Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

8.00.00 Preferentiele oorsprong en herkomst

6 Voorwaarden om bij invoer in aanmerking te komen voor een tarief preferentiële behandeling

6.1 Algemeen

In dit hoofdstuk komen de voorwaarden aan de orde waaraan moet zijn voldaan om bij het in het vrije verkeer brengen van goederen in de Europese Unie in aanmerking te komen voor een preferentieel verlaagd- of nul tarief.

Van een preferentieel tarief kan gebruik worden gemaakt als:

  1. de aangever daarom verzoekt (artikel 56, lid 3 DWU);

  2. de goederen van oorsprong zijn in de zin van de betreffende preferentiële regeling;

  3. de goederen tijdens het transport niet zijn gewijzigd of verwisseld (non-manipulatie clausule);

  4. de voorgeschreven oorsprongsbewijzen worden gebruikt;

  5. de oorsprongsbewijzen als geldig kunnen worden aangemerkt.

Verzoek om toepassing preferentie

Een aangever verzoekt feitelijk om toepassing van een preferentiële regeling als hij de code vermeldt voor de gewenste preferentie in de douaneaangifte voor in het vrije verkeer brengen. Zie voor de te gebruiken preferentiecode het Codeboek Douane.

Wanneer de aangever verzoekt om toepassing van de preferentiële regeling wordt hij - op het moment dat de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen wordt gedaan - geacht in het bezit te zijn van het daarvoor vereiste originele oorsprongsbewijs (artikel 163, lid 1 DWU). Andere bewijsstukken of kopieën van bewijsstukken geven geen recht op een preferentiële tariefbehandeling. Op de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen vermeldt de aangever de bescheidcode en het nummer van het vereiste oorsprongsbewijs. De Douane kan van de aangever eisen het oorsprongsbewijs te overleggen wanneer dit op basis van Uniewetgeving is vereist of wanneer de Douane dit om controleredenen noodzakelijk acht (artikel 163, lid 2 DWU).

Het overleggen van een oorsprongsbewijs wordt door de Douane in ieder geval geëist indien de aangever gebruik wenst te maken van een preferentiële behandeling in het kader van een tariefcontingent. Pas op het moment dat het oorsprongsbewijs door de aangever aan de Douane is overgelegd kan het contingent worden aangevraagd (artikel 50 UVo. DWU).

De goederen moeten van oorsprong zijn

Tot het tegendeel is bewezen worden goederen waarvoor een geldig certificaat is afgegeven of een oorsprongsverklaring of een attest van oorsprong is opgesteld, geacht van oorsprong te zijn volgens de criteria die zijn gesteld in de betreffende preferentiële regeling. Indien u twijfelt aan de juistheid van de oorsprong van de goederen moet u het oorsprongsbewijs ter controle inzenden aan het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Oorsprong Team. (zie Hoofdstuk 9).

Voorwaarde van non-manipulatie (rechtstreeks vervoer)

De voorwaarden van non-manipulatie vindt u in paragraaf 2.17 en paragraaf 6.7.

Bewijs van oorsprong

Met uitzondering van de oorsprongsregeling met Zuid-Korea en Canada (CETA) waarbij uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van oorsprongsverklaringen, kan een beroep worden gedaan op een preferentiële tariefbehandeling bij invoer door middel van het certificaat EUR.1 of de oorsprongsverklaring. De modellen van het certificaat EUR.1 en de oorsprongsverklaring (factuurverklaring) zijn opgenomen in de bijlagen bij de betreffende preferentiële regeling. Binnen het kader van de Pan-euromediterrane zone kan gebruik worden gemaakt van het certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED en de oorsprongsverklaring EUR-MED. De modellen van het certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED en de EUR-MED oorsprongsverklaring zijn opgenomen in de bijlagen bij het Aanhangsel bij de Regionale Conventie (Bw. WD3 nr. 200.09.00 en Pb. EU L nr. 54/2013).

Bij invoer met aanspraak op preferentie in het kader van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) moet - om de oorsprong van de goederen aan te tonen - gebruik worden gemaakt van het certificaat van oorsprong FORM A of een APS oorsprongsverklaring (voor zendingen oorsprongsproducten van niet meer dan € 6.000). Het model van het certificaat van oorsprong FORM A is opgenomen in bijlage 22-08 UVo. DWU. De tekst van de APS oorsprongsverklaring is opgenomen in bijlage 22-09 UVo. DWU. Voor het aantonen van de oorsprong van producten uit de begunstigde landen in het kader van het APS die zijn overgegaan tot implementatie van het REX systeem moet de oorsprong worden aangetoond door middel van een attest van oorsprong. Zie voor een overzicht van deze landen: Mededeling 4 bij dit Handboek (tekstnummer 200.00.00) of de website van de Europese Commissie. Het format van het attest van oorsprong is opgenomen in Bijlage 22-07 GVo. DWU en in bijlage 4 bij dit onderdeel van het Handboek.

Geldigheid oorsprongsbewijs.

De bepalingen over de geldigheid van de bewijsmiddelen vindt u in paragraaf 6.3.

Oorsprongsbewijzen waarmee de oorsprong Europese Unie wordt aangetoond, leiden bij wederinvoer in de Europese Unie niet tot het toepassen van een preferentieel tarief. Voor nadere bijzonderheden en voor de uitzonderingen wordt u verwezen naar paragraaf 2.15.

Relatie tussen het toepassen van de preferentie en het tijdstip van invoer / overleggen bewijs

U past het preferentiële tarief toe op het tijdstip dat de aangever door de vereiste vermeldingen in de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen aangeeft over het vereiste oorsprongsbewijs te beschikken of - indien dit is vereist of u daarom heeft verzocht - aan u heeft verstrekt. Zolang de aangever het originele oorsprongsbewijs niet in zijn bezit heeft kan het preferentiële tarief niet worden toegepast en vraagt u, in voorkomend geval, ook geen tariefcontingent aan.

Bovenstaande geldt ongeacht de reden van het latere overleggen en ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 6.3. (vereenvoudigde douaneaangifte).

Als het preferentiële tarief op het tijdstip dat het oorsprongsbewijs aan u wordt overgelegd niet meer van kracht is, is dat niet altijd een belemmering voor de toepassing van het preferentiële tarief. Alleen in die gevallen waarin intussen het normale recht bij invoer binnen is weder ingesteld, of waarin een tariefcontingent inmiddels is uitgeput mag u het preferentiële recht niet meer toepassen. (artikel 117, lid 2 DWU) Is echter een preferentieel recht bijvoorbeeld gedurende een heel kalenderjaar van toepassing geweest en is de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen ook in dat jaar aanvaard, dan mag u wel het preferentiële tarief alsnog toepassen mits men over een geldig oorsprongsbewijs beschikt.

U mag het preferentiële tarief niet meer toepassen wanneer een land na een genoemde datum niet langer begunstigd is in het kader van het APS. Zelfs niet wanneer men over een geldig certificaat FORM A, een geldige APS oorsprongsverklaring of een geldig attest van oorsprong beschikt. Zie voor meer informatie: Mededeling 25 bij het Handboek Douane (tekstnummer 2.00.00.00).

Bijzonderheden bij vergunning vereenvoudigde douaneaangifte in het vrije verkeer brengen

Als de importeur in het bezit is van een vergunning vereenvoudigde douaneaangifte in het vrije verkeer brengen, past u de preferentie pas toe:

  • als de relatie tussen het oorsprongsbewijs en de goederen in de administratie van de importeur vastligt;

  • als de datum waarop de goederen de bestemming invoer volgen, in de administratie vastligt;

  • als u de voorwaarde van non-manipulatie in de administratie kunt controleren.

Let op!

Bij de vereenvoudigde aangifte is de datum waarop de goederen in de administratie worden ingeschreven, de datum dat de goederen hun bestemming invoer volgen (artikel 182 DWU). In dat geval is de datum van wegvoering van de goederen uit het bedrijf van de importeur niet relevant.

Naar boven

6.2 Vereenvoudigde douaneaangiften / Overlegging achteraf / Zekerheidstelling

Het komt regelmatig voor dat een aangever aanspraak maakt op een preferentieel tarief, maar dat hij het oorsprongsbewijs nog niet in het bezit heeft op het moment dat de douaneaangifte voor het brengen in het vrije verkeer wordt gedaan. Het is dan mogelijk het oorsprongsbewijs op een later tijdstip in het bezit te hebben en ter beschikking van de douaneautoriteiten te houden (artikel 167 DWU).

De termijn waarbinnen de oorsprongsbewijzen in het bezit van de aangever moeten zijn, is de termijn waarbinnen de aanvullende aangifte moet worden ingediend. De Douane kan in gerechtvaardigde gevallen een langere termijn toestaan voor het beschikbaar stellen van de oorsprongsbewijzen. Deze termijn mag niet meer bedragen dan 120 dagen na de vrijgave van de goederen (artikel 147 GVo. DWU). Deze termijn kan niet worden verlengd.

Ambtelijke werkzaamheden:

  • Bij een onvolledige aangifte wordt direct het bedrag geheven dat verschuldigd zou zijn indien het oorsprongsbewijs ook daadwerkelijk in het bezit van de aangever zou zijn of zou zijn overgelegd. Voor het verschil tussen dit bedrag en de douaneschuld bij niet-overlegging van het oorsprongsbewijs moet incidentele zekerheid worden gesteld tenzij er een doorlopende aanvullende gestelde zekerheid is. Voor de daarbij te volgen handelwijze moet u dit Handboek, onderdeel 13.00.00, raadplegen.
    Zie voor het onderwerp zekerheidstelling in het algemeen ook het dit Handboek, onderdeel 27.00.00.

Als de aangever na het verstrijken van de termijn alsnog een oorsprongsbewijs bij u overlegt of als de aangever geen gebruik heeft gemaakt van de in deze paragraaf geboden mogelijkheid en alsnog een oorsprongsbewijs bij u overlegt, wijst u hem op de mogelijkheid een verzoek om terugbetaling in te dienen bij de inspecteur.
Hij moet dat verzoek indienen bij de inspecteur in wiens ambtsgebied de douaneaangifte voor het brengen in vrije verkeer is gedaan. De aangever moet het betreffende - originele - oorsprongsbewijs overleggen bij het verzoek om terugbetaling.

Naar boven

6.3 Geldigheid certificaten en oorsprongsverklaringen

In paragraaf 6.1 zijn de voorwaarden opgenomen die in acht moeten worden genomen om bij invoer gebruik te kunnen maken van een preferentiële regeling. In deze paragraaf treft u bepalingen aan over de geldigheid van certificaten en oorsprongsverklaringen. Deze paragraaf behandelt de volgende onderwerpen:

  1. algemeen;

  2. bijzondere aspecten certificaten van oorsprong FORM A;

  3. bijzondere aspecten oorsprongsverklaringen;

  4. bijzondere aspecten attesten van oorsprong

  5. talen.

A. Algemeen

U kunt een preferentieel oorsprongsbewijs aanvaarden als:

  1. het origineel is en overeenkomt met het model dat is vastgesteld in de betreffende preferentiële regelingen. U raadpleegt daarvoor het bij de betreffende vrijhandelsovereenkomst behorende protocol of de betreffende autonome regeling;

  2. het is opgemaakt en wordt gebruikt in overeenstemming met het vastgestelde model en de daarop gestelde aanwijzingen;

  3. het binnen de geldigheidsduur wordt gebruikt voor een preferentiële tariefbehandeling bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen. Zie voor de geldigheidsduur paragraaf 6.4;

  4. u niet twijfelt aan de echtheid en juistheid van het oorsprongsbewijs;

  5. vaststaat dat het is afgegeven voor de goederen waarvoor de preferentie wordt verzocht;

  6. het is geviseerd door de daartoe bevoegde instantie in het land of gebied van uitvoer (zie paragraaf 6.5.).

De onder 1 tot en met 5 vermelde eisen gelden zowel voor certificaten als oorsprongsverklaringen. De onder 6. geformuleerde eis geldt uiteraard niet oorsprongsverklaringen.

Als u heeft vastgesteld dat het gebruikte oorsprongsbewijs aan de genoemde eisen voldoet, kunt u het als formeel juist aanvaarden.

De onder 1 tot en met 5 vermelde eisen gelden zowel voor certificaten als oorsprongsverklaringen. De onder 6. geformuleerde eis geldt uiteraard niet voor oorsprongsverklaringen en attesten van oorsprong omdat deze door de exporteur onder voorwaarden zelf kunnen afgegeven.

Als u heeft vastgesteld dat het gebruikte oorsprongsbewijs aan de genoemde eisen voldoet, kunt u het als formeel juist aanvaarden.

Let op!

Oorsprongsverklaringen afgegeven door vergunninghouders Toegelaten exporteur of door in Canada geregistreerde exporteurs kunnen digitaal door de exporteur naar de importeur in de Europese Unie worden gezonden en eventueel op verzoek van de Douane worden geprint. Hetzelfde geldt voor attesten van oorsprong.

B. Bijzondere aspecten certificaten van oorsprong FORM A.

Certificaten van oorsprong FORM A worden uitsluitend gebruikt in het kader van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Als het certificaat bij invoer wordt gebruikt ter verkrijging van preferentie, aanvaardt u het certificaat slechts als het aan de in A. genoemde eisen voldoet. Daarnaast zijn specifiek voor deze certificaten nog enkele bijzonderheden van belang:

  1. In vak 8 van het certificaat moet de vermelding "P" of "W" voorkomen. Uit de toelichting op de achterzijde van het certificaat blijkt dat de "P" betrekking heeft op geheel (en al) of volledig verkregen goederen en dat de "W" betrekking heeft op goederen die de oorsprong hebben verkregen door een voldoende be- of verwerking van materialen uit derde landen.

    Als in vak 8 een "W" is vermeld, moet daarbij ook altijd een GS-post zijn vermeld. Indien u bij controle een andere GS-post bevindt, moet u aan de hand van bijlage 22-03 GVo. DWU nagaan of aan de oorsprongscriteria van de door u bevonden GS-post is voldaan. Het certificaat is immers afgegeven volgens de oorsprongsregels van de op het certificaat in vak 8 genoemde GS-post.

    Als de oorsprongscriteria voor beide GS-posten (de post in vak 8 van het certificaat en de door u bevonden post) identiek zijn dan kunt u het verschil tussen die posten accepteren. Indien de oorsprongsregels voor de bevonden GS-post en de op het certificaat vermelde GS-post verschillen of wanneer u anderszins twijfel heeft over de juiste toepassing van de oorsprongsregels dan gaat u via de administratieve samenwerkingsprocedure (zie Hoofdstuk 9) na of aan de oorsprongscriteria van de door u bevonden GS post is voldaan.

    Certificaten van oorsprong FORM A zonder een vermelding in vak 8 of met andere vermeldingen dan P of W in vak 8 kunt u direct weigeren. Andere vermeldingen houden in dat het certificaat is afgegeven op basis van andere oorsprongsregels dan die de Europese Unie voor het APS hanteert. (Ook de Verenigde Staten van Amerika, Belarus (Wit-Rusland), Rusland, Japan, Canada en Australië) passen voor ontwikkelingslanden het APS toe echter met andere oorsprongsregels dan door de Europese Unie worden gehanteerd).

    Als er een andere vermelding in dat vak staat, aanvaardt u dat certificaat niet als bewijsmiddel voor de preferentiële oorsprong tenzij uit vak 12 blijkt dat het certificaat werd opgemaakt met bestemming de Europese Unie of één van de 28 lidstaten. In voorkomend geval moet het certificaat ter controle worden ingezonden naar het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Oorsprong Team (zie Hoofdstuk 9).

  2. In vak 12 van het certificaat moet de vermelding Europese Unie of één van de 28 lidstaten zijn gesteld. Vak 12 moet zijn voorzien van een met de handgeplaatste handtekening van de exporteur. Vak 2 (consignee) en vak 10 (invoice nr. en datum) van het certificaat behoeven niet te zijn ingevuld (artikel 74, lid 6 UVo. DWU).

Stroomschema

Hierna is een stroomschema aangegeven wanneer u een certificaat FORM A wel of niet kunt aanvaarden.

 

Let op!

In bepaalde gevallen kan worden toegestaan dat één certificaat FORM A worden overlegd voor meerdere (deel)zendingen (artikel 96 UVo. DWU).

Zie hier voor de voorwaarden paragraaf 4.2.6.

C. Bijzondere aspecten oorsprongsverklaringen

Oorsprongsverklaringen moeten aan de onder A. genoemde eisen voldoen. Voor oorsprongsverklaringen gelden daarnaast nog enkele bijzonderheden:

In de meeste gevallen zal de aangever een factuur gebruiken voorzien van een door de exporteur gestelde verklaring omtrent de oorsprong van de daarop vermelde goederen: de oorsprongsverklaring (factuurverklaring). Als de aangever echter een pakbon, afleveringsbon of een ander handelsdocument dan de factuur gebruikt met een oorsprongsverklaring, dan aanvaardt u dat handelsdocument mits de verklaring door de (toegelaten) exporteur (Canada: geregistreerde exporteur) zelf is gesteld en het voldoende bijzonderheden over de ten invoer aangegeven goederen bevat. U moet de goederen kunnen identificeren aan de hand van de productomschrijving op het handelsdocument.

Er zijn drie soorten oorsprongsverklaringen:

  1. de oorsprongsverklaring die wordt gebruikt ongeacht de waarde van de zending in het kader van een vergunning Toegelaten Exporteur (met vermelding van zijn vergunning nummer);

  2. de oorsprongsverklaring die wordt gebruikt ongeacht de waarde van de zending door een in Canada geregistreerde exporteur (met vermelding van zijn business nummer) voor producten van oorsprong uit Canada;

  3. de oorsprongsverklaring die kan worden opgesteld door iedere exporteur (zonder vergunning of registratie) voor zover de waarde van de goederen van oorsprong per zending niet meer bedraagt dan € 6.000. Voor de landen en gebieden overzee (LGO) mag de waarde van de goederen per zending niet meer bedragen dan € 10.000. Het begrip zending is in alle oorsprongsregelingen nader gedefinieerd. Het gaat dan om producten die gelijktijdig naar een geadresseerde worden gezonden of die vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt of - indien er geen vervoersdocument is - vergezeld gaan van één enkele factuur.

Bij de beoordeling of de maximum waarde limiet per zending is gerespecteerd neemt u alleen op de daarin aanwezige producten van oorsprong in aanmerking. Onder de waarde is te verstaan: de factuurprijs af fabriek. Indien er geen factuurprijs bestaat - bijvoorbeeld omdat het een gratis levering is - wordt de douanewaarde bij invoer als basis voor het bepalen van de waarde grens aangehouden.

Voorts geldt met betrekking tot de aanvaarding van oorsprongsverklaringen het volgende:

  • de verklaring moet voldoen aan de daarvoor vastgestelde tekst;

  • de verklaring moet zijn voorzien van een datum en een met de hand geplaatste ondertekening (handtekening);

  • de verklaring mag door de (toegelaten of in Canada geregistreerde) exporteur zijn gesteld op een afzonderlijk blad bij de door de exporteur opgemaakte factuur. Dat blad moet dan deel uitmaken van die factuur. De twee bescheiden moeten dus duidelijk naar elkaar verwijzen;

  • de verklaring mag op de achterzijde van de factuur zijn vermeld;

  • de verklaring mag zijn voorgedrukt;

  • de verklaring mag zijn gesteld op een op de factuur geplakt etiket of iets dergelijks. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat de verklaring deel uitmaakt van de factuur. Dat laatste blijkt uit een stempel dat gedeeltelijk op de factuur en gedeeltelijk op het etiket staat of uit een op die manier geplaatste handtekening;

  • u weigert de oorsprongsverklaring niet als:

    1. er geringe afwijkingen op de factuur staan (typefouten);

    2. de plaats en/of de datum in de verklaring ontbreken en deze wel uit de factuur blijken.

  • Oorsprongsverklaringen opgesteld door Toegelaten Exporteurs zijn meestal niet voorzien van een handtekening. Het is namelijk mogelijk dat de exporteur toestemming heeft om zijn handtekening achterwege te laten. Een dergelijke toestemming blijkt niet uit de oorsprongsverklaring.
    Bij het ontbreken van de handtekening weigert u de oorsprongsverklaring niet en gaat u er van uit dat de exporteur bovenbedoelde toestemming heeft gekregen. Alleen als u redenen heeft om te twijfelen aan het feit dat de handtekening mag ontbreken, zendt u de oorsprongsverklaring ter controle aan het douanekantoor Nijmegen/Landelijk Oorsprong Team (zie Hoofdstuk 9).

  • Oorsprongsverklaringen afgegeven in Canada behoeven niet te zijn voorzien van een handtekening van de Canadese exporteur.

  • Oorsprongsverklaringen die zijn opgesteld voor zendingen oorsprongsgoederen met een waarde van niet meer dan € 6.000 (LGO: € 10.000) moeten altijd zijn voorzien van een originele, handgeschreven handtekening van de exporteur. Is de handtekening niet origineel, niet handgeschreven of ontbreekt hij, dan weigert u de oorsprongsverklaring en de preferentie.

  • Oorsprongsverklaringen die zijn opgesteld door Toegelaten Exporteurs moeten een verwijzing naar de aan de exporteur verleende vergunning hebben of, indien het in Canada afgegeven oorsprongsverklaring betreft, een verwijzing naar het aan de Canadese exporteur verleende registratienummer (business number). De teksten van de oorsprongsverklaringen in de verschillende vertalingen staan in bijlage 4 bij dit onderdeel van het Handboek Douane. Oorsprongsverklaringen die zijn opgesteld door Toegelaten Exporteurs moeten een verwijzing naar de aan de exporteur verleende vergunning hebben. De teksten van de oorsprongsverklaringen in de verschillende vertalingen staan in bijlage 4.

Let op!

Het is niet toegestaan dat oorsprongsverklaringen worden geplaatst op een door een andere derde partij opgestelde factuur of handelsdocument.

D. Bijzondere aspecten attesten van oorsprong

  1. Attesten van oorsprong worden uitsluitend gebruikt in het kader van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Wanneer het attest van oorsprong bij invoer wordt gebruikt ter verkrijging van preferentie wordt de aangever geacht vooraf te controleren of het attest van oorsprong voldoet aan het format dat is opgenomen in Bijlage 22-07 UVo. DWU en - indien de waarde van de zending meer bedraagt dan € 6.000 - de exporteur beschikt over een registratienummer. Hiervoor kan de REX database worden geraadpleegd.

  2. U aanvaardt het attest van oorsprong alleen wanneer - behalve aan de eisen met betrekking tot het format en het registratienummer - het attest aan de volgende eisen voldoet:

  3. In het attest moet de vermelding "P" of "W" voorkomen. Uit de toelichting in Bijlage 22-07 moet een "P" zijn vermeld wanneer de goederen geheel (en al) of volledig verkregen zijn in het betreffende begunstigde land of een "W" wanneer de goederen de oorsprong van het betreffende land hebben verkregen door een voldoende be- of verwerking van materialen uit derde landen.

Ingeval een "W" is vermeld, moet daarbij ook altijd een GS-post zijn vermeld. Indien u bij controle een andere GS-post bevindt, moet u aan de hand van bijlage 22-03 GVo. DWU nagaan of aan de oorsprongscriteria van de door u bevonden GS-post is voldaan. Het attest van oorsprong is immers afgegeven volgens de oorsprongsregels voor de in het attest genoemde GS-post. Wanneer de oorsprongscriteria voor beide GS-posten (de post van de goederen waarvoor het attest is afgegeven en de door u bevonden GS-post) identiek zijn dan kunt u het verschil tussen die posten accepteren. Indien de oorsprongsregels voor de bevonden GS-post en de in het attest vermelde GS-post verschillen of wanneer u anderszins twijfel heeft over de juiste toepassing van de oorsprongsregels dan gaat u via de administratieve samenwerkingsprocedure (zie Hoofdstuk 9) na of aan de oorsprongscriteria van de door u bevonden GS post is voldaan.

Attesten van oorsprong zonder een vermelding omtrent de wijze waarop de oorsprong van de producten is verkregen of met andere vermeldingen dan een P of W kunt u direct weigeren. Andere vermeldingen houden in dat het attest is afgegeven op basis van andere oorsprongsregels dan die de Europese Unie voor het APS hanteert. (Ook de Verenigde Staten van Amerika, Belarus (Wit-Rusland), Rusland, Japan, Canada en Australië) passen voor ontwikkelingslanden het APS toe echter met andere oorsprongsregels dan door de Europese Unie worden gehanteerd)

Voor zendingen van meer dan € 6.000 moet de exporteur zijn geregistreerd als REX in het betreffende APS-land. U kunt dit controleren in de database van de Europese Commissie.

Attesten van oorsprong die niet voldoen aan de hiervoor gestelde eisen en/of zijn afgegeven door een niet-geregistreerde exporteur (voor zendingen met een waarde van meer dan € 6.000) kunnen niet dienen voor een preferentiële tariefbehandeling bij invoer. Attesten van oorsprong worden niet voorzien van een handtekening van de (geregistreerde) exporteur. De teksten van de oorsprongsverklaringen in de verschillende vertalingen staan in bijlage 4 bij dit onderdeel van het Handboek Douane.

1. de oorsprongsverklaring die wordt gebruikt ongeacht de waarde van de zending in het kader van een vergunning Toegelaten Exporteur (met vermelding van zijn vergunning nummer);

2. de oorsprongsverklaring die wordt gebruikt ongeacht de waarde van de zending door een in Canada geregistreerde exporteur (met vermelding van zijn business nummer) voor producten van oorsprong uit Canada;

3. de oorsprongsverklaring die kan worden opgesteld door iedere exporteur (zonder vergunning of registratie) voor zover de waarde van de goederen van oorsprong per zending niet meer bedraagt dan € 6.000. Voor de landen en gebieden overzee (LGO) mag de waarde van de goederen per zending niet meer bedragen dan € 10.000. Het begrip zending is in alle oorsprongsregelingen nader gedefinieerd. Het gaat dan om producten die gelijktijdig naar een geadresseerde worden gezonden of die vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt of - indien er geen vervoersdocument is - vergezeld gaan van één enkele factuur.

Bij de beoordeling of de maximum waarde limiet per zending is gerespecteerd neemt u alleen op de daarin aanwezige producten van oorsprong in aanmerking. Onder de waarde is te verstaan: de factuurprijs af fabriek. Indien er geen factuurprijs bestaat - bijvoorbeeld omdat het een gratis levering is - wordt de douanewaarde bij invoer als basis voor het bepalen van de waarde grens aangehouden.

E. Talen

Voor de talen waarin een certificaat moet zijn gesteld gelden de volgende voorwaarden:

  • Certificaten van oorsprong FORM A, alsmede in het kader van het APS afgegeven oorsprongsverklaringen, mogen uitsluitend in het Engels of Frans zijn gesteld;

  • Attesten van oorsprong mogen uitsluitend in het Engels, Frans of Spaans zijn gesteld;

  • Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en oorsprongsverklaringen mogen in een van de officiële 24 talen van de Europese Unie of in de taal van het land van afgifte zijn gesteld;

  • Certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED en oorsprongsverklaringen EUR-MED mogen in een van de 24 officiële talen van de Europese Unie of in de taal van het land van afgifte zijn gesteld.

In alle gevallen kan de Douane van de aangever een vertaling in het Nederlands eisen.

De officiële talen van de Europese Unie zijn: het Bulgaars, Deens, Duits, Ests, Engels, Fins, Frans, Grieks, Hongaars, Iers (Gaelic), Italiaans, Kroatisch, Lets, Litouws, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Roemeens, Sloveens, Slowaaks, Spaans, Tsjechisch en het Zweeds.

Naar boven

6.4 Geldigheidsduur

De geldigheidsduur van een oorsprongsbewijs kan per regeling verschillen. Het certificaat EUR-MED en de oorsprongsverklaring EUR-MED zijn vier maanden geldig. In sommige gevallen geldt een andere geldigheidsduur. Het certificaat FORM A en de oorsprongsverklaring APS zijn tien maanden geldig; de attesten van oorsprong zijn 12 maanden geldig.

Voor wat betreft het certificaat EUR.1 en de oorsprongsverklaring is de situatie als volgt:

Regeling:

Bewijsmiddel

Geldigheidsduur

Albanië

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Algerije

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Andorra

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Bosnië-Herzegovina

Canada

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

------- / Oorsprongsverklaring

4 maanden

12 maanden

Cariforum

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

10 maanden

Centraal Amerika

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

12 maanden

Ceuta en Mellila

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Chili

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

10 maanden

Colombia

EUR.1/ Oorsprongsverklaring

12 maanden

Egypte

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Europese Economische Ruimte

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Faröer

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Georgië

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Israël

Ivoorkust

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

10 maanden

Jordanië

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Kosovo

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

LGO

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

12 maanden

Libanon

EUR. 1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Macedonië

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Marokko

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Mexico

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

10 maanden

Moldavië

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Montenegro

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Oekraïne

EUR.1/ Oorsprongsverklaring

4 maanden

OZA

EUR.1/ Oorsprongsverklaring

10 maaanden

Palestina

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Peru

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

12 maanden

SADC

EUR.1/ Oorsprongsverklaring

12 maanden

Servië

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Stille Zuidzee staten

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

10 maanden

Syrië

EUR.1 / EUR.2

5 maanden

Tunesië

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Turkije (ijzer en staal)

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Turkije (landbouwproducten)

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Zuid-Korea

------ / Oorsprongsverklaring

12 maanden

Zwitserland

EUR.1 / Oorsprongsverklaring

4 maanden

Naar boven

6.4.1 Aanvaarden van oorsprongsbewijzen buiten de geldigheidsduur

In alle preferentiële regelingen is het uitgangspunt opgenomen dat een oorsprongsbewijs (ook indien het na de uitvoer is afgegeven) binnen de geldigheidsduur bij de douaneautoriteiten van het land van invoer moet worden ingediend respectievelijk moet zijn gebruikt bij het doen van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen (zie bijvoorbeeld artikel 22, lid 1 van Bijlage III bij de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Mexico).
U kunt ook een oorsprongsbewijs aanvaarden waarvan de geldigheidsduur is verstreken op het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen wordt gedaan, indien de overschrijding van de geldigheidstermijn is te wijten aan overmacht of bijzondere omstandigheden (zie bijvoorbeeld artikel 22, lid 2 van Bijlage III bij de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Mexico).
Van overmacht is bijvoorbeeld sprake ingeval van een langdurige staking door derden, waardoor goederen tijdens het transport naar de Europese Unie zijn opgehouden in een buitenlandse haven.
Van bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het oorsprongsbewijs is zoekgeraakt buiten de schuld van de aangever/importeur. Er is in ieder geval geen sprake van bijzondere omstandigheden ingeval er sprake is van door de aangever of importeur beïnvloedbare factoren, zoals bijvoorbeeld personeelsgebrek, drukte, vakantie van medewerkers, et cetera.
In andere gevallen dan hiervoor genoemd, kunt u een oorsprongsbewijs (ook als dit na de uitvoer van de goederen is afgegeven) waarvan de geldigheidsduur is verstreken alleen aanvaarden als deze meteen bij het doen van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen wordt gebruikt. Een tweede voorwaarde is dan dat de goederen zich, op het moment dat de geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs verstreek, nog niet in het vrije verkeer maar in tijdelijke opslag of onder één van de bijzondere douaneregelingen (extern douanevervoer, actieve veredeling, opslag, tijdelijke invoer) bevonden (zie bijvoorbeeld artikel 22, lid 3 van Bijlage III bij de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Mexico).
Dit laatste moet belanghebbende kunnen aantonen. Uiteraard moet het oorsprongsbewijs ook aan alle overige voorwaarden voldoen en moet belanghebbende onder meer aannemelijk maken dat het oorsprongsbewijs betrekking heeft op de goederen die in het vrije verkeer worden gebracht.
Zie uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof Amsterdam zaaknummer 16/00252 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1587).

Let op!

Het is dus, behoudens overmacht of bijzondere omstandigheden, niet meer mogelijk om aanspraak te maken op een preferentiële tariefbehandeling met een oorsprongsbewijs waarvan de geldigheidsduur is verstreken, als die aanspraak pas kenbaar wordt gemaakt nadat de goederen al in het vrije verkeer waren gebracht (ook al bevonden de goederen zich voordien onder één van de genoemde bijzondere regelingen of in tijdelijke opslag). Een bezwaarschrift of verzoek om terugbetaling van die strekking kan, gelet op het bovenstaande, niet gehonoreerd worden.

Naar boven

6.5 Instanties van afgifte en stempels; informatiemogelijkheid Helpdesk

Een belangrijke eis waaraan een oorsprongsbewijs bij het in het vrije invoer brengen van de goederen moet voldoen is dat het is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer of door een (toegelaten of een in begunstigd APS-land of Canada geregistreerde) exporteur volgens de voorwaarden die zijn gesteld in het protocol bij de betreffende preferentiële regeling.

In het geval van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn dat meestal de lokale douaneautoriteiten of de belastingdienst van het betreffende land. In de volgende landen in Centraal- en Zuid- Amerika worden certificaten EUR.1 niet afgegeven door de douaneautoriteiten of door de belastingdienst maar door een andere overheidsdienst:

  • Chili (CL): Dirección General de Relaciones Económias Internacionales;

  • Costa Rica (CR): Promotora del Commercio Exterior (Procomer);

  • El Salvador (SV): Centro de Trámites de Importaciones y Exportaciónes (CIEX);

  • Guatemala (GT): Ministerio de Economia: Dirreción de Administración de Comercio Exterior;

  • Honduras (HN): Secretaria de Industria y Comercio en Secretaria de Desarrollo Economico (CENTREX);

  • Mexico (MX): Secretaria de Economia, Dirección General de Comercio Extorior;

  • Nigaragua (NI): Centro de Trámites de las Exportaciones (CETREX);

  • Panama (PA): Ministerio de Comercio e Industrias (VICOMEX);

  • Peru (PE): (Ministerio de Comercio Exterior y Turismo (MINCETUR);

Certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED worden altijd afgegeven door de douaneautoriteiten.

Wanneer het certificaten van oorsprong FORM A betreft (in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem), moet afgifte van het certificaat hebben plaatsgevonden door de in bijlage 2 bij dit onderdeel van dit Handboek voor het betreffende begunstigde land van uitvoer vermelde instantie. In deze bijlage komt u ook enkele landen tegen waarbij geen instantie is vermeld; dit betekent dat het land niet aan de verplichting tot aanwijzing van een instantie heeft voldaan (artikel 73 UVo. DWU), waardoor er bij invoer geen preferentie mogelijk is. Een in het betreffende land afgegeven certificaat van oorsprong FORM A kan absoluut niet worden aanvaard voor het gebruik van het preferentiële tarief.
Certificaten FORM A die niet door de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer zijn afgegeven moet u weigeren.
Indien een land inmiddels wel een instantie heeft aangewezen, of dat een wijziging in de aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt dit voor de Douane bekend gemaakt op de website van het Landelijk Oorsprong Team en voor de bedrijven via de website van de Douane. Wijzigingen worden en zo spoedig mogelijk verwerkt in bijlage 2.

Helpdesk

Bij twijfel met betrekking tot de bevoegde instantie van afgifte van een certificaat of indien u andere specifieke vragen heeft op het gebied van de oorsprong en de daarbij gebruikte oorsprongsbewijzen kunt u contact opnemen met de helpdesk van het Landelijk Oorsprong Team helpdesk.oorsprongszaken@belastingdienst.nl.

Het kan voorkomen dat een aangever, voorafgaand aan de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen, u vraagt of een certificaat door de juiste instantie is afgegeven en/of de door de bevoegde autoriteiten geplaatste stempelafdruk het juiste is. U kunt de aangever er dan op wijzen dat hij het (gescande) certificaat via e-mail aan de helpdesk kan zenden met het verzoek de formele juistheid van het certificaat te controleren. Zie verder Hoofdstuk 9.

Naar boven

6.6 Redenen voor controle van het oorsprongsbewijs in het land van afgifte / weigering van het oorsprongsbewijs

De belangrijkste reden voor een nacontrole (controle á posteriori) van een in het land van oorsprong afgegeven certificaat, opgestelde oorsprongsverklaring of attest van oorsprong vormt het begrip gegronde twijfel. Van gegronde twijfel is in ieder geval sprake indien door de Europese Commissie een waarschuwing is uit gegaan aan de importeurs en de overheidsdiensten in de lidstaten met betrekking tot de preferentiële invoer van bepaalde producten uit bepaalde landen. De voornaamste gevallen waarin gegronde twijfel kan ontstaan zijn neergelegd in Mededeling van de Commissie nr. 2000C348/03 (Pb. EG serie C nr. 348). Indien er sprake is van een concrete waarschuwing met betrekking tot de invoer van een bepaald product uit een bepaald land wordt dit via een mededeling in het Publicatieblad van de EU serie C bekend gemaakt.
Daarnaast is het mogelijk dat u zelf aanleiding heeft om aan de werkelijke oorsprong van de goederen of aan de echtheid of juistheid van een oorsprongsbewijs te twijfelen.
De onderstaande opsomming geeft gevallen weer waarin u in ieder geval aanleiding tot twijfel kunt hebben:

  • U heeft het vermoeden dat het oorsprongsbewijs op onregelmatige wijze is verkregen.

  • U heeft het vermoeden dat het oorsprongsbewijs na de afgifte is gewijzigd of aangevuld. U kunt dit bijvoorbeeld zien als er verschillende lettertypes zijn gebruikt.

  • U constateert dat de merken en nummers die op het oorsprongsbewijs staan, afwijken van de merken en nummers op de goederen.

  • U constateert aan de hand van de vracht- en/of koopbescheiden dat de goederen mogelijk afkomstig zijn uit een ander land.

  • U constateert of u heeft het vermoeden dat de agrarische en/of industriële omstandigheden van het vermelde land van oorsprong het onwaarschijnlijk maken dat de goederen daar geheel en al werden verkregen of daar in een voldoende mate werden be- of verwerkt.

  • U constateert bij fysieke controle dat op de goederen of verpakkingsmiddelen aanduidingen voorkomen die wijzen op een andere oorsprong dan die het certificaat aangeeft (bijvoorbeeld "made in Taiwan", terwijl het certificaat als oorsprongsland Bangladesh aangeeft).

De opsomming is niet uitputtend. Er kunnen dus nog andere aanleidingen tot twijfel zijn.
Als bij u aan de hand van de bescheiden en de bij u bekende feiten en omstandigheden werkelijk twijfel bestaat over de daadwerkelijke oorsprong van de goederen, moet u zo veel mogelijk gegevens verzamelen. Hoe meer gegevens u verzamelt, des te gerichter het verzoek tot instellen van een onderzoek kan worden gedaan.
Uw twijfel leidt er niet zonder meer toe dat u het certificaat weigert. Het is echter wel aanleiding om een onderzoek te laten instellen in het land van afgifte van het certificaat. De handelwijze die u daarbij volgt, vindt u in Hoofdstuk 9.
Naast de hierboven genoemde gevallen, kunt u ook steekproefsgewijs oorsprongsbewijzen ter controle laten inzenden naar het land van afgifte. De afzonderlijke regelingen voorzien uitdrukkelijk in deze mogelijkheid. Om de trefkans te verhogen moet u selectief te werk gaan bij het steekproefsgewijs inzenden. Daarbij maakt u onder andere gebruik van de volgende criteria:

  • de soort van de goederen;

  • de waarde van de goederen;

  • het verschil tussen het algemene en het preferentiële recht bij invoer;

  • het land of gebied van oorsprong van de goederen;

  • de voor de goederen geldende oorsprongsregels;

  • resultaten van eerdere controles met betrekking tot de goederen uit het betreffende land van uitvoer.

De handelwijze die u bij inzending volgt, vindt u in Hoofdstuk 9. Er zijn ook situaties waarin u het certificaat direct moet weigeren.
Die situaties zijn:

  1. De geldigheidsduur is verstreken (zie paragraaf 6.4.); Zie ook paragraaf 6.4 voor oorsprongsbewijzen waarvan de geldigheidsduur is verstreken gedurende de periode dat de goederen onder douanetoezicht zijn opgeslagen.

  2. Het staat vast dat de in de oorsprongsbewijzen omschreven goederen niet kunnen worden aangemerkt als producten van oorsprong (dit zal in veel gevallen pas blijken als er een controle á posteriori in het partner- of begunstigde land waar afgifte van het oorsprongsbewijs heeft plaats gevonden).

  3. Het staat vast dat het oorsprongsbewijs geen betrekking heeft op de daarbij aangeboden goederen.

  4. Het gebruikte certificaat of het format van de oorsprongsverklaring of het attest van oorsprong wijkt duidelijk af van het vastgestelde model.

  5. Het staat vast dat het certificaat een vervalsing is (hierbij kan de hulp van de regionale falsificatie-expert worden ingeroepen).

  6. Het gebruikte formulier is niet op de voorgeschreven wijze ingevuld.

  7. Het gebruikte formulier is niet door de bevoegde autoriteiten geviseerd.

  8. Het gebruikte formulier is niet geviseerd.

  9. Het staat vast dat de goederen zijn vervoerd via een land dat geen partij is bij de betreffende preferentiële regeling (in beginsel is daardoor niet voldaan aan de eis van rechtstreeks vervoer) en de aangever of importeur is niet in staat u het bewijsmateriaal te overleggen waaruit blijkt dat toch aan de voorwaarden van non-manipulatie werd voldaan (zie paragraaf 6.7).

  10. Het oorsprongsbewijs wordt achteraf voorgelegd voor goederen die aanvankelijk op frauduleuze wijze werden ingevoerd.

Indien de verificatie nog niet is beëindigd en er geen vermoeden van fraude is (bijvoorbeeld in de hiervoor genoemde situatie 5) kan geen preferentie worden verleend en kan het oorsprongsbewijs aan de aangever worden teruggegeven. U stelt in vak 4 (“for official use”) van het certificaat FORM A of in van 5 van het certificaat EUR.1 of EUR-MED (opmerkingen) de clausule “REFUSED", gevolgd door een verwijzing naar het vak van het certificaat waarom het certificaat is geweigerd (“Box…”) met daarbij van uw handtekening, uw naam en een afdruk van de metalen dienststempel.

Indien u bij een controle na de invoer vaststelt dat bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen preferentie is genoten met een oorsprongsbewijs dat niet voldoet aan gestelde eisen, moet u tot boeking achteraf overgaan van de bij invoer ten onrechte niet betaalde invoerrechten. Het oorsprongsbewijs moet door u worden ingenomen en kan niet eerder worden terug gegeven aan de aangever/importeur dan nadat de uitnodiging tot betaling (UTB) is uitgereikt. Indien de aangever/importeur daarom verzoekt kunt u het oorsprongsbewijs nadien teruggeven.

Indien tijdens het traject - bij de vooraankondiging of nadat de UTB is uitgereikt - de aangever verzoekt het certificaat retour te zenden kan dit worden toegestaan voor zover de aangever vooraf schriftelijk verklaart het certificaat retour te hebben ontvangen. Er wordt een kopie van het certificaat door de Douane achtergehouden.

Naar boven

6.7 Non-manipulatie clausule / voorwaarde van rechtstreeks vervoer

Een van de eisen waaraan moet zijn voldaan om gebruik te kunnen maken van een preferentiële tariefbehandeling, is dat de in de oorsprongsbewijzen vermelde genoemde goederen identiek zijn aan de uit het partnerland of begunstigd land geëxporteerde goederen. Deze voorwaarde - de non-manipulatie clausule - in een aantal preferentiële regelingen aangeduid als de voorwaarde van rechtstreeks vervoer - is in het leven geroepen om te voorkomen dat goederen tijdens het vervoer van het land of het gebied van uitvoer naar de Europese Unie een bewerking ondergaan, worden verwisseld of niet onder douanetoezicht zijn gebleven. (zie bijvoorbeeld artikel 13 van het Protocol bij de vrijhandelsovereenkomst met Zuid-Korea. In het algemeen kunt u er van uit gaan dat aan de non-manipulatie clausule is voldaan als:

  1. het vervoer van de goederen plaatsvindt zonder gebruikmaking van het grondgebied van een land dat geen partij is in de betreffende preferentiële regeling;

  2. er geen twijfel over de identiteit van goederen zoals zij werden uitgevoerd uit het land of gebied van oorsprong en de ten invoer aangegeven goederen;

  3. de goederen tijdens het vervoer op geen enkele wijze zijn gewijzigd of andere handelingen hebben ondergaan dan lossen en laden en die welke noodzakelijk waren voor het behoud van de goede staat van de goederen;

  4. de goederen tijdens het verblijf op het grondgebied van een derde land onder toezicht van de plaatselijke douaneautoriteiten zijn gebleven.

Uitgangspunt is dat een zending in zijn geheel wordt verzonden van het partnerland naar de Europese Unie. Binnen de regeling voor het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) en de regeling voor de landen en gebieden overzee (LGO) is het toegestaan dat zendingen tussentijds in een derde land worden opgeslagen onder douanetoezicht en aldaar worden gesplitst. Wanneer een zending wordt gesplitst moet voor de gesplitste zending die naar de Europese Unie wordt doorgevoerd een (nieuw) certificaat (“issued retrospectively”) worden afgegeven in het land van oorsprong van de goederen. Zie bijvoorbeeld voor de landen en gebieden overzee: artikel 11 en artikel 23 van Bijlage IV bij het LGO-besluit en voor de APS-landen: artikel 43 GVo. DWU).

Voor de toepassing van de non-manipulatie clausule, vormen de volgende landen één gebied:

  • de Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein (EER);

  • de landen die deel uitmaken van de Pan-Euromediterrane zone (de Regionale Conventie);

  • de landen die deel uitmaken van de Westelijke Balkan zone;

  • de in bijlage I bij Verordening (EU) 2016/1076 genoemde ACS-landen;

  • de ACS-landen van de Cariforum;

  • de ACS-eilandstaten in de Stille Zuidzee;

  • de ACS-landen in oostelijk en zuidelijk Afrika (OZA-staten);

  • de ACS-landen in zuidelijk Afrika (SADC);

  • de landen en gebieden overzee (LGO);

  • Marokko, Tunesië en Algerije (MAGHREB);

  • Peru, Ecuador en Colombia (ANDES);

  • de landen van Centraal-Amerika;

  • Ceuta en Melilla.

Bewijs van non manipulatie

De douaneautoriteiten kunnen de aangever of de importeur vragen het bewijs te leveren dat de goederen tijdens het transport naar de Europese Unie niet zijn be- of verwerkt of zijn verwisseld. Hier geldt het principe van de vrije bewijsvoering. Ieder bewijs kan dus worden gebruikt mits - daarmee ter beoordeling van de douaneautoriteiten - onomstotelijk wordt aangetoond dat de voor het vrije verkeer aangegeven goederen tijdens het transport niet zijn verwisseld, geen be- of verwerkingen hebben ondergaan en als een derde land is aangedaan aldaar onder douanetoezicht zijn gebleven.

Voorbeelden van bewijsstukken zijn:

  1. hetzij een enkel vervoersdocument dat in het land of gebied van uitvoer is afgegeven ter dekking van het vervoer door het land van doorvoer;

  2. hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring (het zogenaamde certificaat of verklaring van non-manipulatie) waarin:

    • de goederen nauwkeurig worden omschreven;

    • de data worden vermeld waarop de goederen gelost en opnieuw geladen zijn, onder opgave van de schepen of de andere vervoermiddelen waarvan gebruik werd gemaakt;

    • zij verklaart onder welke voorwaarden de goederen in het land van doorvoer verbleven;

  3. hetzij, als de onder 1 en 2 genoemde stukken niet te leveren zijn, enig ander bewijsstuk waaruit blijkt dat aan de eis van non manipulatie is voldaan;

  4. hetzij - voor het vervoer onder douanetoezicht via de Verenigde Staten - een kopie van het digitale Amerikaanse douanedocument CPB 7512.

Let op!

In sommige preferentiële regelingen is het toegestaan dat goederen tijdens het vervoer naar de Europese Unie in een transitoland bepaalde minimale bewerkingen kunnen ondergaan of dat zendingen worden gesplitst. Raadpleeg voor de non-manipulatie clausule daarom altijd de betreffende preferentiële regeling.

Naar boven

6.8 Verwijzingen naar aan het certificaat gehechte facturen

De goederen moeten in het certificaat met hun gebruikelijke handelsbenaming worden omschreven. Daarbij moeten de bijzonderheden die nodig zijn voor de vaststelling van hun identiteit ook worden vermeld.

Een certificaat waarin de goederen summier zijn omschreven en waarin voor de overige gegevens wordt verwezen naar een factuur kunt u aanvaarden. De factuur moet dan wel onlosmakelijk daarvan deel uit maken bijvoorbeeld door vermelding van het factuurnummer of het certificaat. U komt dit soort certificaten voornamelijk tegen als het een grote hoeveelheid verschillende goederen betreft, die in een enkele zending worden aangeboden.

Als op de bij het oorsprongsbewijs overgelegde factuur naast oorsprongsgoederen tevens producten zijn vermeld die niet van oorsprong zijn, aanvaardt u dat oorsprongsbewijs alleen als u uit de factuur en het oorsprongsbewijs duidelijk kunt opmaken welke goederen van preferentiële oorsprong zijn en welke dat niet zijn.

Naar boven

6.9 Invoer na tentoonstelling in een derde land

Als goederen vanaf een tentoonstelling in een derde land naar de Europese Unie worden verzonden, kan bij het in het vrije verkeer brengen de oorsprong van de goederen worden aangetoond door middel van een achteraf in het land van oorsprong afgegeven oorsprongsbewijs (zie bijvoorbeeld artikel 13 van het aanhangsel I bij de Regionale Conventie).

U aanvaardt een dergelijk oorsprongsbewijs voor goederen die voldoen aan het begrip producten van oorsprong in de zin van de betreffende preferentiële regeling. Het certificaat moet zijn afgegeven onder de voorwaarden die staan genoemd in paragraaf 6.1.

Naar boven

6.10 Preferentie voor meer bevonden bulkgoederen

Indien bij het in het vrije verkeer brengen van bulkgoederen aanspraak wordt gemaakt op preferentie en aan alle gebruikelijke voorwaarden ter verkrijging van preferentie is voldaan (zie paragraaf 6.1) kan onder voorwaarden en bij wijze van uitzondering preferentie worden verleend voor geringe hoeveelheden meer bevonden goederen.

De voorwaarden zijn de volgende:

  • het moet onomstotelijk vaststaan dat de meer bevonden goederen integraal onderdeel vormen van dezelfde zending als waarvoor een beroep wordt gedaan op preferentie. Van dezelfde zending is sprake als is voldaan aan de definitie van zending opgenomen in de begripsbepalingen bij de verschillende oorsprongsregelingen (zie bijvoorbeeld artikel 37, lid 19 GVo. DWU voor zendingen uit de APS-landen);

  • de goederen mogen niet zijn gewijzigd en moeten onder douanetoezicht zijn gebleven tijdens het vervoer van het land of gebied van uitvoer naar de Europese Unie. Zie voor de non-manipulatie clausule paragraaf 6.7.

Van geringe hoeveelheden waarvoor preferentie kan worden genoten is sprake als de meer bevonden goederen het effect zijn van natuurlijke omstandigheden die inherent zijn aan het product zoals temperatuurverschillen, het vochtgehalte, het gehalte vervuilende stoffen etc.
Facturen, contracten en verkoopovereenkomsten kunnen bij de beoordeling of sprake is van een gering verschil een aanknopingspunt vormen.
Bij een vraag of een verschil als gering is aan te merken moet het oorsprongsbewijs ter nacontrole worden ingezonden naar het Landelijk Oorsprong Team (zie Hoofdstuk 9).

Naar boven

6.11 Bewaren van oorsprongsbewijzen door de aangever

Op grond van artikel 163 DWU moeten de originele oorsprongsbewijzen in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking van de douaneautoriteiten worden gehouden op het tijdstip dat de goederen worden aangegeven voor het in het vrije verkeer brengen. Dit is uitgewerkt in artikel 1:11 van de Algemene douaneregeling. Op grond van artikel 1:32 van de Algemene douanewet, juncto artikel 10, lid 3, Boek 2 Burgerlijk Wetboek is de aangever dan verplicht de oorsprongsbewijzen die zijn gebruikt voor een preferentiële tariefbehandeling bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen ten minste 7 jaar te bewaren en zijn administratie zodanig in te richten dat deze binnen een redelijke termijn door de douaneautoriteiten is te controleren. Deze verplichting geldt overigens voor alle bescheiden die van belang zijn voor de heffing van rechten bij invoer.

Let op!

Oorsprongsverklaringen die zijn afgegeven door Toegelaten Exporteurs of in Canada geregistreerde exporteurs mogen door de aangever ook digitaal worden bewaard (zie bijvoorbeeld artikel 23 van het Protocol bij de vrijhandelsovereenkomst met Zuid-Korea). Hetzelfde is van toepassing voor attesten van oorsprong. Ook deze mogen - ongeacht de waarde van de zending - digitaal worden gearchiveerd.

Naar boven

6.12 Postzendingen

Voor per post verzonden zendingen waarvoor de toepassing van een preferentiële regeling wordt gevraagd moet de oorsprong worden aangetoond door het overleggen van een oorsprongsbewijs zoals is voorzien in de betreffende preferentiële regeling. Al naar gelang de preferentiële regeling en de waarde van de goederen kan dat een certificaat EUR.1, een certificaat EUR-MED, een certificaat FORM A, een attest van oorsprong of een oorsprongsverklaring zijn.
Het kan natuurlijk voorkomen dat een postzending is te beschouwen als een aan een particulier gerichte kleine zending waarvoor onder bepaalde voorwaarden geen oorsprongsbewijs hoeft te worden overgelegd om gebruik te kunnen maken van tarief preferentiële behandeling. U vindt de toelichting op deze regeling in paragraaf 6.13

Naar boven

6.13 Reizigersbagage en kleine zendingen

In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunt u goederen beschouwen als van oorsprong, zonder dat een oorsprongsbewijs behoeft te worden overgelegd.
De gevallen zijn:

  • goederen in de persoonlijke bagage van reizigers;

  • aan particulieren gerichte kleine zendingen.

De voorwaarden zijn:

  • Men moet de goederen aangeven als van oorsprong volgens de criteria van de desbetreffende preferentiële regeling.

  • U moet geen twijfel hebben aan de aangegeven oorsprong. Heeft u toch twijfel aan de oorsprong, dan kunt u alsnog een oorsprongsbewijs eisen. Als het nodig is past u het gestelde in paragraaf 9.2.1 toe.

  • De invoer moet een incidenteel karakter hebben en

  • De goederen moeten bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de reiziger, dan wel door zijn gezin en

  • De aard, noch de hoeveelheid van de goederen mogen op commerciële bedoelingen wijzen en

  • De totale waarde van de zending mag niet hoger zijn dan € 1.200 indien het reigersbagage betreft en € 500 indien het gaat om kleine zendingen.

Let op!

Indien de goederen niet op regelmatige wijze werden aangegeven (smokkel) kan geen gebruik worden gemaakt van deze regeling en moet - indien men als nog gebruik kan en wil maken van preferentie - een geldig oorsprongsbewijs worden overgelegd.

Naar boven

6.14 Herkomst vrije verkeer Turkije

6.14.1 Algemeen

Deze paragraaf behandelt de praktische aanwijzingen die betrekking hebben op het goederenverkeer in het kader van de douane-unie tussen Turkije en de Europese Unie en de wijze waarop dit bij invoer in de Europese Unie moet worden aangetoond.

Naar boven

6.14.2 Aanvaarden bij invoer

Ten bewijze dat goederen uit Turkije zich aldaar in het vrije verkeer hebben bevonden, moet bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen in de Europese Unie, het bewijs worden geleverd door middel van een certificaat inzake goederenverkeer A.TR afgegeven door de Turkse Douane. Het model van het certificaat A.TR. is opgenomen als Bijlage I. Certificaat inzake goederenverkeerbijlage I bij Besluit nr. 1/2006.

Naar boven

6.14.3 Non-manipulatie clausule

Voor het goederenverkeer in het kader van de douane-unie met Turkije geldt de eis dat de goederen rechtstreeks worden vervoerd van Turkije naar de Europese Unie.

Producten die één enkele zending vormen, mogen echter wel via het grondgebied van een ander land dan dat van de Europese Unie of Turkije worden vervoerd - eventueel met overslag of tijdelijke opslag - voor zover zij op dat andere grondgebied onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om die producten in goede staat te bewaren. Ook mogen producten per pijplijn over een ander grondgebied zijn vervoerd.
Wanneer het vervoer inderdaad via een ander grondgebied plaatsvond, moet - als de Douane dit vereist - door de aangever/importeur een bewijs van non-manipulatie worden geleverd door het overleggen van:

  1. één enkel vervoerdocument dat het vervoer dekt vanuit Turkije door het land van doorvoer, of

  2. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat of verklaring van non-manipulatie, waarin:

    • de producten nauwkeurig zijn omschreven,

    • de data zijn vermeld waarop de producten zijn gelost en opnieuw zijn geladen met in voorkomend geval een opgave van de naam van de bij het transport gebruikte schepen of van de andere gebruikte vervoermiddelen. Voorts moet een verklaring zijn opgenomen betreffende voorwaarden waaronder de producten in het land van doorvoer verbleven, of

    • bij ontbreken van hiervoor genoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

(artikel 6 Besluit 1/2006)

Naar boven

6.14.4 Geldigheidsduur

Een certificaat inzake goederenverkeer A.TR. heeft een geldigheidsduur van vier maanden na afgifte in Turkije en moet dus binnen deze termijn worden gebruikt bij doen van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen. Certificaten waarvan de geldigheidsduur is verstreken kunnen vanzelfsprekend niet meer worden gebruikt tenzij bij het doen van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen:

  • door de aangever/importeur wordt aangetoond dat de overschrijding van de termijn te wijten is aan overmacht of buitengewone omstandigheden. De aangever moet u dan schriftelijk verzoeken om het certificaat alsnog te aanvaarden. Als u het alsnog aanvaardt, stelt u op het certificaat de aantekening:

"aangeboden d.d....... Alsnog aanvaard op grond van paragraaf 6.14.4. Handboek Douane (8.00.00)".

Bij die aantekening plaatst u een afdruk van de metalen dienststempel, uw handtekening en uw naam in blokletters;

  • de aangever aantoont dat het certificaat A.TR. of de daarop vermelde goederen voor het verstrijken van de termijn bij de Douane zijn aangebracht. Dit kan zich voor doen als de goederen eerder onder douanetoezicht zijn opgeslagen (artikel 8 Besluit 1/2006).

Certificaten A.TR. waarvan de geldigheidstermijn is “bevroren” kunnen worden geaccepteerd na het verstrijken van de geldigheidsduur. Ook wanneer de geldigheidstermijn niet is “bevroren”, maar de aangever aan de hand van zijn administratie kan aantonen dat hij de goederen binnen de geldigheidsduur van het certificaat bij de douaneautoriteiten heeft aangebracht - zoals bij opslag in ruimten voor tijdelijke opslag, inslag in douane-entrepots en vrije zones - mag het certificaat A.TR., waarvan de geldigheidsduur tijdens de opslag is verstreken worden geaccepteerd. De aangever moet uiteraard ook aan alle overige voorwaarden voldoen. Zo moet hij onder meer aannemelijk maken dat het certificaat A.TR. bij de in de douaneaangifte voor het vrije verkeer te brengen goederen hoort.

Let op!

Een certificaat A.TR. – al dan niet achteraf afgegeven - waarvan de geldigheidsduur is verstreken kan niet worden aanvaard indien het certificaat A.TR. (nog) niet in Turkije was afgegeven op het moment dat de goederen in Nederland werden aangebracht.

Naar boven

6.14.5 Taal

Het certificaat A.TR. moet zijn gesteld in een van de officiële talen van de Europese Unie of in het Turks. In het laatste geval moet er ook een vertaling (in vak 10) in een van de 24 officiële talen van de Europese Unie op het certificaat staan. Overigens kan de Douane altijd een vertaling van de inhoud van het certificaat in het Nederlands eisen artikel 9 Besluit 1/2006).

De officiële talen van de Europese Unie zijn: het Bulgaars, Deens, Duits, Ests, Engels, Fins, Frans, Grieks, Hongaars, Iers (Gaelic), Italiaans, Kroatisch, Lets, Litouws, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Roemeens, Sloveens, Slowaaks, Spaans, Tsjechisch en Zweeds.

Naar boven

6.14.6 Postverkeer met Turkije

Postzendingen (met inbegrip van postpakketten) in het onderlinge verkeer tussen de Europese Unie en Turkije worden geacht in het vrije verkeer van de douane-unie te zijn, tenzij er op de verpakking of de begeleidende documenten een rechthoekig geel etiket (49 x 23 mm) is aangebracht waaruit blijkt dat de goederen niet in het vrije verkeer zijn. In het etiket is de tekst "Goederen die niet in het vrije verkeer zijn in de douane-unie tussen de EU en Turkije" opgenomen (artikel 19 Besluit 1/2006).

Naar boven

6.14.7 Reizigersverkeer en kleine zendingen

Door reizigers vanuit Turkije meegebrachte goederen worden geacht herkomstig te zijn uit het vrije verkeer als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de goederen moeten niet zijn bestemd voor handelsdoeleinden;

  • de reiziger moet de goederen aangeven als zijnde herkomstig uit het vrije verkeer en u heeft geen twijfels aan die aangifte (artikel 18 Besluit 1/2006).

Aan particulieren gerichte kleine zendingen

Voor aan particulieren gerichte kleine zendingen (andere dan de hiervoor behandelde postzendingen) moet aangever/importeur de herkomst uit het vrije verkeer op de gebruikelijke wijze aantonen door middel van een certificaat A.TR.

Naar boven

6.14.8 Administratieve samenwerking

Voor de bepalingen rond de administratieve samenwerking wordt verwezen naar Hoofdstuk 9.

Naar boven