Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

6.00.00 Douanetarief en financiële maatregelen

5 Algemene indelingsregels gecombineerde nomenclatuur

De nomenclatuur en de toelichtingen erop zijn zeer uitgebreid. Toch is het onmogelijk elk goed te benoemen. Bovendien wordt de nomenclatuur over de hele wereld toegepast, wat door bijvoorbeeld cultuurverschillen specifieke problemen kan veroorzaken. Om nu een uniforme toepassing zo veel mogelijk te garanderen, heeft de WDO daarvoor inleidende bepalingen opgesteld. In de gecombineerde nomenclatuur zijn deze bepalingen opgenomen als Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur. Deze algemene indelingsregels gelden voor de indeling van goederen in deze nomenclatuur. De letterlijke tekst van de regels luidt als volgt:

"Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen:

  1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en - voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen - de navolgende regels.

  2. a. De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanige aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.

    b. Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken, die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen.

  3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2b, of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:

    1. de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;

    2. mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3a, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijke karakter ontlenen, indien dat kan worden bepaald;

    3. in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3a en 3b niet mogelijk is, wordt van de gelijkelijk in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

  4. Goederen die niet kunnen worden ingedeeld overeenkomstig vorenstaande regels, worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de goederen waarmede zij de meeste overeenkomst vertonen.

  5. Voor de hierna genoemde goederen gelden daarenboven de volgende regels:

    1. etuis, foedralen en koffers voor camera's, voor muziekinstrumenten of voor wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke bergingsmiddelen, speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, geschikt voor herhaald gebruik en aangeboden met de artikelen waarvoor ze bestemd zijn, worden ingedeeld onder dezelfde post als die artikelen indien ze van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht. Deze regel geldt echter niet voor bergingsmiddelen die aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen;

    2. behoudens het bepaalde onder 5a worden gevulde verpakkingsmiddelen 1) ingedeeld met de verpakte goederen indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt. Deze regel is echter niet verplichtend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik.

    1) De GN kent hierop de volgende voetnoot: "Onder "verpakkingsmiddelen" wordt verstaan, alle uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen, met uitsluiting van vervoermiddelen - met name containers -, dekkleden en het stuw- en hulpmateriaal. Hieronder worden echter niet de in algemene regel 5, onder a, bedoelde bergingsmiddelen verstaan."

  6. Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede mutatis mutandis de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing."

Voorbeelden

Hierna vindt u achtereenvolgens een voorbeeld van een afdeling, een voorbeeld van een hoofdstuk, een voorbeeld van een post en een korte toelichting op de regels.

AFDELING I

Levende dieren en producten van het dierenrijk

Aantekeningen

  1. Voor zover niet anders is bepaald, heeft de vermelding in deze afdeling van dieren van een bepaald geslacht of soort eveneens betrekking op de jonge dieren van dat geslacht of die soort.

  2. Voor zover niet anders is bepaald, wordt in de nomenclatuur onder "gedroogd" eveneens verstaan: gedehydreerd, geëvaporeerd of gelyofiliseerd.

HOOFDSTUK 1

Levende dieren

Aantekening

  1. Dit hoofdstuk omvat alle levende dieren, met uitzondering van:

  2. vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren, bedoeld bij de posten 03.01, 03.06 en 03.07 en 03.08;

  3. culturen van micro-organismen en andere producten, bedoeld bij post 30.02;

  4. dieren bedoeld bij post 95.08.

POST

01.01 Levende paarden, ezels, muildieren en muilezels:

- paarden

0101 21 00 - - fokdieren van zuiver ras (1)

0101 29 - - andere

0101 29 10 - - - slachtpaarden (2)

0101 29 90 - - - andere:

0101 30 00 - ezels

0101 90 00 - andere

Deze voorbeelden horen bij afdeling I, die uit vijf hoofdstukken bestaat. Na de titel wordt aangegeven wat de inhoud is. Bovendien is een tweetal aantekeningen opgenomen. Deze gelden voor de hoofdstukken 1 tot en met 5. De tekst van bijvoorbeeld aantekening 2 gaat zelfs nog veel verder dan die hoofdstukken. De bepaling "in de nomenclatuur" houdt in dat deze aantekening voor alle afdelingen geldt, tenzij dat bijvoorbeeld in een ander hoofdstuk anders is bepaald. Aantekening 1 ziet alleen op afdeling I.

Ook bij hoofdstuk 1 vindt u eerst de inhoud. Dit hoofdstuk heeft een aantekening, waaruit blijkt dat niet alle levende dieren bij dit hoofdstuk worden ingedeeld.

In dit hoofdstuk worden de algemene indelingsregels herhaald en aan de hand van voorbeelden verder uitgelegd.

Naar boven

5.1 Algemene regel 1

Algemene regel 1 luidt:

"De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en - voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen - de navolgende regels."

Deze belangrijke regel vormt de basis voor de indeling van goederen en heeft voorrang boven alle andere algemene regels.

Als u de algemene regel 1 gebruikt bij het voorbeeld aan het begin van dit hoofdstuk, dan ziet u dat voor de indeling bepalend zijn:

  • de tekst van post 01.01 (op viercijferniveau);

  • de aantekeningen 1 en 2 op de afdeling;

  • aantekening 1 op het hoofdstuk.

De rest van de teksten geldt als aanwijzing.

De tekst van de post op viercijferniveau is doorslaggevend. Een aantekening op een bepaalde afdeling geldt vaak voor meerdere afdelingen van de nomenclatuur. Soms gelden aantekeningen op een hoofdstuk of een afdeling zelfs voor de hele nomenclatuur. In het voorbeeld staat in aantekening 2 op afdeling I een definitie voor de term "gedroogd" die voor de hele nomenclatuur van toepassing is. Een ander voorbeeld kunt u vinden bij hoofdstuk 5. In aantekening drie op dit hoofdstuk staat een vergelijkbare definitie voor ivoor.

Het tekstdeel "voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen" houdt in dat de toepassing van de overige indelingsregels nooit in strijd mag zijn met indelingsregel 1. Zo gaat bijvoorbeeld indelingsregel 2b ook over mengsels van verschillende stoffen.

De tekst van algemene regel 1 sluit echter de toepassing van algemene regel 2b uit in de volgende situaties:

  • een bepaald mengsel wordt genoemd of bedoeld in de tekst van een post of een aantekening;

  • een bepaald mengsel wordt van een post uitgezonderd door de tekst van die post of van een aantekening.

In beide gevallen wordt de toepassing van algemene regel 2b geblokkeerd.

Voorbeeld

15.03 Varkensstearine, spekolie, oleostearine, oleomargarine en talkolie, niet geëmulgeerd, niet vermengd, noch op andere wijze bereid.

Hieruit blijkt dat u bijvoorbeeld een mengsel van 10% varkensstearine en 90% oleomargarine niet hier mag indelen. Regel 1 blokkeert hier de toepassing van regel 2b (deze regel geeft aan dat mengsels moeten worden ingedeeld met toepassing van indelingsregel 3b), omdat die "strijdig is met de bewoording van de post". Die tekst geeft immers aan dat de producten onder deze post geen mengsels mogen zijn ("niet vermengd").

Voorbeeld

Bij hoofdstuk 30 staat de volgende aantekening:

"4. Onder post 30.06, met uitsluiting van enige andere post in de nomenclatuur, worden alleen de volgende producten ingedeeld:

  1. steriel catgut, dergelijk steriel hechtdraad en -garen (steriele garens die door het lichaam worden geabsorbeerd, voor de chirurgie en voor de tandheelkunde daaronder begrepen) en steriele kleefstoffen, voor het dichten van wonden in de chirurgie;

  2. steriele laminaria;

  3. steriele bloedstelpende artikelen, die door het lichaam worden geabsorbeerd, voor de chirurgie en voor de tandheelkunde; steriele barrièremiddelen tegen het verkleven, voor de chirurgie of voor de tandheelkunde, ook indien zij door het lichaam kunnen worden geabsorbeerd;

  4. röntgencontrastmiddelen, alsmede reageermiddelen voor het stellen van een diagnose, bestemd om aan de patiënt zelf te worden toegediend en bestaande uit een onvermengd product in afgemeten hoeveelheid dan wel uit een mengsel van twee of meer producten;

  5. reagentia voor het bepalen van bloedgroepen of van bloedfactoren;

  6. tandcement en andere producten voor tandvulling; beendercement;

  7. tassen, dozen, trommels en dergelijke, gevuld met artikelen voor eerste hulp bij ongelukken;

  8. chemische anticonceptionele preparaten van hormonen, van andere producten bedoeld bij post 2937 of van spermiciden;

  9. bij bereidingen in de vorm van gel die worden toegepast bij de mens- of diergeneeskunde op bepaalde delen van het lichaam als glijmiddel bij chirurgische handelingen of medisch onderzoek of als koppelmiddel tussen het lichaam en de medische instrumenten;

  10. farmaceutische afvallen, dit zijn farmaceutische producten die ongeschikt zijn voor hun oorspronkelijk gebruiksdoel ten gevolge van, bijvoorbeeld, het verstrijken van de houdbaarheidsdatum;

  11. hulpmiddelen die herkenbaar zijn voor gebruik in de stomazorg, te weten in vorm gesneden opvangzakken voor colostoma, ileostoma en urostoma, alsmede klevende huidbeschermers of huidplakken daarvoor.

Bij deze aantekening geeft de term "alleen" aan dat u geen ander product onder post 30.06 mag indelen dan de producten die in de aantekening staan. Dit heet een limitatieve (beperkende) opsomming. Deze aantekening - de toepassing van indelingsregel 1 - blokkeert de toepassing van andere regels.

Naar boven

5.2 Algemene regel 2a

Algemene regel 2a luidt:

"De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat."

Algemene regel 2a is in feite een uitbreiding van algemene regel 1. Het eerste deel van regel 2a breidt de inhoud van de posten uit met goederen die nog niet compleet of afgewerkt zijn, maar die wel de essentiële kenmerken hebben van de eindgoederen. Het tweede deel van regel 2a is een verdere uitbreiding van deze goederen als die worden aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat. Of dat het geval is, moet u bij de invoer van de goederen van geval tot geval beoordelen bij de verificatie van de aangifte, bij een controle na vrijgave en/of bij een administratieve controle aan de hand van bijvoorbeeld productbeschrijvingen, handelsbescheiden en/of officiële bescheiden.

U moet dus vaststellen of aanwezige delen van een goed kunnen worden aangemerkt als een compleet goed. Er kan overigens een groter aantal delen aanwezig zijn dan voor het samenstellen van een compleet goed nodig zijn. De extra delen moet u naar eigen aard en samenstelling indelen. De complexiteit van het monteren is niet belangrijk. Het kan in technische zin complex zijn om bijvoorbeeld een complete auto uit delen in elkaar te zetten (te monteren, lassen, klinken, lijmen), maar voor de indeling is toch sprake van een auto en niet van delen. Dit is belangrijk omdat er naast posten voor “auto’s” ook posten voor “delen van auto’s” bestaan.

Voor het toepassen van regel 2a is het van belang dat de Douane bij goederen die worden aangeboden, de objectieve kenmerken van die goederen beoordeelt op hun samenhang als compleet of afgewerkt goed. Als samenstellende goederen met de essentiële kenmerken van een eindgoed op hetzelfde tijdstip met één aangifte worden aangeboden is duidelijk dat er sprake is van een niet compleet of niet afgewerkt goed (arrest HvJ EG van 16 juni 1994, C-35/93, Develop Dr. Eisbein en arrest Hoge Raad van19 november 2004, nr. 39 100). Ook voor goederen die met verschillende aangifteregels in een aangifte of met verschillende aangiften bij de Douane worden aangeboden en een duidelijke samenhang vertonen kan regel 2a worden toegepast (uitspraak CBB van 4 april 2006, nrs. AWB 04/529 t/m 04/532). Belangrijk is dat de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen bij invoer kunnen worden vastgesteld.

Voorbeeld

Er worden in één zending bij de Douane onderdelen van een fiets aangeboden, een frame, een vork en ten minste twee van de volgende onderdelen; een paar wielen, een pedaalaandrijving, een stuureenheid en een remsysteem. Deze fietscomponenten worden in gedemonteerde staat aangeboden, maar zijn wel geschikt voor hetzelfde model fiets. De zending hoeft niet alle onderdelen die nodig zijn om een volledige fiets samen te stellen te bevatten.

Naar boven

5.3 Algemene regel 2b

Algemene regel 2b luidt:

"Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken, die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen".

Een "mengsel" of "samenstelling" is een innige samenvoeging van tenminste twee stoffen die in het mengsel hun eigen identiteit behouden. De samenvoeging moet ertoe leiden dat die stoffen technisch gezien moeilijk en economisch gezien feitelijk niet verantwoord te scheiden zijn.

De toepassing van regel 2b is beperkt tot die posten waarin een stof of iets dat uit een bepaalde stof is vervaardigd, met name wordt genoemd. Een samengesteld werk is bijvoorbeeld een koffiekan van kunststof met daaraan een handvat van metaal. Post 39.24 luidt: "Tafelgerei, keukengerei, andere huishoudelijke en hygiënische en toiletartikelen, van kunststof". Door de toepassing van deze regel (samengesteld werk) wordt de draagwijdte van de posten verruimd. Onder de term "kunststof" valt in dit voorbeeld ook de koffiekan met een handvat van metaal.

Let op!

U mag deze regel niet toepassen als u het product kunt indelen volgens algemene regel 1. Die moet u toepassen als in de tekst van een post een mengsel wordt genoemd of juist wordt uitgezonderd. Bij post 08.13 bijvoorbeeld moeten worden ingedeeld: "mengsels van noten of gedroogde vruchten, bedoeld bij dit hoofdstuk" (toepassing van indelingsregel 1). Het woord "of" staat in de nomenclatuur voor "en/of". Het gaat hier dus niet alleen over mengsels van verschillende noten of vruchten, maar ook over mengsels van verschillende noten en vruchten.

Vaak staan in posten mengsels van stoffen zonder dat uit de tekst blijkt dat het mengsels zijn. Een voorbeeld daarvan is post 21.06: "producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders begrepen". Dit zijn bijna allemaal mengsels. De toelichting van deze post spreekt van "preparaten" en "bereidingen". In post 21.04 wordt bijvoorbeeld "bereide soep" genoemd. Dit is altijd een mengsel van bijvoorbeeld groente en vermicelli. Dit soort mengsels wordt met toepassing van algemene regel 1 ingedeeld. De post omvat immers alleen mengsels.

Hieronder volgt een overzicht van de toepassingen van regel 2.

  • Gebruik regel 2 alleen als indeling niet mogelijk is via algemene regel 1.

  • Gebruik regel 2 voor mengsels van stoffen of samenstellingen van goederen die uit verschillende materialen (bijvoorbeeld kunststof en metaal) zijn samengesteld.

  • Het karakter van de goederen mag niet veranderen door toepassing van regel 2.

  • Deel de mengsels en samengestelde werken uit regel 2 in volgens algemene regel 3.

Naar boven

5.4 Algemene regel 3a

Algemene regel 3a luidt:

"De post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de posten daarvan een volledigere of nauwkeurige omschrijving geeft."

Regel 3a gaat over goederen die vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten volgens algemene regel 2b of "om enige andere reden" (zie algemene regel 3). Dit laatste is het geval als een product voldoet aan de omschrijving van twee posten. Een elektrisch scheerapparaat bijvoorbeeld (dat ook onder de omschrijving "handgereedschap" valt) voldoet aan twee omschrijvingen:

  • post 8467: handgereedschap dat pneumatisch, hydraulisch of door een ingebouwde elektrische of niet-elektrische motor wordt aangedreven;

  • post 8510: scheerapparaten, tondeuses en epileerapparaten, met ingebouwde elektromotor.

Met algemene regel 1 kunt u dus niet tot een indeling komen, maar wel met toepassing van het eerste deel van regel 3a, omdat de tweede omschrijving meer specifiek is dan de eerste.

In het tweede deel van 3a gaat het over goederen die uit verschillende stoffen of bestanddelen zijn samengesteld. In dat geval zijn de omschrijvingen even specifiek. U moet dan indelen volgens de regels 3b of 3c.

Met "stellen of assortimenten" worden verschillende goederen bedoeld die bij elkaar zijn geplaatst om in een bepaalde behoefte te voorzien of om een bepaalde activiteit mogelijk te maken. Apart zouden die goederen kunnen worden ingedeeld onder hun eigen goederencodes. Dat zij op het ogenblik van de controle van de aangifte in dezelfde verpakking (verkoop in het klein) zijn opgenomen, vormt enkel een aanwijzing waaruit een dergelijke behoefte of activiteit kan worden afgeleid.

Om bepaalde goederen als bij elkaar horend en derhalve als een "stel of assortiment" in de zin van algemene regel 3 b) te kunnen aanmerken, is het niet noodzakelijk dat deze goederen, op het ogenblik dat zij bij de douane worden aangeboden, in een en dezelfde verpakking zijn opgenomen.

Het feit dat goederen bij de douane worden aangeboden in afzonderlijke verpakkingen en pas na hun inklaring samen worden verpakt, staat niet in de weg dat die goederen worden aangemerkt als "goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein" in de zin van algemene regel 3 b), indien op het moment van de inklaring uit andere objectieve factoren duidelijk blijkt dat deze goederen bij elkaar horen en bestemd zijn om als één geheel in de kleinhandel te worden verkocht.

Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat de goederen samen zijn aangeboden, vervoerd, gefactureerd en behandeld, dat zij aan dezelfde persoon zijn geadresseerd, of dat zij in samenhangende aantallen zijn ingevoerd (HvJ, zaak C-499/14 van 10 maart 2016, Zicplay Transmar; video- en audiosystemen en luidsprekers).

Richtsnoeren voor de indeling in de gecombineerde nomenclatuur van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein zijn door de Commissie gepubliceerd onder nr. 2013/C 105/01 in PbEU C 105 van 11 april 2013.

Voorbeeld

Een warenhuis biedt een kindertekenset aan. Deze is verpakt op kleurig karton, omgeven door krimpfolie en bevat de volgende zaken:

  • een schetsblok (GN-code 4820 1090);

  • een potlood (GN-code 9609 1010);

  • zes kleurviltstiften (GN-code 9608 2000).

Een tekenset kan worden aangemerkt als in zijn geheel bestemd voor een bepaalde activiteit (tekenen). U bepaalt onder welke post u het geheel indeelt. Alleen als verschillende artikelen op viercijferniveau onder dezelfde post vallen, mag u deze artikelen gezamenlijk in aanmerking nemen voor het bepalen van de post. Bij het vaststellen van de nadere onderverdeling van de post beoordeelt u ze weer apart.

Voorbeeld

In het volgende voorbeeld is er geen sprake van "een bepaalde activiteit mogelijk maken".

Een warenhuis biedt een strandset aan, verpakt in een doorzichtige zak van kunststof. De set bestaat uit:

  • een badtas van kunststof (GN-code 4202 9219);

  • een badhanddoek (GN-code 6302 6000);

  • een frisbee (GN-code 9506 9990).

Deze artikelen worden weliswaar op het strand gebruikt, maar voor volstrekt verschillende activiteiten. Dit houdt in dat u de drie producten moet indelen naar eigen aard en samenstelling. Dit wordt ook wel "splitsen" genoemd.

Naar boven

5.5 Algemene regel 3b

Algemene regel 3b luidt:

"Mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3a, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijke karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald."

Deze regel ziet op:

1. mengsels;

2. werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen;

3. werken die zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen;

4. goederen opgemaakt in stellen of assortimenten voor verkoop in het klein.

De regel wordt alleen toegepast als regel 3a geen oplossing geeft.

De kern van regel 3b is de zinsnede "hun wezenlijke karakter ontlenen". Dit karakter is ten eerste afhankelijk van een van de volgende elementen:

a. de stof waaruit het mengsel vervaardigd is;

b. de artikelen waaruit het "stel" is samengesteld.

Verder zijn ook de volgende elementen van belang:

- de waarde;

- de omvang;

- de hoeveelheid;

- het gewicht;

- het belang van de samenstellende stoffen of artikelen in het gebruik.

Een mogelijkheid om het wezenlijke karakter te bepalen is te kijken naar het belang van een stof of artikel ten opzichte van het geheel.

Voorbeeld

Een voorbeeld van de toepassing van regel 3b is de tekenset uit de vorige paragraaf. Deze was als volgt samengesteld:

- schetsblok (post 48.20);

- potlood (post 96.09);

- zes kleurviltstiften (post 96.08).

Dit alles verpakt in karton met krimpfolie eromheen.

Van de acht artikelen in de tekenset zijn de zes stiften - ook naar de waarde - duidelijk het belangrijkste element in het geheel en bepalend voor het wezenlijk karakter van de tekenset. U past nu regel 3b toe en deelt de hele set in onder post 96.08 (viltstiften).

Voorbeeld

Zogenoemde dekplanken bestaande uit houtcomposiet van ongeveer 0,15 × 0,02 × 3,7 m, samengesteld uit afvalhoutvezels (60%), herwonnen kunststoffen (HDPE) (30%), niet-kunststofadditieven, vulmiddelen, UV-stabilisatoren en pigmenten (10%). De planken worden door extrusie vervaardigd, zijn rechthoekig van vorm en hebben een dichtheid van 1,20 g/cm3.

De bovenkant is korrelig en getextureerd, de onderkant is geribbeld. De planken hebben groeven die over de volledige zijde lopen. De planken hebben de kenmerken van een product van stijf onbuigbaar kunststof, met houtafval als vulling. Zij zijn een vervanger van hout en worden bijvoorbeeld gebruikt voor het maken van terrassen en wandelwegen.

Aangezien de houtvezels slechts als vulling dienen en de kunststof de houtvezels fixeert en het wezenlijke kenmerk van het product vormt, is indeling onder hoofdstuk 44 als artikelen van hout uitgesloten (zie ook de GS-toelichtingen op hoofdstuk 44). Het artikel wordt daarom beschouwd als kunststof die wordt gebruikt als bedekking.

U zult merken dat het bepalen van het wezenlijke karakter niet altijd eenvoudig is. Als het niet mogelijk is dat wezenlijk karakter te bepalen, dan moet u de volgende regel, 3c, toepassen.

Voor de toepassing van de regel 3b ziet het begrip “goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein” op goederen die tegelijkertijd:

a. bestaan uit tenminste twee verschillende artikelen die onder verschillende posten kunnen worden ingedeeld;

b. bestaan uit producten of artikelen die samen worden aangeboden om in een specifieke behoefte te voorzien om een welbepaalde functie uit te voeren, en

c. als zodanig zijn opgemaakt dat zij zonder opnieuw te worden verpakt rechtstreeks aan de verbruiker kunnen worden verkocht.

Voorbeeld

Bij de invoer van video- en audiosystemen en afneembare luidsprekers in aparte verpakkingen, die na de invoer pas samen worden verpakt, kunt u deze audio-videosystemen met de luidsprekersets met behulp van regel 3b indelen als goederen in stellen en assortimenten opgemaakt voor verkoop in het klein. De goederen hoeven bij invoer dus niet in dezelfde verpakking te zitten, maar bij de verkoop aan de consument wel samen worden verkocht.

Bij invoer moet u kunnen vaststellen dat deze goederen bij elkaar horen en bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht. Dit kunt u bijvoorbeeld vaststellen aan de wijze van de aanbieding bij de invoer en het vervoer van de goederen, of de goederen op één factuur staan vermeld, eenzelfde geadresseerde hebben, en er evenveel luidsprekersets worden ingevoerd als audio-videosystemen. Dit geldt ook als de goederen met meerdere aangiften bij de Douane worden aangeboden (arrest HvJ EU van 10 maart 2016, C-499/14, VAD en van Aert).

De Gecombineerde nomenclatuur bevat overigens een aantal bepalingen, waarbij een speciale regeling is getroffen voor samenvoegingen van goederen. Dit is onder meer het geval voor tassen, dozen, trommels en dergelijke gevuld met artikelen voor eerste hulp bij ongelukken. De indeling van dergelijke assortimenten wordt vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 (GN-onderverdeling 3006 50 00).

Naar boven

5.6 Algemene regel 3c

Algemene regel 3c luidt:

"In de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3a en 3b niet mogelijk is, wordt van de gelijkelijk in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst".

Dit is een tamelijk eenvoudige regel. Als het niet lukt om het wezenlijke karakter te bepalen als bedoeld bij algemene regel 3b, neemt u van de posten waaruit u kunt kiezen de post met het hoogste nummer. Bij de tekenset zou dat post 96.09 (potlood) zijn, maar omdat u regel 3c alleen maar kunt toepassen als de regels 1, 3a of 3b niet werken, en u bij de tekenset regel 3b kunt gebruiken, komt u hierbij niet aan regel 3c toe.

Voorbeeld

Een voorbeeld van de toepassing van algemene regel 3c bij een "samengesteld werk", dat wil zeggen artikelen die zijn samengesteld uit verschillende materialen, staat hieronder.

Ingedeeld moet worden een van een schaalverdeling voorziene pipet, vervaardigd uit twee verschillende componenten, samengevoegd voor het in afgepaste hoeveelheden toedienen van producten zoals vloeibare medicijnen. De pipet is een samengesteld werk dat bestaat uit de volgende twee componenten:

i. een buisvormige, van een schaalverdeling voorziene druppelaar, gemaakt van doorzichtige kunststof, met een schaalverdeling van 0,25 tot 1,0 ml. De druppelaar is 5,8 cm lang en heeft verschillende diameters aan beide uiteinden en weegt 1,1 g;

ii. een speen van niet-geharde gevulkaniseerde rubber, met een gewicht van 2,4 g.

De componenten van het product zijn onderling complementair en de dosering van druppels kan alleen worden bereikt door het gelijktijdig gebruik van de rubberen speen (hoofdstuk 40) en de pipet met schaalverdeling, van kunststof (hoofdstuk 39).

U past nu regel 3c toe en deelt de pipet in onder post 4014.

Voorbeeld:

Een voorbeeld van de toepassing van algemene regel 3c bij een olie- en azijnstel, staat hieronder.

Ingedeeld moet worden een selectie van plantaardige olie, azijn en een mengsel van olie en azijn, elk met toegevoegde ingrediënten, in afzonderlijke zandlopervormige glazen flessen. De selectie wordt aangeboden in een daarvoor speciaal ontworpen metalen frame (steun) en is opgemaakt als assortiment voor de verkoop in het klein. Elke fles vormt een samengesteld goed en bevat één van de volgende drie productcombinaties:

- "Canola" olie (raapolie met een laag gehalte aan erucazuur), chilipeper en zwarte peper;

- "Canola" olie, balsamiekazijn, witte azijn en rozemarijn;

- witte azijn, chilipeper, rozemarijn, abrikozen, zout, antioxidanten en conserveermiddelen.

De goederen worden aangemerkt als een "stel of assortiment in de zin van indelingsregel 3 b", het product is ontworpen om een specifieke activiteit uit te voeren, te weten bereiding van een saladedressing of een marinade, met olie en azijn, en wordt gepresenteerd op een manier die geschikt is voor dit gebruik.

Indeling aan de hand van het bepaalde onder 3b (wezenlijke karakter) is niet mogelijk. U past nu regel 3c toe en deelt de goederen in onder post 2209, dit is de van de gelijkelijk in aanmerking komende posten 1517, 2103 en 2209, de post die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

Naar boven

5.7 Algemene regel 4

Algemene regel 4 luidt:

"Goederen die niet kunnen worden ingedeeld overeenkomstig vorenstaande regels, worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de goederen waarmede zij de meeste overeenkomst vertonen".

Deze regel hoeft u zelden toe te passen. Het is een soort vangnet voor die goederen die u met de eerste drie regels niet kunt indelen. De "overeenkomst tussen goederen" kunt u baseren op verschillende factoren, zoals de benaming, de aard en het gebruik van een goed. Hieronder vindt u een voorbeeld uit de praktijk, waarbij regel 4 is toegepast.

Voorbeeld

Het gaat in dit voorbeeld om een zogenaamde textielroller bestaande uit een kartonnen rol en een handvat van gevormde kunststof. De kartonnen rol is aan de buitenkant bekleed met zelfklevend papier en aan de binnenkant met synthetische kunststof. De kartonnen rol, met het zelfklevend papier, is wegwerpbaar en verwisselbaar. Zij is verpakt in een beschermende laag papier met een beschrijving van de werking van het product.

Het product is bestemd om te worden gebruikt voor het verwijderen van bijvoorbeeld stof, pluis, haar, roos van textielkleding en dergelijke.

Het product, dat op het eerste gezicht niet kan worden ingedeeld onder een specifieke post, is nog het meest verwant met borstels van post 96.03. Post 96.03 omvat een hele reeks artikelen die zowel qua materiaal als qua vorm aanzienlijke verschillen vertonen. Met toepassing van regel 4 wordt het product ingedeeld onder post 9603 als andere borstels. (Verordening (EU) 19 november 2010, nr. 1065/2010 (PbEU 2010, nr. L 304))

Naar boven

5.8 Algemene regel 5a

Algemene regel 5a luidt:

"Etuis, foedralen en koffers voor camera's, voor muziekinstrumenten of voor wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke bergingsmiddelen, speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, geschikt voor herhaald gebruik en aangeboden met de artikelen waarvoor ze bestemd zijn, worden ingedeeld onder dezelfde post als die artikelen indien ze van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht. Deze regel geldt echter niet voor bergingsmiddelen die aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen".

Regel 5 is de regel voor de indeling van bergings- en verpakkingsmiddelen en bevat een aantal voorwaarden. Het bergings- en verpakkingsmiddel moet aan al die voorwaarden voldoen om te kunnen worden ingedeeld volgens deze regel. Het gaat dan om de volgende voorwaarden:

  • Het middel moet speciaal gevormd of ingericht zijn.

  • Het middel moet geschikt zijn voor herhaald gebruik.

  • Het middel moet worden aangeboden met het artikel.

  • Het middel moet worden verkocht samen met het artikel.

  • Het wezenlijke karakter moet bepaald worden door de inhoud en niet door het middel.

Hierna wordt nader nagegaan op deze voorwaarden.

De bergingsmiddelen moeten zijn bestemd voor het opbergen of vervoeren van bijvoorbeeld muziekinstrumenten, gereedschappen en fototoestellen. Soms is het bergingsmiddel zo aan het artikel aangepast (bijvoorbeeld een vioolkist), dat u aan de buitenkant kunt zien waarvoor het bestemd is. Meestal is zo'n middel echter vierkant of rechthoekig en is de binnenkant aan het artikel aangepast.

Om het middel geschikt te laten zijn voor herhaald gebruik, moet het zijn gemaakt van duurzaam materiaal, zoals metaal of kunststof.

Het artikel hoeft niet in het bergingsmiddel te zitten op het moment van aangifte. "Aangeboden met" betekent dat de bergingsmiddelen deel uit moeten maken van de zending waarop de aangifte betrekking heeft. Als er in de zending meer bergingsmiddelen zijn dan artikelen, moet u de overtollige bergingsmiddelen indelen naar aard en samenstelling.

Het bergingsmiddel moet worden verkocht samen met het artikel waar het normaal gesproken bij hoort. Een speelgoedviool hoort bijvoorbeeld niet bij een "normale" vioolkist. Informatie over de combinatie van het artikel en het bergingsmiddel vindt u onder andere in de handelsbescheiden bij de aangifte, zoals de aankoopfactuur.

De waarde van het bergingsmiddel ten opzichte van de inhoud speelt vaak een rol bij het vaststellen van het wezenlijke karakter. Deze voorwaarde voorkomt misbruik met bergingsmiddelen die een veel hogere waarde hebben dan de inhoud. Een klassiek voorbeeld hiervan is het theedoosje van zilver dat is gevuld met thee. De waarde van de doos staat hier uiteraard in geen verhouding tot die van de inhoud.

Naar boven

5.9 Algemene regel 5b

Algemene regel 5b luidt:

"Behoudens het bepaalde onder 5a worden gevulde verpakkingsmiddelen 1) ingedeeld met de verpakte goederen indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt. Deze regel is echter niet verplichtend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik."

1) De GN kent hierop de volgende voetnoot: "Onder "verpakkingsmiddelen" wordt verstaan, alle uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen, met uitsluiting van vervoermiddelen - met name containers -, dekkleden en het stuw- en hulpmateriaal. Hieronder worden echter niet de in algemene regel 5, onder a, bedoelde bergingsmiddelen verstaan."

Onder verpakkingsmiddelen moet u verstaan oververpakking, zoals dozen, maar ook verpakkingsmiddelen waarin het goed direct verpakt is, zoals een tube tandpasta en opwindmiddelen, zoals klossen en spoelen. Het verschil tussen de bergingsmiddelen van 5a en de verpakkingsmiddelen van 5b is dat de eerste primair bedoeld zijn voor het opbergen van goederen en de laatste voor het vervoeren van goederen. Weckflessen en potten voor groenteconserven zijn verpakkingsmiddelen die normaal worden gebruikt bij het in de handel brengen van de groenteconserven, ondanks het feit dat ze herhaald gebruikt kunnen worden (denk aan statiegeld). De laatste zin van deze regel maakt een uitzondering voor gasflessen, zuurstofflessen en dergelijke. Dit zijn in het algemeen duurzame en, ten opzichte van de prijs van de inhoud, vaak dure verpakkingsmiddelen. Voor deze verpakkingsmiddelen kan bijvoorbeeld voor retouremballage een vrijstelling worden gevraagd. Meer informatie hierover vindt u in hoofdstuk 20 van onderdeel 18.00.00, Tijdelijke invoer, van dit Handboek.

Het zinsdeel van de aantekening "indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking van die goederen wordt gebruikt" kan enige onduidelijkheid opleveren. Wat is "normaal als verpakking"? Aan de hand van enkele voorbeelden wordt hierover het volgende gesteld. Als het lege verpakkingsmiddel op zichzelf nog een zelfstandige gebruikswaarde heeft, moet in principe aangifte worden gedaan voor zowel het verpakkingsmiddel als de inhoud daarvan (splitsen). Bij de invoer van kauwgomtabletten in een fantasieverpakking, bestaande uit hamertjes, zuigflesjes en dergelijke van kunststof, is bijvoorbeeld geoordeeld dat dit voor dit goed een gebruikelijke verpakking is. Naar aard en uitvoering worden deze artikelen normaal niet als speelgoed gebruikt. Het geheel (verpakking plus inhoud) moet worden ingedeeld als suikerwerk.. In het geval van een pop van kunststof met een lengte van 104 mm en met beweegbare ledematen, waarvan het bovenlichaam is gevuld met ongeveer 10 gram kauwgom, is gesteld dat sprake is van een combinatie die het wezenlijke karakter van speelgoed heeft. In dit geval worden de pop en de inhoud samen ingedeeld onder GN-code 9503 0021.

Naar boven

5.10 Algemene regel 6

Algemene regel 6 luidt:

"Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede mutatis mutandis de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.

Deze regel gaat over de onderverdelingen van een post. Het belang van deze regel spitst zich toe op de volgende twee onderwerpen:

  • Vergelijk uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde.

  • Voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken van toepassing.

Deze onderwerpen worden hieronder verder uitgelegd.

Vergelijk uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde

Om het begrip "gelijke rangorde" duidelijk te maken, volgt als voorbeeld post 01.01.

01.01 Levende paarden, ezels, muildieren en muilezels:
- paarden
0101 21 00 - - fokdieren van zuiver ras (1)
0101 29 - - andere:
0101 29 10 - - - slachtpaarden (2)
0101 29 90 - - - andere
0101 30 00 - ezels
0101 90 00 - andere

De rangorde in deze post is aangegeven met streepjes:

  1. - een streepje voor "paarden";

  2. - - twee streepjes voor "fokdieren van zuiver ras";

  3. - - twee streepjes voor "andere";

  4. - - - drie streepjes voor "slachtpaarden";

  5. - - - drie streepjes voor "andere";

  6. - een streepje voor "ezels ";

  7. - een streepje voor "andere ".

Volgens deze regel mag u alleen onderverdelingen van gelijke rangorde vergelijken. In dit geval betekent dat bijvoorbeeld dat u "paarden" mag vergelijken met "ezels" en "andere", "fokdieren van zuiver ras" met "andere (dan fokdieren van zuiver ras)" en "slachtpaarden" met "andere (dan slachtpaarden)".

Voor zover niet anders bepaald, zijn de aantekeningen op afdelingen en hoofdstukken van toepassing

De aantekeningen op afdelingen en hoofdstukken zijn ook van toepassing op de onderverdelingen. Dat is de essentie van deze regel. "Voor zover niet anders bepaald" geeft aan dat het ook anders kan zijn. Aantekening 4b van hoofdstuk 71 is hier een voorbeeld van:

  • "4B. als "platina" worden aangemerkt: platina, iridium, osmium, palladium, rhodium en ruthenium."

Dit betekent dat bijvoorbeeld iridium wetenschappelijk gezien weliswaar geen platina is, maar voor de toepassing van de nomenclatuur wel. Hieronder vindt u de tekst van post 71.10.

Voorbeeld

Voorbeeld

71.10 Platina, onbewerkt, half bewerkt of in poedervorm:
- platina:
7110 11 - - onbewerkt of in poedervorm
7110 19 - - ander:
7110 1910 - - - staven, draad en profielen enz.
7110 1980 - - - ander
- palladium
7110 2100 - - onbewerkt of in poedervorm
7110 2900 - - ander
- rhodium
7110 3100 - - onbewerkt of in poedervorm
7110 3900 - - ander
- iridium, osmium en ruthenium
7110 4100 - - onbewerkt of in poedervorm
7110 4900 - - ander


Voor de indeling op postniveau (vier cijfers) geldt de definitie van aantekening 4B. Daarmee past u in feite regel 1 toe. Iridium is dan door wetsduiding "platina" geworden en u moet het indelen onder post 71.10. Maar als u onverkort aantekening 4B zou toepassen, zou de onderverdeling voor palladium, rhodium, iridium, osmium en ruthenium geen waarde hebben. Daarom bepaalt de aanvullende aantekening 2 op hoofdstuk 71 het volgende:

"Niettegenstaande het bepaalde in aantekening 4, onder B, worden voor de toepassing van de onderverdelingen 7110 11 en 7110 19, niet als "platina" aangemerkt: iridium, osmium, palladium, rhodium en ruthenium."

Deze aanvullende aantekening 2 maakt, voor de toepassing van de onderverdelingen van de post, aantekening 4 weer ongedaan. In tegenstelling tot de post "platina" omvat de nadere onderverdeling voor "platina" geen andere bepalingen. De aanvullende aantekening heeft voorrang. Hier is immers "anders bepaald".

Naar boven