Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

20.00.00 Uitvoer en wederuitvoer

2 Uitvoer

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de regeling uitvoer besproken. Uitvoer kan worden gedefinieerd als het brengen van Uniegoederen buiten het douanegebied van de Unie.

Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, moeten onder de regeling uitvoer worden geplaatst.
(Artikel 269 lid 1 DWU)

In de paragrafen 2, 3 en 4 worden de drie elementen van deze basisbepaling toegelicht. Het betreft:

  • Uniegoederen (paragraaf 2);

  • verlaten van het douanegebied van de Unie (paragraaf 3); en

  • plaatsing onder de regeling uitvoer (paragraaf 4).

In de paragrafen 5 en verder wordt ingegaan op de aangifte ten uitvoer (vorm en inhoud), het vervoer van Uniegoederen naar gebieden met een bijzonder fiscaal regime of een speciale status, uitvoer van accijnsgoederen, uitvoer van reizigersbagage, uitvoer gevolgd door een vervoersregeling en de aangifte achteraf.

Naar boven

2.2 Uniegoederen

Uniegoederen zijn goederen die zich bevinden in het vrije verkeer van de Unie. Dit zijn goederen die:

  1. geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Unie zonder toevoeging van goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie,

  2. in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht uit landen en gebieden buiten dat gebied en die in het vrije verkeer zijn gebracht,

  3. in het douanegebied van de Unie zijn verkregen of vervaardigd, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld onder b, hetzij uit goederen als bedoeld onder a en b.

(Artikel 5 lid 23 DWU)

Het in het vrije verkeer brengen omvat de betaling van verschuldigde invoerrechten en, voor zover van toepassing, van andere heffingen alsmede de toepassing van handelspolitieke maatregelen en verboden of beperkingen. Niet-Uniegoederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen de douanestatus van Uniegoederen.
(Artikel 201 leden 2 en 3 DWU)

Naar boven

2.3 Verlaten van het douanegebied van de Unie

‘Verlaten van het douanegebied van de Unie’ houdt in dat grens van het douanegebied van de Unie wordt overschreden. Het maakt geen verschil of het douanegebied tijdelijk (kortstondig) of definitief wordt verlaten. Ook de wijze van vervoer (via zee, lucht, pijplijn, kabel, spoor of weg) doet er niet toe. Behoudens enige uitzonderingen verliezen Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten de douanestatus van Uniegoederen.
(Artikel 154 onder a DWU)

Aan het verlaten van het douanegebied van de Unie zijn formaliteiten verbonden. Een belangrijke eis is dat uiterlijk 150 dagen na de datum van vrijgave voor uitvoer moet zijn aangetoond dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Als het douanekantoor van uitvoer na 150 dagen geen informatie over het uitgaan heeft ontvangen, kan dit kantoor de aangifte ten uitvoer ongeldig maken. Dit vindt in Nederland geheel geautomatiseerd plaats (in DSU / AGS) als na 150 dagen geen bevestiging van het uitgaan is ontvangen.
(Artikel 248 lid 2 UVo.DWU)

Voor de bepalingen en procedures met betrekking tot het uitgaan, wordt verwezen naar onderdeel 23.00.00 van dit Handboek.

Naar boven

2.3.1 Tijdelijk verlaten van het douanegebied van de Unie

Het DWU onderscheidt in artikel 269 lid 2 een aantal situaties waarin Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten niet onder de regeling uitvoer hoeven te worden geplaatst. In de meeste van de genoemde situaties verlaten de Uniegoederen tijdelijk het douanegebied van de Unie in het kader van een andere douaneregeling dan de regeling uitvoer (passieve veredeling, bijzondere bestemming of intern douanevervoer). In de overige genoemde situaties verlaten de Uniegoederen het douanegebied zonder dat zij onder een douaneregeling zijn geplaatst (de situatie genoemd in artikel 155 lid 2 DWU en de situatie dat zij vrijgesteld van BTW of accijns als vliegtuig- of scheepsvoorraden worden geleverd).

Een voorbeeld van artikel 155 lid 2 DWU is het vervoer van Uniegoederen over zee tussen EU-havens met een lijndienst waarvoor overeenkomstig artikel 120 GVo.DWU vergunning is verleend.

Naar boven

2.4 Plaatsing onder de regeling uitvoer

2.4.1 Inleiding

De regeling uitvoer beslaat 3 fasen:

  1. Het plaatsen van goederen onder de regeling uitvoer. Dit vindt plaats door het doen van de aangifte ten uitvoer bij het douanekantoor van uitvoer. Dit kantoor controleert de aangifte en geeft, als geen onregelmatigheden worden bevonden, de Uniegoederen vrij voor uitvoer. Zie onderdeel 12.00.00 van dit Handboek;

  2. Het vervoer van de voor uitvoer vrijgegeven goederen van het douanekantoor van uitvoer naar het voor de plaats van uitgang verantwoordelijke douanekantoor (het douanekantoor van uitgang) en het aldaar aanbrengen van de goederen. Het douanekantoor van uitgang verricht eventueel een overeenstemmingscontrole en geeft de goederen vrij voor uitgaan;

  3. Het verlaten van het douanegebied van de Unie. Het douanekantoor van uitgang houdt toezicht op het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied en bevestigt het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer.

Zie voor de definitie van het douanekantoor van uitvoer artikel 1 lid 16 en GVo.DWU en voor de definitie van het douanekantoor van uitgang artikel 329 UVo.DWU.

Dit hoofdstuk behandelt met name de eerste fase, het plaatsen van goederen onder de regeling uitvoer. De procedures en formaliteiten ná de vrijgave voor uitvoer worden toegelicht in onderdeel 23.00.00 van het Handboek.

Een strakke scheiding is echter niet mogelijk omdat het douanekantoor van uitvoer in veel gevallen tevens douanekantoor van uitgang is en dit kantoor dan zowel de werkzaamheden van het douanekantoor van uitvoer als van het douanekantoor van uitgang verricht. Bovendien vindt in alle fasen over en weer uitwisseling van informatie plaats tussen het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang waardoor sommige formaliteiten en procedures in beide handboekonderdelen behandeld moeten worden.

Let op!

Het vrijgeven van de Uniegoederen voor uitvoer vormt het sluitstuk van de plaatsingsprocedure onder de regeling uitvoer, maar niet van de regeling uitvoer als zodanig. De regeling uitvoer is beëindigd als de Uniegoederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

De plaatsing onder de regeling uitvoer brengt mee dat de algemene voorschriften betreffende de plaatsing van goederen onder een douaneregeling (Titel V – artikelen 158-196 - DWU) van toepassing zijn. Er moet een aangifte ten uitvoer worden gedaan en de goederen bevinden zich onder douanetoezicht totdat zij het douanegebied van de Unie verlaten. Dit moment vormt het sluitstuk van de regeling uitvoer.
(Artikel 5 lid 16 onder c en artikel 158 DWU )

De aangifte kan worden gezien als het verzoek van de aangever aan de Douane om de regeling uitvoer toe te staan. Om douanecontrole en –toezicht mogelijk te maken, heeft de wetgever exact omschreven op welke wijze de aangifte moet worden ingediend, welke gegevens deze moet bevatten, bij welk douanekantoor en door welke persoon de aangifte moet worden ingediend. Deze algemene bepalingen zijn van toepassing op alle douaneregelingen en zijn opgenomen in onderdeel 12.00.00 van dit handboek.

In dit hoofdstuk worden slechts de begrippen, formaliteiten en procedures toegelicht die specifiek zijn voor de regeling uitvoer.

Naar boven

2.4.2 Uitzonderingen op verplichte plaatsing onder de regeling uitvoer

In de volgende situaties hoeven Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten niet onder de regeling uitvoer te worden geplaatst:

  1. goederen die onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst;

  2. goederen die het douanegebied van de Unie hebben verlaten na onder de regeling bijzondere bestemming te zijn geplaatst;

  3. goederen die vrijgesteld van BTW of accijns worden geleverd als vliegtuig- of scheepsvoorraden;

  4. goederen die onder de regeling intern douanevervoer zijn geplaatst;

  5. goederen die tijdelijk uit het douanegebied van de Unie zijn vervoerd overeenkomstig artikel 155 DWU.

(Artikel 269 lid 2 DWU)

In de situaties genoemd onder de letters a t/m c hierboven hoeven de goederen weliswaar niet onder de regeling uitvoer te worden geplaatst maar gelden wel de formaliteiten die voor de aangifte ten uitvoer zijn voorgeschreven.
(Artikel 269 lid 3 DWU)

De regeling intern douanevervoer is alleen mogelijk als Uniegoederen worden vervoerd van de ene lidstaat naar een andere lidstaat van de Unie via het grondgebied van een derde land en een internationale overeenkomst in deze vervoersvorm voorziet. In dat geval hoeft geen aangifte ten uitvoer te worden gedaan en wordt het tijdelijk buiten het douanegebied brengen niet gezien als uitvoer. De eindbestemming is een lidstaat en de goederen behouden de status van Uniegoederen.
(Artikel 155 lid 2 DWU, artikel 119 lid 2 GVo.DWU)

Voorbeeld 1

Uniegoederen worden vervoerd van Nederland naar Italië via het grondgebied van Zwitserland. Met Zwitserland is de (internationale) Overeenkomst Gemeenschappelijk douanevervoer gesloten waardoor Uniegoederen over het grondgebied van Zwitserland mogen worden vervoerd onder de douaneregeling intern Uniedouanevervoer. Hiermee wordt douanetoezicht tijdens het vervoer over Zwitsers grondgebied douanetoezicht gehouden. In Italië vormt het feit dat de goederen onder de douaneregeling intern Uniedouanevervoer zijn vervoerd het bewijs dat de goederen de douanestatus van Uniegoederen hebben.
(Artikel 227 lid 1 en lid 2 onder a en artikel 233 DWU )

Voorbeeld 2

Uniegoederen worden vervoerd over zee tussen twee EU-havens, door de lucht tussen twee EU-luchthavens of per spoor tussen twee plaatsen in de Unie en verlaten daarbij tijdelijk het douanegebied van de Unie. De goederen hoeven niet onder de douaneregeling uitvoer te worden geplaatst als het vervoer plaatsvindt onder dekking van één enkel in een lidstaat afgegeven vervoersdocument of, bij vervoer over zee, met een vergunning lijndienst.

Als dit vervoer niet plaatsvindt onder dekking van één enkel in een lidstaat afgegeven vervoersdocument of een vergunning lijndienst moet op de plaats van bestemming de Uniedouanestatus worden aangetoond. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van de T2L-gegevens.
(Artikel 155 lid 2 DWU, artikel 119 lid 3 GVo.DWU, artikelen 198–207 UVo.DWU)

Naar boven

2.4.3 Het bevoegde douanekantoor voor plaatsing onder de regeling uitvoer

Het douanekantoor waar de aangifte ten uitvoer wordt gedaan, wordt aangeduid als het douanekantoor van uitvoer.
(Artikel 1 lid 16 GVo.DWU)

Welk douanekantoor het douanekantoor van uitvoer is of kan zijn, is dwingend voorgeschreven. De reden hiervan is de wens van een doelmatig douanetoezicht en een zo gering mogelijke verstoring van het logistieke proces. Een eventuele opname van de goederen kan het beste plaatsvinden op de locatie waar de exporteur is gevestigd en op een moment waarop de goederen worden verpakt of geladen. Een bijkomend voordeel is dat hiermee het aantal aangiften dat bij douanekantoren van uitgang wordt ingediend, wordt beperkt en de controledruk bij die kantoren afneemt.
(Artikel 221 lid 2 UVo.DWU)

De bevoegde douanekantoren voor het plaatsen van goederen onder de regeling uitvoer zijn opgesomd in artikel 221 leden 2 en 3 UVo.DWU. Binnen de gegeven beperkingen staat het de exporteur vrij om voor een bepaald douanekantoor te kiezen.

Hierna wordt op elk van de genoemde douanekantoren nader ingegaan.

  1. Het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd.

    De hoofdregel is dat het douanekantoor dat bevoegd is over vestigingsplaats van de persoon die als exporteur wordt aangemerkt het bevoegde douanekantoor is om goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen.
    Als de Uniegoederen op het moment van uitvoer eigendom zijn van een bedrijf dat buiten de Unie is gevestigd, kan dat bedrijf niet de exporteur zijn en zal de locatie waar de in de Unie gevestigde persoon die als exporteur wordt aangemerkt het bevoegde douanekantoor van uitvoer bepalen.

  2. Het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen voor uitvoer worden verpakt of geladen.

    Voor goederen die voor het transport naar een derde land door de exporteur worden afgeleverd bij een verpakkings- of groepagebedrijf mag de aangifte ten uitvoer ook worden gedaan bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar dit verpakkende bedrijf is gevestigd. Het gaat hier om specifieke verpakkingen voor de uit te voeren goederen zoals speciale dozen of kisten.
    Met groepage wordt bedoeld het samenladen van meerdere zendingen met het oog op gezamenlijk transport (bijvoorbeeld in één container of op één pallet).

    Door het douanekantoor waaronder de verpakkende of groeperende ondernemer valt aan te wijzen als kantoor van uitvoer maakt de wetgever het mogelijk dat de goederen door de Douane worden gecontroleerd voordat deze op een specifieke manier worden verpakt of geladen. Hiermee wordt voorkomen dat speciaal verpakte goederen ten behoeve van douanecontroles moeten worden ontpakt, met de mogelijke kans op schade en vertragingen in het logistieke proces.

Let op!

De aanwijzing van de plaats van verpakken of laden als plaats waar de goederen onder de regeling uitvoer kunnen worden geplaatst is geen vrijbrief om zendingen pas bij het douanekantoor van uitgang onder de regeling uitvoer te plaatsen. Primair blijft het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd het bevoegde douanekantoor om de goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen.

Voorbeeld

Een bedrijf in Arnhem vervoert goederen bestemd voor Amerika naar een logistiek knooppunt in Utrecht. Daar wordt de zending samengeladen in een container met andere zendingen voor Amerika. De container wordt vervolgens vervoerd naar Rotterdam om daar aan boord van een uitgaand schip te worden geladen. Utrecht is hier nu de eerste plaats van belading en de aangifte moet dan worden gedaan bij het douanekantoor dat bevoegd is voor Utrecht. Rotterdam is hier nadrukkelijk niet aan te merken als plaats van laden.

  1. Een ander douanekantoor

    • In de betrokken lidstaat is een ander douanekantoor om administratieve redenen bevoegd voor de handelingen in kwestie. De hier bedoelde situatie kan zich voordoen als aan de exporteur een vergunning inschrijving in de administratie is verleend. Doorgaans is dan het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de administratie wordt gevoerd het bevoegd douanekantoor. Dit kan een andere plaats zijn dan de plaats van vestiging van de exporteur.

    • Ook voor specifieke goederen of exporteurs kan een bepaald douanekantoor zijn aangewezen als bevoegd douanekantoor van uitvoer. Denk hierbij bijvoorbeeld aan koeriersbedrijven.

    • In een individueel geval rechtvaardigen de omstandigheden dat de goederen bij een ander douanekantoor onder de regeling uitvoer worden geplaatst omdat dit douanekantoor beter is gesitueerd om de goederen bij de douane aan te brengen dan het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd.

  2. Het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang uit het douanegebied van de Unie.

    • Goederen die niet aan verboden of beperkingen zijn onderworpen en waarvan de waarde per zending en per aangever niet hoger is dan € 3.000 mogen bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang uit het douanegebied van de Unie onder de regeling uitvoer worden geplaatst.

    • Goederen die mondeling ten uitvoer mogen worden aangegeven, moeten bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang uit het douanegebied van de Unie onder de regeling uitvoer worden geplaatst. Zie paragraaf 5.3 voor de gevallen waarin een mondelinge aangifte mag worden gedaan.

  3. Het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de onderaannemer is gevestigd.

    Als er sprake is van onderaanneming mogen de goederen, naast het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd, ook bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de onderaannemer is gevestigd onder de douaneregeling uitvoer worden geplaatst. Onderaanneming kan zich bijvoorbeeld voordoen als een fabrikant een laatste fabricagehandeling laat plaatsvinden bij een gespecialiseerd bedrijf. De goederen mogen dan ook bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de onderaannemer is gevestigd onder de regeling uitvoer worden geplaatst. De fabrikant blijft exporteur. De onderaannemer speelt dus alleen een rol bij het bepalen van het bevoegde douanekantoor.

    De onderaannemer hoeft niet in dezelfde lidstaat te zijn gevestigd als de exporteur. Een bedrijf in Lille kan dus onderaannemer zijn van een exporteur in Amsterdam. De goederen mogen dan onder de regeling uitvoer worden geplaatst bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor Lille.

Naar boven

2.4.4 Aangeven op zendingniveau

Als goederen in meerdere zendingen het douanegebied van de Unie zullen verlaten, moet voor elke afzonderlijke zending een aangifte ten uitvoer worden ingediend.
(Artikel 336 UVo.DWU)

In de wettelijke bepalingen ontbreekt een definitie van zending. Op basis van onder meer de artikelen 187 lid 4 onder b, 222, 296 leden 1 en 3 en 333 lid 5 UVo.DWU hanteert Nederland voor de uitvoering van de douanewetgeving de volgende definitie van zending (of levering).

ZENDING: GOEDEREN DIE DOOR ÉÉN AFZENDER NAAR ÉÉN GEADRESSEERDE WORDEN VERZONDEN EN DIE GELIJKTIJDIG EN MET HETZELFDE VERVOERMIDDEL BINNEN KOMEN, UITGAAN OF WORDEN VERVOERD.

Als een ten uitvoer aangegeven zending in gedeelten van het douanekantoor van uitvoer naar het douanekantoor van uitgang wordt overgebracht maar wel als één geheel gelijktijdig uitgaat, blijft er sprake van één zending en volstaat één aangifte ten uitvoer. De zending wordt geacht te zijn aangebracht als het laatste deel van de zending wordt aangebracht.

Voorbeeld

Een bedrijf in Nederland sluit een contract met een Amerikaans bedrijf voor de levering van 100.000 paprika’s, verpakt in 2.000 dozen. Vervoer vindt plaats door de lucht vanaf Schiphol.

Als de 2.000 dozen gelijktijdig met hetzelfde vliegtuig naar de Verenigde Staten worden vervoerd, is er sprake van één zending en kan deze in één aangifte ten uitvoer worden aangegeven.

Als de 2.000 dozen in twee vluchten van elk 1.000 dozen naar de Verenigde Staten worden vervoerd, wordt niet voldaan aan de voorwaarde van gelijktijdig uitgaan met hetzelfde vervoermiddel. Er is dan sprake van twee zendingen van elk 1.000 dozen. Voor elke zending moet een eigen aangifte ten uitvoer worden gedaan.

Als op maandag 1.000 dozen en op dinsdag de resterende 1.000 dozen naar Schiphol worden gebracht, wordt de zending op dinsdag aangebracht bij het douanekantoor van uitgang. Als de 2.000 dozen met dezelfde vlucht uitgaan, is er sprake van gelijktijdig uitgaan met hetzelfde vervoermiddel en kan worden volstaan met één aangifte ten uitvoer voor 2.000 dozen.

Als het bedrijf in Nederland met twee Amerikaanse bedrijven contracten sluit (elk voor 50.000 paprika’s, verpakt in 1.000 dozen) is altijd sprake van twee zendingen en moeten dus twee afzonderlijke aangiften ten uitvoer worden gedaan.

Let op!

Een zending mag in meerdere containers zijn geladen. Als aan de hierboven gegeven begripsomschrijving wordt voldaan, blijft er sprake van één zending en volstaat één aangifte ten uitvoer.

Naar boven
2.4.4.1 Onvoorziene omstandigheden

Het kan voorkomen dat door omstandigheden die niet vooraf zijn voorzien niet aan de voorwaarde kan worden voldaan dat de gehele zending gelijktijdig en met hetzelfde vervoermiddel uitgaat. Het gaat om de volgende situaties:

  1. De zending is bij het douanekantoor van uitgang aangebracht, maar moet via meerdere douanekantoren van uitgang het douanegebied van de Unie verlaten;

  2. De zending is bij het douanekantoor van uitgang aangebracht, maar kan niet in z’n geheel met het geplande uitgaande vervoermiddel het douanegebied verlaten.

Totdat het geautomatiseerd uitvoersysteem (AES) wordt uitgerold (voorzien in 2019) verzamelt het douanekantoor van uitgang waar de zending het eerst is aangebracht de resultaten bij uitgang van de andere douanekantoren van uitgang (situatie a). Voor beide situaties geldt dat het douanekantoor van uitvoer pas van het uitgaan op de hoogte wordt gesteld als alle goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
(Artikel 333 leden 8 en 9 Uvo.DWU)

Let op!

Tot de uitrol van AES zijn de leden 4 en 5 van artikel 333 UVo.DWU niet van toepassing.

Na de uitrol van AES (2019) informeren de verschillende douanekantoren van uitgang het douanekantoor van uitvoer zelf over het deel van de zending dat via dat kantoor is uitgegaan (situatie a). In situatie b informeert het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer over het uitgaan van elk deel van de zending. In beide situaties loopt de informatieuitwisseling dan via AES.

(Artikel 333 leden 4 en 5 UVo.DWU)

Voorbeeld 1

Bij een containerterminal in de haven van Rotterdam worden 3 containers met bier aangebracht die samen één zending vormen en waarvoor in Amsterdam één aangifte ten uitvoer is gedaan. Door een technisch defect komt niet het geplande maar een kleiner containerschip naar Rotterdam en kunnen alleen container 1 en 2 in Rotterdam worden geladen en uitgaan. Container 3 gaat uit via Antwerpen. Zodra Douane Antwerpen het uitgaan van container 3 aan Douane Rotterdam heeft bevestigd, informeert Douane Rotterdam het uitgaan van de zending aan Douane Amsterdam.

Voorbeeld 2

Idem aan voorbeeld 1 maar container 3 verlaat Rotterdam met een ander containerschip dan container 1 en 2. Het uitgaan wordt pas aan het douanekantoor van uitvoer bevestigd als alle containers zijn uitgegaan.

Naar boven

2.4.5 Bijzondere verplichtingen die de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer meebrengt

De aanvaarding van een aangifte ten uitvoer brengt bijzondere verplichtingen mee. Nadat de Douane de goederen voor uitvoer heeft vrijgegeven, moeten de goederen worden aangebracht bij het douanekantoor van uitgang en moeten de goederen buiten het douanegebied van de Unie worden gebracht. Ingevolge artikel 170 lid 1 2e alinea DWU moet de aangifte worden gedaan door de persoon op wie de bijzondere verplichtingen rusten. In het DWU, de GVo.DWU en de UVo.DWU is echter geen specifieke persoon aangewezen op wie de bijzondere verplichtingen rusten, met het gevolg dat de aangifte ten uitvoer kan worden ingediend door iedere persoon die voldoet aan de voorwaarden die aan het optreden als aangever zijn gesteld (zie paragraaf 2.4.7). De persoon die als aangever optreedt, wordt verantwoordelijk voor het nakomen van de bijzondere verplichtingen die uit de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer voortvloeien.

Let op!

Onder de CDW-wetgeving volgde uit de definitie van exporteur, met name uit de zinsnede ‘voor wiens rekening de aangifte ten uitvoer wordt gedaan’, dat de exporteur de aangever moet zijn en dat de bijzondere verplichtingen die uit de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer voortvloeien op de exporteur rustten. Vanuit de definitie van exporteur in artikel 1 lid 19 GVo.DWU kan deze koppeling niet meer worden gemaakt.

Naar boven

2.4.6 De exporteur

Verwacht zou worden dat in het proces uitvoer-uitgaan de persoon van exporteur centraal staat. Dit blijkt echter niet het geval te zijn want in het DWU ontbreekt een definitie van exporteur en in de bepalingen betreffende uitvoer en uitgaan wordt nergens over de exporteur gesproken.

In artikel 1 lid 19 GVo.DWU wordt de exporteur gedefinieerd als:

  1. de in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die, op het tijdstip waarop de aangifte wordt aanvaard, het contract heeft met de geadresseerde in het derde land en de macht heeft om te beslissen dat de goederen naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht,

  2. de particulier die de uit te voeren goederen bij zich draagt wanneer deze goederen deel uitmaken van zijn persoonlijke bagage,

  3. in andere gevallen, de in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die de macht heeft om te beslissen dat de goederen naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht.

Samengevat kan worden gesteld dat een persoon die gevestigd is in de Unie en zeggenschap heeft over de goederen exporteur kan zijn. Dit kan zijn als eigenaar (in situaties a. of b.) of als houder (in de situaties b. en c) van de goederen. Enige uitzondering op de vestigingseis betreft de in situatie b. bedoelde reiziger.

Een natuurlijke persoon is in het douanegebied van de Unie gevestigd als deze zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de Unie heeft. Een rechtspersoon of vereniging van personen is in het douanegebied van de Unie gevestigd als deze zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting in het douanegebied van de Unie heeft.
(Artikel 5 lid 31 DWU)

Zie artikel 5 lid 32 DWU voor het begrip ‘vaste inrichting’.

De GVo.DWU bevat weliswaar een definitie van exporteur, maar de exporteur heeft nagenoeg geen rol. Hij wordt alleen genoemd in artikel 159 lid 1 onder b iii GVo.DWU (goederen die bij uitvoer in aanmerking zijn gekomen voor maatregelen op grond van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en die buiten de macht van de exporteur terugkeren).

Let op!

In de bepalingen betreffende de preferentiële oorsprong (Titel II hoofdstuk 2 afdeling 2 GVo.DWU) komt de exporteur veel voor, maar de daar genoemde exporteur is niet de in artikel 1 lid 19 GVo.DWU gedefinieerde exporteur. De preferentiële oorsprongsbepalingen hanteren een eigen definitie van exporteur.
(Artikel 37 lid 20 GVo.DWU)

De in artikel 1 lid 19 GVo.DWU opgenomen definitie van exporteur geldt ook voor de UVo.DWU. Voor de preferentiële oorsprongsbepalingen hanteert de UVo.DWU de in artikel 37 lid 20 GVo.DWU opgenomen definitie van exporteur.
(Artikel 1 lid 1 en artikel 60 UVo.DWU)

Ook in de UVo.DWU komt de in artikel 1 lid 19 GVo.DWU gedefinieerde exporteur maar een enkele keer voor, namelijk alleen op de volgende plaatsen:

  • In Titel V hoofdstuk 2 (de bepalingen betreffende de plaatsing van goederen onder een douaneregeling) wordt in artikel 221 lid 2 onder a UVo.DWU het bevoegde douanekantoor om goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen gekoppeld aan de plaats van vestiging van de exporteur.

  • In Titel VI (de bepalingen betreffende het in het vrije verkeer brengen) wordt in artikel 255 UVo.DWU de exporteur aangewezen als de persoon die bij uitvoer van goederen, bestemd om terug te keren, kan verzoeken om afgifte van een inlichtingenblad INF 3.

  • In Titel VIII (de bepalingen betreffende het uitgaan) wordt in artikel 334, lid 1 UVo.DWU bepaald dat het douanekantoor van uitvoer het uitgaan bevestigt aan de exporteur en in artikel 337 lid 1 UVo.DWU dat de exporteur achteraf een aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer moet indienen bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar hij is gevestigd als goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten zonder dat de vereiste aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer is gedaan.

In de bepalingen betreffende uitvoer en uitgaan (Titel VIII) wordt de exporteur slechts twee keer genoemd en leidt alleen artikel 337 lid 1 UVo.DWU (achteraf doen van een aangifte ten uitvoer) tot een verplichting. Voor de normale aangifteprocedure is de exporteur niet aangewezen als persoon die de aangifte ten uitvoer moet doen.

Op basis van het aantal vermeldingen in de wettelijke bepalingen heeft de exporteur een zeer bescheiden rol in het proces uitvoer-uitgaan.

Naar boven
2.4.6.1 Een buiten de Unie gevestigde persoon is geen exporteur

Een niet in de Unie gevestigd persoon kan niet worden aangemerkt als exporteur, ook al is hij eigenaar van de goederen, heeft hij op het tijdstip waarop de aangifte wordt aanvaard het contract met de geadresseerde in het derde land en de macht om te beslissen dat de goederen naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht. De vestigingseis verhindert dat hij exporteur kan zijn.

De Uniegoederen die uitgevoerd gaan worden, zullen zich bij een in de Unie gevestigde persoon bevinden, bijvoorbeeld een opslaghouder of een logistiek dienstverlener. Deze zal in opdracht van de eigenaar ‘beslissen’ dat de goederen naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht. Als initiatiefnemer van de uitvoer wordt de opslaghouder of logistiek dienstverlener dan aangemerkt als exporteur.

Voorbeeld 1

Een bedrijf uit Delfzijl verkoopt Uniegoederen aan een bedrijf in Argentinië. Het sluit hiervoor contracten af met vervoerders en de koper in Argentinië. De leveringsconditie is CIF Buenos Aires. Hierdoor is het bedrijf in Delfzijl exporteur en moet dit op basis van de leveringsconditie de douaneformaliteiten bij uitvoer verzorgen. Het bedrijf kan de aangifte ten uitvoer zelf doen (in eigen naam en voor eigen rekening), namens haar laten doen (in vertegenwoordiging) of door een derde laten doen die als aangever kan optreden. In het laatste geval doet deze derde de aangifte ten uitvoer in eigen naam en voor eigen rekening, maar deze derde kan de aangifte ook laten doen in vertegenwoordiging. De persoon die optreedt als aangever moet er voor zorgen dat de uit de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen (de goederen in dezelfde staat houden als op het moment van aanvaarding van de aangifte en zorgen dat de goederen binnen 150 dagen het douanegebied van de Unie verlaten).

Voorbeeld 2

Als het in voorbeeld 1 genoemde bedrijf de Uniegoederen zou hebben verkocht onder de leveringsconditie EXW (Ex-Works) moet de koper, het Argentijnse bedrijf, de uitvoerformaliteiten vervullen. Omdat dit bedrijf buiten de Unie is gevestigd, voldoet het niet aan de definitie van exporteur en kan het evenmin optreden als aangever. Het zal een binnen de Unie gevestigde partij moeten vinden die als aangever wil optreden. Dit zou het bedrijf in Delfzijl kunnen zijn maar dat is gelet op de leveringsconditie EXW niet aannemelijk. Vaak zal de in de Unie gevestigde logistiek dienstverlener die de goederen namens de koper in ontvangst neemt ook de douaneformaliteiten bij uitvoer vervullen en als aangever optreden. Deze persoon wordt dan geacht de initiatiefnemer voor de uitvoer te zijn en wordt dan aangemerkt als exporteur.

Naar boven

2.4.7 De aangever

De aangever is gedefinieerd als de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of kennisgeving wordt ingediend.
(Artikel 5 lid 15 DWU)

Behoudens de in artikel 170 lid 3 vermelde uitzonderingsgevallen moet de aangever in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd.
(Artikel 170 lid 2 DWU)

Als aangever kan iedere persoon optreden die de informatie kan verstrekken die vereist is voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling uitvoer en die goederen bij de Douane kan aanbrengen of kan doen aanbrengen.
(Artikel 170 lid 1 1e alinea DWU)

Iedere persoon die aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, kan aangever zijn en in eigen naam een aangifte ten uitvoer indienen of namens hem laten indienen. Dit wordt anders als de aanvaarding van de aangifte bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon meebrengt want dan moet de aangifte door die persoon zelf of door zijn vertegenwoordiger worden gedaan.
(Artikel 170 lid 1 2e alinea DWU)

Let op!

In paragraaf 3.4.5. is al opgemerkt dat een aangifte ten uitvoer een aangifte met bijzondere verplichtingen is en dat de wetgever geen specifieke persoon heeft aangewezen op wie de bijzondere verplichtingen rusten. Hierdoor kan de aangifte ten uitvoer worden ingediend door iedere persoon die voldoet aan de voorwaarden die aan een aangever zijn gesteld. Het feit dat een persoon als aangever optreedt, brengt mee dat de uit de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer voortvloeiende verplichtingen ook op deze persoon (de aangever) rusten.

Naar boven

2.4.8 Vertegenwoordiging

Exporteurs hebben vaak geen kennis van douanevoorschriften en –formaliteiten en roepen dan de hulp in van hierin gespecialiseerde bedrijven, zoals logistiek dienstverleners. Deze verzorgen dan als vertegenwoordiger van de exporteur de uitvoerformaliteiten.
(Artikel 18 DWU)

De vertegenwoordiging bij het doen van een aangifte ten uitvoer kan zich in twee vormen voordoen:

  1. Directe vertegenwoordiging

    Bij deze vorm van vertegenwoordiging handelt de vertegenwoordiger bij het doen van de aangifte op naam en voor rekening van de exporteur. De exporteur blijft aangever.

    (Artikel 18 lid 1 1e alinea DWU)

  2. Indirecte vertegenwoordiging

    Bij deze vorm van vertegenwoordiging handelt de vertegenwoordiger in eigen naam, maar voor rekening van een ander. De vertegenwoordiger wordt dan aangever maar degene die vertegenwoordigd wordt is (mede) verantwoordelijk voor de na te komen verplichtingen. Deze vorm van vertegenwoordiging komt vaak voor als het eigendomsrecht al in de Unie is overgegaan op een niet in de Unie gevestigde persoon. De overeenkomstsluitende partij in de Unie (de verkoper) kan als indirect vertegenwoordiger de aangifte doen, maar soms is dit niet mogelijk of wenselijk.
    (Artikel 18 lid 1 2e alinea DWU)

Voorbeeld

Een Amerikaans bedrijf koopt in de Unie bij diverse bedrijven Uniegoederen en verzamelt deze op een bepaalde locatie. De verzamelde goederen worden in één zending naar de VS verscheept. De leveranciers in de Unie hebben geen bemoeienis meer met de goederen, geven niet de opdracht tot uitvoer en worden dus niet aangemerkt als exporteur.

Het Amerikaanse bedrijf is niet in de Unie gevestigd en voldoet daardoor niet aan de definitie van exporteur en kan niet als aangever optreden. Het kan een logistiek dienstverlener of een andere persoon in de Unie inschakelen om de uitvoerformaliteiten te verrichten. Deze persoon neemt dan het initiatief voor uitvoer en wordt dan aangemerkt als exporteur. Hij doet de aangifte ten uitvoer zelf (in eigen naam en voor eigen rekening) of laat deze doen in directe of indirecte vertegenwoordiging. Als exporteur kan hij de aangifte ten uitvoer ook doen als indirect vertegenwoordiger van het Amerikaanse bedrijf. Dan doet hij de aangifte in eigen naam, maar voor rekening van het Amerikaanse bedrijf. De logistiek dienstverlener of de andere persoon die als aangever optreedt, wordt tevens exporteur, maar omdat hij aangeeft voor rekening van het Amerikaanse bedrijf rusten de verplichtingen mede op het Amerikaanse bedrijf.

Zie verder voor de vertegenwoordiging Handboek onderdeel 2.00.00. van dit Handboek.

Naar boven

2.4.9 Douanetoezicht

Uniegoederen die zijn aangegeven voor uitvoer bevinden zich onder douanetoezicht vanaf de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer totdat zij het douanegebied van de Unie verlaten.

Het douanetoezicht eindigt ook als de ten uitvoer aangegeven goederen aan de staat zijn afgestaan, zijn vernietigd of als de aangifte ten uitvoer ongeldig is gemaakt.
(Artikel 158 lid 3 DWU)

De definitie van douanetoezicht is opgenomen in artikel 5 lid 27 DWU.

Naar boven

2.4.10 Douanestatus

Uniegoederen die onder de douaneregeling uitvoer zijn geplaatst behouden de douanestatus van Uniegoederen tot zij het douanegebied van de Unie verlaten.
(Artikel 154 onder a DWU)

De definitie van douanestatus is opgenomen in artikel 5 lid 22 DWU.

Naar boven
2.4.10.1 Uniegoederen die het douanegebied van de Unie tijdelijk verlaten

Onder de douaneregeling uitvoer geplaatste goederen moeten soms via het grondgebied van een derde land naar het douanekantoor van uitgang worden vervoerd. Als zij onder de regeling intern douanevervoer worden vervoerd, behouden zij de douanestatus van Uniegoederen.
(Artikel 227 lid 1 DWU)

Voorbeeld

Een in Utrecht ten uitvoer aangegeven zending wordt via Zwitserland naar Genua (Italië) vervoerd om daar de Unie te verlaten. Het vervoer over het grondgebied van Zwitserland vindt dan plaats onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer (intern douanevervoer).

Let op!

In specifieke gevallen kunnen Uniegoederen tijdelijk buiten het douanegebied van de Unie worden vervoerd zonder dat zij onder een douaneregeling zijn geplaatst en zonder dat zij de douanestatus van Uniegoederen verliezen. Zie voor een opsomming van deze gevallen artikel 119 leden 2 en 3 GVo.DWU. In bepaalde gevallen moet bij terugkeer in de Unie de douanestatus van Uniegoederen worden aangetoond.
(Artikel 155 lid 2 DWU, artikel 119 lid 2 en lid 3 GVo.DWU)

Naar boven
2.4.10.2 Verlies van de douanestatus van Uniegoederen

Uniegoederen worden niet-Uniegoederen:

  1. als zij het douanegebied van de Unie verlaten, tenzij de voorschriften inzake intern douanevervoer van toepassing zijn;

  2. als zij onder de regeling extern douanevervoer, de regeling opslag of de regeling actieve veredeling zijn geplaatst;

  3. als zij onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst en vervolgens aan de staat worden afgestaan of worden vernietigd en er afval overblijft;

  4. als de aangifte voor het vrije verkeer na vrijgave van de goederen ongeldig wordt gemaakt.

(Artikel 154 DWU)

Naar boven

2.5 Vormen waarin de aangifte ten uitvoer kan worden gedaan

2.5.1 Inleiding

Het DWU hanteert het beginsel dat alle uitwisselingen van informatie, zoals aangiften, aanvragen en beschikkingen tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten moet geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.
(Artikel 6 DWU)

Als het soort verkeer dit rechtvaardigt of als het gebruik van elektronische gegevensverwerkingstechnieken ongeschikt is voor de douaneformaliteiten mag op permanente basis andere middelen voor de uitwisseling van informatie worden gebruikt.

Tijdens een storing van het computersysteem van de Douane of van de marktdeelnemer mag tijdelijk gebruik worden gemaakt van andere middelen voor de uitwisseling van informatie.
(Artikel 6 lid 3 DWU)

Tijdens de storing van het computersysteem van de Douane of van de marktdeelnemer mag de noodprocedure worden gebruikt. Als de storing voorbij is, moet uiterlijk op de eerstvolgende werkdag alsnog elektronisch aangifte worden gedaan via Douane Sagitta Uitvoer (DSU).

In specifieke gevallen mag aangifte worden gedaan op andere wijze dan met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken. Deze treft aan in de volgende paragrafen.
(Artikel 158 lid 2 GVo.DWU)

Naar boven

2.5.2 Schriftelijke aangifte ten uitvoer

Hoewel een elektronische aangifte ten uitvoer verplicht is gesteld, zijn er nog situaties waarin wordt toegestaan dat een schriftelijke aangifte ten uitvoer wordt gedaan.

  • Wanneer het computersysteem van de Douane of van de aangever niet functioneert, mag na overleg met de Douane, de noodprocedure worden toegepast. De noodprocedure is opgenomen op de website van de Douane (http://www.douane.nl). De Douane moet voor het gebruik van de noodprocedure nadrukkelijk toestemming verlenen.

  • Wanneer goederen worden uitgevoerd door reizigers die geen toegang hebben tot het geautomatiseerde systeem van de Douane en er geen mondelinge of een aangifte door enige andere handeling mag worden gedaan. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen omdat de uit te voeren goederen aan beperkingen onderhevig zijn en geen mondelinge danwel een aangifte door enige andere handeling mag worden gedaan.

(Artikel 143 GVo.DWU)

Het doen van een schriftelijke aangifte betekent niet dat de verdere procedures worden vereenvoudigd. Ook bij een schriftelijke aangifte moeten de goederen worden aangebracht op het douanekantoor van uitgang en kunnen zij aan een overeenstemmingscontrole worden onderworpen.

Een reiziger mag de schriftelijke aangifte ten uitvoer indienen bij het douanekantoor van uitgang.

Naar boven

2.5.3 Mondelinge aangifte ten uitvoer

Voor de volgende goederen mag de aangifte ten uitvoer mondeling worden gedaan:

  1. goederen zonder handelskarakter.
    De definitie van goederen zonder handelskarakter is opgenomen in artikel 1 lid 21 GVo.DWU. Het betreft goederen die deel uitmaken van een door een particulier aan een particulier gerichte zending en goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers. In beide gevallen moet sprake zijn van incidenteel karakter, van persoonlijk gebruik of gebruik door leden van het gezin en afwezigheid van commerciële bijbedoelingen. Voor een aan een particulier gerichte zending geldt bovendien dat er geen sprake mag zijn van enige vorm van betaling. ‘Particulier’, ‘reiziger’ en ‘bagage’ zijn omschreven in artikel 1 leden 31 en 40 en 5 GVo.DWU. Onder bagage wordt ook de nagezonden of vooruit gezonden bagage begrepen;

  2. goederen met een handelskarakter, mits de waarde ervan niet meer dan € 1.000 bedraagt of de nettomassa ervan niet hoger is dan 1.000 kg;

  3. in het douanegebied van de Unie geregistreerde vervoermiddelen die bestemd zijn om te worden wederingevoerd, inclusief reserveonderdelen, het toebehoren en de uitrusting van deze vervoermiddelen.

  4. landbouwdieren (huisdieren) die worden uitgevoerd bij de overbrenging van een landbouwbedrijf uit de Unie naar een derde land en die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens artikel 115 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

  5. producten verkregen door landbouwproducenten op in de Unie gelegen landerijen, die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 116, 117 en 118 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

  6. zaaigoed uitgevoerd door landbouwproducenten om te worden gebruikt op in derde landen gelegen landerijen, dat in aanmerking komt voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 119 en 120 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

  7. foerage en voedermiddelen voor dieren tijdens de uitvoer, die in aanmerking komen voor de vrijstelling van rechten krachtens artikel 121 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.

Voor de volgende goederen kan de aangifte ten uitvoer mondeling worden gedaan, mits ze bestemd zijn om te worden wederingevoerd:

  1. laadborden, containers en vervoermiddelen, en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van die laadborden, containers en vervoermiddelen, zoals bedoeld in de artikelen 208 tot en met 213;

  2. persoonlijke bezittingen en goederen voor sportdoeleinden zoals bedoeld in artikel 219;

  3. welzijnsgoederen voor zeelieden, gebruikt aan boord van een schip in de internationale zeevaart zoals bedoeld in artikel 220, onder a);

  4. medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal zoals bedoeld in artikel 222;

  5. dieren zoals bedoeld in artikel 223, op voorwaarde dat zij zijn bestemd voor het weiden of verweiden of voor werk als trek-, rij- of lastdier;

  6. materiaal zoals bedoeld in artikel 224, onder a);

  7. door een arts benodigde instrumenten en apparaten voor het verlenen van zorg aan een zieke in afwachting van een orgaantransplantatie, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 226, lid 1;

  8. materiaal voor hulpverlening bij rampen dat wordt gebruikt bij maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van rampen of dergelijke situaties in het douanegebied van de Unie;

  9. draagbare muziekinstrumenten die tijdelijk worden ingevoerd door reizigers en die bestemd zijn om te worden gebruikt als beroepsuitrusting;

  10. verpakkingsmiddelen die gevuld worden ingevoerd en bestemd zijn om leeg of gevuld te worden wederuitgevoerd, voorzien van onuitwisbare en niet-verwijderbare merktekens ter identificatie van een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;

  11. radio- en televisieproductie- en -uitzendingsapparatuur alsook speciaal voor radio- en televisieproductie en -uitzending ingerichte voertuigen en de apparatuur daarvan, ingevoerd door openbare of particuliere organisaties die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd zijn en erkend zijn door de douaneautoriteiten die de tijdelijke invoer van deze apparatuur en voertuigen hebben toegestaan;

  12. andere goederen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan.

    (Artikelen 137 en 136 lid 1 GVo.DWU)

De mondelinge aangifte ten uitvoer wordt gedaan door een mondelinge mededeling aan de Douane dat de aangever voornemens is Uniegoederen buiten het grondgebied van de Unie te voeren of te laten voeren. Op een mondelinge aangifte ten uitvoer zijn dezelfde controlebepalingen van toepassing als een elektronische aangifte ten uitvoer. Dat betekent dus dat ook bij een mondelinge aangifte bescheiden gevraagd kunnen worden, de goederen onderzocht kunnen worden en monstername mogelijk is.
(Artikel 158 lid 1 DWU)

Een mondelinge aangifte ten uitvoer mag uitsluitend worden gedaan bij het kantoor van uitgang. Voor deze vorm van aangifte doen gelden geen wettelijke termijnen.
(Artikel 221 lid 3 UVo.DWU)

Let op!

Voor zogenaamde Waterklerkleveringen in Nederlandse havens gelden de volgende regels, vastgesteld in een brief van de Douane Rotterdam haven (van 3 december 2010) aan de Verenigde Nederlandse Cargadoors:

  • De goederen mogen geen hogere waarde hebben dan € 1000,--

  • De voorgenomen levering moet elektronisch gemeld worden aan het Centraal Meldpunt Proviand (CMP) te Rotterdam.

De melding aan het CMP (douane.drh.proviand.maasvlakte@belastingdienst.nl) moet de volgende gegevens bevatten:

  • aantal colli

  • gewicht

  • inhoud (indien bekend; anders vermelden ‘onbekend’)

  • status van de goederen (indien T1; MRN vermelden)

  • afzender (indien bekend; anders vermelden ‘onbekend’)

  • naam zeeschip

  • ETA zeeschip

Als bij een controle door de Douane wordt geconstateerd dat de zending niet voldoet aan de voorwaarden voor een mondelinge aangifte, wordt de scheepsagent alsnog in staat gesteld een elektronische uitvoeraangifte te (laten) doen.

Deze procedure is niet van toepassing op goederen waarvoor de toekenning van restituties of andere bedragen dan wel de teruggave van rechten vereist is of gevraagd wordt. Ook geldt deze procedure niet voor goederen die aan verboden of beperkingen of enige andere formaliteit zijn onderworpen.

Naar boven
2.5.3.1 Van een mondelinge aangifte ten uitvoer uitgezonderde goederen

Een mondelinge aangifte ten uitvoer is niet mogelijk voor de volgende goederen:

  1. Goederen waarvoor formaliteiten zijn vervuld met het oog op de toekenning van restituties of financiële voordelen bij uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

  2. Goederen waarvoor een aanvraag tot terugbetaling van rechten of andere heffingen is gedaan;

  3. Goederen die zijn onderworpen aan een verbod of beperking;

  4. Goederen die zijn onderworpen aan een andere bijzondere formaliteit krachtens Uniewetgeving die de douaneautoriteiten moeten toepassen.

(Artikel 142 GVo.DWU)

In de hier genoemde gevallen is een elektronische aangifte ten uitvoer verplicht.

Naar boven

2.5.4 Aangifte ten uitvoer door enige andere handeling

Bij deze vorm van aangifte doen wordt geen expliciete aangifte bij een douanekantoor gedaan. Het overschrijden van de grens van de Unie wordt aangemerkt als de aangifte ten uitvoer. Dit kan in de volgende vormen:

  1. Het passeren van het groene kanaal of het kanaal “niets aan te geven” bij een douanekantoor waar een dubbel controlekanaal aanwezig is;

  2. Het passeren van een douanekantoor waar geen dubbel controlekanaal aanwezig is;

  3. Het aanbrengen van een schijf voor douaneaangifte of een zelfklevend vignet “niets aan te geven” op de voorruit van personenwagens wanneer nationale bepalingen in deze mogelijkheid voorzien.

De enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie door de goederen in een van de volgende situaties:

  1. wanneer er een vrijstelling geldt van de verplichting om goederen naar de plaats van bestemming te vervoeren overeenkomstig de in artikel 135, lid 5, van het wetboek bedoelde bijzondere voorschriften;

  2. wanneer goederen worden geacht te zijn aangegeven voor wederuitvoer overeenkomstig artikel 139, lid 2, van deze verordening;

  3. wanneer goederen worden geacht te zijn aangegeven voor uitvoer overeenkomstig artikel 140, lid 1, van deze verordening.

(Artikel 141 GVo.DWU )

Aangifte ten uitvoer door enige andere handeling is mogelijk voor goederen waarvoor een mondelinge aangifte mogelijk is (zie paragraaf 2.5.3) en voor draagbare muziekinstrumenten van reizigers.
(Artikel 140 GVo.DWU )

Ook hier geldt weer dat de aangifte ten uitvoer door enige andere handeling slechts gedaan kan worden bij een douanekantoor van uitgang.

Let op!

Er mag geen aangifte ten uitvoer door enige andere handeling worden gedaan voor de goederen genoemd in artikel 142 GVo.DWU. Zie hiervoor paragraaf 2.5.3.1. Bij de uitvoer van deze goederen is een elektronische aangifte ten uitvoer verplicht.

Naar boven

2.5.5 Aangifte ten uitvoer door inschrijving in de administratie

Een vergunning voor inschrijving in de administratie die betrekking heeft op uitvoer wordt slechts verleend als naast de algemene voorwaarden die al in onderdeel 12.00.00 van dit Handboek zijn beschreven, ook aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er wordt afgezien van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek overeenkomstig artikel 263 lid 2 GVo.DWU; en

  • het douanekantoor van uitvoer is ook douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hebben een regeling getroffen om er voor te zorgen dat de goederen bij uitgang aan douanetoezicht onderworpen zijn.

(Artikel 150 lid 4 GVo.DWU)

Als het uitvoer van accijnsgoederen betreft, kan slechts een vergunning worden afgegeven als de uitvoer is toegestaan overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2008/118/EG.
(Artikel 150 lid 5 GVo.DWU)

Let op!

Onder het CDW was het mogelijk om de inschrijving in de administratie en de indiening van de aanvullende aangifte te vervangen door een volledige aangifte ten uitvoer in DSU/AGS. Deze mogelijkheid is onder het DWU vervallen.

Zie verder hoofdstuk 8 van onderdeel 12.50.00 van dit Handboek.

Naar boven

2.5.6 Aangifte ten uitvoer met ATA- of CPD-Carnet

Als Uniegoederen tijdelijk buiten de Unie worden gevoerd om daarna, in ongewijzigde staat, weer in het vrije verkeer te worden gebracht, kan als aangifte ten uitvoer een ATA- of CPD-carnet gebruikt worden. De lidstaat die het ATA- of CDP-carnet afgeeft, moet overeenkomstsluitende partij zijn bij de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul. Het carnet moet zijn goedgekeurd en gegarandeerd door een in de Unie gevestigde organisatie die deel uitmaakt van een waarborgketen zoals omschreven in artikel 1, onder d), van bijlage A bij de overeenkomst van Istanbul.
(Artikel 339 lid 1 UVo.DWU)

Voor bepaalde aangewezen goederen mag geen ATA- of CPD-carnet worden gebruikt. Het gaat hier om restitutiegoederen en goederen uit interventievoorraden waarvoor bij uitvoer een financieel voordeel wordt ontvangen vanuit het gemeenschappelijk landbouwbeleid, om goederen die bij uitvoer in aanmerking komen voor terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten en om goederen die onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht overeenkomstig Richtlijn 2008/118/EG.
(Artikel 339 lid 2 UVo.DWU)

Als een CPD-carnet wordt aangeboden als aangifte ten uitvoer waarmerkt het douanekantoor van uitvoer het carnet zodat dit kan dienen als vergunning tijdelijke invoer in het derde land.
(Artikel 163 lid 5 GVo.DWU)

Zie voor het gebruik van het CPD-carnet ook bijlage 2 bij onderdeel 18.00.00 van het Handboek Douane.

Als een ATA-carnet wordt aangeboden als aangifte ten uitvoer handelt het douanekantoor van uitvoer als volgt:

  • het verifieert de gegevens in de vakken A t/m G van het deel “uitvoer” door deze te vergelijken met de goederen;

  • het vult het vak “verklaring van de douaneautoriteit” op de omslag van het carnet;

  • het vult de strook “uitvoer” en vak H van het deel “uitvoer” in;

  • het stelt het douanekantoor van uitvoer vast in vak H, onder b), van het deel “wederinvoer”;

  • het houdt het deel “uitvoer” achter.

Als het douanekantoor van uitvoer niet tevens douanekantoor van uitgang is, wordt vak 7 van de strook “uitvoer” niet ingevuld. Dit vak moet worden ingevuld door het douanekantoor van uitgang.

De termijn voor wederinvoer in vak H, onder b), van de strook “uitvoer” mag niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het carnet.
(Artikel 339 leden 3, 4 en 5 UVo.DWU)

Als een ATA- of CDP-carnet als aangifte ten uitvoer wordt gebruikt, geldt er ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen (de veiligheidsgegevens te verstrekken).
(Artikel 245 lid 1 onder h GVo.DWU)

Omdat de Uniewetgeving de tijdelijke uitvoer niet kent als douaneregeling, wordt het uitgaan onder geleide van een ATA- of CPD-carnet aangemerkt als "normale" uitvoer, waarna de goederen bij terugkeer in de Unie met toepassing van de modaliteit "terugkerende goederen" weer in het vrije verkeer gebracht worden met vrijstelling van invoerrecht. Om bij terugkeer de douanestatus van Uniegoederen aan te tonen, kan de houder van het ATA-carnet in het vak dat bestemd is voor de omschrijving van de goederen de Uniegoederen identificeren met de code “T2L” of “T2LF”. Bij het geldig maken van het carnet waarmerkt de Douane deze codes met een stempel en een handtekening.
(Artikel 207 UVo.DWU)

Vanuit de systematiek van de douaneregeling uitvoer volgt, dat de aangifte ten uitvoer met een ATA- of CPD-carnet gedaan wordt op het douanekantoor van uitvoer. Voor particulieren kan hiervan in de praktijk worden afgeweken. Deze mogen het ATA- of CPD-carnet geldig laten maken door de Douane van het douanekantoor van uitgang.

Het vervoer van het kantoor van uitvoer naar het kantoor van uitgang vindt plaats onder geleide van het ATA- of CPD-carnet.

Naar boven

2.5.7 Verzamelaangifte ten uitvoer

Bij de uitvoer van bijvoorbeeld assortimenten van goederen of vervangende onderdelen in een zending moet in principe voor iedere goederensoort een aangifte ten uitvoer worden gedaan, voorzien van voor iedere goederensoort een goederenomschrijving en een indeling in het tarief.
(Artikel 222 UVo.DWU)

Dit zou kunnen leiden tot een veelvoud aan aangiften en de daaraan verbonden administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de Douane. Daarom biedt artikel 177 DWU de mogelijkheid om een zending die uit goederen bestaat die onder verschillende tariefonderverdelingen vallen in z’n geheel aan te geven onder de tariefonderverdeling van de goederen die aan het hoogste recht bij uitvoer zijn onderworpen.
(Artikel 177 lid 1 DWU)

Let op!

Een verzamelaangifte is niet toegestaan voor goederen die zijn onderworpen aan verboden of beperkingen of aan accijnzen en de correcte indeling noodzakelijk is om de maatregel toe te passen.
(Artikel 177 lid 2 DWU)

Voor het bepalen van de tariefonderverdeling waaronder de zending moet worden aangegeven, geeft artikel 228 UVo.DWU richtlijnen, maar deze zijn erg onduidelijk. De strekking is dat alle tot de zending behorende goederen worden aangegeven tegen de tariefonderverdeling die het hoogst verschuldigde bedrag aan rechten genereert. Om die tariefonderverdeling te bepalen, moeten de rechten voor de afzonderlijke goederen in de zending worden berekend of worden herberekend naar een ad-valoremrecht. Voor goederen die naar een specifiek recht zijn belast moet het specifieke recht worden omgezet in een ad-valoremrecht. De tekst van artikel 228 UVo.DWU is echter dermate complex dat deze niet duidelijk maakt hoe dit precies moet.

Omdat bij uitvoer geen uitvoerrechten verschuldigd worden - alleen rechten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid – wordt goedgekeurd om in een verzamelzending bij uitvoer de tariefonderverdeling op te nemen van het goed dat de hoogste waarde vertegenwoordigt.

Deze goederensoort moet als goederenomschrijving in de aangifte worden opgenomen met de toevoeging “en andere goederen”.

Een verzamelaangifte ten uitvoer mag slechts worden gedaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • in de aangifte ten uitvoer moet in vak 44 de bescheidcode ‘8030’ worden opgenomen (zie ook codeboek Douane, onderdeel uitvoer, Tabel T03);

  • elke goederensoort die deel uitmaakt van de zending heeft een waarde die niet hoger is dan €1.000;

  • elke goederensoort die deel uitmaakt van de zending heeft een nettogewicht dat niet hoger is dan 1.000 kg;

  • de zending verlaat definitief het douanegebied van de Unie;

  • voor geen enkele goederensoort die deel uitmaakt van de zending geldt dat de uitvoer is verboden of beperkt of aan regels gebonden op grond van andere wettelijke bepalingen;

  • de uitvoer van één of meer goederensoorten die deel uitmaken van de zending mag niet leiden tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrecht, omzetbelasting, accijns of verbruiksbelasting;

  • de zending verlaat het douanegebied van de Unie vanuit Nederland.

Let op!

Als aan één of meer van bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, kan geen verzamelaangifte worden gedaan en moet elke goederensoort in de zending naar de eigen tariefonderverdeling worden aangegeven. Dit kan met een eigen artikel in dezelfde aangifte ten uitvoer of met een separate aangifte ten uitvoer per goederensoort.

Naar boven
2.5.7.1 Verzamelaangifte ten uitvoer voor proviandzendingen

Een zending die als scheepsprovisie of scheepsbehoeften wordt geleverd aan boord van zeeschepen mag in de aangifte ten uitvoer worden omschreven als ‘scheepsprovisie’ onderscheidenlijk ‘ scheepsbehoeften’. In de aangifte mogen de volgende goederencodes worden gebruikt:

  • 9930 24 00 voor goederen van de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem

  • 9930 99 00 voor elders ingedeelde goederen, met uitzondering van de goederen van hoofdstuk 27 van het geharmoniseerde systeem.

Voor goederen van hoofdstuk 27 van het geharmoniseerde systeem moet de eigen goederencode worden gebruikt.

Let op!

De aan de verzamelaangifte ten uitvoer gestelde voorwaarden zijn van toepassing.

Naar boven

2.5.8 Inhoud van de aangifte ten uitvoer

Standaard douaneaangiften moeten alle gegevens bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.
(Artikel 162 DWU)

De gegevens die in een aangifte ten uitvoer moeten worden vermeld, zijn opgenomen in kolom B1 van Titel I van bijlage B bij GVo.DWU.

In de normale procedure moeten in de aangifte ten uitvoer ook de veiligheidsgegevens worden vermeld. De veiligheidsgegevens worden in het DWU aangeduid als aangifte vóór vertrek.
(Artikel 263 DWU)

Voor een uitgebreide toelichting op de aangifte vóór vertrek wordt verwezen naar onderdeel 23.00.00 van dit Handboek.

Naar boven

2.5.9 Aangifteprocedure voor goederen waarvan tevoren de te laden hoeveelheid niet exact is vast te stellen.

Vooral bij bulkladingen is het vaak lastig om in de aangifte ten uitvoer de exacte gegevens over de hoeveelheid (colli, gewichten en/of waarde) van de goederen te vermelden. In deze situaties kan gebruik worden gemaakt van een van de volgende procedures.

  1. Vóór het doen van de aangifte kunnen de goederen met instemming van de Douane door de belanghebbende worden onderzocht of kunnen daarvan monsters worden genomen met het doel de gegevens over de hoeveelheid (colli, gewicht en/of waarde) vast te stellen. Nadat de gegevens bekend zijn wordt de aangifte gedaan.
    (Artikel 134 lid 2 DWU)

  2. In de aangifte ten uitvoer worden de gegevens omtrent de hoeveelheid (colli, gewichten en/of waarde) bij schatting aangegeven. De aangifte wordt ingediend voor het laden van de goederen. Na het laden van de goederen worden de juiste gegevens aan de Douane medegedeeld met het verzoek om de aangifte te wijzigen.
    (Artikel 173 lid 1 DWU)

De hierbij te volgen procedure is als volgt:

  • De aangifte wordt gedaan in de vorm van een aangifte vooraf, met opgave van datum en tijdstip;

  • De aangifte wordt gedaan in de standaardprocedure;

  • Alle verplicht in te vullen vakken in de aangifte moeten worden gevuld. De gegevens omtrent de hoeveelheid (colli, gewichten en/of waarde) moeten bij schatting worden aangegeven;

  • De aangifte wordt gedaan met code 6 of 7 (zie tabel A15 Codeboek Douane, onderdeel Uitvoer);

  • Na aanvaarding van de aangifte heeft de aangever toestemming tot laden;

  • Na belading stuurt de aangever de volgende gegevens aan het douanekantoor van uitvoer:

    1. het aangifte-id-nummer (MRN);

    2. de juiste gegevens omtrent de hoeveelheid (colli, gewichten en/of waarde);

    3. de datum en het tijdstip einde laden;

    4. een (proforma)factuur;

    5. een kopie B/L;

    6. een opgave van de lading.

  • De Douane corrigeert de door de aangever opgegeven definitieve gegevens (colli-aantal, gewicht, waarde) en voert daarna de datum en het tijdstip van einde laden in, die tenminste gelijk moet zijn aan de systeemdatum en -tijd.

  • Op de door de Douane ingevulde datum en het tijdstip van einde laden wordt de mededeling Toestemming Vertrek verzonden met de juiste gegevens.

Naar boven

2.6 Vervoer van Uniegoederen naar gebieden met een bijzonder fiscaal regime

In de Richtlijnen 2006/112/EG en 2008/118/EG is geregeld hoe de lidstaten in het onderlinge verkeer omgaan met de heffing en schorsing van omzetbelasting en accijnzen. De bepalingen in deze Richtlijnen gelden echter niet voor het gehele douanegebied van de Unie. De gebieden van de Unie waar de bepalingen van deze Richtlijnen niet gelden, worden in de douanewetgeving aangeduid als ‘gebieden met een bijzonder fiscaal regime’.
(Artikel 1 lid 35 GVo.DWU)

De gebieden met een bijzonder fiscaal regime voor de BTW zijn opgesomd in artikel 6 van de Richtlijn 2006/112/EG en voor de accijnzen in artikel 5 van de Richtlijn 2008/118/EG. Het zijn de volgende gebieden die deel uitmaken van het douanegebied van de Unie:

  • de berg Athos (alleen voor de BTW);

  • de Canarische Eilanden;

  • de Franse overzeese departementen;

  • de Ålandseilanden;

  • de Kanaaleilanden.

De Richtlijnen vermelden expliciet dat zij niet van toepassing zijn op de tot de lidstaten behorende gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Unie (het eiland Helgoland, het gebied Büsingen, Ceuta, Melilla, Livigno, Campione d'Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano). Deze gebieden worden beschouwd als derde land en kunnen daardoor niet worden bestempeld als een gebied met een bijzonder fiscaal regime.

Vanwege de omzetbelasting- en accijnsbelangen zijn in het handelsverkeer van Uniegoederen tussen delen van het douanegebied van de Unie waar de bepalingen van de Richtlijnen 2006/112/EG en 2008/118/EG wel gelden en de gebieden met een bijzonder fiscaal regime de bepalingen van de hoofdstukken 2, 3 en 4 van Titel V van het DWU, de hoofdstukken 2 en 3 van Titel V van de GVo.DWU en de hoofdstukken 2 en 3 van de Titels VIII van het DWU en de GVo.DWU van toepassing. Het feit dat het Uniegoederen betreft, rechtvaardigt het toepassen van passende vereenvoudigingen in de te vervullen douaneformaliteiten.

(Overweging 13 en artikel 1 lid 3 DWU, artikel 134 lid 1 GVo.DWU )

In beginsel moeten de Uniegoederen onder de regeling uitvoer worden geplaatst en zijn de bepalingen betreffende het plaatsen van goederen onder een douaneregeling van toepassing.

(Bijlage B Titel I kolom B4 GVo.DWU en bijlage B Titel II UVo.DWU)

Er geldt een vereenvoudiging als het overbrengen plaatsvindt binnen één lidstaat. In dat geval kan aan de douaneverplichtingen worden voldaan door overlegging van een factuur of vervoersdocument.

(Artikel 134 lid 2 GVo.DWU)

Voorbeeld 1

Als Uniegoederen vanuit Nederland naar de Canarische eilanden worden verzonden, dan zal er een aangifte ten uitvoer (CO-aangifte, zie bijlage B Titel I kolom B4 GVo.DWU en bijlage B Titel II UVo.DWU) gedaan moeten worden.

Als Uniegoederen vanuit Spanje naar de Canarische eilanden worden verzonden, volstaat de overlegging van een factuur of vervoersdocument want dan is er sprake van overbrenging binnen één lidstaat als bedoeld in artikel 134 lid 2 GVo.DWU.

Voorbeeld 2

Als Uniegoederen vanuit Nederland naar Ceuta of Melilla worden verzonden, moet een aangifte ten uitvoer (EX-aangifte, zie bijlage B Titel I kolom B1 GVo.DWU en bijlage B Titel II UVo.DWU) worden gedaan omdat Ceuta en Melilla geen deel uitmaken van het douanegebied van de Unie.

Dit moet overigens ook als Uniegoederen vanuit Spanje naar Ceuta of Melilla worden verzonden, want voor deze situatie bevat de douanewetgeving geen vereenvoudigde regeling.

Naar boven

2.7 Vervoer van Uniegoederen naar Ceuta, Melilla, Helgoland, Büsingen, de Faeroër, Groenland, de Franse gebieden overzee, de Italiaanse gemeenten Livigno en Campione d’Italia en enige andere gebieden

Ceuta en Melilla, Helgoland, Büsingen, de Faeroër, Groenland, de Franse gebieden overzee, de gemeenten Livigno en Campione d’Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano vanaf de oever tot aan de politieke grens van de zone tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio behoren weliswaar tot het grondgebied van de lidstaten Spanje, Duitsland, Denemarken, Frankrijk of Italië maar niet tot het douanegebied van de Unie.
(Artikel 4 lid 1 DWU)

In het Uniegebied bevinden zich een aantal kleine zelfstandige stadstaatjes. Een aantal bekende zijn Gibraltar, de republiek San Marino, Vaticaanstad, Andorra en Monaco. Deze gebieden maken geen deel uit van het douanegebied van de Unie. Uitzondering vormt Monaco want het grondgebied van Monaco wordt beschouwd deel uit te maken van het douanegebied van de Unie (net als het grondgebied van Akrotiri en Dhekelia op Cyprus).
(Artikel 4 lid 2 DWU)

Uniegoederen die naar genoemde gebieden (met uitzondering van Monaco, Akrotiri en Dhekelia) worden vervoerd, moeten onder de regeling uitvoer worden geplaatst. De bepalingen betreffende het plaatsen van goederen onder een douaneregeling zijn van toepassing.
(artikel 269 lid 1 DWU)

Een bijzonderheid geldt bij uitvoer naar Helgoland. In artikel 140 lid 2 GVo.DWU is bepaald dat goederen verzonden naar Helgoland kunnen worden aangegeven voor uitvoer overeenkomstig artikel 141 GVo.DWU, dus met een aangifte door enige andere handeling (het passeren van een douanekantoor). Het komt er dus op neer dat bij vervoer van Uniegoederen naar Helgoland geen douaneformaliteiten hoeven te worden vervuld.

Bij vervoer van Uniegoederen naar de overige genoemde gebieden gelden geen vereenvoudigde aangiftemogelijkheden en moet een volledige aangifte (EX-aangifte) in de normale procedure worden gedaan.

(Bijlage B Titel I kolom B1 GVo.DWU en bijlage B Titel II UVo.DWU)

Voor Uniegoederen die worden verzonden naar naar Ceuta en Melilla, Gibraltar, Helgoland, Büsingen, de republiek San Marino, Vaticaanstad, de gemeenten Livigno en Campione d’Italia of de Italiaanse wateren van het meer van Lugano vanaf de oever tot aan de politieke grens van de zone tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio geldt ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen (de veiligheidsgegevens te verstrekken).
(Artikel 245 lid 1 onder p GVo.DWU)

Naar boven

2.8 Uitvoer van Accijnsgoederen

Accijnsgoederen die onder schorsing van accijns liggen opgeslagen in een zogenaamde Accijns Goederenplaats (AGP ) binnen de Unie hebben de status van Uniegoederen. Als deze goederen bestemd zijn om buiten de Unie gevoerd te worden, moet er een aangifte ten uitvoer worden gedaan en gelden de normale formaliteiten bij uitgaan. Het toezicht op het uitgaan vindt plaats met behulp van het Export Control System (ECS).

Verordening 684/2009 bepaalt dat accijnsgoederen slechts vervoerd kunnen worden onder geleide van een e-AD (Elektronisch Administratief Document). Het toezicht op het vervoer en het uitgaan vindt plaats met behulp van het Excise Movement and Control System (EMCS).

In de situatie dat de aangifte ten uitvoer wordt opgevolgd door een vervoersaangifte geldt voor accijnsgoederen een eigen (afwijkende) procedure om het uitgaan vast te stellen en te bevestigen. Verwezen wordt naar onderdeel 23.00.00.

Naar boven

2.9 Uitvoer van reizigersbagage met aanspraak op teruggaaf van omzetbelasting

Een buiten het douanegebied van de Unie wonende reiziger kan in Nederland goederen kopen en in zijn bagage buiten de Unie brengen. Deze personen kunnen dan achteraf de betaalde BTW over hun aankopen terugkrijgen. Veelal worden hier afspraken over gemaakt met de winkelier/leverancier van de goederen. Voor de teruggaaf is een factuur vereist. Om voor een teruggaf in aanmerking te komen moet de waarde op deze factuur van de goederen hoger zijn dan € 50, inclusief BTW en eventuele andere belastingen.

Klik hier voor het beleid van de staatssecretaris waarin o.a. de te volgen procedure is beschreven.

Naar boven

2.10 Uitvoer gevolgd door vervoer

Ten uitvoer aangegeven Uniegoederen behouden de douanestatus van Uniegoederen totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Waar de bepalingen voor het gebruik van de vervoersregelingen intern- en extern douanevervoer of intern- of extern Uniedouanevervoer spreken over Uniegoederen zijn deze dus ook van toepassing op Uniegoederen die onder de regeling uitvoer zijn geplaatst.
(Artikel 154 onder a DWU, artikel 226 lid 2 DWU, artikel 227 DWU, 234 DWU)

Naar boven

2.10.1 Vervoer onder intern douanevervoer en intern Uniedouanevervoer

Uniegoederen kunnen zonder wijziging van de douanestatus onder de regeling intern douanevervoer worden geplaatst als zij worden vervoerd:

  • tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Unie over een buiten dat gebied gelegen land of grondgebied;

  • naar een derde land dat partij is bij de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, met uitzondering van de Uniegoederen genoemd in artikel 189 GVo.DWU.

(Artikel 227 DWU, artikel 189 GVo.DWU)

Intern Uniedouanevervoer is in de genoemde gevallen hetzelfde als intern douanevervoer.

Als Uniegoederen na vrijgave voor uitvoer onder de regeling intern douanevervoer worden geplaatst, is het douanekantoor van vertrek van de regeling douanevervoer tevens het douanekantoor van uitgang. Het douanekantoor van vertrek moet uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de regeling douanevervoer is aangezuiverd het uitgaan bevestigen aan het douanekantoor van uitvoer.
(Artikel 329 lid 6 en artikel 333 lid 3 onder c UVo.DWU)

Let op!

Er geldt een afwijkende procedure tot de datums waarop het geautomatiseerd uitvoersysteem wordt uitgerold (voorzien in maart 2019). Tot de uitrol geldt het volgende:

  • voor Uniegoederen waarvoor het douanekantoor van bestemming is gelegen in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer bevestigt het douanekantoor van vertrek het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer uiterlijk op de eerste werkdag na de dag waarop de goederen onder de regeling zijn geplaatst;

  • voor Uniegoederen waarvoor het douanekantoor van bestemming is gelegen op de grens van het douanegebied van de Unie en de goederen verlaten het douanegebied nadat zij door een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie zijn vervoerd, bevestigt het douanekantoor van vertrek het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer uiterlijk op de eerste werkdag na de dag waarop de goederen het douanegebied van de Unie verlaten of de regeling douanevervoer is aangezuiverd.
    (Artikel 333 lid 7 UVo.DWU)

Let op!

Voor accijnsgoederen onder schorsing van accijns en goederen die aan uitvoerformaliteiten zijn onderworpen met het oog op toekenning van uitvoerrestituties in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid geldt een afwijkende regel.
Als genoemde goederen, nadat zij zijn vrijgegeven voor uitvoer, onder de regeling intern douanevervoer worden geplaatst, is het douanekantoor dat bevoegd is over de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten (en dus niet het douanekantoor van vertrek) het douanekantoor van uitgang.
(Artikel 329 leden 1, 6 en 8 UVo.DWU)

Voorbeeld 1

In Utrecht ten uitvoer aangegeven goederen zullen in Genua (Italië) de Unie verlaten. Het transport van Utrecht naar Genua vindt plaats via Zwitserland. Het traject over Zwitsers grondgebied vindt plaats onder de regeling intern Uniedouanevervoer.
Tot de uitrol van het geautomatiseerd uitvoersysteem (2019) bevestigt het douanekantoor van vertrek (Utrecht) het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer c.q. de aangever uiterlijk op de eerste werkdag na de dag waarop de goederen het douanegebied van de Unie verlaten of de regeling douanevervoer is aangezuiverd.
Vanaf de uitrol van het geautomatiseerd uitvoersysteem moet het douanekantoor van vertrek (Utrecht) uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de regeling douanevervoer is aangezuiverd (aankomst in Genua) het uitgaan bevestigen aan het douanekantoor van uitvoer c.q. de aangever.

Voorbeeld 2

In Utrecht ten uitvoer aangegeven goederen hebben als land van bestemming Zwitserland. Omdat Zwitserland partij is bij de overeenkomst betreffende de regeling gemeenschappelijk douanevervoer kan het vervoer naar de eindbestemming in Zwitserland plaatsvinden onder de regeling intern Uniedouanevervoer.
Tot de uitrol van het geautomatiseerd uitvoersysteem (2019) bevestigt het douanekantoor van vertrek (Utrecht) het uitgaan aan het douanekantoor van uitvoer c.q. de aangever uiterlijk op de eerste werkdag na de dag waarop de goederen onder de regeling douanevervoer zijn geplaatst.
Na de uitrol van het geautomatiseerd uitvoersysteem moet het douanekantoor van vertrek (Utrecht) uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de regeling douanevervoer is aangezuiverd (aankomst in Genua) het uitgaan bevestigen aan het douanekantoor van uitvoer c.q. de aangever.

Naar boven

2.10.2 Vervoer onder extern douanevervoer

Uniegoederen mogen alleen onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst als hiertoe een verplichting geldt. Deze verplichting bestaat voor:

  1. Uniegoederen waarvoor douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld met het oog op de toekenning van uitvoerrestituties in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
    OF

  2. Uniegoederen afkomstig uit interventievoorraden en die onderworpen zijn aan maatregelen ter controle van het gebruik of de bestemming ervan en er douaneformaliteiten bij uitvoer zijn verricht in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid,
    OF

  3. Uniegoederen waarvoor aan de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten de voorwaarde is verbonden dat zij onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst overeenkomstig artikel 118, lid 4 DWU;
    EN

  4. die worden vervoerd naar een derde land dat partij is bij de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer;
    OF

  5. worden uitgevoerd via een of meer dergelijke landen en de bepalingen van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van toepassing zijn.

(Artikel 226 lid 2 DWU, artikel 189 GVo.DWU)

Als Uniegoederen na vrijgave voor uitvoer onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst, is het douanekantoor van vertrek van de regeling douanevervoer tevens het douanekantoor van uitgang. Het douanekantoor van vertrek moet uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst het uitgaan bevestigen aan het douanekantoor van uitvoer.
(Artikel 329 lid 5 en artikel 333 lid 3 onder b UVo.DWU)

Naar boven

2.11 Aangifte ten uitvoer achteraf

Goederen die de Unie hebben verlaten zonder dat daarvoor aangifte ten uitvoer is gedaan, moeten door de exporteur alsnog ten uitvoer worden aangeven. Hij moet dit doen bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar hij is gevestigd.
(Artikel 337 lid 1 UVo.DWU)

Dit is de enige situatie waarin de wetgever de exporteur aanwijst als de persoon die, alsnog, de aangifte ten uitvoer moet doen. Dit is een logische keuze omdat de exporteur, vanuit de in artikel 1 lid 19 GVo.DWU gegeven definitie van exporteur, de persoon is die het initiatief heeft genomen om de Uniegoederen een bestemming buiten de Unie te geven.

De aangifte ten uitvoer mag worden ingediend met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken.
(Artikel 249 GVo.DWU )

Het uitgaan van de goederen mag alleen worden bevestigd als de goederen zouden zijn vrijgegeven voor uitvoer als de aangifte vóór het uitgaan was gedaan en er bewijs is dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Als de exporteur bijvoorbeeld stukken kan overleggen waaruit blijkt wat de aard en de hoeveelheid van de goederen was en dat zij het douanegebied van de Unie ook daadwerkelijk hebben verlaten, bevestigt de Douane het uitgaan.

Bij de aanvaarding van de aangifte achteraf blijven de toepassing van sancties en de eventuele gevolgen op het gebied van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van kracht, zoals het niet meer in aanmerking komen voor restitutie. Ook kan het eventuele verzoek om teruggaaf worden geweigerd omdat niet meer kan worden vastgesteld of de juiste goederen zijn uitgevoerd.
(Artikel 337 lid 1 UVo.DWU )

Naar boven