Hoe berekent u het bedrag van de afschrijving?
Om te kunnen afschrijven op een bedrijfsmiddel, moet u het bedrag bepalen dat u jaarlijks mag afschrijven. Daarvoor hebt u 3 gegevens nodig:
- de aanschafkosten
Die aanschafkosten bestaan uit de aanschafprijs:- plus de aankoopkosten
Bijvoorbeeld de notariskosten bij aankoop van onroerend goed. - plus de installatiekosten en de kosten van het bedrijfsklaar maken
Bijvoorbeeld de kosten van plaatsing van het bedrijfsmiddel door een ander dan de leverancier. - min kortingen en subsidies, ook als u die achteraf krijgt
- plus de aankoopkosten
- de restwaarde
Dat is de waarde die het bedrijfsmiddel vermoedelijk nog zal hebben op het moment dat u het niet meer kunt gebruiken voor uw onderneming. Voor het bepalen van de restwaarde kunt u overleggen met de leverancier van het bedrijfsmiddel. Die kan meestal goed inschatten wat het bedrijfsmiddel na verloop van tijd nog waard is. - de vermoedelijke gebruiksduur (in hele jaren)
In principe is dat de technische levensduur van het bedrijfsmiddel, dus de periode totdat het helemaal versleten is. Maar u mag uitgaan van de economische levensduur als die korter is dan de technische levensduur. De economische levensduur van een bedrijfsmiddel is verstreken als het geen economisch nut meer heeft voor uw onderneming, ook al is het technisch nog in goede staat. Een laptop kan bijvoorbeeld technisch wel 10 jaar mee, maar kan na 5 jaar geen economisch nut meer hebben omdat er betere/snellere modellen op de markt zijn gekomen of omdat nieuwe software niet goed draait op de laptop.
Aanschafkosten inclusief of exclusief btw?
Of u afschrijft over de aanschafkosten inclusief of exclusief btw, hangt ervan af of u recht hebt op aftrek van btw:
- Hebt u recht op aftrek van btw bij de aanschaf van het bedrijfsmiddel? Dan schrijft u voor uw winstberekening af over de aanschafkosten exclusief btw. Want de btw vraagt u apart terug.
- Hebt u geen recht op btw-aftrek? Dan schrijft u af over de aanschafkosten inclusief btw.
Afschrijving berekenen
Er zijn verschillende manieren om de afschrijving te berekenen. U kunt bijvoorbeeld per jaar een vast percentage afschrijven van het verschil tussen de aanschafkosten en de restwaarde. De afschrijving is per jaar maximaal 20% van de aanschafkosten van het bedrijfsmiddel. Voor goodwill geldt een percentage van maximaal 10%.
De formule voor deze berekening van de afschrijving is: afschrijving per jaar = (aanschafkosten - restwaarde) : vermoedelijke gebruiksduur.
Verkoopwinst of verkoopverlies
Verkoopt u een bedrijfsmiddel voor een ander bedrag dan de boekwaarde die het op dat moment heeft? Dan geeft u het verschil tussen de verkoopprijs en de boekwaarde op als winst of verlies.
Bekijk de voorbeelden:
-
Voorbeeld 1 – verkoop voor einde vermoedelijke gebruiksduur
U koopt een machine met een vermoedelijke gebruiksduur van 10 jaar. Na 8 jaar afschrijving heeft de machine een boekwaarde van € 10.000. Als u de machine op dat moment verkoopt voor € 11.500, dan geeft u € 1.500 op als verkoopwinst. Verkoopt u de machine voor € 7.500, dan geeft u een verlies op van € 2.500.
-
Voorbeeld 2 – verkoop na einde vermoedelijke gebruiksduur
U koopt een machine. De vermoedelijke gebruiksduur is 10 jaar en de restwaarde na die 10 jaar is € 5.000. Daarna mag u niet meer afschrijven, omdat de restwaarde is bereikt.
In de praktijk blijkt u de machine langer dan 10 jaar te gebruiken, namelijk 12 jaar. Als u de machine na 12 jaar verkoopt voor € 7.000, dan geeft u € 2.000 op als verkoopwinst. Levert de machine maar € 3.500 op, dan geeft u een verlies op van € 1.500.
Afschrijving bedrijfspand
De afschrijving op bedrijfspanden wijkt af van de afschrijving op andere bedrijfsmiddelen. U schrijft af over het deel van een eigen pand dat u voor uw onderneming gebruikt. Gebruikt u het hele pand voor uw onderneming, dan kunt u dus over het hele pand afschrijven.