Belastingdienst

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.

12 Bezittingen en schulden (box 3)

12.1 Uw bezittingen en schulden in box 3

Hebt u bezittingen, zoals spaargeld, beleggingen, aandelen of een tweede woning? Of hebt u schulden, zoals een lening bij een bank of een hypotheek voor een tweede woning? Dan moet u de waarde daarvan aangeven in uw aangifte inkomstenbelasting. Dit geldt ook voor de bezittingen en schulden van uw fiscale partner en/of minderjarige kinderen. Het maakt niet uit of u de bezittingen en schulden hebt in Nederland of buiten Nederland.

U betaalt belasting over uw bezittingen min uw schulden in box 3. Een deel daarvan is vrijgesteld. Dit deel noemen wij het heffingsvrij vermogen. Over het deel van uw bezittingen min uw schulden dat uitkomt boven het heffingsvrij vermogen betaalt u belasting.

In dit hoofdstuk leest u van wie u de bezittingen en schulden moet aangeven, welke bezittingen en welke schulden u moet aangeven, en welke bijzondere situaties er van toepassing kunnen zijn. Ook leest u hoe wij de belasting berekenen over uw inkomen in box 3

U woont buiten Nederland

Woont u buiten Nederland? Dan geeft u alleen uw vermogen in Nederland aan. Het gaat alleen om bepaalde bezittingen en schulden die u daarvoor hebt. Welke bezittingen en schulden u precies moet aangeven, leest u bij 'Bezittingen' en bij 'Schulden'.

Naar boven

12.2 Van wie geeft u de bezittingen en schulden aan?

Van wie u de bezittingen en schulden moet aangeven hangt af van uw situatie.

U hebt niet het hele jaar een fiscale partner

Hebt u geen fiscale partner of kiest u er niet voor om het hele jaar als fiscale partners te worden beschouwd? Dan geeft u de bezittingen en schulden op 1 januari 2016 aan van u en uw kinderen. Het gaat om kinderen waarover u het ouderlijk gezag hebt en die op 1 januari 2016 minderjarig (jonger dan 18 jaar) zijn.

U hebt het hele jaar een fiscale partner

Hebt u het hele jaar een fiscale partner? Of kiest u ervoor om het hele jaar als fiscale partners beschouwd te worden? Geef dan de bezittingen en schulden op 1 januari 2016 aan van u, uw fiscale partner, uw kinderen en de kinderen van uw fiscale partner. Het gaat om kinderen over wie u of uw fiscale partner het ouderlijk gezag hebt en die op 1 januari 2016 minderjarig (jonger dan 18 jaar) zijn.

Naar boven

12.2.1 Bezittingen en schulden van minderjarige kinderen

U moet ook de bezittingen en schulden aangeven van kinderen over wie u of uw fiscale partner het ouderlijk gezag hebben. Het gaat om kinderen die op 1 januari 2016 minderjarig (jonger dan 18 jaar) zijn.

Bent u, bijvoorbeeld door scheiding, niet het hele jaar fiscale partner met de andere ouder? En kiest u hier ook niet voor? Dan moet u de helft van de bezittingen van uw kinderen in uw aangifte meenemen. De andere ouder geeft in zijn eigen aangifte de andere helft van de bezittingen van deze kinderen aan.

Hebt u met iemand anders dan uw fiscale partner het ouderlijk gezag over een kind? Dan geeft u de helft van de waarde van de bezittingen van dat kind aan in uw aangifte.

Ouderlijk gezag

Ouderlijk gezag is de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarige kind op te voeden en te verzorgen. Door erkenning van een kind als eigen kind is de vader nog geen wettelijke vertegenwoordiger van het kind. Daarvoor moet hij eerst het ouderlijk gezag aanvragen.

Ouderlijk gezag betekent dat de vader ook beslissingen mag nemen over de opvoeding en de verzorging van zijn kind. Daarnaast mag hij het vermogen van zijn kind beheren en rechtshandelingen verrichten in naam van zijn zoon of dochter. Denk daarbij aan het zetten van een handtekening of het voeren van een gerechtelijke procedure.

Om het ouderlijk gezag over een kind te krijgen, moet u eerst bij de rechtbank een verzoek indienen.

Ouderlijk gezag bij huwelijk en geregistreerd partnerschap

Ouders die voor de geboorte of adoptie van hun kind zijn getrouwd, krijgen automatisch het ouderlijk gezag over hun kind. De vader wordt bovendien de juridische vader. Ook wanneer u een geregistreerd partnerschap hebt krijgt u automatisch het ouderlijk gezag over de kinderen die worden geboren of geadopteerd.

Naar boven

12.3 Welke bezittingen vallen in box 3?

Hebt u bezittingen in Nederland of in het buitenland? Dan moet u de waarde daarvan aangeven in uw aangifte.

De volgende bezittingen vallen in box 3:

  • onroerende zaken, zoals:

    • uw tweede woning, bijvoorbeeld een vakantiewoning (geen hoofdverblijf)

    • uw overige onroerende zaken, bijvoorbeeld een woning die u verhuurt of verpacht, of een schuur of terrein

  • bankrekeningen, zoals bank- en spaartegoeden en premiedepots

  • beleggingen, zoals:

    • aandelen, obligaties, winstbewijzen en opties die niet bij een aanmerkelijk belang horen

    • aandelen in beleggingsfondsen

    • het niet-vrijgestelde deel van uw groene beleggingen

  • het niet-vrijgestelde deel van kapitaalverzekeringen (geen kapitaalverzekering eigen woning)

  • rechten op periodieke uitkeringen die niet worden belast in box 1

  • nettolijfrente of nettopensioen waarvoor geen vrijstelling geldt

  • contant geld

  • uitgeleend geld (vorderingen)

  • overige bezittingen, zoals:

    • uw aandeel in het vermogen van een Vereniging van Eigenaren (VvE)

    • uw aandeel in een onverdeelde boedel

    • vruchtgebruik of beperkte eigendom van een spaarrekening

    • vruchtgebruik of beperkte eigendom (zoals de blote eigendom) van een pand, landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928, bos of natuurterrein

    • roerende zaken die u verhuurt of als belegging hebt

    • rechten op roerende zaken, bijvoorbeeld het recht om een auto of caravan van een ander (niet uw werkgever) gratis het hele jaar te gebruiken

    • trustvermogen of een vergelijkbaar doelvermogen naar buitenlands recht (ook als u hieruit geen inkomsten had).

    • recht op het gebruik van een pand
      Het gaat om het recht op het gebruik van een pand waarvoor u minder dan 1 keer per jaar een zakelijke vergoeding betaalde. U betaalt bijvoorbeeld steeds de huur voor 5 jaar vooruit.

    • virtuele betaalmiddelen, zoals bitcoins

Niet al uw bezittingen vallen in box 3. Daarnaast is een aantal bezittingen vrijgesteld. Dat wil zeggen dat u die bezittingen nooit hoeft op te geven. Hierover leest u meer bij 'Welke bezittingen vallen niet in box 3'.

Let op!

Hebt u op 1 januari bezittingen in een andere valuta dan euro’s? Reken deze dan om naar euro’s. Gebruik hiervoor de wisselkoers van 1 januari 2016. U kunt deze vinden op de website van de Nederlandse Bank.

U woont buiten Nederland

Woont u buiten Nederland? Dan geeft u alleen de volgende bezittingen aan in box 3:


In sommige situaties wordt de waarde van de bezittingen op de peildatum tijdsevenredig berekend. Zie voor meer informatie het hoofdstuk 'U woont buiten Nederland'.

  • een tweede woning in Nederland, bijvoorbeeld een vakantiewoning

  • overige onroerende zaken in Nederland, bijvoorbeeld een woning die u verhuurt

  • overige bezittingen in Nederland zoals winstrechten op Nederlandse ondernemingen en rechten op onroerende zaken

Naar boven

12.3.1 Welke waarde geeft u aan?

U geeft de waarde aan op 1 januari 2016. Meestal gaat het om de waarde in het economisch verkeer.

De waarde in het economisch verkeer is meestal de verkoopwaarde. Maar soms is het moeilijk om de verkoopwaarde van (een deel van) uw bezittingen te bepalen, bijvoorbeeld omdat er geen 'markt' voor is. U moet de waarde dan schatten.

Voor de waarde van onroerende zaken geldt meestal de WOZ-waarde of de waarde in het economisch verkeer in onbewoonde of onverhuurde staat.

Bent u maar voor een deel economisch eigenaar van de bezitting? Dan gaat het alleen om de waarde die hoort bij uw deel.

Naar boven

12.3.2 Onroerende zaken

Bij onroerende zaken gaat het bijvoorbeeld om:

  • een tweede woning, bijvoorbeeld een vakantiewoning die u niet verhuurt

  • uw overige onroerende zaken, zoals:

    • een woning die u verhuurt of verpacht

    • een garage die niet naast de eigen woning ligt, maar een paar straten verder

    • een los perceel, zoals een weiland

Het maakt niet uit of u deze onroerende zaken hebt in Nederland of buiten Nederland.

Let op!

Bij uw overige onroerende zaken in box 3 hoort niet de eigen woning die uw hoofdverblijf is. Hiermee bedoelen we elke eigen woning die onder de eigenwoningregeling valt. Zie 'Eigen woning en restschuld vroegere eigen woning'.

U woont buiten Nederland

Woont u buiten Nederland? Dan gaat het alleen om uw onroerende zaken in Nederland.

Naar boven
12.3.2.1 Waarde tweede woning

Hebt u een tweede woning in Nederland? Dan gaat het om WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2015. Deze staat op de WOZ-beschikking die u begin 2016 van uw gemeente hebt gekregen.

Hebt u een tweede woning buiten Nederland? Dan gaat het om de waarde in het economisch verkeer in onbewoonde en onverhuurde staat op 1 januari 2015.

Naar boven
12.3.2.2 Waarde overige onroerende zaken

Welke waarde u moet aangeven hangt af van het soort bezitting dat u hebt op 1 januari 2016.

Bij een woning in Nederland gaat het om de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2015. Bij een woning buiten Nederland gaat het om de waarde in het economisch verkeer in onbewoonde en onverhuurde staat op 1 januari 2015. Als u de woning verhuurt of verpacht kan het gaan om een percentage van die waarde, volgens de 'Tabel waarde verhuurde of verpachte woning'.

Let op!

Hebt u op 1 januari een woning die u pas in de loop van het jaar verhuurt of verpacht? Dan gaat het om de WOZ-waarde en niet een deel of percentage daarvan.

In de volgende situaties gaat het om een deel van de waarde:

  • U verhuurt een zelfstandig deel van een groter gebouw.

  • U verhuurt een niet-zelfstandig deel van uw woning, bijvoorbeeld een kamer.

Let op!

Verhuurt u een niet-zelfstandig deel van de woning die uw hoofdverblijf is? En voldoet u aan de voorwaarden van de kamerverhuurvrijstelling? Dan valt het verhuurde deel van uw woning niet in box 3, maar onder de eigenwoningregeling. U geeft uw woning dan aan als 'Eigen woning' in box 1.

Kijk voor de voorwaarden in het hoofdstuk 'Eigen woning' bij 'U verhuurt een deel van eigen woning (kamerverhuurvrijstelling)'

Gaat het niet om een woning, maar bijvoorbeeld om een bedrijfspand of een los perceel? Dan gaat het om de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 2016.

Naar boven
12.3.2.3 WOZ-waarde zelfstandig deel van een groter gebouw

Verhuurt u een zelfstandige deel van een groter gebouw? En kan het verhuurde deel niet worden verkocht zonder het pand op te splitsen? Dan gaat het om de WOZ-waarde min € 20.000.

Naar boven
12.3.2.4 WOZ-waarde niet-zelfstandig deel woning

Verhuurt u een niet-zelfstandig deel van uw woning, bijvoorbeeld een kamer? En voldoet u niet aan de voorwaarden van de kamerverhuurvrijstelling? Dan gaat het alleen om de WOZ-waarde voor het verhuurde of verpachte deel van de woning. Kijk voor de voorwaarden in het hoofdstuk 'Eigen woning' bij '
U verhuurt een deel van eigen woning (kamerverhuurvrijstelling)'

Heeft de gemeente de WOZ-waarde voor het verhuurde of verpachte deel niet afzonderlijk vastgesteld? Bereken deze waarde dan zelf door de vierkante meters van het verhuurde of verpachte deel te vergelijken met de totale vierkante meters van de woning.

Voorbeeld
U verhuurt een kamer met een grootte van 30 vierkante meter. De totale oppervlakte van uw woning is 150 vierkante meter. De WOZ-waarde is € 270.000. De WOZ-waarde voor het verhuurde deel is (€ 270.000 x 30) : 150 = € 54.000.

Naar boven
12.3.2.5 U verhuurt of verpacht een woning

Verhuurt u een woning geheel of gedeeltelijk? En heeft de huurder recht op huurbescherming? Of verpacht u de woning geheel of gedeeltelijk? En hebt u met de pachter een pachtovereenkomst voor ten minste 12 jaar? Dan gaat het om een percentage van de WOZ-waarde, volgens de 'Tabel waarde verhuurde of verpachte woning' hieronder.

Staat de verhuurde of verpachte woning buiten Nederland? En geldt in dat land bij verhuur van een woning een vergelijkbare regeling als het Nederlandse recht op huurbescherming? Of geldt in dat land voor pacht een vergelijkbare regeling als in Nederland? Dan gaat het om een percentage van de waarde in het economisch verkeer in onbewoonde en onverhuurde staat, volgens de 'Tabel waarde verhuurde of verpachte woning'.

Als u online aangifte doet, dan berekenen wij de waarde voor u.

Let op!

Bewoners van woonboten, winkelwoningen, dienstwoningen, recreatiewoningen en kamers in verzorgingshuizen hebben geen huurbescherming.

Jaarhuur of jaarpacht

Het percentage van de WOZ-waarde hangt af van de jaarlijkse huur of pacht. Dit is de kale huur of pacht op jaarbasis.

De kale huur is het bedrag waarvoor u de woning verhuurt, exclusief vergoedingen voor bijvoorbeeld energie en het gebruik van meubels. Pacht is het bedrag waarvoor u de woning verpacht, exclusief vergoedingen voor bijvoorbeeld energie en het gebruik van meubels.

Is de woning op 1 januari 2016 verhuurd of verpacht en eindigt de huur of pacht in de loop van het jaar? Dan gaat het om de kale huur of pacht per maand op 1 januari 2016 keer 12.

Tabel waarde verhuurde of verpachte woning

Gebruik de volgende tabel om te bepalen welk percentage van de WOZ-waarde geldt voor uw verhuurde of verpachte woning. Staat de verhuurde of verpachte woning buiten Nederland? Dan geldt in plaats van de WOZ-waarde de waarde in het economisch verkeer in onbewoonde en onverhuurde staat.

Tabel waarde verhuurde of verpachte woning

Is het percentage jaarhuur of jaarpacht van de WOZ-waarde:

meer dan

maar niet meer dan

dan is het percentage van de WOZ-waarde

0

1

45%

1

2

51%

2

3

56%

3

4

62%

4

5

67%

5

6

73%

6

7

78%

7

-

85%

Voorbeeld
U hebt heel 2016 een woning in Nederland. U verhuurt deze woning van 1 januari tot 1 oktober voor € 750 per maand. Bij deze huurprijs is € 75 per maand voor de stoffering en de meubilering inbegrepen. De woning heeft op 1 januari 2015 een WOZ-waarde van € 246.000.

U berekent eerst de jaarhuur door de kale huur op 1 januari 2016 te vermenigvuldigen met 12. De kale huur is (€ 750 - € 75 =) € 675. De jaarhuur is dus (€ 675 x 12=) € 8.100.

Bereken daarna hoeveel procent de jaarhuur van de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2015 is: € 8.100 : (1% van € 246.000) = 3,29%.

Zoek in de 1e 2 kolommen van de tabel het percentage jaarhuur dat voor u geldt. Lees vervolgens in de 3e kolom af welk percentage van de WOZ-waarde daarbij hoort. Dat percentage is 62, want 3,29% ligt tussen 3% en 4%. Voor deze verhuurde woning is de waarde dus 62% van € 246.000 (= € 152.520).

Let op!

Is de huur of pacht veel lager of hoger dan gebruikelijk? Bijvoorbeeld omdat u als ouder de woning aan uw kind verhuurt? Dan is het percentage van de WOZ-waarde altijd 62%.

Naar boven
12.3.2.6 De onroerende zaak valt onder erfpacht

Als de onroerende zaak onder erfpacht valt dan wordt de WOZ-waarde verminderd met de waarde van de toekomstige erfpachtcanons. De waarde van de toekomstige erfpachtcanons is 17x de waarde van de jaarlijkse erfpachtcanon. Als u online aangifte doet, dan berekenen wij dit voor u.

Verhuurt u een woning waarvan u de grond in erfpacht hebt en heeft de huurder recht op huurbescherming? Dan gaat het om een percentage van deze aangepaste WOZ-waarde volgens de 'Tabel waarde verhuurde of verpachte woning'.

Staat de verhuurde woning waarvan u het recht van erfpacht hebt buiten Nederland? En gelden in dat land vergelijkbare regelingen voor erfpacht en huurbescherming? Dan gaat het om een percentage van de aangepaste waarde in het economisch verkeer in onbewoonde en onverhuurde staat.

Voorbeeld
U verhuurt een woning vanaf 1 januari 2016 voor € 450 per maand. De woning heeft een WOZ-waarde van € 180.000. U betaalt jaarlijks € 300 erfpacht.

De WOZ-waarde wordt eerst verminderd met de waarde van de toekomstige erfpachtcanons. Dit berekent u door de jaarlijkse erfpachtcanon te vermenigvuldigen met 17: € 300 x 17= € 5.100. De aangepaste WOZ-waarde is dan € 180.000 - € 5.100 = € 174.900.

Vervolgens berekent u de jaarhuur door de huur van de eerste huurmaand in 2016 te vermenigvuldigen met 12. De jaarhuur is € 450 x 12 = € 5.400.

Bereken dan hoeveel procent de jaarhuur van de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2015 is: € 5.400 : (1% van € 174.900) = 3,09%.

Zoek in de eerste 2 kolommen van de tabel het percentage jaarhuur dat voor u geldt. Lees dan in de derde kolom af welk percentage van de WOZ-waarde daarbij hoort. 3,09% ligt tussen 3% en 4%. Daarbij hoort het percentage van 62. Voor deze verhuurde woning geldt dus een waarde van 62% van € 174.900.

De waarde van de verhuurde woning is: (62% x € 174.900 =) € 108.438.

Let op!

Kunt u aannemelijk maken dat de waarde in het economisch verkeer door de verhuur of verpachting minstens 10% lager is dan de berekening volgens bovenstaande tabel? Dan mag u van die lagere waarde uitgaan. Hiervoor geldt wel de voorwaarde dat sprake is van een zakelijke huur. U maakt die lagere waarde bijvoorbeeld aannemelijk door een taxatie van de waarde van de verhuurde woning per 1 januari 2015 aan ons door te geven.

Naar boven

12.3.3 Bankrekeningen

Bij bankrekeningen gaat om de waarde van uw bank- en spaartegoeden en premiedepots op 1 januari 2016. Het gaat hier ook om:

  • spaarloonrekeningen
    De vrijstelling daarvoor is in 2016 vervallen.

  • eventuele rekeningen buiten Nederland
    Het gaat hier dus ook om spaartegoeden waarvoor de Europese Spaarrenterichtlijn geldt. Zie het hoofdstuk 'Te verrekenen belasting' en dan 'Bronheffing op spaartegoeden buiten Nederland'.

  • een restant van een persoonsgebonden budget

De waarde van spaartegoeden hangt af van het tijdstip van rentebijschrijving.

Rente jaarlijks (of vaker) bijgeschreven

Wordt uw rente jaarlijks (of vaker) bijgeschreven? Geef dan toch het totaal van de tegoeden op 1 januari 2016 aan. Geef dus niet de opgebouwde rente aan die op 1 januari 2016 nog niet was bijgeschreven.

Rente minder vaak dan jaarlijks bijgeschreven

Wordt uw rente minder vaak dan jaarlijks bijgeschreven? Dan geeft u de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 2016 aan van het tegoed. Dit is meestal de waarde van het spaartegoed inclusief de rente die u tot 1 januari 2016 hebt opgebouwd.

Vorderingen: minder vaak dan jaarlijks rente bijgeschreven

Hebt u op 1 januari 2016 een vordering waarvan de rente minder vaak dan jaarlijks wordt bijgeschreven? Dan geeft u in box 3 de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 2016 aan van deze vordering. Dit is meestal de waarde van de vordering inclusief de rente die u tot 1 januari 2016 hebt opgebouwd.

Naar boven
12.3.3.1 Premiedepots

Een premiedepot is een (geblokkeerde) bankrekening waarvan het tegoed is bestemd voor het betalen van bijvoorbeeld verzekeringspremies. U moet het tegoed van het premiedepot op 1 januari 2016 aangeven als bezitting in box 3.

Naar boven
12.3.3.2 Vrijstelling spaarloonrekeningen vervallen

De vrijstelling voor spaartegoeden (spaarloonregeling) is vervallen. U moet de volledige waarde van dit spaartegoed daarom opgeven als een bezitting in box 3.

Ook de vrijstelling voor aandelen die onder een spaarloonregeling vielen, is vervallen. U moet de volledige waarde van deze aandelen opgeven als bezitting in box 3.

Naar boven
12.3.3.3 Restant van een persoonsgebonden budget

Een restant persoonsgebonden budget (pgb) is een budget dat u toegekend krijgt zodat u zelf uw zorgverleners kunt inhuren voor de zorg die u nodig hebt. Of om zelf uw hulpmiddelen aan te schaffen en voorzieningen te realiseren.

Hebt u op 1 januari 2016 nog een deel van uw persoonsgebonden budget op uw rekening staan? Dan hoort dit bedrag bij uw bank- en spaartegoeden.

Naar boven

12.3.4 Beleggingen

Bij beleggingen gaat het om bijvoorbeeld om:

  • aandelen, obligaties, winstbewijzen en opties die niet bij een aanmerkelijk belang horen

  • aandelen in beleggingsfondsen

  • het niet-vrijgestelde deel van uw groene beleggingen

Naar boven
12.3.4.1 Welke waarde moet u aangeven?

Hebt u aandelen, obligaties, winstbewijzen, opties of aandelen in beleggingsfondsen die genoteerd waren aan de effectenbeurs Euronext in Amsterdam? Geef dan de slotwaarden aan uit de Officiële Prijscourant die is uitgegeven door Euronext Amsterdam N.V. op de peildatum. Op 1 januari 2016 is dat de slotwaarde over 2015.

Waren de effecten niet genoteerd aan de effectenbeurs? Dan vermeldt u de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 2016.

Naar boven
12.3.4.2 Niet-vrijgesteld deel groene beleggingen

Groene beleggingen zijn beleggingen in fondsen die door ons zijn erkend en die investeren in projecten voor milieubescherming.

Als u op 1 januari 2016 groene beleggingen hebt, krijgt u  een vrijstelling tot maximaal € 57.213. Deze vrijstelling geldt voor de totale waarde van uw groene beleggingen. De waarde die boven deze vrijstelling uitkomt, telt mee als bezitting in box 3. Hebt u het hele jaar een fiscale partner? Dan is de vrijstelling € 114.426.

Naar boven

12.3.5 Niet-vrijgesteld deel van uw kapitaalverzekeringen

Verzekeringen die een kapitaal (een bedrag ineens) uitkeren bij leven of overlijden horen bij uw vermogen. U geeft de waarde aan van deze kapitaalverzekeringen die u hebt op 1 januari 2016.

Bij de volgende verzekeringen kunt u recht hebben op een vrijstelling:

  • een kapitaalverzekering die alleen uitkeert bij overlijden

  • een kapitaalverzekering die u hebt afgesloten op of voor 14 september 1999

Let op!

Een kapitaalverzekering eigen woning hoort niet bij uw vermogen. Deze kapitaalverzekering valt in box 1. Als de polis uitkeert geeft u het belastbaar deel van de uitkering aan. Zie 'Eigen woning en restschuld vroegere eigen woning'.

Naar boven
12.3.5.1 Kapitaalverzekering die alleen uitkeert bij overlijden

Hebt u een kapitaalverzekering die alleen uitkeert bij overlijden? Bijvoorbeeld een uitvaartverzekering die uitkeert in geld of in natura? Als het maximum verzekerde kapitaal niet meer is dan € 6.956 per verzekerde, hoeft u deze verzekering niet aan te geven. Het gaat om een verzekering die uitkeert bij overlijden van uzelf, uw fiscale partner of een bloed- of aanverwant, zoals uw kinderen, ouders, broers of zussen en hun echtgenoten.

Is het verzekerd kapitaal van een polis meer dan € 6.956? Dan hoort de waarde van die polis wel bij uw bezittingen. Was echter de waarde in het economisch verkeer van al uw polissen samen niet meer dan € 6.956? Dan hebt u recht op de vrijstelling en hoeft u de verzekering niet aan te geven.

Naar boven
12.3.5.2 Kapitaalverzekering die u hebt afgesloten vóór 15 september 1999 (géén kapitaalverzekering eigen woning)

Hebt u 1 of meer kapitaalverzekeringen afgesloten op of vóór 14 september 1999? En is na 13 september 1999 het verzekerd kapitaal of de premie niet verhoogd en de looptijd van de verzekering niet verlengd? Dan tellen de verzekeringen niet mee bij uw bezittingen als de gezamenlijke waarde van deze kapitaalverzekeringen op 1 januari 2016 € 123.428 of lager is. Is de waarde hoger? Dan telt alleen de waarde boven € 123.428 mee bij uw bezittingen in box 3. Hebt u het hele jaar een fiscale partner? Dan is de vrijstelling voor u samen € 246.856.

Is het verzekerde kapitaal of de premie na 13 september 1999 wel verhoogd? Dan mag u de vrijstelling alleen gebruiken als die verhoging plaatsvond op basis van een clausule die op 13 september 1999 al bestond. De vrijstelling vervalt als de looptijd van de verzekering na 13 september 1999 is verlengd.

Naar boven

12.3.6 Nettolijfrente en nettopensioen waarvoor geen vrijstelling geldt

Met ingang van 2015 bouwt u alleen pensioen op voor het deel van uw jaarloon dat lager of gelijk is aan € 101.519, verminderd met de zogenoemde AOW-franchise. Dit is het deel van het loon waarvoor u geen pensioen of lijfrente spaart, omdat u tot dat bedrag al AOW krijgt. Voor de aftrek van lijfrentepremies geldt hetzelfde maximum. De mogelijkheid om boven de € 101.519 pensioen en lijfrente op te bouwen, is vervallen. In plaats daarvan bestaat nu de regeling van de nettolijfrente en het nettopensioen.

Een nettolijfrente en een nettopensioen zijn vrijwillige spaarmogelijkheden voor mensen die meer dan € 101.519 verdienen. De premie die u betaalt over het deel van uw inkomen boven € 101.519 is niet aftrekbaar van het inkomen, maar de waarde over de opgebouwde rechten is vrijgesteld in box 3. Ook zijn de uitkeringen niet belast.

Over de waarde van uw nettolijfrente betaalt u geen belasting, zolang u zich houdt aan de voorwaarden van het contract. Één van deze voorwaarden is dat u per jaar niet meer betaalt dan een bepaald bedrag in de jaarruimte en/of reserveringsruimte voor de nettolijfrente. U mag betalen voor de nettolijfrente tot in het kalenderjaar waarin u de AOW-leeftijd bereikt.

Naar boven
12.3.6.1 Voor welke lijfrentes en pensioenen geldt een vrijstelling?

Er geldt een vrijstelling voor nettolijfrente en nettopensioen in box 3 als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • De opbouw is vrijwillig.

  • In de overeenkomst is opgenomen dat het een nettolijfrente betreft.

  • De premie heeft geheel op u gedrukt.

  • De premie is niet in aanmerking genomen als een aftrekbare lijfrentepremie.

  • De premie blijft binnen de fiscale grenzen.

  • De premie wordt niet voldaan na het jaar waarin u de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Naar boven
12.3.6.2 Wanneer vervalt de vrijstelling?

Als u zich niet houdt aan de fiscale voorwaarden, vervalt de vrijstelling van uw nettolijfrente of nettopensioen. U moet dan de waarde van de voormalige nettolijfrente of nettopensioen aangeven in box 3 op 1 januari van het volgende kalenderjaar. Het gaat om afkoop, vervreemding, zekerheidsstelling en gevallen waarin de lijfrente of het pensioen niet meer aan de voorwaarden voor het de vrijstelling voldoet.

Naar boven

12.3.7 Rechten op periodieke uitkeringen

Sinds 2009 vallen alle rechten op periodieke uitkeringen waarvan de premies op grond van de polis aftrekbaar kunnen zijn volledig in box 1. Dit geldt bijvoorbeeld voor lijfrenteverzekeringen. Het maakt niet meer uit of u de premies niet (of niet helemaal) hebt afgetrokken, omdat daarvoor als aanvullende voorwaarde geldt dat u niet genoeg jaarruimte of reserveringsruimte moet hebben. Als de premies op grond van de polis aftrekbaar kunnen zijn, geeft u de waarde van deze rechten dus niet aan bij uw bezittingen.

Rechten op periodieke uitkeringen waarvan de premies op grond van de polis niet aftrekbaar zijn in box 1, moet u wel aangeven bij uw bezittingen. U geeft van deze rechten de waarde aan in het economisch verkeer op 1 januari 2016.

Let op!

De waarde van rechten op periodieke uitkeringen die u hebt af gesloten vóór 14 september 1999 hoort ook niet bij uw bezittingen, omdat die rechten ook in box 1 horen.

Berekening waarde periodieke uitkeringen

Hoe berekent u de waarde van uw periodieke uitkeringen die u moet aangeven bij uw bezittingen in box 3? Er zijn 4 situaties mogelijk:

  • De periodieke uitkering is uitsluitend afhankelijk van een leven.

  • De periodieke uitkering is afhankelijk van 2 of meer levens én stopt op een bepaald tijdstip.

  • De periodieke uitkering is niet uitsluitend afhankelijk van een leven, maar vervalt ook na een bepaalde tijd.

  • De periodieke uitkering is niet afhankelijk van een leven.

Krijgt u een jaarlijkse periodieke uitkering in geld waarvan de hoogte onzeker is? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de geschatte gemiddelde jaarlijkse uitkering.

Krijgt u een uitkering die recht geeft op goederen in plaats van geld? Dan gaat u bij de berekening van de waarde van de jaarlijkse uitkering uit van de waarde in het economisch verkeer van die goederen.

Gaat het om een ander soort periodieke uitkering? Neem dan als waarde het bedrag waarvoor die uitkering op de peildatum kan worden gekocht.

Naar boven
12.3.7.1 Periodieke uitkering of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven

Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de duur uitsluitend afhankelijk is van een leven? Dan berekent u de waarde door de jaarlijkse uitkering te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor uit Tabel 1. U vindt de tabellen in Bijlage I.

  • Is de duur afhankelijk van het leven van 1 mannelijk persoon? Dan berekent u de waarde met Tabel 1.

  • Is de duur afhankelijk van het leven van 1 vrouwelijk persoon? Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum, min 5 jaar.

  • Is de duur afhankelijk van meer dan 1 leven en vervalt de uitkering bij overlijden van de langstlevende persoon? Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de jongste persoon, min 10 jaar.

  • Is de duur afhankelijk van meer dan 1 leven en vervalt de uitkering als de eerste persoon overlijdt? Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de oudste persoon, plus 5 jaar.

Naar boven
12.3.7.2 Periodieke uitkering afhankelijk van 2 of meer levens én stopt op een bepaald tijdstip.

Krijgt u een periodieke uitkering in geld maar is de duur afhankelijk van 2 levens én stopt de uitkering op een bepaald moment? Dan berekent u de waarde met Tabel 2, waarbij:

Is de duur afhankelijk van meer dan 1 leven en vervalt de uitkering bij overlijden van de langstlevende persoon? Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de jongste persoon, min 10 jaar.

Is de duur afhankelijk van meer dan 1 leven en vervalt de uitkering als de eerste persoon overlijdt? Dan berekent u de waarde ook met Tabel 1. U gaat dan uit van de leeftijd van de oudste persoon, plus 5 jaar.

U vindt de tabellen in Bijlage I.

Naar boven
12.3.7.3 Periodieke uitkering of vruchtgebruik niet uitsluitend afhankelijk van een leven, maar vervalt ook na een bepaalde tijd
  • Vermenigvuldig de jaarlijkse uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert.

  • Vermenigvuldig de uitkomst met een vermenigvuldigingsfactor. Doe dit als volgt:

    • Als de duur afhankelijk is van het leven van 1 mannelijk persoon, berekent u de waarde met Tabel 2.

    • Als de duur afhankelijk is van het leven van 1 vrouwelijk persoon, berekent u de waarde ook met Tabel 2. U gaat dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum, min 5 jaar.

U vindt de tabellen in Bijlage I.

Let op!

Als de uitkomst van deze berekening hoger is dan de uitkomst van de berekening met behulp van Tabel 1, gaat u uit van de uitkomst van Tabel 1.

Naar boven
12.3.7.4 Periodieke uitkering of vruchtgebruik niet afhankelijk van een leven

Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de duur niet afhankelijk is van een leven? En krijgt u die uitkering voor onbepaalde tijd? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met 24.

Krijgt u een periodieke uitkering in geld of hebt u een vruchtgebruik waarvan de duur niet afhankelijk is van een leven? En vervalt die uitkering na een bepaalde tijd? Dan vermenigvuldigt u de jaarlijkse uitkering met het aantal jaren dat de verzekering nog uitkeert. De uitkomst vermenigvuldigt u vervolgens met de vermenigvuldigingsfactor uit Tabel 3. U vindt de tabellen in Bijlage I.

De waarde die bij uw bezittingen meetelt, is maximaal 24 maal het bedrag van de jaarlijkse uitkering.

Naar boven

12.3.8 Contant geld

U moet ook contant geld dat u in huis hebt op 1 januari 2016 aangeven. Ook het saldo op een chipkaart en de waarde van cadeaubonnen en dergelijke horen bij contant geld. Hebt u buitenlands contant geld? Reken dan om naar de euro. Gebruik daarbij de koers op 1 januari 2016.

Naar boven
12.3.8.1 Vrijstelling

Voor contant geld geldt een vrijstelling tot € 520. Hebt u heel 2016 een fiscale partner? Dan is de vrijstelling € 1.040.

De vrijstelling voor contant geld tot € 520 geldt ook voor minderjarige kinderen.

Voorbeeld
U en uw fiscale partner hebben samen € 1.500 aan contant geld. U hebt 2 kinderen. 1 van de kinderen heeft € 600, het andere heeft € 300. De vrijstelling voor contant geld is dan €1.040 voor u en uw fiscale partner. Voor het eerste kind is de vrijstelling € 520. Voor het tweede kind is de vrijstelling € 300, omdat zijn bedrag niet boven het bedrag van de vrijstelling uitkomt.

In totaal telt dus € 540 mee bij uw bezittingen in box 3 (€ 1.500 - € 1.040 = € 460 voor u en uw fiscale partner en € 600 - € 520 = € 80 voor uw kind).

Naar boven

12.3.9 Uitgeleend geld (vorderingen)

Bij uw bezittingen horen ook de vorderingen die u hebt op 1 januari 2016. Het gaat hier om geld dat u tegoed hebt van anderen, bijvoorbeeld geld dat u hebt uitgeleend. Het kan ook gaan om een bezitting die u krijgt door een schenking op papier.

Bij de vorderingen horen niet:

  • spaartegoeden, obligaties en dergelijke

  • (toekomstige) belastingvorderingen en vorderingen premie volksverzekeringen
    Let op! Toeslagenvorderingen geeft u wel aan.

  • Een niet-opeisbare vordering uit een erfenis
    Deze is meestal vrijgesteld.

  • lopende (rente)termijnen met een looptijd van 1 jaar of korter, bijvoorbeeld de vordering van het loon over december als uw werkgever uw loon te laat betaalt.

Naar boven
12.3.9.1 Schenking op papier

Krijgt u een schenking op papier? Dan moet u deze vordering misschien aangeven als bezittingin box 3.

Een schenking op papier is alleen op papier vastgelegd. De schenker maakt dus geen geld over en het geld blijft ook van de schenker. De schenker heeft daardoor een schuld aan de ontvanger. De ontvanger kan het geld pas opeisen als de schenker overlijdt. We noemen een schenking op papier ook wel een schuldigerkenning uit vrijgevigheid.

Is de schenking bedoeld om na het overlijden te worden uitgevoerd? Dan moet u de schenking in een notariële akte vastleggen. Is de schenking bedoeld om op een later moment te worden uitgevoerd, maar wel voor het overlijden? Dan is voor de inkomstenbelasting voldoende dat u de schenking vastlegt in een onderhandse akte.

Voldoet de schenking aan deze voorwaarde? Dan moet u de schenking aangeven bij uw bezittingen. De schenker mag de schenking dan aangeven als schuld.

Welk waarde geeft u aan?

U geeft de waarde aan in het economisch verkeer. Voor die waarde is het van belang of er rente is overeengekomen en of het moment waarop de schenking wordt uitgevoerd bekend is.

Bent u een reële rente overeengekomen? Dan geeft u de nominale waarde aan. Bent u geen (of een te lage) rente overeengekomen? Dan geeft u de contante waarde aan. Ga voor de berekening van de contante waarde uit van het moment waarop de schenking wordt uitgevoerd.

Wordt de schenking uitgevoerd na het overlijden? Dan moet u het moment van uitvoering van de schenking schatten. Ga daarbij uit van uw levensverwachting.

Naar boven
12.3.9.2 Niet-opeisbare vorderingen uit een erfenis

Is 1 van uw ouders overleden? En waren zij getrouwd? Dan kunt u een niet-opeisbare vordering op de overgebleven ouder hebben gekregen. Dit kan ook als u de blote eigendom hebt gekregen van een bezitting waarvan de overgebleven ouder het vruchtgebruik heeft. U hoeft deze niet-opeisbare vordering niet aan te geven in box 3. De overgebleven ouder heeft dan een schuld aan u. Hij mag deze schuld ook niet aangeven in box 3.

Als uw ouders niet getrouwd waren, gelden voor deze vrijstelling extra voorwaarden. Uw ouders moeten dan op het moment van overlijden:

  • op hetzelfde adres zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP)
    Woonden uw ouders eerder samen, maar stonden zij op het moment van overlijden niet het hele jaar ingeschreven op hetzelfde adres? Dan geldt deze regeling ook als het samenwonen is beëindigd door een opname in een verpleeghuis of in een kliniek.

  • notarieel voor elkaar een zorgplicht hebben geregeld
    Dit moet ten minste 6 maanden voor het overlijden zijn geregeld.

Het maakt niet uit of het om een ouder of stiefouder gaat.

Naar boven

12.3.10 Overige bezittingen

Overige bezittingen die u moet aangeven in box 3 zijn:

  • uw aandeel in het vermogen van een Vereniging van Eigenaren (VvE)

  • uw aandeel in een onverdeelde boedel

  • vruchtgebruik of beperkte eigendom van een spaarrekening

  • vruchtgebruik of beperkte eigendom (zoals de blote eigendom) van een pand, landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928, bos of natuurterrein

  • roerende zaken die u verhuurt of als belegging hebt

  • rechten op roerende zaken, bijvoorbeeld het recht om een auto of caravan van een ander (niet uw werkgever) gratis het hele jaar te gebruiken

  • trustvermogen of een vergelijkbaar doelvermogen naar buitenlands recht (ook als u hieruit geen inkomsten had)

  • recht op het gebruik van een pand
    Het gaat om het recht op het gebruik van een pand waarvoor u minder dan 1 keer per jaar een zakelijke vergoeding betaalde. U betaalt bijvoorbeeld steeds de huur voor 5 jaar vooruit.

  • virtuele betaalmiddelen, zoals bitcoins

Bij de overige bezittingen horen bijvoorbeeld niet:

  • door een erfenis gekregen vruchtgebruik van de woning die uw hoofdverblijf is
    Dit valt onder uw eigen woning in box 1.

  • roerende zaken voor eigen gebruik of voor gebruik binnen het gezin, bijvoorbeeld uw eigen auto of de inboedel van uw woning

  • kunstvoorwerpen: deze zijn over het algemeen vrijgesteld

  • door een erfenis gekregen rechten op roerende zaken die u zelf gebruikte

Naar boven
12.3.10.1 Uw aandeel in het vermogen van een Vereniging van Eigenaren (VvE)

Bent u lid van een VvE, bijvoorbeeld omdat u een appartement hebt in een flatgebouw? Dan betaalt u aan de VvE een bijdrage voor onderhoudskosten, schoonmaakkosten en dergelijke. Door uw lidmaatschap hebt u ook een aandeel in het vermogen van de VvE.

U geeft uw aandeel aan in het vermogen van de VvE op 1 januari 2016.

Naar boven
12.3.10.2 Uw aandeel in een onverdeelde boedel

Krijgt u met 1 of meer anderen een erfenis? Dan is er, totdat deze erfenis verdeeld is, een onverdeelde boedel. Ook als u gaat scheiden of uit elkaar gaat kan er een onverdeelde boedel zijn.

Een boedel bestaat uit alle bezittingen en schulden én alle rechten en plichten die daarbij horen. Een onverdeelde boedel is een boedel die nog niet gescheiden en verdeeld is. De erfgenamen of rechthebbenden moeten ieder hun eigen deel van de onverdeelde boedel aangeven in de aangifte inkomstenbelasting.

Hoort bijvoorbeeld een verhuurde woning tot de onverdeelde boedel? Dan geeft u uw deel van deze woning aan bij overige onroerende zaken.

Voorbeeld
Een spaarrekening behoort tot de boedel die nog niet verdeeld is. Op deze spaarrekening staat op 1 januari € 1.000. Er zijn 2 erfgenamen.

Iedere erfgenaam geeft dan in zijn aangifte € 500 op als bezitting in box 3.

Gaat u scheiden? Dan is het afhankelijk van uw huwelijkse voorwaarden wat u in uw eigen aangifte moet invullen. Bent u bijvoorbeeld in gemeenschap van goederen getrouwd, dan geeft u 50% aan van de bezittingen die in de onverdeelde boedel zitten.

Naar boven
12.3.10.3 Vruchtgebruik of beperkte eigendom

Als u het recht hebt om het eigendom van een ander te gebruiken zonder dat u daar iets voor betaalt, kan er sprake zijn van vruchtgebruik. Bijvoorbeeld als u als ouder gratis in het huis van uw kind woont.

In de volgende situaties moet u het vruchtgebruik of beperkte eigendom aangeven:

  • vruchtgebruik of beperkte eigendom van een spaarrekening
    Zoals de blote eigendom: u was eigenaar, maar u had geen recht op de rente.

  • vruchtgebruik of beperkte eigendom (zoals de blote eigendom) van een pand, landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928, bos of natuurterrein
    Het gaat hier niet om de blote eigendom van een woning waarvan u, door een erfenis, de blote eigendom hebt gekregen maar de woning is voor een ander, de vruchtgebruiker, een eigen woning (zijn hoofdverblijf). Voorbeeld: u erft de blote eigendom van de woning waarin uw langstlevende ouder als vruchtgebruiker woont.

Berekening waarde van de blote eigendom

U gaat uit van de volle waarde van de bezittingen. De waarde van de blote eigendom is de volle waarde min de waarde van het vruchtgebruik. Zie 'Berekening van de waarde van het vruchtgebruik' hierna.

U geeft bijvoorbeeld de waarde van een vruchtgebruik in box 3 aan, als u de blote eigendom van uw woning hebt verkocht of geschonken, waarbij u het vruchtgebruik hebt gehouden. Andersom geeft u de waarde van de blote eigendom in box 3 aan als u deze hebt gekocht of verkregen.

Berekening van de waarde van het vruchtgebruik

De waarde van het vruchtgebruik berekent u door eerst de jaarlijkse uitkering te berekenen. Deze jaarlijkse uitkering wordt gesteld op 4% van de volledige waarde van de bezitting (waarde in het economisch verkeer). De jaarlijkse uitkering vermenigvuldigt u met de vermenigvuldigingsfactor, afhankelijk van de situatie die voor de vruchtgebruiker geldt. Hiervoor kunt u gebruikmaken van de tabellen in Bijlage I:

  • Tabel 1 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven

  • Tabel 2 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik niet uitsluitend afhankelijk van een leven

  • Tabel 3 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik niet afhankelijk van een leven

Naar boven

12.3.11 Welke bezittingen vallen niet in box 3?

Niet al uw bezittingen vallen in box 3. Daarnaast is een aantal bezittingen vrijgesteld. Dat wil zeggen dat u deze bezittingen nooit hoeft op te geven.

Het gaat om de volgende bezittingen:

  • de eigen woning die uw hoofdverblijf is
    Hiermee bedoelen we elke eigen woning die onder de eigenwoningregeling valt. Deze woning valt in box 1. Zie het hoofdstuk 'Eigen woning en restschuld vroegere eigen woning'.

  • door (buitenlands wettelijk) erfrecht verkregen vruchtgebruik van de woning die uw hoofdverblijf is
    Deze woning valt ook als eigen woning in box 1.

  • roerende zaken voor eigen gebruik of voor gebruik binnen het gezin
    Bijvoorbeeld uw eigen auto of de inboedel van uw woning.

  • het gespaarde bedrag van uw levensloopregeling

  • vermogen, zoals een pand, dat u ter beschikking stelt aan een met u verbonden persoon die dit gebruikt in zijn onderneming
    Het gaat dan bijvoorbeeld om uw partner of uw minderjarige kind (jonger dan 18 jaar). De inkomsten hieruit, zoals huur, horen bij uw inkomsten in box 1.

  • aandelen en dergelijke die bij een aanmerkelijk belang horen
    U hebt een aanmerkelijk belang als u minimaal 5% bezit van de aandelen, opties en winstbewijzen in een bv of nv. De inkomsten hieruit horen bij een aanmerkelijk belang in box 2.

  • een kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning
    Als de kapitaalverzekering tot uitkering komt, hoort het belastbare deel bij uw inkomsten in box 1. Zie het hoofdstuk 'Eigen woning en restschuld vroegere eigen woning' en dan 'Verzekeren of sparen voor de aflossing van uw hypotheek'.

  • voorwerpen van kunst en wetenschap, behalve als u deze vooral hebt als belegging

  • het vrijgestelde deel van uw nettopensioen of nettolijfrente

  • landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928, bossen of natuurterreinen
    Dit geldt alleen als u de volledige eigendomsrechten van het landgoed, bos of natuurterrein hebt. U kunt volledige eigendomsrechten samen met anderen hebben. Maar het mogen geen beperkte (zakelijke) rechten zijn zoals het recht van opstal of het vruchtgebruik. Beperkt eigendom of vruchtgebruik horen wel bij uw bezittingen in box 3. Ook als dit een landgoed is in de EU of EER én erkend is als Nederlands cultureel erfgoed. De gebouwde eigendommen op deze landgoederen moet u wel aangeven in box 3.

  • belastingvorderingen
    Let op! Toeslagenvorderingen geeft u wel aan.

  • niet-opeisbare vorderingen uit een erfenis.
    Deze is meestal vrijgesteld.

  • uw ondernemingsvermogen

  • het vermogen van uw (stamrecht) bv

Naar boven

12.4 Welke schulden vallen in box 3?

De volgende schulden vallen in box 3:

  • schulden voor consumptiedoeleinden, zoals voor een auto of een vakantie

  • negatief saldo op een bankrekening

  • schulden voor de financiering van aandelen (behalve aandelen die horen bij een aanmerkelijk belang), obligaties of rechten op periodieke uitkeringen

  • schulden voor de financiering van de tweede woning (bijvoorbeeld een vakantiehuisje) of overige onroerende zaken

  • schulden volgens de Wet studiefinanciering

  • te betalen erfbelasting

  • bedragen aan toeslagen die u moet terugbetalen

  • schenkingen op papier die u hebt verstrekt

U geeft voor uw schulden de waarde aan op 1 januari 2016. Voor schulden geldt een drempel van € 3.000. Hebt u heel 2016 een fiscale partner, dan is de drempel € 6.000.

Niet al uw schulden vallen in box 3. Hierover leest u meer bij 'Welke schulden vallen niet in box 3?'.

Van wie u de schulden moet aangeven hangt af van uw situatie. Zie 'Van wie geeft u de bezittingen en schulden aan'.

Let op!

Hebt u op 1 januari schulden in een andere valuta dan euro’s? Reken deze dan om naar euro’s. Gebruik hiervoor de wisselkoers van 1 januari 2016. U kunt deze vinden op de website van de Nederlandse Bank.

U woont buiten Nederland

Woont u buiten Nederland? Dan geeft u alleen de waarde aan van schulden die u hebt voor de volgende bezittingen in box 3:


In sommige situaties moet u de waarde van de schulden op de peildatum tijdsevenredig berekenen. Zie voor meer informatie het hoofdstuk 'U woont buiten Nederland'.

  • een tweede woning in Nederland, bijvoorbeeld een vakantiewoning

  • overige onroerende zaken in Nederland, bijvoorbeeld een woning die u verhuurde

  • overige bezittingen in Nederland zoals winstrechten op Nederlandse ondernemingen en rechten op onroerende zaken

Naar boven

12.4.1 Belastingschulden

Nederlandse belastingschulden geeft u normaal gesproken niet aan. Maar in deze gevallen kan dit wél:

  • U hebt vóór 1 oktober 2015 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangevraagd om in 2015 uw belastingschuld te betalen.

  • Wij hebben deze voorlopige aanslag niet of zo laat opgelegd dat u deze niet voor 1 januari 2016 kon betalen.

Het bedrag dat u aftrekt als belastingschuld mag niet hoger zijn dan het bedrag dat u volgens de voorlopige aanslag moet betalen. U moet dit bedrag wel binnen de betalingstermijn van de voorlopige aanslag betalen.

Nog te betalen erfbelasting mag u ook opgeven als belastingschuld.

Naar boven

12.4.2 Restant persoonsgebonden budget

Een restant persoonsgebonden budget (pgb) is een budget dat u toegekend krijgt zodat u zelf uw zorgverleners kunt inhuren voor de zorg die u nodig hebt. Of om zelf uw hulpmiddelen aan te schaffen en voorzieningen te realiseren.

Hebt u op 1 januari 2016 nog een deel van uw persoonsgebonden budget op uw rekening staan? Dan hoort dit bedrag bij uw bezittingen. Gaat het om een restant van uw persoonsgebonden budget van vóór 2016? En moet u dit (deels) terugbetalen aan uw zorgkantoor of wordt dit verrekend met uw persoonsgebonden budget over 2016? Dan hoort het bedrag dat u moet terugbetalen (of dat wordt verrekend) bij uw schulden op 1 januari 2016.

Naar boven

12.4.3 Schuld door schenking op papier

Hebt u een schenking gedaan op papier? Dan telt de waarde van deze schenking misschien mee bij uw schulden in box 3.

Een schenking op papier is alleen op papier vastgelegd. De schenker maakt dus geen geld over en het geld blijft ook van de schenker. De schenker heeft daardoor een schuld aan de ontvanger. De ontvanger kan het geld pas opeisen als de schenker overlijdt. We noemen een schenking op papier ook wel een schuldigerkenning uit vrijgevigheid.

Is de schenking bedoeld om na het overlijden te worden uitgevoerd? Dan moet u de schenking in een notariële akte vastleggen. Is de schenking bedoeld om op een later moment te worden uitgevoerd, maar wel voor het overlijden? Dan is voor de inkomstenbelasting voldoende dat u de schenking vastlegt in een onderhandse akte.

Voldoet de schenking aan deze voorwaarde? Dan mag u de schenking aangeven bij uw schulden. De ontvanger moet de schenking dan aangeven als bezitting.

Welk waarde geeft u aan?

U geeft de waarde aan in het economisch verkeer. Voor die waarde is het van belang of er rente is overeengekomen en of het moment waarop de schenking wordt uitgevoerd bekend is.

Bent u een reële rente overeengekomen? Dan geeft u de nominale waarde aan. Bent u geen (of een te lage) rente overeengekomen? Dan geeft u de contante waarde aan. Ga voor de berekening van de contante waarde uit van het moment waarop de schenking wordt uitgevoerd.

Wordt de schenking uitgevoerd na het overlijden? Dan moet u het moment van uitvoering van de schenking schatten. Ga daarbij uit van uw levensverwachting.

Naar boven

12.4.4 Welke schulden vallen niet in box 3?

De volgende schulden vallen niet in box 3:

  • (hypotheek)schulden voor uw eigen woning
    Hiermee bedoelen we elke eigen woning die onder de eigenwoningregeling valt. Deze eigenwoningschuld valt in box 1. Zie het hoofdstuk 'Eigen woning en restschuld vroegere eigen woning'.

  • restschulden, ontstaan na 28 oktober 2012, van een vroegere eigen woning
    Deze restschuld valt in box 1. Zie het hoofdstuk 'Eigen woning en restschuld vroegere eigen woning'.

  • schulden die niet opeisbaar zijn, omdat u de langstlevende echtgenoot bent

  • lopende termijnen van schulden met een looptijd korter dan 1 jaar, bijvoorbeeld de huur over december als u die te laat betaalt

  • bepaalde verplichtingen waarvan u de uitgaven als persoonsgebonden aftrek mag aftrekken

  • (toekomstige) Nederlandse belastingschulden en schulden premie volksverzekeringen (inclusief heffingsrente en invorderingsrente)
    Soms geldt voor belastingschulden een uitzondering. Zie 'Belastingschulden'.

  • ondernemingsschulden

Naar boven

12.5 Belasting betalen over uw inkomen in box 3

U betaalt inkomstenbelasting over uw bezittingen min uw schulden in box 3. Een deel daarvan is vrijgesteld. Dit deel noemen wij het heffingsvrij vermogen.

Het heffingsvrij vermogen is € 24.437. Hebt u heel het jaar een fiscale partner? Dan is uw gezamenlijke heffingsvrij vermogen € 48.874. Zie voor meer informatie over de berekening het hoofdstuk 'Belasting berekening'.

Naar boven

12.6 Bijlage I: tabellen berekening waarde periodieke uitkeringen en vruchtgebruik

Als u periodieke uitkeringen of vruchtgebruik hebt, kunt u de waarde hiervan berekenen met behulp van de tabellen hieronder. Welke tabellen u nodig hebt hangt af van de situatie. Zie 'Rechten op periodieke uitkeringen' en 'Vruchtgebruik of beperkte eigendom'.

Tabel 1 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik uitsluitend afhankelijk van een leven

Leeftijd op de peildatum *

Vermenigvuldigingsfactor

0 t/m 24 jaar

22

25 t/m 29 jaar

21

30 t/m 34 jaar

20

35 t/m 39 jaar

19

40 t/m 44 jaar

18

45 t/m 49 jaar

16

50 t/m 54 jaar

15

55 t/m 59 jaar

13

60 t/m 64 jaar

11

65 t/m 69 jaar

9

70 t/m 74 jaar

8

75 t/m 79 jaar

6

80 t/m 84 jaar

4

85 t/m 89 jaar

3

90 t/m 94 jaar

2

95 jaar en ouder

1

* Het gaat om de leeftijd van degene tijdens wiens leven de uitkering of het vruchtgebruik Als u het recht hebt om het eigendom van een ander te gebruiken zonder dat u daar iets voor betaalt, kan er sprake zijn van vruchtgebruik. Bijvoorbeeld als u als ouder gratis in het huis van uw kind woont. moet plaatsvinden. Is de duur afhankelijk van het leven van 1 vrouwelijk persoon? Ga dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum, min 5 jaar.

Tabel 2 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik niet uitsluitend afhankelijk van een leven

Let op!

De tabel bestaat uit 2 delen.

Tabel 2, deel 1

Leeftijd op de peildatum*  

1e
vijftal jaren

2e
vijftal jaren

3e
vijftal jaren

4e
vijftal jaren

5e
vijftal jaren

6e
vijftal jaren

7e
vijftal jaren

0 t/m 19 jaar

0,91

0,74

0,61

0,50

0,41

0,33

0,27

20 t/m 24 jaar

0,91

0,74

0,61

0,50

0,40

0,33

0,26

25 t/m 29 jaar

0,91

0,74

0,61

0,49

0,40

0,32

0,25

30 t/m 34 jaar

0,91

0,74

0,60

0,49

0,39

0,30

0,23

35 t/m 39 jaar

0,90

0,74

0,59

0,48

0,37

0,28

0,20

40 t/m 44 jaar

0,90

0,73

0,58

0,46

0,35

0,25

0,16

45 t/m 49 jaar

0,90

0,72

0,56

0,43

0,30

0,20

0,11

50 t/m 54 jaar

0,89

0,70

0,53

0,38

0,24

0,14

0,06

55 t/m 59 jaar

0,88

0,67

0,48

0,31

0,17

0,08

0,02

60 t/m 64 jaar

0,87

0,62

0,40

0,22

0,10

0,03

0,00

65 t/m 69 jaar

0,84

0,54

0,30

0,14

0,04

0,01

 

70 t/m 74 jaar

0,80

0,45

0,20

0,06

0,01

0,00

 

75 t/m 79 jaar

0,74

0,33

0,10

0,02

0,00

 

 

80 t/m 84 jaar

0,65

0,20

0,03

0,00

 

 

 

85 t/m 89 jaar

0,54

0,08

0,00

 

 

 

 

90 t/m 94 jaar

0,40

0,02

 

 

 

 

 

95 t/m 100 jaar

0,27

0,00

 

 

 

 

 

101 jaar en ouder

0,18

 

 

 

 

 

 

Tabel 2, deel 2

Leeftijd op de peildatum*  

8e
vijftal jaren

9e
vijftal jaren

10e
vijftal jaren

11e
vijftal jaren

12e
vijftal jaren

volgende jaren

0 t/m 19 jaar

0,21

0,17

0,13

0,09

0,06

0,03

20 t/m 24 jaar

0,20

0,15

0,11

0,07

0,04

0,02

25 t/m 29 jaar

0,19

0,13

0,09

0,05

0,02

0,01

30 t/m 34 jaar

0,16

0,11

0,06

0,03

0,01

0,00

35 t/m 39 jaar

0,13

0,07

0,03

0,01

0,00

 

40 t/m 44 jaar

0,09

0,04

0,01

0,00

 

 

45 t/m 49 jaar

0,05

0,01

0,00

 

 

 

50 t/m 54 jaar

0,02

0,00

 

 

 

 

55 t/m 59 jaar

0,00

 

 

 

 

 

60 t/m 64 jaar

 

 

 

 

 

 

65 t/m 69 jaar

 

 

 

 

 

 

70 t/m 74 jaar

 

 

 

 

 

 

75 t/m 79 jaar

 

 

 

 

 

 

80 t/m 84 jaar

 

 

 

 

 

 

85 t/m 89 jaar

 

 

 

 

 

 

90 t/m 94 jaar

 

 

 

 

 

 

95 t/m 100 jaar

 

 

 

 

 

 

101 jaar en ouder

 

 

 

 

 

 

* Het gaat om de leeftijd van degene tijdens wiens leven de uitkering of het vruchtgebruik. Als u het recht hebt om het eigendom van een ander te gebruiken zonder dat u daar iets voor betaalt, kan er sprake zijn van vruchtgebruik. Bijvoorbeeld als u als ouder gratis in het huis van uw kind woont. moet plaatsvinden. Is de duur afhankelijk van het leven van 1 vrouwelijk persoon? Ga dan uit van de leeftijd van die persoon op de peildatum, min 5 jaar.

Dit geldt niet voor de berekening van verplichte kinderalimentatie.

Tabel 3 Vermenigvuldigingsfactor periodieke uitkeringen of vruchtgebruik niet afhankelijk van een leven

Periode

Vermenigvuldigingsfactor

1e vijftal jaren

0,91

2e vijftal jaren

0,75

3e vijftal jaren

0,61

4e vijftal jaren

0,50

5e vijftal jaren

0,41

6e vijftal jaren

0,34

7e vijftal jaren

0,28

8e vijftal jaren

0,23

9e vijftal jaren

0,19

10e vijftal jaren

0,16

11e vijftal jaren

0,13

12e vijftal jaren

0,11

volgende jaren

0,09

Naar boven