Wanneer geldt de wettelijke verdeling?

De zogenoemde wettelijke verdeling geldt als de overledene op het moment van overlijden getrouwd was (of geregistreerd partners) en 1 of meer kinderen had. Het gaat om kinderen die eigen kinderen waren door geboorte of erkenning of geadopteerde kinderen. Pleegkinderen en stiefkinderen zijn erfgenaam als dit is opgenomen in een testament.

Let op!
Waar 'echtgenoot van de overledene' staat, bedoelen wij 'de echtgenoot of geregistreerd partner van de overledene'. Dit noemen wij ook wel de 'langstlevende ouder'.

Wat is het gevolg van een wettelijke verdeling?

Bij een wettelijke verdeling zijn de echtgenoot van de overledene en de kinderen voor gelijke delen erfgenaam. Maar de hele erfenis (bezittingen en schulden) gaat direct naar de echtgenoot van de overledene. De kinderen hebben wel recht op een deel van de erfenis - hun wettelijk erfdeel - maar zij krijgen dit nog niet. Hun erfdeel wordt omgerekend in geld. Zij krijgen dit pas als de langstlevende ouder overlijdt.

Door de wettelijke verdeling heeft de langstlevende ouder een schuld aan de kinderen. Voor de kinderen is dit een vordering op de langstlevende ouder. De waarde van deze schuld en vordering moet worden berekend.

Onder het kopje 'Meer informatie' vindt u een voorbeeld van de wettelijke verdeling en uitleg over hoe de erfbelasting wordt berekend over de vordering/schuld.

Wie moet aangifte doen?

Bij een wettelijke verdeling moeten zowel de langstlevende ouder als de kinderen aangifte doen voor de erfbelasting, tenminste - als hun erfdeel hoger is dan de vrijstelling.

Wie betaalt de erfbelasting?

De langstlevende ouder betaalt meestal de erfbelasting voor de kinderen. Dat vermindert dan zijn schuld aan de kinderen.

Kan de langstlevende ouder de erfbelasting (voor zichzelf en voor de kinderen) niet betalen, omdat de erfenis hoofdzakelijk uit een woning bestaat? Dan kunt u na ontvangst van de aanslag uitstel van betaling aanvragen. Soms kunt u al in de aangifte uitstel aanvragen. Daarover leest u dan meer in de aangifte.

Erfdeel van de kinderen eerder uitbetalen?

Als de langstlevende ouder ervoor kiest om het erfdeel van de kinderen eerder uit te betalen, is dit een schenking.

Over het verschil tussen de lagere waarde van de vordering en het uitbetaalde erfdeel moet uw kind misschien schenkbelasting betalen, als het bedrag boven de vrijstelling uitkomt. Uw kind moet dan aangifte schenkbelasting doen.

Meer informatie

  • Voorbeeld van de wettelijke verdeling

    Voorbeeld
    Een overledene laat een echtgenoot en 2 kinderen achter. Het echtpaar had een woning met een waarde van € 300.000 en € 60.000 spaargeld. Het echtpaar had geen afspraken gemaakt over huwelijkse voorwaarden. Er is geen testament. De ene helft van alle bezittingen is van de overledene en de andere helft is van de echtgenoot. Door het overlijden wordt de helft van de waarde van de woning plus de helft van de waarde van het spaargeld verdeeld, dit is € 150.000 + € 30.000 = € 180.000.

    De erfenis is € 180.000. Er zijn 3 erfgenamen: de echtgenoot en de 2 kinderen. Elke erfgenaam krijgt 1/3 deel van de erfenis. Zij erven dus ieder € 60.000. Maar de hele erfenis gaat direct naar de echtgenoot van de overledene. Deze langstlevende ouder heeft dan een schuld van € 60.000 aan elk kind. En elk kind heeft een vordering op de langstlevende ouder van € 60.000.

    De kinderen krijgen hun erfdeel pas uitbetaald na het overlijden van de langstlevende ouder. Tot die tijd heeft de langstlevende ouder een woning van € 300.000, € 60.000 spaargeld en een totale schuld van € 120.000 aan de 2 kinderen. De 2 kinderen moeten allebei erfbelasting betalen over de waarde van de vordering van € 60.000. Deze waarde is lager dan € 60.000, omdat de kinderen dan nog niet over het geld kunnen beschikken.

    Als ook de langstlevende ouder overlijdt, krijgt elk kind eerst de € 60.000 die al van hem was. Over dat bedrag hebben zij al erfbelasting betaald, dus dat hoeven ze niet nog eens te doen. De erfenis van de langstlevende ouder is (€ 180.000 + € 60.000) = € 240.000. Hiervan krijgt elk kind € 120.000. Over dit bedrag moeten zij nu erfbelasting betalen.

  • Berekening erfbelasting over een vordering/schuld bij een wettelijke verdeling

    Voor de berekening van de erfbelasting wordt het erfdeel van de langstlevende ouder met een voordeel vermeerderd. En het erfdeel van het kind wordt met dit erfdeel verminderd.

    De waarde van het voordeel is afhankelijk van:

    • een eventueel afgesproken rente
    • de leeftijd van de langstlevende ouder

      Als de eerste ouder vrij jong overlijdt, is het nadeel dat de kinderen hebben groter. Zij moeten immers langer wachten tot zij hun vordering kunnen opeisen. Hoe ouder de langstlevende ouder is, hoe kleiner dit nadeel. De factor die bepaalt hoe groot dit nadeel is voor de kinderen, en dus het voordeel voor de langstlevende, staat in de tabel 'Vermenigvuldigingsfactor bij variabele looptijd'.

    Tabel: Vermenigvuldigingsfactor bij variabele looptijd

    Leeftijd

    Factor

    Jonger dan 20 jaar

    16

    Van 20 tot 30 jaar

    15

    Van 30 tot 40 jaar

    14

    Van 40 tot 50 jaar

    13

    Van 50 tot 55 jaar

    12

    Van 55 tot 60 jaar

    11

    Van 60 tot 65 jaar

    10

    Van 65 tot 70 jaar

    8

    Van 70 tot 75 jaar

    7

    Van 75 tot 80 jaar

    5

    Van 80 tot 85 jaar

    4

    Van 85 tot 90 jaar

    3

    Ouder dan 90 jaar

    2

    Geen rente afgesproken? Dan geldt de wettelijke vastgestelde rente

    De waarde van het voordeel per jaar is wettelijk vastgesteld op 6%. Met deze rente en de factor uit de tabel berekenen we over welk bedrag belasting betaald moet worden. Dat is 6% van het erfdeel, vermenigvuldigd met de factor uit de leeftijdstabel.

    Voorbeeld 1
    Jan (67) overlijdt en er is geen testament. Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd met Ans (66) en ze hebben 2 kinderen. Samen hadden zij € 600.000 aan bezittingen.

    Doordat Jan en Ans in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, is de nalatenschap de helft: € 300.000. De nalatenschap bestaat uit 3 gelijke erfdelen van € 100.000: 1 erfdeel van Ans, 1 erfdeel van het eerste kind en 1 erfdeel van het tweede kind.

    De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan € 100.000 x 6% x factor 8 = € 48.000. De erfbelasting voor de kinderen wordt dan berekend over € 100.000 - € 48.000 = € 52.000. De erfbelasting voor Ans wordt berekend over € 100.000 + 2 x € 48.000 = € 196.000.

    Voorbeeld 2
    Hans (67) overlijdt en er is geen testament. Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd met Anne (66) en ze hebben 1 zoon, Johan. Samen hadden zij € 500.000 aan bezittingen.

    Doordat Hans en Anne in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, is de nalatenschap de helft: € 250.000. De nalatenschap bestaat uit 2 gelijke erfdelen van € 125.000 : 1 erfdeel van Anne en 1 erfdeel van Johan.

    De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan € 125.000 x 6% x factor 8 = € 60.000. De erfbelasting van Johan wordt berekend over € 125.000 - € 60.000 = € 65.000. Anne betaalt erfbelasting over € 125.000 + € 60.000 = € 185.000.

    Afwijkende rente

    Let op!

    Neem bij vragen over dit onderwerp contact op met een belastingconsulent of notaris.

    In voorbeeld 2 krijgt zoon Johan bij het overlijden van zijn vader Hans een vordering op zijn moeder Anne van € 125.000. Maar zijn erfbelasting wordt berekend over € 65.000. Als aan het vermogen niks veranderd is, krijgt hij bij het overlijden van Anne € 500.000 - € 125.000 = € 375.000. Over dat bedrag berekenen wij dan erfbelasting.

    Omdat de verkrijging van Johan in de eerste tariefschijf valt, geldt bij het overlijden van Anne het 20%-tarief. Dit kan soms voorkomen worden door een rente af te spreken. Als Anne over de vordering jaarlijks een rente van 5% betaalt, groeit de vordering in 10 jaar met 10 x € 125.000 x 5% = € 62.500 tot € 187.500.

    Als Anne dan na 10 jaar overlijdt, is de verkrijging uit haar nalatenschap nog maar € 500.000 – € 187.500= € 312.500. Dit is een besparing in de erfbelasting van € 62.500 x 20% = € 12.500.

    Maar hoe werkt deze rente bij het overlijden van Hans? Bij het overlijden van Hans kreeg Johan een vordering. Als Johan een rentevergoeding van zijn moeder Anne ontvangt, krijgt hij feitelijk al het genot van het stukje erfenis. Tegelijkertijd wordt ook het voordeel van Anne minder. Zij moet namelijk een rentevergoeding betalen.

    Het jaarlijkse voordeel wordt in dit geval gesteld op de 6%, verminderd met het samengestelde rentepercentage dat is afgesproken. Dit verschil wordt vervolgens vermenigvuldigd met de leeftijdsfactor. Is er sprake van een enkelvoudige rente? Dat betekent dat de rente alleen wordt berekend over de hoofdsom. Dan moet deze enkelvoudige rente eerst worden omgerekend naar een samengestelde rente, zodat er ook rente wordt berekend over de rente. Dit gebeurt aan de hand van de statistische levensverwachting volgens het CBS.

    Voorbeeld (geen rente)
    Peter (57) overlijdt en laat zijn vrouw Inge (60) en een dochter Pauline na. De nalatenschap is € 300.000. Inge en Pauline erven voor gelijke delen. De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan € 150.000 x 6% x factor 10 = € 90.000. De verkrijging van Pauline voor de erfbelasting is dan € 150.000 - € 90.000 = € 60.000, de verkrijging van Inge is € 150.000 + € 90.000 = € 240.000. Als Inge 20 jaar later overlijdt is het vermogen aangegroeid tot € 500.000. De verkrijging voor de erfbelasting bij het overlijden van Inge is dan € 500.000 - € 150.000 = € 350.000.

    Voorbeeld (met rente)
    Peter (57) overlijdt en laat zijn vrouw Inge (60) en een dochter Pauline na. De nalatenschap is € 300.000. In het testament staat dat er sprake is van een ouderlijke boedelverdeling, met een enkelvoudige rente van 7%.

    Allereerst moet de 7% enkelvoudige rente omgerekend worden naar een samengestelde rente. De statistische levensverwachting van Inge is 24,7 jaar. Een enkelvoudige rente van 7% komt overeen met een samengestelde rente van 4.2%. Het verschil met de wettelijke 6% is dan 1,8%.

    De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan € 150.000 x 1,8% x factor 10 = € 27.000. De verkrijging van Pauline voor de erfbelasting is dan € 150.000 - € 27.000 = € 123.000, de verkrijging van Inge is € 150.000 + € 27.000 = € 177.000.

    Als Inge 20 jaar later overlijdt is het vermogen aangegroeid tot € 500.000. Doordat er een rente is afgesproken is de vordering gegroeid met € 150.000 x 7% x 20 = € 210.000 en is dan in totaal € 210.000 + € 150.000 = € 360.000. De verkrijging voor de erfbelasting bij het overlijden van Inge is dan € 500.000 - € 360.000 = € 140.000.

    Bovenmatige rente

    Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat het voordelig kan zijn om een hoge rente af te spreken. Wanneer er te hoge rentes worden afgesproken, kent de wet een beperking. Als er een rente wordt afgesproken die hoger is dan een samengestelde rente van 6%, dan wordt dit alsnog bij het overlijden van de langstlevende fictief belast. Er wordt dan een bijtelling toegepast op de verkrijging van de kinderen.

    Voorbeeld (6% samengestelde rente)
    Hans is getrouwd met Henrieke. De huwelijkse gemeenschap heeft bij het overlijden van Hans een waarde van € 1.200.000 en er zijn 2 kinderen. De rente uit het testament is op 6% samengestelde rente bepaald. De nalatenschap van Hans is € 600.000. Henrieke krijgt het vermogen en de beide kinderen een vordering op Henrieke van ieder € 200.000.

    Als Henrieke 10 jaar later overlijdt, is de schuld door de rente opgelopen met € 316.000. Als het vermogen gelijk is gebleven, is Henrieke’s nalatenschap € 1.200.000 - € 400.000 - € 316.000 = € 484.000. Elk kind krijgt dus de helft van € 484.000 = € 242.000.

    Voorbeeld
    Hans is getrouwd met Henrieke. De huwelijkse gemeenschap heeft bij het overlijden van Hans een waarde van € 1.200.000 en er zijn 2 kinderen. De rente uit het testament is op 8% samengestelde rente bepaald. De nalatenschap van Hans is € 600.000. Henrieke krijgt het vermogen en de beide kinderen een vordering op Henrieke van ieder € 200.000.

    Als Henrieke 10 jaar later overlijdt, is de schuld door de rente opgelopen met € 463.000. Met een rentepercentage van 6% zou deze toename € 316.000 zijn geweest, een verschil van € 147.000. Als het vermogen gelijk is gebleven, is Henrieke’s nalatenschap € 1.200.000 - € 400.000 - € 463.000 = € 337.000. Elk kind krijgt dus de helft van € 337.000 = € 168.500. Maar de bovenmatige rentevergoeding wordt voor de berekening daar nog bij opgeteld. Dit maakt de verkrijging per kind € 168.500 +  € 73.500 (de helft van € 147.000 ) = € 242.000.

Javascript staat uit in deze internetbrowser. U moet Javascript activeren om onze internetsite te zien.