoals eigen sanitair.

  • Als u niet ergens anders een werkruimte hebt, moet u minimaal 30% van het totaal van uw winst uit onderneming, belastbaar loon (inkomsten uit loondienst, pensioen en uitkeringen) en resultaat uit overig werk in de werkruimte verdienen. Ook moet u minimaal 70% van die inkomsten in of vanuit de werkruimte verdienen.

  • Als u wel ergens anders over werkruimte beschikt, moet u minimaal 70% van het totaal van uw winst uit onderneming, belastbaar loon (inkomsten uit loondienst, pensioen en uitkeringen) of resultaat uit overig werk verdienen in de werkruimte waarvoor u de kosten wilt aftrekken.

Naar boven

7.5.4 Niet-aftrekbare kosten

De volgende kosten mag u niet aftrekken van uw inkomsten uit overig werk:

  • abonnementen voor telefoonaansluitingen in de woonruimte

  • kleding, met uitzondering van werkkleding

  • kosten van persoonlijke verzorging

  • ingehouden loonbelasting, premies voor volksverzekeringen, premies voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

  • een vergoeding voor het werk van uw fiscale partner als deze lager is dan € 5.000
    Is de vergoeding € 5.000 of hoger? Dan is het hele bedrag aftrekbaar.

  • kosten van muziekinstrumenten, geluidsapparatuur, gereedschappen, computers, beeldapparatuur en dergelijke als deze horen bij uw privévermogen of als u deze privé huurt.

  • standsuitgaven, zoals het lidmaatschap van een serviceclub of de Rotary

  • kosten van vaartuigen voor representatieve doeleinden

  • geldboetes die een strafrechter heeft opgelegd en geldsommen om strafvervolging te voorkomen

  • boetes en verhogingen die zijn opgelegd bij de heffing van belastingen en premies

  • boetes opgelegd door de Autoriteit Consument & Markt (ACM)

Naar boven

7.5.5 Hoe verwerkt u de gedeeltelijk of niet-aftrekbare kosten?

Hebt u winst uit onderneming? Dan zijn er verschillende methoden om uw gedeeltelijk of niet-aftrekbare kosten te verwerken in de administratie en aangifte van uw onderneming:

  • U boekt de niet-aftrekbare kosten en het niet-aftrekbare gedeelte van uw kosten als privékosten. Bij het opmaken van de jaarrekening hoeft u geen correctie toe te passen.

  • U boekt de niet-aftrekbare kosten en het niet-aftrekbare gedeelte van uw kosten volledig als kosten op de winst-en-verliesrekening. Bij het opmaken van de jaarrekening past u een correctie toe voor de niet-aftrekbare kosten of het niet-aftrekbare deel van de kosten.

  • Is er sprake van een drempelbedrag? Dan kunt u alleen de kosten die boven de drempel uitkomen, opnemen in de winst-en-verliesrekening.

Naar boven

7.6 Activa

De activa (bezittingen) van een onderneming bestaan uit:

  • immateriële vaste activa

  • materiële vaste activa

  • financiële vaste activa

  • voorraden

  • vorderingen

  • effecten

  • liquide middelen

Naar boven

7.6.1 Materiële vaste activa

Materiële vaste activa zijn bedrijfsmiddelen die, als duurzame kapitaalgoederen, het vaste kapitaal van het bedrijf vormen. De kosten van aanschaf of voortbrenging van deze bedrijfsmiddelen moet u daarom activeren op de balans en afschrijven.

Tot de materiële vaste activa behoren niet:

  • goederen waarvan de kosten tot de lopende uitgaven van uw onderneming zijn te rekenen

  • goederen die zijn bestemd voor de omzet

Kosten van aanschaf, voortbrenging en verbetering van bedrijfsmiddelen
Bij de aanschafprijs horen ook de kosten voor het bedrijfsklaar maken van een bedrijfsmiddel en alle kosten die verbonden zijn met de aanschaf. Ook de kosten van verbetering van het bedrijfsmiddel moet u op de balans activeren en vervolgens afschrijven. Huurt u bijvoorbeeld een gebouw en hebt u kosten gemaakt voor de verbetering daarvan? Dan moet u deze kosten zelf activeren en afschrijven.

Waardering van bedrijfsmiddelen
Bedrijfsmiddelen en andere bezittingen waardeert u tegen de aanschafprijs min de afschrijving: de boekwaarde. Dit geldt niet als u aannemelijk maakt dat de bedrijfswaarde duurzaam lager is dan deze boekwaarde.

Omstandigheden die al bekend waren bij het investeren in een bedrijfsmiddel, kunnen geen aanleiding geven voor een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde. De bedrijfswaarde (going-concernwaarde) is de waarde van het object onder de geldende omstandigheden.

De waarde van een bedrijfsmiddel kan ook lager zijn als u een herinvesteringsreserve hebt afgeboekt op het bedrijfsmiddel. Zie 'Herinvesteringsreserve'.

Naar boven

7.6.2 Voorraden

Voorraden zijn zaken die in een bedrijf aanwezig zijn om te bewerken of te verkopen en die bestemd zijn voor de omzet. Hierin zijn voorraden anders dan bedrijfsmiddelen en andere bezittingen.

Voorraden zijn bijvoorbeeld:

  • grond- en hulpstoffen

  • onderhanden werk

  • gereed product en handelsgoederen

  • vooruitbetaald bedrag op voorraden

  • agrarische voorraden

Waarderingssystemen
Voor de waardering van voorraden moet u een waarderingssysteem toepassen. Dit systeem moet leiden tot een winstbepaling in overeenstemming met goed koopmansgebruik. Enkele belangrijke waarderingssystemen die u kunt toepassen voor grondstoffen, halffabricaten en handelszaken:

  • waardering op kostprijs of lagere marktwaarde

  • ijzerenvoorraadstelsel

  • LIFO-stelsel

  • FIFO-stelsel

Agrarische voorraden
De winst op agrarische voorraden bepaalt u volgens de Landelijke Landbouwnormen. U mag afwijken van de vastgestelde normen als u aannemelijk kunt maken dat de normen te hoog zijn vastgesteld, gelet op uw specifieke situatie. Zie 'Agrarische onderneming' in het hoofdstuk 'Winst uit onderneming'.

Naar boven

7.7 Passiva

De passiva van een onderneming bestaan uit:

  • het ondernemingsvermogen

  • de terugkeerreserve

  • voorzieningen

  • langlopende schulden

  • kortlopende schulden

Naar boven

7.7.1 Ondernemingsvermogen

Het ondernemingsvermogen bestaat uit:

  • het eigen vermogen

  • de egalisatiereserve

  • de herinvesteringsreserve

  • de oudedagsreserve

Naar boven
7.7.1.1 Egalisatiereserve

U mag een egalisatiereserve vormen voor kosten en lasten van de bedrijfsuitoefening van dit boekjaar die pas in een later jaar tot een piek in de uitgaven leiden.

De voorwaarden voor het vormen van de egalisatiereserve zijn:

  • Het gaat om toekomstige uitgaven wegens kosten.

  • De kosten worden verdeeld in de toekomst uitgegeven.

  • De kosten zijn noodzakelijk geworden door de bedrijfsuitoefening in het jaar van dotatie (toevoeging).

  • De kosten die in een bepaald jaar zijn opgeroepen, leiden in een komend jaar tot een piek in de uitgaven.

  • Er is een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven zich zullen voordoen.

Het gaat bijvoorbeeld om onderhoudskosten aan een gebouw, waarbij het daadwerkelijke onderhoud periodiek in de loop van een aantal jaren plaatsvindt.

Let op!

  • Het gaat hierbij niet om kosten voor toekomstige aanschaf of verbetering van bedrijfsmiddelen. Deze uitgaven voor aanschaf of verbetering van een bedrijfsmiddel brengt u namelijk al in mindering op de winst door de jaarlijkse afschrijving op dit bedrijfsmiddel.

  • Hebt u een cv in de zeescheepvaart- of filmindustrie? Dan mag u geen egalisatiereserve vormen.

Te reserveren bedrag
Het bedrag dat u mag reserveren, hangt af van de schatting van de hoogte van de kosten en het tijdstip waarop u de kosten maakt. Blijkt achteraf dat de schatting te hoog is uitgevallen? Dan moet u het overschot in de winst opnemen. De jaarlijkse toevoeging hoeft niet altijd gelijk te zijn. Deze kan bijvoorbeeld wijzigen als de kosten stijgen of de periode verandert.

Reserve per bedrijfsmiddel
U mag een aparte reserve vormen per bedrijfsmiddel. Het is ook mogelijk dat u een reserve vormt per object, bijvoorbeeld voor onderhoud dat eens per 10 jaar en onderhoud dat eens per 15 jaar moet worden verricht. In de balans vermeldt u de boekwaarde van het totaal van de afzonderlijke egalisatiereserves.

Afname van de reserve
In het jaar waarin u de kosten (van bijvoorbeeld het onderhoud) maakt, boekt u de kosten af op de egalisatiereserve. Als de reserve hoger is dan de gemaakte kosten, dan moet u het restant van de reserve opnemen in de winst. Zijn de kosten hoger dan de gevormde reserve, dan trekt u de hogere kosten in 1 keer af van de winst.

U moet de reserve ook in de winst opnemen als het doel waarvoor de reserve ooit is gevormd, is komen te vervallen. Dit is bijvoorbeeld het geval als u het bedrijfsmiddel verkoopt waarvoor u de reserve had gevormd, of als het bedrijfsmiddel verloren gaat.

Naar boven
7.7.1.2 Herinvesteringsreserve

U mag boekwinst op bedrijfsmiddelen opnemen in de herinvesteringsreserve. De voorwaarde hiervoor is dat u op de balansdatum een voornemen hebt om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. U neemt dan de boekwinst van het verkochte bedrijfsmiddel niet op in de fiscale winst, maar voegt deze toe aan de herinvesteringsreserve. Zo voorkomt u dat er direct belasting wordt geheven over die boekwinst.

Let op!

Hebt u een cv in de zeescheepvaart- of filmindustrie? Dan mag u geen herinvesteringsreserve vormen.

Afname herinvesteringsreserve
Gaat u vervolgens herinvesteren? U moet dan de gereserveerde boekwinst meteen afboeken op de aanschafprijs van het aangeschafte bedrijfsmiddel. Door deze afboeking mag de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel niet lager worden dan de boekwaarde van het vervreemde bedrijfsmiddel op het moment van vervreemding. Het restant van de reserve kunt u afboeken op een eventuele volgende investering die u binnen de herinvesteringstermijn doet.

De afboeking verlaagt de afschrijving van het nieuwe bedrijfsmiddel.

Voorbeeld
De hoogte van uw herinvesteringsreserve is € 5.000. U investeert voor € 30.000 in een nieuw bedrijfsmiddel. De restwaarde van dit bedrijfsmiddel is € 10.000. De afschrijving is 20% per jaar.

De afschrijving per jaar bedraagt dan 20% van (€ 30.000 - € 5.000 - € 10.000) = € 3.000. Als u geen herinvesteringsreserve had, zou de afschrijving 20% van (€ 30.000 - € 10.000) = € 4.000 zijn.

Verzekeringsuitkering voor verdwenen of beschadigd bedrijfsmiddel
Ontvangt u een verzekeringsuitkering voor een verdwenen of beschadigd bedrijfsmiddel? Dan mag u de eventuele boekwinst gebruiken als afboeking op de kostprijs van een nieuw bedrijfsmiddel. Ook dan mag de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel niet dalen onder de boekwaarde van het oude bedrijfsmiddel.

Uitzondering verplicht afboeken herinvesteringsreserve
Op het verplicht afboeken van de herinvesteringsreserve bestaat een uitzondering. De herinvesteringsreserve die ontstaat door de vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop u niet afschrijft, of waarop u in meer dan 10 jaar afschrijft, hoeft u namelijk pas af te boeken als u een bedrijfsmiddel aanschaft met eenzelfde economische functie als het vervreemde bedrijfsmiddel. U bent bijvoorbeeld niet verplicht de herinvesteringsreserve van een verkocht bedrijfspand af te boeken op de aanschaf van een computer. Maar het mag wel.

Schaft u een bedrijfsmiddel aan waarop u niet afschrijft, of waarop u in meer dan 10 jaar afschrijft? Dan mag u hier niet zomaar uw herinvesteringsreserve op afboeken. U mag op deze investering alleen een herinvesteringsreserve afboeken die is ontstaan door de vervreemding van een bedrijfsmiddel met eenzelfde economische functie als het aangeschafte bedrijfsmiddel. U mag dus niet de gereserveerde boekwinst op bijvoorbeeld een computer afboeken op de aanschafkosten van een pand.

Vrijval herinvesteringsreserve
U moet de herinvesteringsreserve (of het restant daarvan) toevoegen aan de winst op het moment dat u niet meer van plan bent om te herinvesteren. Zo vindt alsnog belastingheffing over de boekwinst plaats.

De reserve (of het restant daarvan) valt ook vrij als er 3 jaar verstreken zijn na het boekjaar waarin u de reserve hebt gevormd en u nog niet een herinvestering hebt gedaan. U kunt deze termijn van 3 jaar verlengen als:

  • voor de herinvestering een langer tijdvak vereist is in verband met de aard van de bedrijfsmiddelen die u wilt aanschaffen of voortbrengen

  • de herinvestering door bijzondere omstandigheden is vertraagd

Voorwaarde hierbij is dat de uitvoering van de aanschaf of voortbrenging al is gestart.

Naar boven
7.7.1.3 Oudedagsreserve

Als ondernemer mag u jaarlijks een deel van de winst reserveren voor uw oudedagsvoorziening. Dat gereserveerde deel heet de oudedagsreserve. Het vormen van een oudedagsreserve betekent niet dat u daadwerkelijk geld opzij zet: het is een reservering van een deel van de winst. Deze reservering zorgt voor uitstel van belastingheffing over dat deel van de winst. Dit levert u dus op de korte termijn belastingvoordeel op.

Let op!

Hebt u een cv in de zeescheepvaart- of filmindustrie? Dan mag u geen oudedagsreserve vormen.

U kunt uw oudedagsvoorziening regelen door bijvoorbeeld de aankoop van een lijfrente bij een verzekeraar. De oudedagsreserve neemt af als u voor (een deel van) de reserve een lijfrente aankoopt. Het bedrag waarmee de reserve afneemt, is belastbare winst. Daar staat tegenover dat u de premie voor de aangekochte lijfrente kunt aftrekken.

Toevoeging oudedagsreserve
U kunt elk jaar aan de oudedagsreserve toevoegen, maar dit is niet verplicht. U mag alleen aan uw oudedagsreserve toevoegen als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • U bent ondernemer.

  • U voldoet aan het urencriterium. Zie 'Urencriterium' in het hoofdstuk 'Ondernemersaftrek en investeringsaftrek'.

  • U hebt nog niet de AOW-leeftijd bereikt.

De toevoeging is een percentage van de winst. Voor 2019 is de toevoeging aan de oudedagsreserve 9,44% van de winst die u als ondernemer in Nederland hebt behaald. De maximale toevoeging is € 8.999. De toevoeging wordt verminderd met de pensioenpremies die ten laste van de winst komen. De oudedagsreserve mag door de toevoeging niet uitkomen boven het ondernemingsvermogen. U moet zelf de toevoeging aan de oudedagsreserve berekenen.

Berekening toevoeging oudedagsreserve

U berekent de toevoeging oudedagsreserve als volgt:

  1. Corrigeer het winstbedrag uit de winst-en-verliesrekening (Saldo winst-en-verliesrekening: fiscaal) met de volgende posten:

    Bijtelling maximumverliesbepaling vorig boekjaar

    -/-

    Bijtelling maximumverliesbepaling dit boekjaar

    +

    Vrijgestelde winstbestanddelen

    -/-

    Niet- of gedeeltelijk aftrekbare kosten en lasten

    +

    Boetes die niet aftrekbaar zijn

    +

    Bijtelling winst zeescheepvaart (niet voor een  zeescheepvaart-cv)

    +

    Saldo van de investeringsregelingen

    + of 
    -/-

    Wijziging egalisatiereserve

    + of
    -/-

    Wijziging herinvesteringsreserve

    + of
    -/-

    Premies of bijdragen voor pensioenregelingen die van de winst uit

    onderneming 2019 zijn afgetrokken

    +

    Het resultaat van deze correcties vormt de grondslag voor de berekening van de toevoeging aan de oudedagsreserve.

  2. Neem 9,44% van het berekende bedrag met een maximum van € 8.999.

  3. Verminder het resultaat met de premies of bijdragen voor pensioenregelingen die in het boekjaar van de winst uit onderneming zijn afgetrokken.

Negatieve oudedagsreserve

Het kan zijn dat de toevoeging aan de oudedagsreserve negatief uitkomt door het bedrag van de premies voor pensioenregelingen. In dat geval wordt de toevoeging oudedagsreserve nihil. Het saldo van de oudedagsreserve hoeft dan niet verlaagd te worden in de balans.

Let op!

Voor sommige branches geldt een verplichte deelname aan een pensioenfonds. Bel de BelastingTelefoon (0800-0543) voor meer informatie.

Extra toevoeging aan de oudedagsreserve

U mag de toevoeging aan de oudedagsreserve onder bepaalde voorwaarden verhogen. Bijvoorbeeld in de volgende situaties:

  • In het afgelopen kalenderjaar is het bedrag van de oudedagsreserve afgenomen omdat uw ondernemingsvermogen aan het einde van het jaar onvoldoende was. Inmiddels is het ondernemingsvermogen weer voldoende om een toevoeging van de oudedagsreserve mogelijk te maken.

  • U ontvangt belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen. U mag de oudedagsreserve verhogen met het bedrag van de termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening voor zover de voor de voorziening betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.

  • U hebt uw eenmanszaak eerder ingebracht in een besloten vennootschap. Daarbij hebt u uw oudedagsreserve (voor een deel) omgezet in een lijfrente bij de bv. In het huidige boekjaar wordt uw onderneming weer omgezet in een eenmanszaak. De lijfrente bij de besloten vennootschap moet dan weer opgeheven worden. In het huidige boekjaar geeft u in uw aangifte inkomstenbelasting de waarde van de lijfrente aan als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. U mag de oudedagsreserve verhogen met het bedrag van deze negatieve uitgaven voor inkomensvoorziening.
    Let op! Het gaat hier om het bedrag aan oudedagsreserve dat u eerder hebt omgezet in een lijfrentevordering.

Maximum extra toevoeging oudedagsreserve

De extra toevoeging aan de oudedagsreserve is maximaal het verschil tussen het bedrag van het ondernemingsvermogen aan het einde van het boekjaar en het bedrag van de oudedagsreserve aan het begin van het boekjaar.

Extra toevoeging na afname oudedagsreserve in vorig boekjaar bij staking onderneming

In het actuele boekjaar kunt u een extra toevoeging aan de oudedagsreserve realiseren als in het vorige boekjaar de oudedagsreserve is afgenomen na staking van (een deel van) uw onderneming. U realiseert deze extra toevoeging als volgt:

  1. Bereken eerst de (standaard)toevoeging aan de oudedagsreserve. Voor de toevoeging aan de oudedagsreserve van dit boekjaar geldt in totaal een maximum van € 8.999, verminderd met uw beroepspensioenpremie.

  2. Verhoog de berekende toevoeging oudedagsreserve met de extra toevoeging.

In de volgende situatie is de extra toevoeging bij staking niet van toepassing:

  • U hebt meer dan 1 onderneming.

  • Uw oudedagsreserve is in het vorige boekjaar per saldo niet afgenomen, omdat u de oudedagsreserve hebt overgeheveld van de gestaakte onderneming naar een andere onderneming.

Hoogte van extra toevoeging oudedagsreserve bij staking

De hoogte van een extra toevoeging oudedagsreserve bij staking is in principe gelijk aan het bedrag waarmee de oudedagsreserve in het vorige jaar is afgenomen vanwege onvoldoende ondernemingsvermogen. Door deze extra toevoeging mag de oudedagsreserve niet uitkomen boven het 'eigen vermogen' van de onderneming.

Afname oudedagsreserve

In de volgende situaties neemt de oudedagsreserve af of wordt deze opgeheven:

  • U koopt een lijfrente voor een inkomensvoorziening en u verzoekt ons om de oudedagsreserve met dat bedrag te laten afnemen.

  • Het bedrag van de oudedagsreserve is hoger dan het ondernemingsvermogen, terwijl van 1 van de volgende situaties sprake is:

    • U staakt de onderneming geheel of gedeeltelijk.

    • U hebt op 1 januari van het kalenderjaar de AOW-leeftijd bereikt.

    • U voldoet dit kalenderjaar en het vorige kalenderjaar niet aan het urencriterium. Zie 'Urencriterium' in het hoofdstuk 'Ondernemersaftrek en investeringsaftrek'.

Met ondernemingsvermogen bedoelen we het eigen vermogen plus de oudedagsreserve (maar zonder de egalisatiereserve en de herinvesteringsreserve). Het bedrag van de oudedagsreserve kan hoger zijn dan het ondernemingsvermogen, als uw eigen vermogen negatief is.-

Voorbeeld

Activa

€ 6.000

Eigen vermogen

€ - 1.000

 
   

Oudedagsreserve

€ 4.000

 
   

Crediteuren

€ 3.000

 

Totaal

€ 6.000

 

€ 6.000

 

In dit voorbeeld is het ondernemingsvermogen (eigen vermogen + oudedagsreserve) € 3.000. De oudedagsreserve is € 4.000. Dit betekent dat de oudedagsreserve met € 1.000 moet afnemen.

Een afname of opheffing van uw oudedagsreserve betekent in principe dat u een hogere winst hebt. Tegenover de winstbijtelling staat de aftrek van het bedrag dat u betaalt bij de aankoop van een lijfrente.

Naar boven

7.7.2 Terugkeerreserve

Er is een regeling om zonder fiscale gevolgen een naamloze of besloten vennootschap om te zetten in een eenmanszaak, maatschap of vennootschap onder firma. De bestaande aanmerkelijkbelangclaim (toekomstige belasting over de niet-uitgekeerde winstreserves van de vennootschap) wordt met deze regeling doorgeschoven naar de nieuwe onderneming. Dit gebeurt met een terugkeerreserve, die positief of negatief kan zijn. Een eventueel verschil tussen de claims wordt verrekend op het moment dat (een gedeelte van) de nieuwe onderneming wordt gestaakt.

Voor deze regeling gelden de volgende voorwaarden:

  • De hele onderneming van de vennootschap wordt voortgezet.

  • Alle aandeelhouders zetten de over te brengen onderneming voort.

  • De vennootschap wordt geliquideerd.

Wilt u deze regeling toepassen? Geef dit dan aan ons door.

Let op!

Deze mogelijkheid geldt niet voor cv's in de zeescheepvaart- of filmindustrie.

Naar boven

7.7.3 Voorzieningen

7.7.3.1 Garantievoorziening

Bestaat op de balansdatum een reële kans dat uw onderneming zal worden aangesproken voor een verleende garantie? Dan mag u daarvoor een garantievoorziening opvoeren. De grootte van de voorziening kunt u meestal bepalen aan de hand van de bedragen waarvoor de onderneming in het verleden is aangesproken.

Naar boven
7.7.3.2 Overige voorzieningen

U mag ook andere voorzieningen opvoeren. Het kan gaan om een:

  • lijfrentevoorziening

  • pensioenvoorziening

  • VUT-voorziening

  • oudedagsverplichting

  • milieuvoorziening

Lijfrentevoorziening

Ga bij het berekenen van de hoogte van de lijfrentevoorziening uit van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen en van een rekenrente van ten minste 4%.

Pensioenvoorziening

U hebt een pensioenvoorziening gevormd als u een pensioentoezegging hebt gedaan aan uw personeel. U berekent de voorziening naar actuariële grondslagen.

Vanaf 1 juli 2017 kunt u niet langer in eigen beheer pensioen opbouwen. U kunt ook geen bedragen meer toevoegen aan pensioenvoorzieningen die u eerder in eigen beheer hebt gevormd.

VUT-voorziening

U hebt een VUT-voorziening gevormd als u in het verleden een VUT-recht of prepensioen hebt toegezegd aan uw personeel. De voorziening is toegestaan voor personen die:

  • in 2004 al een uitkering ontvingen

  • op 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren en voor wie de voorziening al op 31 december 2004 bestond

U berekent de voorziening naar actuariële grondslagen.

Oudedagsverplichting

Het gaat om de situatie dat u een pensioenverplichting in eigen beheer hebt omgezet in een oudedagsverplichting

Milieuvoorziening

Is uw onderneming veroordeeld voor bodem- of milieuverontreiniging? Dan is er sprake van een juridisch afdwingbare verplichting. Deze verplichting moet u volgens goed koopmansgebruik waarderen. Het kan ook zijn dat u een voorziening moet vormen voor sanering van milieuverontreiniging, bijvoorbeeld als er een procedure is aangespannen waarin u aansprakelijk bent gesteld voor de kosten van bodemsanering.

Naar boven