Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

15.00.00 Algemene bepalingen bijzondere regelingen

6 Overige algemene bepalingen bijzondere regelingen

6.1 Plaatsing onder de regeling

Voor alle goederen die bestemd zijn om onder een bijzondere regeling te worden geplaatst, moet een douaneaangifte tot plaatsing onder de desbetreffende regeling worden gedaan.
(artikel 158, lid 1 DWU)

De plaatsing van goederen onder een bijzondere regeling kan worden gedaan door een douaneaangifte tot plaatsing in de standaard procedure of in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever. Voor een douaneaangifte tot plaatsing in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever moet een afzonderlijke vergunning zijn verleend.

Let op!

De vergunning inschrijving in de administratie van de aangever kan bij plaatsing van goederen onder de regeling passieve veredeling alleen worden gebruikt als:

  • de goederen worden genoemd in artikel 245, lid 1 GVo.DWU (voor deze goederen wordt afgezien van de verplichting tot indiening van de gegevens die nodig zijn voor een risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden);

  • het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hetzelfde zijn; en

  • geen sprake is van accijnsgoederen.

Voor de regeling passieve veredeling gelden dezelfde voorwaarden als voor de regeling uitvoer en wederuitvoer.
(artikel 150, lid 4 en lid 5 GVo.DWU)

In een aantal specifieke gevallen mag een douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling tijdelijke invoer mondeling worden gedaan of door een andere handeling.
(artikel 136 en artikel 139 GVo.DWU)

Aangezien de aanvaarding van een douaneaangifte tot plaatsing onder een bijzondere regeling bijzondere verplichtingen (zoals zuivering van de regeling binnen de aanzuiveringstermijn) met zich meebrengt moet die aangifte door de vergunninghouder zelf worden ingediend. De douaneaangifte tot plaatsing kan ook door zijn vertegenwoordiger worden ingediend.
(artikel 170, lid 1 DWU)

De persoon die de douaneaangifte doet of voor wiens rekening die aangifte wordt gedaan, wordt de houder van de regeling genoemd.
(artikel 5, lid 35 DWU)

Zie voor informatie over vertegenwoordiging bij de Douane onderdeel 2.00.00 van dit Handboek.

Zie voor informatie over plaatsing van goederen onder een douaneregeling onderdeel 12.00.00 van dit Handboek.

Zie voor informatie over de vergunning inschrijving in de administratie van de aangever onderdeel 12.50.00 van dit Handboek.

Naar boven

6.2 Zuivering van de regeling

Zuivering van een bijzondere regeling houdt in dat de onder de regeling geplaatste goederen (of de veredelingsproducten in het geval van actieve veredeling en passieve veredeling):

  • onder een volgende douaneregeling worden geplaatst;

  • het douanegebied van de Unie verlaten;

  • vernietigd zijn zonder afvalresten; of

  • aan de staat worden afgestaan. Het afstaan aan de staat kent in Nederland geen toepassing.

(artikel 215, lid 1 DWU)

In het geval van de regeling bijzondere bestemming is de regeling gezuiverd (het douanetoezicht eindigt) op het tijdstip dat de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming hebben gekregen.
(artikel 254, lid 4 letter a DWU)

Een bijzondere regeling moet binnen een bepaalde termijn worden gezuiverd. Dit is de zogenaamde aanzuiveringstermijn.
(artikel 215, lid 4 DWU en artikel 1, lid 23 GVo.DWU)

Let op!

Goederen kunnen gedurende een onbeperkte periode onder de regeling douane-entrepot blijven.
(artikel 238, lid 1 DWU)

First in first out

Als de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst door middel van twee of meer douaneaangiften maar op grond van dezelfde vergunning, dan vindt de aanzuivering van de regeling in principe plaats op basis van “first in-first out” (het FIFO–systeem).

Het FIFO-systeem wordt alleen gebruikt als de goederen:

  • onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld;

  • dezelfde handelskwaliteit hebben;

  • dezelfde technische kenmerken hebben; en

  • hetzelfde land van oorsprong of herkomst hebben.

Wordt de bijzondere regeling aangezuiverd door de goederen te plaatsen onder een volgende douaneregeling, dan wordt deze plaatsing beschouwd als de zuivering voor de goederen die met de oudste douaneaangifte onder de bijzondere regeling zijn geplaatst.

Voor de regeling bijzondere bestemming geldt dat als de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming hebben gekregen, dit wordt beschouwd als de zuivering voor de goederen die met de oudste douaneaangifte onder de regeling zijn geplaatst.

(artikel 264, lid 1 UVo. DWU)

Voorbeeld 1

Een bedrijf beschikt over een vergunning actieve veredeling om sinaasappels te verwerken tot sinaasappelsap. De aanzuiveringstermijn is vastgesteld op 2 maanden. Uit 1 kg sinaasappels wordt 0,3 liter sinaasappelsap gewonnen.

Voor het sinaasappelsap worden sinaasappels uit Costa Rica gebruikt. Alle sinaasappels zijn van dezelfde soort en hebben dezelfde handelskwaliteit.

Onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst:

  • Op 10 juni: 5.000 kg sinaasappels;

  • Op 20 juli: 8.000 kg sinaasappels.

Op 8 augustus wordt 1.500 liter sinaasappelsap in het vrije verkeer gebracht, gewonnen uit de partij sinaasappels die op 20 juli onder de regeling is geplaatst.

Met toepassing van het FIFO-systeem wordt de regeling nu gezuiverd voor de op 10 juni onder de regeling geplaatste sinaasappels.

Wordt de bijzondere regeling aangezuiverd door de goederen buiten het douanegebied te brengen of door vernietiging zonder afvalresten, dan wordt het buiten het douanegebied brengen of de vernietiging zonder afvalresten beschouwd als de zuivering voor de goederen die met de oudste douaneaangifte onder de regeling zijn geplaatst.
(artikel 264, lid 2 UVo. DWU)

Voorbeeld 2

Een bedrijf beschikt over een vergunning actieve veredeling om sinaasappels te verwerken tot sinaasappelsap. De aanzuiveringstermijn is vastgesteld op 2 maanden. Uit 1 kg sinaasappels wordt 0,3 liter sinaasappelsap gewonnen.

Voor het sinaasappelsap worden sinaasappels uit Costa Rica gebruikt. Alle sinaasappels zijn van dezelfde soort en hebben dezelfde handelskwaliteit.

Onder de regeling de regeling actieve veredeling worden geplaatst:

  • Op 10 juni: 5.000 kg sinaasappels;

  • Op 20 juli: 8.000 kg sinaasappels.

Op 8 augustus wordt 1.500 liter sinaasappelsap wederuitgevoerd, gewonnen uit de partij sinaasappels die op 20 juli onder de regeling is geplaatst. Het sinaasappelsap heeft het douanegebied van de Unie verlaten.

Met toepassing van het FIFO-systeem wordt de regeling nu gezuiverd voor de op 10 juni onder de regeling geplaatste sinaasappels.

De toepassing van het FIFO-systeem mag niet tot ongerechtvaardigde voordelen op het gebied van invoerrechten leiden.

(artikel 264, lid 4 UVo.DWU)

Voorbeeld 3

Een bedrijf beschikt over een vergunning actieve veredeling om sinaasappels te verwerken tot sinaasappelsap. De aanzuiveringstermijn is vastgesteld op 2 maanden. Uit 1 kg sinaasappels wordt 0,3 liter sinaasappelsap gewonnen.

Voor het sinaasappelsap worden sinaasappels uit Costa Rica gebruikt. Alle sinaasappels zijn van dezelfde soort en hebben dezelfde handelskwaliteit.

Onder de regeling worden geplaatst:

  • Op 10 juni: 5.000 kg sinaasappels (invoerrecht 2%, voor deze partij is een Form A afgegeven in het land van oorsprong).

  • Op 20 juli: 8.000 kg sinaasappels (invoerrecht 8%, dit is het normale percentage invoerrecht voor sinaasappels. De preferentiële tariefmaatregel op sinaasappels is vanaf 15 juli komen te vervallen).

Op 8 augustus wordt 1.500 liter sinaasappelsap in het vrije verkeer gebracht, gewonnen uit de partij sinaasappels die op 20 juli onder de regeling is geplaatst.

Met toepassing van het FIFO-systeem zou de regeling worden gezuiverd voor de op 10 juni onder de regeling geplaatste sinaasappels (invoerrecht 2% door de overlegging van het Form A).

Dit zou echter een onrechtvaardig voordeel opleveren. Het Form A wordt dan namelijk gebruikt voor de daadwerkelijk gebruikte partij sinaasappels waarop geen preferentiële tariefmaatregel van toepassing is en waarvoor een invoerecht van 8% geldt.

In dit geval mag het FIFO-systeem niet worden toegepast en wordt de regeling nu gezuiverd voor de partij sinaasappels die daadwerkelijk is gebruikt (de partij sinaasappels die op 20 juli onder de regeling is geplaatst).

Aanzuivering op basis van de daadwerkelijk gebruikte goederen

In afwijking van de hoofdregel dat zuivering van een bijzondere regeling plaatsvindt op grond van het FIFO-systeem, kan op verzoek van de vergunninghouder een bijzondere regeling ook worden aangezuiverd op grond van de daadwerkelijk gebruikte goederen. In dat geval moet de vergunninghouder specifiek aangeven voor welke onder de regeling geplaatste goederen de regeling is aangezuiverd.

(artikel 264, lid 3 UVo.DWU)

Naar boven

6.3 Overdracht van rechten en plichten

De rechten en plichten van de houder van de regeling betreffende goederen die onder een bijzondere regeling zijn geplaatst kunnen volledig of gedeeltelijk worden overgedragen aan een andere persoon die voldoet aan de voorwaarden van de betrokken regeling. De Douane beslist of een overdracht van rechten en plichten kan plaatsvinden en stelt de voorwaarden vast waaronder de overdracht van rechten en plichten is toegestaan.
(artikel 218 DWU en artikel 266 UVo.DWU)

Zie voor informatie over overdracht van rechten en plichten bij de regeling bijzondere bestemming hoofdstuk 9 van onderdeel 17.00.00 van dit Handboek.

Zie voor informatie over overdracht van rechten en plichten bij de regeling actieve veredeling in het geval van voorafgaande uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten hoofdstuk 6 van onderdeel 16.00.00 van dit Handboek.

Bij de regeling passieve veredeling is niet voorgeschreven dat de vergunning slechts kan worden verleend aan de persoon die de goederen veredelt of laat veredelen. De vergunninghouder hoeft dus niet de regie te voeren over de veredeling. De rechten en plichten van de houder van de regeling kunnen in dat geval worden overgedragen aan een andere persoon. Zie voor informatie hierover hoofdstuk 3 van onderdeel 19.00.00 van dit Handboek.

Naar boven

6.4 Het verkeer van goederen (overbrenging)

Worden goederen vervoerd tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Unie? Dan gebeurt dit in het algemeen onder de regeling douanevervoer.

Goederen die onder de regeling douane-entrepot, actieve veredeling, bijzondere bestemming, tijdelijke invoer en passieve veredeling zijn geplaatst, kunnen echter tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie worden vervoerd zonder douaneformaliteiten. Deze vereenvoudiging staat bekend als het verkeer van goederen (overbrenging). Het is een alternatief voor de regeling douanevervoer. De vergunninghouder hoeft in zijn vergunning geen toestemming te hebben om hiervan gebruik te mogen maken.
(artikel 219 DWU en artikel 179 GVo.DWU)

De vergunninghouder moet in zijn administratie wel altijd de plaats van de goederen en informatie over iedere overbrenging vermelden. In het kader van het douanetoezicht moet namelijk duidelijk zijn waar de onder de regeling geplaatste goederen zich bevinden. In het geval van de regeling tijdelijke invoer moet slechts een administratie worden bijgehouden als de Douane dat vereist.
(artikel 178, lid 1 letter e en lid 4 GVo.DWU en artikel 267, lid 4 UVo.DWU)

De overbrenging vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de houder van de regeling. De houder van de regeling blijft verantwoordelijk tot het tijdstip waarop de regeling wordt gezuiverd.

Actieve veredeling

Goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, kunnen worden overgebracht van het douanekantoor van plaatsing naar de plaats waar de goederen worden bewerkt of verwerkt (zie voorbeeld 1).

De goederen kunnen na de verwerking worden overgebracht naar het kantoor van uitgang. De overbrenging naar het douanekantoor van uitgang met het oog op de aanzuivering van de regeling actieve veredeling door de goederen buiten het douanegebied van de Unie te brengen vindt plaats onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer. De goederen blijven onder de regeling actieve veredeling totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten (zie voorbeeld 2).

De goederen kunnen ook worden overgebracht van de plaats waar de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen worden verwerkt naar een andere vergunninghouder actieve veredeling waar de goederen verder worden verwerkt.

De overbrenging is zelfs mogelijk van de plaats waar de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen worden verwerkt naar een douane-entrepot waar de veredelingsproducten vervolgens worden opgeslagen (zie voorbeeld 3 en voorbeeld 4).

Voorbeeld 1

Sinaasappels uit Argentinië worden in Rotterdam onder de regeling actieve veredeling geplaatst om te worden verwerkt tot sinaasappelsap. De veredelingshandelingen vinden plaats in Nijmegen.

De sinaasappels kunnen onder de regeling actieve veredeling worden overgebracht van Rotterdam naar Nijmegen. De overbrenging vindt dan plaatst onder verantwoordelijkheid van de vergunninghouder actieve veredeling. De douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling moet worden gedaan voordat de sinaasappels worden weggevoerd van de plaatsingslocatie (Rotterdam).

De vergunninghouder moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen vermelden.
(artikel 179, lid 1 GVo.DWU)

Voorbeeld 2

De sinaasappels zijn in Nijmegen verwerkt tot sinaasappelsap. Het sinaasappelsap wordt vervolgens wederuitgevoerd naar Rusland. Het douanekantoor van uitgang is Rotterdam.

Het sinaasappelsap kan in het kader van de wederuitvoer onder de regeling actieve veredeling worden overgebracht van Nijmegen naar Rotterdam. De overbrenging vindt plaats onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer. De regeling actieve veredeling wordt gezuiverd als het sinaasappelsap het douanegebied van de Unie heeft verlaten.

De vergunninghouder moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen vermelden.
(artikel 179, lid 1 GVo.DWU en artikel 267, lid 1 en lid 5 UVo.DWU)

Voorbeeld 3

De sinaasappels zijn in Nijmegen verwerkt tot sinaasappelsap. Het sinaasappelsap wordt vervolgens opgeslagen in een douane-entrepot in Venlo.

Het sinaasappelsap kan worden overgebracht van Nijmegen naar Venlo. Wie verantwoordelijk is tijdens de overbrenging is afhankelijk van het tijdstip waarop de douaneaangifte tot plaatsing onder de volgende regeling (in dit geval de regeling douane-entrepot) wordt gedaan.

Het sinaasappelsap kan onder de regeling actieve veredeling worden overgebracht van Nijmegen naar Venlo. De overbrenging vindt dan plaatst onder verantwoordelijkheid van de vergunninghouder actieve veredeling. De douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling douane-entrepot moet dan worden gedaan bij aankomst van het sinaasappelsap bij het douane-entrepot (Venlo). De regeling actieve veredeling wordt gezuiverd als het sinaasappelsap onder de regeling douane-entrepot is geplaatst.

Zowel de vergunninghouder actieve veredeling als de vergunninghouder douane-entrepot moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen en het MRN van de douaneaangifte tot plaatsing onder de volgende regeling vermelden.
(artikel 179, lid 1 GVo.DWU)

Voorbeeld 4

Het sinaasappelsap uit voorbeeld 3 kan ook onder de regeling douane-entrepot worden overgebracht van Nijmegen naar Venlo. De overbrenging vindt dan plaatst onder verantwoordelijkheid van de vergunninghouder douane-entrepot. De douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling douane-entrepot moet dan worden gedaan voordat het sinaasappelsap wordt weggevoerd van de plaatsingslocatie (Nijmegen). De regeling actieve veredeling wordt gezuiverd als het sinaasappelsap onder de regeling douane-entrepot is geplaatst. De overbrenging moet binnen 30 dagen zijn beëindigd (zie voor meer informatie over overbrenging onder de regeling douane-entrepot hierna).

Zowel de vergunninghouder actieve veredeling als de vergunninghouder douane-entrepot moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen en het MRN van de douaneaangifte tot plaatsing onder de volgende regeling vermelden.
(artikel 179, lid 3 letter b GVo.DWU)

Tijdelijke invoer

Goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst, kunnen worden overgebracht van het douanekantoor van plaatsing naar de plaats waar de goederen worden gebruikt.

De goederen kunnen daarna ook worden overgebracht naar andere locaties waar de goederen worden gebruikt.

Voorbeeld 5

Een filmploeg uit de Verenigde Staten van Amerika plaats op Schiphol haar benodigde beroepsuitrusting onder de regeling tijdelijke invoer. De filmopnames vinden plaats in Nederland, Spanje en Italië. De beroepsuitrusting kan onder de regeling tijdelijke invoer worden overgebracht tussen de verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie.

In het geval van de regeling tijdelijke invoer moet slechts een administratie worden bijgehouden als de Douane dat vereist.

(artikel 179, lid 1 GVo.DWU)

Bijzondere bestemming

Goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, kunnen worden overgebracht van het douanekantoor van plaatsing naar de plaats waar de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming krijgen.
(artikel 179, lid 1 GVo.DWU)

Zie voor informatie over overbrenging van goederen bij uitbesteding van werkzaamheden of overbrenging van goederen bij overdracht van rechten en plichten aan een andere persoon hoofdstuk 10 van onderdeel 17.00.00 van dit Handboek.

Passieve veredeling

Goederen die onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst, kunnen worden overgebracht van het douanekantoor van plaatsing naar het douanekantoor van uitgang. De overbrenging vindt plaats onder dekking van de douaneaangifte tot plaatsing.

Voorbeeld 6

Een rol stof uit Nederland wordt in Amersfoort onder de regeling passieve veredeling geplaatst om te worden verwerkt tot T-shirts. De veredelingshandelingen vinden plaats in Indonesië. Het douanekantoor van uitgang is Schiphol.

De rol stof kan onder de regeling passieve veredeling worden overgebracht van Amersfoort naar Schiphol.

De vergunninghouder moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen vermelden.
(artikel 179, lid 2 GVo.DWU en artikel 267, lid 2 UVo.DWU)

Douane-entrepot

Goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, kunnen worden overgebracht:

  1. tussen verschillende opslagruimten die zijn aangewezen in dezelfde vergunning (zie voorbeeld 7);

  2. van het douanekantoor van plaatsing naar de opslagruimte (zie voorbeeld 8 en voorbeeld 9); of

  3. van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang (zie voorbeeld 11) of ieder ander douanekantoor vermeld in een vergunning voor een bijzondere regeling (zie voorbeeld 10).

Een overbrenging onder de regeling douane-entrepot moet binnen 30 dagen na uitslag uit het douane-entrepot zijn beëindigd. Op verzoek van de vergunninghouder kan de Douane de termijn van 30 dagen verlengen.
(artikel 179, lid 3 GVo.DWU)

Als de overbrenging niet binnen 30 dagen eindigt, ontstaat er een douaneschuld door niet-naleving van een verplichting van de regeling douane-entrepot.
(artikel 79, lid 1 letter a DWU)

Voorbeeld 7

Een bedrijf beschikt over een vergunning douane-entrepot. In de vergunning douane-entrepot zijn twee opslagruimten vermeld: een douane-entrepot in Venlo en een douane-entrepot in Nijmegen. In het douane-entrepot in Venlo liggen stalen buizen (niet-Uniegoederen) opgeslagen.

De stalen buizen kunnen onder de regeling douane-entrepot worden overgebracht van Venlo naar Nijmegen. De overbrenging moet binnen 30 dagen zijn beëindigd.

De vergunninghouder moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen vermelden.
(artikel 179, lid 3 letter a GVo.DWU)

Voorbeeld 8

Houten balken uit Brazilië worden in Rotterdam onder de regeling douane-entrepot geplaatst. Het douane-entrepot is gevestigd in Amsterdam.

De houten balken kunnen onder de regeling douane-entrepot worden overgebracht van Rotterdam naar Amsterdam. De overbrenging vindt dan plaatst onder verantwoordelijkheid van de vergunninghouder douane-entrepot. De douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling douane-entrepot moet dan worden gedaan voordat de houten balken worden weggevoerd van de plaatsingslocatie (Rotterdam). De overbrenging moet binnen 30 dagen zijn beëindigd.

De vergunninghouder moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen vermelden.

(artikel 179, lid 3 letter b GVo.DWU)

Voorbeeld 9

Een bedrijf beschikt over een vergunning douane-entrepot. Het douane-entrepot is gevestigd in Amsterdam. In het douane-entrepot liggen houten balken (niet-Uniegoederen) opgeslagen. De houten balken moeten worden vervoerd naar een douane-entrepot in Maastricht van een andere vergunninghouder.

De houten balken kunnen worden overgebracht van Amsterdam naar Maastricht. Wie verantwoordelijk is tijdens de overbrenging is afhankelijk van het tijdstip waarop de douaneaangifte tot plaatsing onder de volgende regeling wordt gedaan.

De houten balken kunnen onder de regeling douane-entrepot van vergunninghouder 2 worden overgebracht van Amsterdam naar Maastricht. De overbrenging vindt dan plaatst onder verantwoordelijkheid van vergunninghouder 2. De douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling douane-entrepot moet dan worden gedaan voordat de houten balken worden weggevoerd van de plaatsingslocatie (Amsterdam). De regeling douane-entrepot van vergunninghouder 1 wordt gezuiverd als de houten balken onder de volgende regeling douane-entrepot zijn geplaatst. De overbrenging moet binnen 30 dagen zijn beëindigd.

Zowel vergunninghouder 1 als vergunninghouder 2 moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen en het MRN van de douaneaangifte tot plaatsing onder de volgende regeling vermelden.
(artikel 179, lid 3 letter b GVo.DWU)

Voorbeeld 10

De houten balken uit voorbeeld 9 kunnen ook onder de regeling douane-entrepot van vergunninghouder 1 worden overgebracht van Amsterdam naar Maastricht. De overbrenging vindt dan plaatst onder verantwoordelijkheid van vergunninghouder 1. De douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling douane-entrepot moet dan worden gedaan bij aankomst van de houten balken bij het douane-entrepot van vergunninghouder 2 (Maastricht). De regeling douane-entrepot van vergunninghouder 1 wordt gezuiverd als de houten balken onder de volgende regeling douane-entrepot zijn geplaatst. De overbrenging moet binnen 30 dagen zijn beëindigd.

Zowel vergunninghouder 1 als vergunninghouder 2 moet in zijn administratie de exacte plaats van de goederen en het MRN van de douaneaangifte tot plaatsing onder de volgende regeling vermelden.
(artikel 179, lid 3 letter c GVo.DWU)

Voorbeeld 11

Een bedrijf beschikt over een vergunning douane-entrepot. Het douane-entrepot is gevestigd in Groningen. In het douane-entrepot ligt een container (niet-Uniegoederen) opgeslagen. De container wordt vervolgens wederuitgevoerd naar China. Het douanekantoor van uitgang is Rotterdam.

De container kan in het kader van de wederuitvoer onder de regeling douane-entrepot worden overgebracht van Groningen naar Rotterdam. De overbrenging vindt plaats onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer. De overbrenging moet binnen 30 dagen zijn beëindigd. De regeling douane-entrepot wordt gezuiverd als de container het douanegebied van de Unie heeft verlaten.

De vergunninghouder moet in zijn administratie binnen 100 dagen na uitslag uit het douane-entrepot informatie over de uitgang van de goederen vermelden. Op verzoek van de vergunninghouder kan de Douane de termijn van 100 dagen verlengen.
(artikel 179, lid 3 letter c en lid 4 GVo. DWU en artikel 267, lid 1 en lid 5 UVo.DWU)

Naar boven

6.5 Equivalente goederen

Equivalente goederen zijn goederen die in plaats van de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt.

Equivalente goederen kunnen, afhankelijk van de bijzondere regeling waarbij ze worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt Uniegoederen zijn (douane-entrepot, tijdelijke invoer, bijzondere bestemming en actieve veredeling) of niet-Uniegoederen zijn (passieve veredeling).

Deze equivalente goederen moeten (tenzij anders is bepaald):

  • onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld;

  • dezelfde handelskwaliteit; en

  • dezelfde technische kenmerken hebben als de goederen die zij vervangen.

Het gebruik van equivalente goederen moet specifiek zijn vergund.

(artikel 223 DWU en artikel 169 GVo.DWU)

Zie voor informatie over equivalente goederen onder de volgende regelingen:

  • douane-entrepot: hoofdstuk 7 van onderdeel 15.50.00 van dit Handboek;

  • actieve veredeling: hoofdstuk 6 van onderdeel 16.00.00 van dit Handboek;

  • bijzondere bestemming: hoofdstuk 11 van onderdeel 17.00.00 van dit Handboek;

  • tijdelijke invoer: hoofdstuk 4 van onderdeel 18.00.00 van dit Handboek;

  • passieve veredeling: hoofdstuk 6 van onderdeel 19.00.00 van dit Handboek.

Naar boven