Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

8.00.00 Preferentiele oorsprong en herkomst

4 Bewijsmiddelen

Dit hoofdstuk behandelt de algemene aspecten van bewijsmiddelen die zijn voorgeschreven voor het aantonen van de preferentiële oorsprong en voor het aantonen van de herkomst uit het vrije verkeer van goederen binnen de douane-unie EU - Turkije.

Naar boven

4.1 Algemeen: Toepassing preferentiële tarieven

De preferentiële tarieven die voortvloeien uit de door de Europese Unie met derde landen afgesloten vrijhandelsovereenkomsten (partnerschapsovereenkomsten of associatieovereenkomsten) en de preferentiële tarieven die zijn vastgesteld in de autonome regelingen maken deel uit van het bij invoer toe te passen douanetarief van de Europese Unie (artikel 56, lid 2, letters d. en e. DWU). Van een preferentieel tarief kan alleen gebruik worden gemaakt indien de preferentiële oorsprong van de goederen op de voorgeschreven wijze wordt aangetoond en de aangever/importeur bij het doen van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen een beroep doet op het preferentiële tarief (artikel 56, lid 3 DWU).

Naar boven

4.2 Procedures bij aantonen oorsprong

In alle preferentiële regelingen is voorgeschreven op welke wijze het bewijs van oorsprong in geleverd moet worden. Het bewijs dat goederen van oorsprong zijn uit een bepaald begunstigd land of een partnerland kan uitsluitend worden geleverd door een origineel en geldig oorsprongsbewijs, zoals dat in de desbetreffende preferentiële regeling is voorgeschreven.

Andere dan de voorgeschreven bewijsstukken of kopieën van bewijsstukken kunnen onder geen enkele voorwaarde worden gebruikt ter verkrijging van een tarief preferentiële behandeling bij invoer.

Het gebruik van een voorgeschreven oorsprongsbewijs betekent overigens niet altijd dat het automatisch en onvoorwaardelijk bij invoer kan worden aanvaard. Er kunnen zich omstandigheden voor doen die de juistheid van een oorsprongsbewijs in twijfel kunnen trekken. In Hoofdstuk 6 zijn nadere aanwijzingen gegeven.

De Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam heeft in een kwestie die de toepassing van het APS betrof, ooit uitgesproken dat een oorsprongsbewijs dat naar de mening van de afgevende instantie terecht werd afgegeven mag worden geweigerd indien onomstotelijk vaststaat dat het ten onrechte werd afgegeven.

Binnen de Europese Unie vindt deze opvatting brede steun, zij het uitdrukkelijk beperkt tot de autonome regelingen. In beginsel moet dan wel eerst de administratieve samenwerkingsprocedure worden benut. Het karakter van de vrijhandelsovereenkomsten brengt echter met zich mee dat bij een blijvend verschil van mening uiteindelijk het douane-samenwerkingscomité waarin de vrijhandelsovereenkomst voorziet, moet worden ingeschakeld.

Mogelijke oorsprongsbewijzen

De preferentiële oorsprongsregelingen kunnen voorzien in het gebruik van de volgende bewijsstukken om de preferentiële oorsprong van producten aan te tonen:

  • certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 (paragraaf 4.2.1);

  • oorsprongsverklaringen (paragraaf 4.2.2);

  • certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED (paragraaf 4.3)

  • oorsprongsverklaringen EUR-MED (paragraaf 4.3.1)

  • certificaten van oorsprong FORM. A (paragraaf 4.4);

  • attesten van oorsprong (paragraaf 4.5)

  • leveranciersverklaringen voor intern gebruik in de Europese Unie (paragraaf 4.6);

  • leveranciersverklaringen voor gebruik binnen de EER (paragraaf 4.6.1);

  • leveranciersverklaringen voor gebruik in andere gevallen (paragraaf 4.6.2);

  • En om de herkomst uit het vrije verkeer van de douane-unie EU - Turkije aan te tonen:

  • certificaten inzake goederenverkeer A.TR. (paragraaf 4.6.4);

De formulieren certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED, certificaat van oorsprong FORM. A en certificaat inzake goederenverkeer A.TR. zijn in Nederland verkrijgbaar bij de Belastingdienst via CFD.LC.Apeldoorn@belastingdienst.nl. en bij een aantal commerciële drukkerijen die voor het drukken van deze formulieren een vergunning van het Landelijk Oorsprong Team (LOT) hebben gekregen. Hierna worden de verschillende bewijsmiddelen nader toegelicht.

Naar boven

4.2.1 Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan in vrijwel alle op de preferentiële oorsprong van goederen gebaseerde regelingen (het APS en de vrijhandelsovereenkomsten met Zuid-Korea en Canada (CETA) uitgezonderd) als bewijsmiddel dienen. Het model van dit certificaat is opgenomen in de bijlagen bij de betreffende regelingen. Zie ook bijlage 22-10 UVo. DWU. Het certificaat wordt in principe afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, op schriftelijke aanvraag van de exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

Zie voor de definitie van exporteur en gemachtigde vertegenwoordiger paragraaf 2.8. In een aantal partnerlanden in Zuid- en Midden-Amerika worden certificaten EUR.1 niet afgegeven door de douaneautoriteiten maar door een andere overheidsinstantie. Zie voor deze landen en de bijbehorende instanties: paragraaf 6.5.

Bij invoer met aanspraak op preferentie moeten de certificaten bij de douaneautoriteiten van dat land worden ingediend in overeenstemming met de voorschriften die in dat land gelden. Dit is vrijwel altijd op moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen wordt gedaan.

Indien de certificaten niet bij de aangifte behoeven te worden ingediend moeten zij in het bezit zijn van de aangever op het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer wordt gedaan en moeten zij ter beschikking worden gehouden van de douaneautoriteiten. Zie voor zover de invoer plaatsvindt in de Europese Unie: artikel 163 DWU.

Bij uitvoer worden de certificaten EUR.1 door de douaneautoriteiten van het betreffende land afgegeven op het moment dat vaststaat dat de goederen zullen worden uitgevoerd of wanneer zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd. Dit zal veelal zijn op het moment dat de aangifte ten uitvoer wordt gedaan. Daarnaast kennen alle preferentiële regelingen de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden - bij wijze van uitzondering - een certificaat na de uitvoer af te geven of duplicaten te viseren van eerder afgegeven certificaten. Zie voor de voorwaarden hoofdstuk 5.

Formele procedure bij afgifte EUR.1 in Nederland

De afgifte van certificaten EUR.1 in Nederland is in de nationale wetgeving nader uitgewerkt. In Nederland moet de aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 op grond van artikel 1:16 Algemene douaneregeling worden ingediend bij de Kamer van Koophandel. Het verzoek tot afgifte van een certificaat EUR.1 is opgenomen op de achterzijde van het tweede en derde exemplaar van het certificaat. De daarop verstrekte gegevens en de bij de aanvraag overgelegde bewijsstukken moeten de Kamer van Koophandel in de gelegenheid stellen om de oorsprong van de goederen - volgens de voorwaarden die in de betreffende preferentiële regeling zijn gesteld - te kunnen vaststellen. De Kamer van Koophandel kan toestaan dat kopieën van de bewijsstukken door de exporteur bij de Kamer van Koophandel worden gedeponeerd. Zie voor de aanvraagprocedure van een certificaat EUR.1 de website van de Kamer van Koophandel.

De Kamer van Koophandel toetst de aanvraag en voorziet de aanvraag vervolgens van haar bevinding. Daarna wordt de aanvraag (2e exemplaar) met het certificaat EUR.1 door de exporteur of diens gemachtigde ter geldig making (visering) in handen gesteld van de Douane. Indien de Kamer van Koophandel de aanvraag positief heeft beoordeelt kan het certificaat EUR.1 in beginsel door de Douane in vak 11 worden geldig gemaakt (geviseerd). Een eventuele beslissing om een certificaat niet te viseren en daarmede de afgifte ervan te weigeren moet de Douane schriftelijk en met opgaaf van redenen aan de exporteur mededelen. Gelet op het feit dat deze beslissing voor bezwaar vatbaar is, moet de beslissing in de vorm van een beschikking worden genomen. (zie artikel 1:16 Algemene douaneregeling en voor zover het de beschikking betreft onderdeel 3.00.00 van dit Handboek en met betrekking tot bezwaar en beroep onderdeel 32.00.00 van dit Handboek).

Praktische procedure bij afgifte EUR.1 in Nederland.

Nadat de aanvraag door de Kamer van Koophandel akkoord is bevonden moet het certificaat EUR.1 door de Douane in vak 11 worden geldig gemaakt (geviseerd). De exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger dient daartoe de aanvraag - bestaande uit het originele certificaat en het 2e exemplaar - in op het douanekantoor van uitvoer.

Om logistieke redenen kan het certificaat EUR.1 eventueel ook geldig worden gemaakt op een ander douanekantoor in Nederland dan het kantoor van uitvoer. Voorwaarde is hierbij dat er een aangifte ten uitvoer in Nederland is gedaan en dit door de exporteur of diens gemachtigde wordt aangetoond. De ambtenaren van dit douanekantoor moeten de gedane aangifte ten uitvoer raadplegen in het aangiftesysteem AGS alvorens zij tot visering van het certificaat EUR.1 overgaan. De in deze paragraaf beschreven procedure waarbij de toetsing of goederen van oorsprong zijn wordt verricht door de Kamer van Koophandel en de afgifte van het certificaat EUR.1 door Douane is een nationale invulling van de in de verschillende preferentiële regelingen beschreven afgifteprocedure. In de andere lidstaten van de Europese Unie zijn de Kamers van Koophandel veelal niet betrokken bij de afgifte van een certificaat EUR.1. In deze landen vindt zowel de toetsing of de goederen van oorsprong zijn als de afgifte van het certificaat EUR.1 plaats door de douaneautoriteiten.

Naar boven

4.2.2 Oorsprongsverklaringen

In de meeste preferentiële regelingen kan een verklaring inzake de oorsprong van de goederen (aangeduid als oorsprongsverklaring of factuurverklaring) die door de exporteur op de factuur, paklijst of afleverbon (of een ander door de exporteur opgemaakt handelsdocument) wordt gesteld, dienen als bewijs van de preferentiële oorsprong van de goederen. Een oorsprongsverklaring mag eventueel door de exporteur worden gesteld op een separaat blad mits dit blad integraal onderdeel is van de factuur. Dit blijkt o.a. uit een verwijzing op het blad naar de betreffende factuur.

In de vrijhandelsakkoorden die zijn gesloten tussen de Europese Unie en Zuid-Korea en tussen de Europese Unie en Canada (CETA) is er geen keus: om de preferentiële oorsprong van de goederen aan te tonen kan uitsluitend gebruik worden gemaakt worden van een oorsprongsverklaring.

Bij het opstellen van een oorsprongsverklaring moet gebruik worden gemaakt van een standaard tekst in een van de talen van de Europese Unie (zie bijlage 4) of in de taal van het land van bestemming. Een vergunning of toestemming van de douaneautoriteiten is hiervoor niet nodig. In principe kan iedere exporteur van deze mogelijkheid gebruik maken mits de waarde van de oorsprongsgoederen per zending niet meer bedraagt dan € 6.000. Geringe overschrijding van deze waarde van maximaal 5% leidt niet tot weigering van de preferentiële tariefbehandeling in de Europese Unie. De tegenwaarde van € 6.000 in andere valuta worden in overleg met de partnerlanden jaarlijks vastgesteld en gelden in principe voor het hele lopende kalenderjaar. U kunt de tegenwaarden vinden op de website van TAXUD.

Let op!

Voor de invoer uit en de uitvoer naar de Landen en Gebieden Overzee (LGO) bedraagt de maximum waarde per zending € 10.000.

Daarnaast bestaat in vrijwel alle preferentiële regelingen de mogelijkheid om een oorsprongsverklaring op te stellen zonder dat sprake is een waarde beperking per zending. De exporteur moet dan in het bezit zijn van een door de douaneautoriteiten verleende vergunning Toegelaten Exporteur of - voor de export naar Canada – zijn geregistreerd als REX. Zie verder Hoofdstuk 8. Voor oorsprongsverklaringen geldt dezelfde geldigheidsduur als voor het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Oorsprongsverklaringen moeten door de exporteur worden opgesteld op het moment dat de goederen worden uitgevoerd of vaststaat dat zij zullen worden uitgevoerd. Oorsprongsverklaringen kunnen ook worden afgegeven na de uitvoer van de goederen maar moeten uiterlijk binnen twee jaar na de invoer van de goederen in het land van bestemming worden aangeboden bij de douaneautoriteiten. Bij een latere indiening is er geen preferentiële tariefbehandeling meer mogelijk.

Let op!

Oorsprongsverklaringen opgesteld bij export van goederen naar Zuid-Korea of de landen van Centraal-Amerika (Costa Rica, El Salvador, Panama, Nicaragua, Honduras en Guatemala) moeten uiterlijk binnen één jaar na de invoer in Zuid-Korea of Centraal-Amerika worden aangeboden bij de douaneautoriteiten. Bij een latere indiening is er geen preferentiële tariefbehandeling meer mogelijk.

Let op!

Oorsprongsverklaringen opgemaakt in het kader van het APS kunnen bij invoer in de Europese Unie uitsluitend worden gebruikt ter verkrijging van preferentie voor zover de waarde van de in de zending begrepen producten van oorsprong niet mee bedraagt dan € 6.000.

Naar boven

4.3 Certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED

Het certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED kan als bewijsmiddel inzake de oorsprong van goederen dienen binnen de Pan-Euromediterrane zone. De Pan-Euromediterrane zone omvat naast de Europese Unie de volgende landen: Zwitserland, IJsland, Noorwegen, Liechtenstein, de Fær-oer, Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte, Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië, Libanon en Turkije. Het model van dit certificaat is opgenomen in de bijlage IIIb bij Aanhangsel I bij de Regionale Conventie. Het certificaat wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, op schriftelijke aanvraag van de exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger. Zie voor de definitie van exporteur en de definitie van gemachtigde vertegenwoordiger paragraaf 2.8. Bij invoer met aanspraak op preferentie moeten de certificaten bij de douaneautoriteiten van dat land worden ingediend in overeenstemming met de voorschriften die in dat land gelden. Dit is vrijwel altijd op het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen wordt gedaan.

Indien de certificaten niet bij de aangifte behoeven te worden ingediend moeten zij in het bezit zijn van de aangever op het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer wordt gedaan en moeten zij ter beschikking worden gehouden van de douaneautoriteiten. Voor zover de invoer plaatsvindt in de Europese Unie: zie artikel 163 DWU.

Bij uitvoer worden de certificaten EUR-MED door de douaneautoriteiten van het betreffende partnerland afgegeven op het moment dat vaststaat dat de goederen zullen worden uitgevoerd of wanneer zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd. Dit zal veelal zijn op het moment dat de aangifte ten uitvoer wordt gedaan. Daarnaast kent artikel 17 van Aanhangsel I bij de Regionale Conventie de mogelijkheid om - bij wijze van uitzondering - een certificaat EUR-MED na de uitvoer af te geven of - onder bepaalde voorwaarden - duplicaten van eerder afgegeven certificaten te viseren. Zie ook hoofdstuk 5.

Formele procedure bij afgifte EUR-MED in Nederland

De afgifte van certificaten EUR-MED door de douaneautoriteiten van de partnerlanden is geregeld in artikel 16 van Aanhangsel I bij de Regionale Conventie en nader uitgewerkt in de nationale wetgeving. In Nederland moet de aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED op grond van artikel 1:16 Algemene douaneregeling worden ingediend bij de Kamer van Koophandel. Het verzoek tot afgifte van een certificaat EUR-MED is opgenomen op de achterzijde van het tweede en derde exemplaar van het certificaat. De daarop verstrekte gegevens en de bij de aanvraag overgelegde bewijsstukken moeten de Kamer van Koophandel in staat stellen om de oorsprong van de goederen vast te stellen volgens de eisen die in de betreffende preferentiële regeling zijn gesteld. De Kamer van Koophandel kan toestaan dat kopieën van de bewijsstukken door de exporteur bij de Kamer van Koophandel worden gedeponeerd. Zie voor de aanvraagprocedure van een certificaat EUR-MED de website van de Kamer van Koophandel.

De Kamer van Koophandel voorziet de aanvraag vervolgens van haar bevinding. Daarna wordt de aanvraag (2e exemplaar) met het certificaat EUR-MED ter geldig making (visering) in handen gegeven van de Douane. Indien de Kamer van Koophandel de aanvraag positief heeft beoordeeld kan het certificaat EUR.1 in beginsel door de Douane in vak 11 worden geldig gemaakt (geviseerd). Een eventuele beslissing om een certificaat niet te viseren en daarmede de afgifte ervan te weigeren moet de Douane schriftelijk en met opgaaf van redenen aan de exporteur mededelen. Gelet op het feit dat deze beslissing voor bezwaar vatbaar is, moet de beslissing in de vorm van een beschikking worden genomen.

(zie artikel 1:16 Algemene douaneregeling en voor zover het de beschikking betreft onderdeel 3.00.00 van dit Handboek en met betrekking tot bezwaar en beroep onderdeel 32.00.00 van dit Handboek.

Praktische procedure bij afgifte EUR-MED in Nederland

Nadat de aanvraag door de Kamer van Koophandel akkoord is bevonden moet het certificaat EUR-MED door de Douane in vak 11 worden geldig gemaakt (geviseerd). De exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger dient daartoe de aanvraag - bestaande uit het originele certificaat en het 2e exemplaar - in op het douanekantoor van uitvoer.

Om logistieke redenen kan het certificaat EUR-MED eventueel worden geldig worden gemaakt op een ander douanekantoor in Nederland dan het kantoor van uitvoer. Voorwaarde is hierbij dat de aangifte ten uitvoer in Nederland is gedaan en dit door de exporteur of diens gemachtigde wordt aangetoond. De ambtenaren van dit douanekantoor moeten de gedane aangifte ten uitvoer raadplegen in het aangifte systeem AGS alvorens zij tot visering van het certificaat EUR-MED overgaan. De in deze paragraaf beschreven procedure waarbij de toetsing of goederen van oorsprong zijn wordt verricht door de Kamer van Koophandel en de afgifte van het certificaat EUR-MED door Douane is een nationale invulling van de in artikel 16 van Aanhangsel I bij de Regionale Conventie beschreven afgifteprocedure. In de andere partnerlanden van de Pan-euromediterrane zone zijn de Kamers van Koophandel veelal niet betrokken bij de afgifte van een certificaat EUR-MED. In deze landen vindt zowel de toetsing of de goederen van oorsprong zijn als de afgifte van het certificaat EUR-MED plaats door de douaneautoriteiten.

Naar boven

4.3.1 Oorsprongsverklaringen EUR-MED

Binnen de Pan-Euromediterrane zone kan een verklaring inzake de oorsprong van de goederen (oorsprongsverklaring EUR-MED) die door de exporteur op de factuur wordt gesteld, dienen als bewijs van de preferentiële oorsprong van de goederen. Hiervoor moet gebruik worden gemaakt van de standaard tekst in een van de officiële talen van de Europese Unie (zie bijlage 4 bij dit onderdeel van het Handboek Douane) aangevuld met een verklaring of er bij de vervaardiging van het product cumulatie heeft plaatsgevonden en zo ja met welk(e) land(en). De tekst van deze aanvullende verklaring moet worden gesteld in de Engelse taal: “cumulation applied with ……….” of “no cumulation applied”. Zie ook Bijlage IVb van Aanhangsel I bij de Regionale Conventie.

Een vergunning of toestemming voor het gebruik van oorsprongsverklaringen van de douaneautoriteiten is niet nodig. In principe kan iedere exporteur van deze mogelijkheid gebruik maken mits de waarde van de oorsprongsgoederen per zending niet meer bedraagt dan € 6.000. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om oorsprongsverklaring op te stellen zonder dat sprake is een waarde beperking per zending. De exporteur moet dan in het bezit zijn van een door de douaneautoriteiten verleende vergunning Toegelaten Exporteur. (zie Hoofdstuk 8) Voor oorsprongsverklaringen geldt dezelfde geldigheidsduur als voor het certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED.

Oorsprongsverklaringen EUR-MED moeten door de exporteur worden opgesteld op het moment dat de goederen worden uitgevoerd of vaststaat dat zij zullen worden uitgevoerd. Oorsprongsverklaringen EUR-MED kunnen ook worden afgegeven na de uitvoer van de goederen maar dienen in alle gevallen binnen twee jaar na de invoer van de goederen in het partnerland van bestemming te worden aangeboden bij de douaneautoriteiten.

Naar boven

4.4 Certificaten van oorsprong FORM A

Het certificaat van oorsprong FORM A kan uitsluitend als bewijsmiddel dienen in het kader van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Het model van het certificaat Form A is opgenomen in Bijlage 22-08 UVo. DWU. Omdat het gaat over preferenties die autonoom (eenzijdig) door de Europese Unie worden verleend, kunnen deze certificaten niet worden afgegeven bij uitvoer uit de Europese Unie. Wel bestaat de mogelijkheid om elders afgegeven certificaten van oorsprong FORM A in de Europese Unie te vervangen (zie Hoofdstuk 7). De afgifte van een certificaat FORM A in het land van uitvoer moet gebeuren door een daartoe bevoegde overheidsinstantie. Een overzicht van deze instanties vindt u in bijlage 2 bij dit onderdeel van het Handboek Douane.

Naar boven

4.4.1 Certificaten voor deelzendingen

Strikt genomen betreft het hier geen ander bewijsmiddel dan in dit hoofdstuk is beschreven maar is er sprake van een bijzondere voorziening waarbij op verzoek van de importeur en onder door de douaneautoriteiten gestelde voorwaarden één certificaat EUR.1, EUR-MED of één FORM A kan worden gebruikt voor gedemonteerde of niet-gemonteerde producten die worden ingedeeld onder de afdelingen XVI en XVII of de posten 7308 en 9406 van het Geharmoniseerde Systeem en die in deelzendingen in het vrije verkeer zullen worden gebracht. (zie bijvoorbeeld artikel 23 van Bijlage II bij de vrijhandelsovereenkomst met de landen in Centraal-Amerika).

Certificaten FORM A

Op verzoek van de importeur en op de door de Douane te stellen voorwaarden, mag één certificaat FORM A worden gebruikt voor de invoer in gedeelten wanneer de goederen:

  • in het kader van regelmatige en voortdurende transacties die een aanzienlijke handelswaarde vertegenwoordigen, worden ingevoerd;

  • het voorwerp van eenzelfde koopcontract vormen, waarbij de partijen in het land van uitvoer en in Nederland (of andere lidstaten) zijn gevestigd;

  • onder dezelfde achtcijfercode van de Gecombineerde Nomenclatuur zijn ingedeeld;

  • van eenzelfde exporteur afkomstig zijn, voor eenzelfde importeur in Nederland zijn bestemd en waarvoor de invoerformaliteiten bij hetzelfde douanekantoor worden vervuld.

Deze procedure geldt alleen voor certificaten FORM A en is van toepassing gedurende een door de douaneautoriteiten vast te stellen periode en onder voorwaarde dat de importeur over het (originele) certificaat beschikt bij het in het vrije verkeer brengen van de eerste deelzending (artikel 96 UVo. DWU).

Naar boven

4.5 Attesten van oorsprong

Het attest van oorsprong dient als bewijsmiddel in het kader van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Het model van het attest is opgenomen in Bijlage 22-07 UVo. DWU. De afgifte van attesten van oorsprong kan plaatsvinden door exporteurs in de begunstigde APS-landen die op of na 1 januari 2017 in het land van afgifte als zodanig zijn geregistreerd. Of een exporteur als “Registered EXporter” (REX) is geregistreerd kunt u controleren in de REX-database. Niet-geregistreerde exporteurs mogen een attest van oorsprong afgeven voor zover de waarde van de in de exportzending begrepen producten van oorsprong niet meer bedraagt dan € 6.000. Bij het opstellen van een attest van oorsprong moet gebruik worden gemaakt van een standaard tekst in het Engels, Frans of het Spaans (zie bijlage 4 bij dit onderdeel van het Handboek).

Zie voor meer informatie over attesten van oorsprong het Handboek Douane: Mededeling 4. (tekstnummer 200.00.00).

Naar boven

4.6 Leveranciersverklaringen en inlichtingenbladen INF 4 voor intern gebruik in Europese Unie

Leveranciersverklaringen

Leveranciersverklaringen kunnen door leveranciers in de Europese Unie worden opgesteld indien producten van oorsprong aan een andere onderneming in de Europese Unie worden geleverd. In de leveranciersverklaring verklaart de leverancier dat de producten van preferentiële oorsprong zijn of - indien zij (nog) niet van oorsprong zijn - welke bewerkingen het geleverde product in de Europese Unie heeft ondergaan.

De leverancier brengt de verklaring aan op de bij de zending behorende handelsfactuur, of op een afleveringsbon of op een ander handelsdocument waarop de goederen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om deze te kunnen identificeren. De leveranciersverklaring kan ook worden gesteld op een separaat document mits de leverancier als zodanig kan worden geïdentificeerd (bijvoorbeeld uit het briefhoofd). Een leveranciersverklaring kan worden afgegeven per geleverde zending maar kan ook worden verstrekt bij de regelmatige leveringen aan dezelfde afnemer. Deze verklaring (de langlopende leveranciersverklaring) heeft een geldigheidsduur van twee jaar. (artikel 61 tot en met artikel 63 UVo. DWU)

De modellen van de verschillende leveranciersverklaringen voor producten van preferentiële oorsprong zijn opgenomen in bijlage 22-15 UVo. DWU en in bijlage 22-16 UVo. DWU. U kunt de modellen desgewenst ook downloaden van de website van de Kamer van Koophandel.

De modellen van de leveranciersverklaringen voor producten die een be- of verwerking hebben ondergaan maar nog niet als van preferentiële oorsprong kunnen worden beschouwd zijn opgenomen in bijlage 22-17 UVo. DWU en in bijlage 22-18 UVo. DWU.

Een leveranciersverklaring moet worden voorzien van een handgeschreven handtekening van de leverancier. Wanneer zowel de leveranciersverklaring als de factuur met behulp van elektronische middelen is opgesteld, kan de leveranciersverklaring elektronisch worden geauthentiseerd of kan de leverancier aan zijn afnemer een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle digitale leveranciersverklaringen die door hem worden verstrekt en waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze met zijn handgeschreven handtekening zou hebben ondertekend (artikel 63 UVo. DWU).

Leveranciersverklaringen geven geen recht op de toepassing van een preferentieel tarief. Ze dienen voor de exporteur als bewijsstukken om de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer (EUR.1 of EUR-MED) en het opstellen van oorsprongsverklaringen bij uitvoer uit de Europese Unie te vergemakkelijken en waarbij de oorsprong van elders in de Europese Unie ingekochte producten of bestanddelen moet worden aangetoond. Deze bewijsmiddelen dienen in feite als instrumenten die noodzakelijk zijn voor de volledige cumulatie binnen de Europese Unie.

Let op!

Een leveranciersverklaring kan eventueel worden afgegeven na de levering van de goederen. (artikel 61, lid 3 UVo. DWU).

Langlopende leveranciersverklaringen kunnen met terugwerkende kracht worden afgegeven voor goederen die eerder zijn geleverd. Deze langlopende leveranciersverklaringen hebben een terugwerkende geldigheidsduur van maximaal tweejaar te rekenen vanaf de datum waarop de langlopende leveranciersverklaring wordt opgesteld. De geldigheidsduur van de langlopende leveranciersverklaring die met terugwerkende kracht is opgesteld mag niet later dan zes maanden na de datum waarop de langlopende leveranciersverklaring is opgesteld van start gaan (artikel 62, lid 2 UVo. DWU).

Inlichtingenblad INF 4

De douaneautoriteiten kunnen van degene die de leveranciersverklaring gebruikt als onderliggend bewijs bij het aanvragen van een certificaat EUR.1 of een certificaat EUR-MED of bij het opstellen van een oorsprongsverklaring of van een attest van oorsprong, verzoeken zijn leverancier om een inlichtingenblad INF 4 te vragen ter bevestiging van de echtheid en de juistheid van de leveranciersverklaring (artikel 64 UVo. DWU). Het model van het inlichtingenblad INF 4 is opgenomen in bijlage 22-02 UVo. DWU.

De daarbij te volgen handelwijze is beschreven in paragraaf 5.9.

Naar boven

4.6.1 Leveranciersverklaringen voor gebruik binnen de EER

In Protocol 4 bij de EER-overeenkomst is een leveranciersverklaring vastgesteld die binnen de gehele EER kan worden gebruikt als bewijsmiddel om aan te tonen dat op zich niet oorsprong EER verlenende be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden. Deze verklaringen kunnen niet dienen voor de toepassing van een preferentieel tarief bij invoer. De controle op de juistheid van een dergelijke verklaring vindt plaats door de toepassing van de gebruikelijke procedure in het kader van de administratieve samenwerking en niet door middel van een inlichtingenblad INF 4.

Naar boven

4.6.2 Leveranciersverklaringen/inlichtingenbladen anders dan voor gebruik binnen de Europese Unie en de EER

In een aantal preferentiële regelingen Cariforum, de OZA-staten, de landen van de SADC, de eilandstaten in de Stille Oceaan, de landen en gebieden overzee (LGO), Algerije, Marokko, Tunesië en Canada (CETA) is eveneens voorzien in het gebruik van leveranciersverklaringen en soms ook inlichtingenbladen INF 4. Net zoals dat binnen de Europese Unie het geval is, hebben ook deze bewijsmiddelen het doel om in geval van cumulatie de uiteindelijke afgifte van oorsprongsbewijzen te vergemakkelijken. Ze kunnen dus niet als bewijsmiddel voor de toepassing van de preferentiële regeling dienen.

Overigens wordt in de meeste preferentiële regelingen voor de toepassing van de bilaterale cumulatie het door de douaneautoriteiten afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 gebezigd.

Naar boven

4.6.3 Leveranciersverklaringen in het handelsverkeer tussen de Europese Unie en Turkije

In het handelsverkeer tussen de Europese Unie en Turkije kan eveneens gebruik worden gemaakt van leveranciersverklaringen. Deze leveranciersverklaringen kunnen worden afgegeven voor producten van oorsprong uit de Europese Unie of Turkije die na een eventuele be- of verwerking in Turkije of de Europese Unie bestemd zijn te zullen worden uitgevoerd naar een van de landen van de Pan-Euromediterrane of de Balkanzone met een certificaat EUR.1, een certificaat EUR-MED of een oorsprongsverklaring. Leveranciersverklaringen geven zelf geen recht op preferentie bij invoer. Indien de goederen behalve van oorsprong zijn uit de Europese Unie of Turkije ook herkomstig zijn uit het vrije verkeer van de Europese Unie of Turkije mag bij uitvoer naar de Europese Unie respectievelijk naar Turkije naast de leveranciersverklaring een certificaat inzake goederenverkeer A.TR. worden afgegeven. Zie verder paragraaf 4.2.11. De modellen van de leveranciersverklaring zijn opgenomen als Bijlagen bij Besluit nr.1/2006 van het Comité Douanesamenwerking Europese Unie-Turkije en komen overeen met de modellen die binnen de Europese Unie worden gebruikt. Zie paragraaf 4.7. De modellen van de leveranciersverklaring zijn opgenomen als Bijlagen bij Besluit nr.1/2006 van het Comité Douanesamenwerking Europese Unie-Turkije en komen overeen met de modellen die binnen de Europese Unie worden gebruikt. Zie paragraaf 4.6.

Naar boven

4.7 Certificaten inzake goederenverkeer A.TR.

In het kader van de douane-unie tussen de Europese Unie en Turkije wordt het certificaat inzake goederenverkeer A.TR. gebruikt om in het onderlinge handelsverkeer aan te tonen dat de goederen van herkomst uit het vrije verkeer zijn. Het certificaat A.TR. wordt bij export afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer (artikel 7 van Besluit 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EU-TR). Dit Besluit voorziet ook in een vergunning Toegelaten Exporteur waarbij - onder voorwaarden - de exporteur zelf certificaten A.TR. kan afgeven.

Zoals dat ook bij het certificaat EUR.1 het geval is, kan het certificaat A.TR. in bepaalde gevallen na de uitvoer worden afgegeven en bestaat er de mogelijkheid een duplicaat af te geven.

Zoals hiervoor is aangegeven dient het certificaat A.TR als bewijs dat goederen zich in het vrije verkeer van de douane-unie tussen Turkije en de Europese Unie bevinden. Binnen de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Turkije voor bepaalde landbouwproducten en binnen de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Turkije voor kolen en ijzer- en staalproducten, gelden oorsprongsregels en moet de preferentiële oorsprong worden aangetoond door middel van een certificaat EUR.1, een certificaat EUR-MED of een oorsprongsverklaring. Zie voor deze producten bijlage 3 bij dit onderdeel van het Handboek Douane.

Naar boven

4.8 Nadere bepalingen

Tenslotte komen in dit hoofdstuk vier nadere bepalingen aan de orde, achtereenvolgens over de geldigheidsduur algemeen (paragraaf 4.8.1), de administratieve samenwerking (paragraaf 4.8.2), de vrijstelling van bewijsvoering (paragraaf 4.8.3) en de talen waarin oorsprongsbewijzen kunnen worden opgesteld. (paragraaf 4.8.4)

Naar boven

4.8.1 Geldigheidsduur algemeen

In hoofdstuk 6 wordt de geldigheidsduur van de oorsprongsbewijzen aangegeven. Binnen deze geldigheidsduur moeten ze bij de douaneautoriteiten in het land van invoer worden aangeboden. In alle preferentiële regelingen komen bepalingen voor waarbij oorsprongsbewijzen die na het verstrijken van de geldigheidsduur worden aangeboden bij het doen van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen, toch kunnen worden aanvaard. De voorwaarde daarbij is dat de goederen binnen de geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs bij de douaneautoriteiten worden aangebracht. (zie bijvoorbeeld artikel 94 UVo. DWU)

Naar boven

4.8.2 Administratieve samenwerking

In alle preferentiële regelingen is er sprake van administratieve samenwerking tussen de autoriteiten van het land van uitvoer en die van het land van invoer. Deze vorm van samenwerking houdt in:

  • het uitwisselen van stempels en adressen van de autoriteiten die tot afgifte van de betreffende oorsprongsbewijzen zijn bevoegd;

  • de (administratieve) samenwerking bij de controle op de echtheid en juistheid van oorsprongsbewijzen.

De praktische aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van de administratieve samenwerking vindt u in hoofdstuk 9.

Naar boven

4.8.3 Vrijstelling van bewijsvoering

In alle preferentiële regelingen komen bepalingen voor over goederen die in de bagage van reizigers zijn meegevoerd en voor kleine zendingen van particulieren aan particulieren. Binnen bepaalde waarde limieten kan daarop de preferentie worden verleend zonder dat daarvoor de overlegging van de voorgeschreven bewijsstukken is vereist. Voorwaarden daarbij zijn dat het om zendingen gaat zonder een commercieel karakter en dat aan de mondelinge verklaring van de belanghebbende geen twijfel bestaat. De goederen moeten uiteraard wel van oorsprong uit het betreffende land zijn.

In geval van twijfel kunnen de douaneautoriteiten alsnog de overlegging eisen van het oorsprongsbewijs dat in de betreffende regeling is voorgeschreven. Deze waarde limieten hebben overigens geen invloed op de vrijstellingen van invoerrechten en omzetbelasting die gelden voor goederen die zijn meegevoerd in reizigersbagage. De waarde limieten vindt u in hoofdstuk 6.

Naar boven

4.8.4 Talen waarin oorsprongsbewijzen kunnen zijn gesteld

Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED, en oorsprongsverklaringen mogen zijn gesteld in een van de officiële talen van de Europese Unie. In de meeste regelingen is ook de taal van het land van afgifte of van bestemming van het oorsprongsbewijs toegestaan. Bij invoer kunnen de douaneautoriteiten een vertaling eisen.

Certificaten inzake goederenverkeer A.TR. moeten in een van de officiële talen van de Europese Unie zijn gesteld. Indien de certificaten in het Turks zijn gesteld, is dit toegestaan voor zover er in vak 10 van het certificaat (goederenomschrijving) tevens een vertaling in een van de talen van de Europese Unie het certificaat is vermeld.

Certificaten van oorsprong FORM A en oorsprongsverklaringen die zijn opgemaakt in het kader van het APS moeten altijd zijn gesteld in het Engels of het Frans. Attesten van oorsprong dienen te worden gesteld in het Engels, Frans of Spaans. Zie voor het model van het attest van oorsprong bijlage 4bij dit onderdeel van het Handboek Douane.

.

Naar boven